Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BU5336

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
24-11-2011
Datum publicatie
28-11-2011
Zaaknummer
10/3206 Alkmaar
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BX6492, Overig
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:875, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toekenning planschadeverzoek op grond van de Wro. Beroep daartegen ingesteld door degene die een planschadeovereenkomst met de gemeente heeft gesloten. Belanghebbende. Juiste planvergelijking. Gezien de omvang van het woongebouw is komen vast te staan dat dit gebouw planologisch gezien een ingrijpender invloed heeft dan hetgeen op grond van de maximale invulling van het planologische regime ter plaatse gebouwd mag worden. In artikel 6.2, tweede lid, Wro is een wettelijk minimum opgenomen. De bewijslast dat een groter deel van de schade dan 2% van de waarde van de onroerende zaak niet voor vergoeding in aanmerking komt, rust op degene die deze stelling inneemt. Niet gedegen is gemotiveerd dat een groter deel binnen het normaal maatschappelijk risico valt. De omstandigheid dat het bouwplan is gelegen in het centrumgebied, is hiervoor onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/3206

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 november 2011 in de zaak tussen:

de Stichting Esdégé-Reigersdaal, te [plaatsnaam], eiseres

(gemachtigde E. Wiarda),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heiloo, verweerder

(gemachtigde L. Bas).

Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen: [naam ], te [plaats].

Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van derde-partij om tegemoetkoming in planschade op basis van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) toegekend.

Bij besluit van 8 november 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2011. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is verschenen.

Overwegingen

1.1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Op 15 september 2008 is eiseres met de gemeente Heiloo overeengekomen dat de gemeente medewerking zal verlenen aan het door haar ingediende bouwplan, bestaande uit de bouw van een woonvoorziening voor verstandelijk gehandicapten op het perceel [adres] te [plaats]. Eiseres heeft zich verbonden om de uit de herziening of vrijstelling van het bestemmingsplan voortvloeiende voor vergoeding in aanmerking komende planschade volledig aan de gemeente te compenseren.

1.2. Bij besluit van 27 januari 2009 heeft verweerder aan eiseres bouwvergunning en vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) voor de woonvoorziening verleend. Het gebouw heeft drie woonlagen en bestaat uit twaalf cliënteenheden en bijbehorende ondersteunende ruimten. Op 27 maart 2009 heeft derde-partij, eigenaar van een appartement op de eerste verdieping dat is gelegen tegenover de bouwlocatie, verzocht om tegemoetkoming in planschade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van het vrijstellingsbesluit. Derde-partij heeft aan dat verzoek ten grondslag gelegd dat met name vanwege de hoogte van de te realiseren bebouwing haar privacy wordt aangetast en dat sprake is van verlies van uitzicht en zon- en lichtinval.

Verweerder heeft dit verzoek behandeld conform de Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade en een adviseur opdracht verstrekt om naar aanleiding van dit verzoek advies uit te brengen. Van Oosten Planschade Advies B.V. (hierna: Van Oosten) heeft als adviseur gediend voor verweerder. Van Oosten heeft in zijn rapport van 16 december 2009 geadviseerd aan derde-partij een tegemoetkoming in de schade van € [bedrag], vermeerderd met de wettelijke rente, toe te kennen. Verweerder heeft dienovereenkomstig besloten.

2.1. Bij de beoordeling van deze zaak is de volgende wet- en regelgeving van belang.

2.2. Het verzoek van derde-partij is bij verweerder ingediend op 27 maart 2009. Op 27 januari 2009 heeft verweerder het vrijstellingbesluit, als gevolg waarvan derde-partij schade stelt te hebben geleden, genomen. Het vrijstellingsbesluit is nadien onherroepelijk geworden. Daarom is in dit geval afdeling 6.1 van de Wro, inclusief artikel 6.2, tweede lid, van toepassing.

2.3. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kent het college van burgemeester en wethouders (het college) degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 6.1, tweede lid, van de Wro, in samenhang met de artikelen 1.5, eerste lid, van de Invoeringswet Wabo en 9.1.10, tweede lid, van de Invoeringswet Wro, is een vrijstellingsbesluit als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO een oorzaak, als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, van de Wro blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.

