Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BU3205

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
02-11-2011
Zaaknummer
128937-KG ZA 11-171
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Essentie: Afwikkeling gevolgen beëindiging samenleving. Vorderingen vrouw deels toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

CVZ/MA

KG nummer: 128937/KG ZA 11-171

datum: 9 juni 2011

Vonnis van de voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding

in de zaak van:

toevoeging aangevraagd

[NAAM EISERES],

wonende te Schagen,

EISERES IN KORT GEDING,

advocaat mr. H. Loonstein te Amsterdam,

tegen:

[NAAM GEDAAGDE],

wonende te Schagen,

GEDAAGDE IN KORT GEDING,

advocaten mrs. R. Kiewitt en R.J.A. Verhoeven te Alkmaar.

Partijen zullen verder worden genoemd "de vrouw" respectievelijk "de man".

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING

Ter terechtzitting van 31 mei 2011 heeft de vrouw gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Ter zitting heeft zij nog een akte genomen houdende wijziging/vermeerdering eis.

De man heeft de vordering, zoals gewijzigd, bestreden.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van de zijde van de vrouw de originele dagvaarding en van beide zijden pleitnotities, overgelegd en vonnis gevraagd.

De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

2. DE UITGANGSPUNTEN

2.1 Tussen partijen heeft een affectieve relatie bestaan. Tijdens deze relatie hebben zij gedurende veertien jaar samengeleefd, zonder huwelijk of geregistreerd partnerschap. De relatie is beëindigd in juli 2009.

2.2 Uit de relatie van partijen zijn drie thans nog minderjarige kinderen geboren. Na het beëindigen van de relatie deelden partijen de zorg voor de kinderen, Sinds augustus 2010 hebben de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

2.3 Tussen partijen bestaat een eenvoudige gemeenschap van goederen. Tot die eenvoudige gemeenschap behoort onder meer een onroerende zaak in Schagen aan de [adres]. Het betreft een bedrijfspand (showroom) annex woonruimte. Het pand wordt op dit moment verhuurd.

Voorts behoort tot de gemeenschap de woning die door de man bewoont wordt. De gemeenschap is tussen partijen nog niet afgewikkeld.

3. DE VORDERING EN DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 De vrouw vordert - na wijziging van eis - verkort weergegeven dat de man wordt veroordeeld zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van het pand aan de [adres] te Schagen aan de huurder. Daarnaast vordert de vrouw dat de man wordt veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording met betrekking tot de huurinkomsten uit genoemd pand over de afgelopen twee jaar, op straffe van een dwangsom. Tot slot vordert de vrouw dat de man wordt veroordeeld een bedrag van [euro] 20.000,-- aan haar terug te betalen en daarnaast wordt veroordeeld aan haar voorlopig, totdat daaromtrent in de bodemprocedure zal zijn beslist, een bedrag aan kinderalimentatie te voldoen van [euro] 300,-- per kind per maand.

3.2 De vrouw legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. De relatie tussen partijen is inmiddels bijna twee jaar beëindigd en van de vrouw kan niet worden verlangd dat zij in een onverdeeldheid blijft zitten. Het bedrijfspand staat niet te koop en thans is er door de huurder een bod uitgebracht van [euro] 350.000,--, welk bod de vrouw redelijk voorkomt, gelet ook op de situatie op de onroerend goed markt. De man weigert evenwel zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van het pand. Ook weigert de man ten onrechte opgave te doen van de huurinkomsten die hij ontvangt uit dat pand, terwijl dat pand gemeenschappelijk eigendom is. Ten aanzien van de gevorderde terugbetaling van een bedrag van [euro] 20.000,-- voert zij aan dat de man dit kort voor het beëindigen van hun relatie van haar bankrekening heeft opgenomen, daarbij misbruik makend van een aan hem verstrekte machtiging. Nu de man onrechtmatig heeft gehandeld dient hij dit bedrag terug te betalen aan haar. Bovendien heeft zij het geld nodig om in het levensonderhoud van haarzelf en de kinderen van partijen te voorzien. De man heeft tot op heden ook geen kinderalimentatie betaald, aanvankelijk niet omdat partijen de zorg voor de kinderen deelden, maar sinds augustus 2010 is in die situatie verandering gekomen en draagt de vrouw alleen de kosten voor verzorging en opvoeding van de kinderen. De man is gehouden hieraan bij te dragen. Een en ander aldus de vrouw.