Artikel 6.2, tweede lid, van de Wro bepaalt - voor zover hier van belang – dat van schade in de vorm van een waardevermindering van de waarde van een onroerende zaak in ieder geval voor rekening van de aanvrager blijft een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade.

3. Verweerder heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 10 maart 2010 ten grondslag gelegd dat derde-partij door de planologische maatregel in een nadeliger positie is gekomen waaruit op grond van artikel 6.1 van de Wro voor vergoeding vatbare schade in de vorm van waardevermindering is voortgevloeid. Volgens verweerder heeft het vrijstellingsbesluit tot gevolg dat voor derde-partij het uitzicht vanuit haar woning in noordwestelijke richting vermindert en dat sprake is van toegenomen aantasting van de privacy. Verweerder heeft zich, in navolging van het advies van Van Oosten, op het standpunt gesteld dat derde-partij daarom in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in de schade van € [bedrag], vermeerderd met de wettelijke rente.

4. Eiseres betoogt dat in het advies van Van Oosten een onjuiste planvergelijking is gemaakt. Hiertoe brengt zij naar voren dat geen vrijstelling is verleend voor bebouwing op de gronden met de bestemming “Verblijfsdoeleinden –Vb-”, terwijl daarmee in het advies ten onrechte wel rekening is gehouden. Zij voert verder aan dat in het advies de bebouwingsmogelijkheden uit het bestemmingsplan onvoldoende zijn meegenomen. Op grond van het bestemmingsplan bestaat de mogelijkheid om bouwwerken aan de overzijde van de woning van derde-partij te bouwen. Eiseres wijst in dit verband op de bestemming “Tuin of onbebouwd erf -T-” op grond waarvan bouwwerken tot een hoogte van 1 meter kunnen worden gebouwd. Daarnaast wijst zij op de tussenliggende bestemming “Verblijfsdoeleinden -Vb-” op grond waarvan gebouwen, zoals abri’s, telefooncellen en nutsgebouwen, met een inhoud van 25 m³ en een hoogte van 3 meter kunnen worden gebouwd. Verder mag straatmeubilair tot een hoogte van 12 meter worden gebouwd. Volgens eiseres beperken deze bouwwerken het uitzicht in noordwestelijke richting in aanzienlijke mate en is gelet daarop geen sprake van een planologische verslechtering. Eiseres meent verder dat door de bebouwingsmogelijkheden de privacy niet of nauwelijks wordt aangetast. Eiseres betoogt daarnaast dat verweerder ten onrechte slechts toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 6.2, tweede lid, van de Wro. Zij is van mening dat, als er al sprake zou zijn van planschade, deze binnen het normaal maatschappelijk risico valt. Daartoe brengt zij naar voren dat, nu sprake is van bebouwing in het centrumgebied van Heiloo, waar rekening dient te worden gehouden met verdichting van bebouwing, door verweerder een hoger percentage dan 2% gehanteerd had moeten worden.

5.1. De rechtbank stelt vast dat eiseres ter zitting haar beroepsgrond inzake het in het kader van de planvergelijking meenemen van binnenplanse vrijstellingsbepalingen bij de maximale invulling, heeft ingetrokken.

5.2. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres op 15 september 2008 een planschadeovereenkomst met de gemeente Heiloo heeft gesloten, zodat de in artikel 6.4a van de Wro neergelegde regeling over planschadeverhaalsovereenkomsten hier van toepassing is. Ingevolge het tweede lid van artikel 6.4a is, voor zover hier van belang, de verzoeker van - in dit geval - een vrijstellingsbesluit die een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid heeft gesloten, belanghebbende bij een besluit van burgemeester en wethouders op een aanvraag om tegemoetkoming op grond van artikel 6.1 terzake van het nemen van het vrijstellingsbesluit. Gelet op deze bepaling is eiseres belanghebbende bij het onderhavige schadebesluit.

5.3. In dit geding staat voorts vast dat de beweerdelijk schadeveroorzakende ruimtelijke ontwikkeling niet onder het oude planologische regime mogelijk was, nu vrijstelling is verleend om van het bestemmingsplan af te wijken. Er is dus sprake van een wijziging van het planologisch regime, ten aanzien waarvan tussen partijen in geschil is of verweerder van een correcte planvergelijking is uitgegaan, in hoeverre derde-partij daardoor in een nadeliger positie is komen te verkeren en, zo dit het geval is, of de waardering van het nadeel op goede gronden berust.

6.1. Bij de beoordeling van een verzoek om vergoeding van planschade dient te worden onderzocht of sprake is van een wijziging van het planologische regime, waardoor de verzoekers in een planologisch nadeliger positie zijn komen te verkeren, ten gevolge waarvan zij schade lijden of zullen lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel, waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende regime. Daarbij is, zowel wat betreft de oude, als het nieuwe planologische regime, niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal mocht of mag worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking in feite heeft plaatsgevonden of plaatsvindt. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van voormeld uitgangspunt moet worden afgeweken.

6.2. In dit verband is voorts van belang dat volgens vaste rechtspraak verweerder bij zijn besluit op een aanvraag om vergoeding van planschade, indien uit het advies van een door hem benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze blijkt, welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, van dat advies mag uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat advies naar voren zijn gebracht.De bewijslast dat het advies waarop de besluitvorming is gebaseerd niet deugt, rust in beginsel op degene die het advies betwist. Hij moet aannemelijk maken dat het advies waarop de besluitvorming is gebaseerd zodanige gebreken bevat dat de besluitvorming daarop niet kon worden gebaseerd of dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen.

7. De rechtbank stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat op de gronden waar de nieuwbouw wordt gerealiseerd ingevolge het bestemmingsplan “Stationsomgeving” de bestemmingen “Woondoeleinden bijzondere woonvormen” met de aanduiding “cultuur historisch waardevolle bebouwing”, “Tuin of onbebouwd erf” en “Verblijfsdoeleinden” rusten. Voorts is gebleken dat het bouwplan aan de noordzijde het op de plankaart aangegeven bouwvlak aanmerkelijk overschrijdt. Deze overschrijding vindt met name plaats binnen de bestemming “Tuin of onbebouwd erf” en voor een klein deel binnen de bestemming “Verblijfsdoeleinden”. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat in het advies van Van Oosten ten onrechte rekening is gehouden met de planvoorschriften bij de bestemming “Verblijfsdoeleinden”. Weliswaar staat in het vrijstellingsbesluit niet expliciet vermeld dat het bouwplan ook in strijd is met deze planvoorschriften, maar verweerder heeft vrijstelling van het bestemmingsplan verleend en deze vrijstelling kan geacht worden ook deze afwijking te omvatten. Daarbij is van belang dat volgens vaste rechtspraak het bepaalde in artikel 19 van de WRO er niet toe dwingt dat in het besluit tot verlening van vrijstelling precies wordt aangegeven van welke onderdelen van het bestemmingsplan vrijstelling wordt verleend. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de aanvraag en de daarbij behorende bouwtekeningen, die onderdeel uitmaken van de planologische maatregel, duidelijk blijkt waar het woongebouw is gesitueerd en dus waarvoor vrijstelling is verleend. De rechtbank verwerpt deze beroepsgrond.

8.1. Wat betreft de maximale bebouwingsmogelijkheden op grond van het vigerende bestemmingsplan overweegt de rechtbank, voor zover hier van belang, dat op grond van de bestemming “Tuin of onbebouwd erf” uitsluitend andere bouwwerken, zoals afscheidingen, ten dienste van de bestemming tot een maximale hoogte van 1 meter mogen worden gebouwd. Op de gronden met de bestemming “Verblijfsdoeleinden” mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat als gebouwen abri’s, telefooncellen, en nutsgebouwen mogen worden gerealiseerd met een maximale inhoud van 25 m³ en een maximale hoogte van 3 meter. Andere bouwwerken (lichtmasten, verkeersgeleiders en ander straatmeubilair) mogen worden gebouwd met een maximale hoogte van 12 meter.

8.2. In het advies van Van Oosten is vermeld dat in de nieuwe situatie op een afstand van ongeveer 25 meter vanaf de woning van derde-partij bebouwing wordt opgericht die architectonisch gezien uit drie delen bestaat. Derde-partij heeft vanuit haar woning zicht op het deel van de bebouwing aan de Westerweg, welk deel een goothoogte van circa 2,5 meter heeft en een bouwhoogte van circa 9,35 meter. Volgens Van Oosten wordt deze bebouwing opgericht op gronden met bescheiden bouwmogelijkheden, waar geen woonbebouwing mogelijk was. Hierdoor zal de bebouwing dichter bij de woning van derde-partij komen dan voorheen was toegestaan. Van Oosten stelt dat deze ontwikkeling voor derde-partij leidt tot zichtvermindering in noordwestelijke richting. Voorts is ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden sprake van enige planologische verslechtering, nu als gevolg van de oprichting van het desbetreffende deel buiten het bouwvlak, de privacy wordt aangetast door inkijk vanuit de bebouwing in de woning van derde-partij en tevens andere aan het woongebruik gerelateerde vormen van hinder toenemen.

8.3. De rechtbank overweegt dat in het advies van Van Oosten bij de planvergelijking aandacht is besteed aan de ruimtelijke gevolgen van het nieuwe planologische regime en de objectief redelijkerwijs daarvan te verwachten nadelige gevolgen. Daarbij heeft Van Oosten de op grond van het vigerende bestemmingsplan aanwezige bebouwingsmogelijkheden voor de gronden met de bestemming “Tuin of onbebouwd erf” en “Verblijfsdoeleinden” betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Van Oosten terecht aangenomen dat van deze bebouwingsmogelijkheden geen vergaande afschermende werking uitgaat. Anders dan eiseres, is de rechtbank van oordeel dat bij gebruikmaking van de maximale mogelijkheden voor het oprichten van andere bouwwerken, het woongebouw nog in relevante mate zichtbaar is en zorgt voor een toename van hinder. De rechtbank betrekt daarbij dat het woongebouw een groot en hoog complex betreft. Niet aannemelijk is geworden dat het uitzicht al in vergaande mate kon en kan worden aangetast door de mogelijkheid ter plaatse lichtmasten, verkeersgeleiders en ander straatmeubilair op te richten. Gezien de omvang van het woongebouw is komen vast te staan dat dit gebouw planologisch gezien een ingrijpender invloed heeft dan hetgeen op grond van de maximale invulling van het planologisch regime ter plaatse gebouwd mag worden. De rechtbank acht daarbij verder van belang dat het woongebouw ramen en balkons aan de zijde van de Westerweg heeft, waardoor zicht in het appartement van derde-partij ontstaat. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat Van Oosten van een onjuiste planvergelijking is uitgegaan. Verweerder heeft zich op basis van dit advies dan ook op het standpunt kunnen stellen dat derde-partij door de planologische wijziging in een nadeliger positie is komen te verkeren. De rechtbank verwerpt deze beroepsgrond.

9.1. Ten aanzien van de hoogte van de planschade overweegt de rechtbank dat ingevolge artikel 6.2, tweede lid, van de Wro een deel van de schade bestaande uit 2% van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van schade in ieder geval voor rekening van de aanvrager blijft. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er in dit geval geen zwaarwegende aanknopingspunten zijn op grond waarvan het forfait hoger zou moeten zijn dan het in de Wro geconcretiseerde percentage van 2%.

9.2. De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder. De rechtbank overweegt hiertoe dat in artikel 6.2, tweede lid, van de Wro, dat in samenhang met het eerste lid van artikel 6.2 moet worden gezien, een wettelijk minimum is opgenomen. Terecht heeft verweerder gesteld dat van dit wettelijk minimum dient te worden uitgegaan, tenzij bijzondere omstandigheden nopen tot afwijking van dit uitgangspunt. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is

volgens verweerder, mede gelet op het ontbreken van landelijke beoordelingscriteria

hieromtrent, niet gebleken. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd, geen reden voor een ander oordeel. Naar het oordeel van de rechtbank rust de bewijslast dat een groter deel van de schade dan 2% van de waarde van de onroerende zaak niet voor vergoeding in aanmerking komt, op degene die deze stelling inneemt, in dit geval eiseres. Eiseres heeft niet gedegen gemotiveerd dat een groter deel binnen het normaal maatschappelijk risico valt. De omstandigheid dat het bouwplan is gelegen in het centrumgebied, is hiervoor onvoldoende. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd geeft voorts geen aanleiding om aan te

nemen dat de bepaling van de omvang van de schade op onjuiste wijze is geschied.

De rechtbank verwerpt deze beroepsgrond.

10. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzitter, mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. M. Kraefft, leden, in aanwezigheid van mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2011.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.