3.3 De man heeft verweer gevoerd. Ten aanzien van de gevorderde meewerking aan verkoop heeft hij gemotiveerd aangevoerd dat hij het pand niet wil verkopen en dat het uitgebrachte bod ver onder de taxatiewaarde van het pand ligt. Ten aanzien van de gevorderde rekening en verantwoording heeft hij verklaard dat hij sinds het uiteengaan van partijen alle kosten heeft voldaan en dat de huuropbrengsten net aan opwegen tegen de hypotheeklasten en overige kosten verbonden aan het pand. Met betrekking tot de gevorderde terugbetaling van [euro] 20.000,-- heeft de man erkend dat hij het geld heeft opgenomen van de rekening van de vrouw. Hij heeft daarbij verklaard dat dit een bedrag betrof dat door partijen bij elkaar gespaard was door middel van een meegroeihypotheek, welk bedrag partijen hadden opgevraagd bij de bank om daarmee schulden af te lossen. Hij heeft verklaard dat omdat de vrouw aangaf dat zij bij hem wegging, hij het geld heeft opgenomen en op zijn eigen betaalrekening heeft gestort omdat daarvan alle betalingen werden verricht. Tot slot heeft de man ten aanzien van de gevorderde uitkering voor levensonderhoud van de kinderen aangevoerd dat hij maximaal in staat is een bijdrage te leveren van [euro] 345,-- per maand voor de drie kinderen gezamenlijk. Daarbij heeft hij er op gewezen dat uit de inkomsten uit verhuur net de hypotheeklasten kunnen worden voldaan en dat hij zelf verder dient rond te komen van een uitkering.

3.4 Voor zover voor de beslissing van belang zal hierna nader op de verschillende standpunten van partijen worden ingegaan.

4. DE GRONDEN VAN DE BESLISSING

Ten aanzien van de onroerende zaak aan de [adres] te Schagen

4.1 Door de man is een taxatierapport overgelegd met betrekking tot deze onroerende zaak, welk rapport op 26 mei 2011 is opgemaakt. Daarin wordt een onderhandse verkoopwaarde genoemd voor het gehele pand van [euro] 620.000,-- en een executiewaarde van [euro] 500.000,-- telkens vrij van huur en gebruik. Door de vrouw is niet de juistheid van de vermelde waarden betwist, zij heeft slechts aangevoerd dat het bod is uitgebracht door de huurder van het pand zodat uitgegaan zou moeten worden van de waarde in verhuurde staat, welke waarde door de man niet is opgegeven maar die lager ligt dan de waarde vrij van huur en gebruik. Hiertegen is door de man aangevoerd dat met verkoop van het pand aan de huurder, het pand vrij van huur zou worden geleverd zodat uitgegaan moet worden van de eerder genoemde waarden, vrij van huur en gebruik.

4.2 De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen geen overeenstemming bestaat over acceptatie van dit bod op de aan hen in gezamenlijke eigendom toebehorende onroerende zaak. Nu de vrouw in het licht van het verweer van de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het uitgebrachte bod een reële prijs geacht kan worden voor het pand, zal de vordering van de vrouw om de man te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan deze verkoop worden afgewezen.

Ten aanzien van de gevorderde rekening en verantwoording

4.3 Door de vrouw is gesteld dat de man weigert inzage te geven in de feitelijke huurinkomsten die hij heeft uit verhuur van de onroerende zaak, zodat zij als deelgenoot in die gemeenschap belang heeft bij een veroordeling tot het doen van rekening en verantwoording daaromtrent door de man.

4.4 Door de man is het standpunt ingenomen dat de vrouw tot het moment dat de relatie beëindigd was precies op de hoogte was van de huurinkomsten die de verhuur van het pand opleverde en dat zij ook weet dat tegenover de huurinkomsten hypotheeklasten staan van vergelijkbare hoogte.

4.5 De voorzieningenrechter overweegt hieromtrent als volgt. Door de vrouw is niet weersproken dat er ook sprake is van hoge hypotheeklasten, welke doorgaans werden afgelost met de huuropbrengsten. Voorts is door de vrouw niet weersproken dat uitsluitend de man sinds het uiteengaan van partijen de lasten verbonden aan de onroerende zaak heeft voldaan. Bovendien heeft de man in de door hem ter zitting overgelegde draagkrachtberekening een jaarbedrag genoemd in verband met de huurinkomsten. De hoogte van dit bedrag is door de vrouw niet, althans onvoldoende betwist. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vrouw onvoldoende belang heeft bij toewijzing van haar vordering, zodat deze vordering wordt afgewezen.

4.6 Ten overvloede wordt daarbij overwogen dat de man in het kader van de verdeling die tussen partijen nog plaats moet vinden, desgevraagd wel inzichtelijk moet maken aan de vrouw en/of haar raadsman welke inkomsten hij ontvangt uit de huur en welke lasten daar tegenover staan.

Ten aanzien van de gevorderde terugbetaling van [euro] 20.000,--

4.7 Een geldvordering is in kort geding slechts toewijsbaar indien het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk geworden zijn en daarnaast sprake is van feiten of omstandigheden die meebrengen dat thans uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is, terwijl in de afweging van belangen van partijen mede betrokken dient te worden het risico van onmogelijkheid tot terugbetaling.

4.8 Door de vrouw is gesteld dat de man zonder haar toestemming genoemd bedrag van haar bankrekening heeft opgenomen en het om die reden dient terug te betalen.

4.9 Door de man is erkend dat hij het geld heeft opgenomen, maar hij heeft daarbij verklaard dat dit gezamenlijk gespaard geld betrof dat partijen kort daarvoor hadden vrijgemaakt om schulden mee af te lossen. Hij heeft verklaard dat hij dit bedrag uit angst dat de vrouw het geld in verband met het beëindigen van de relatie voor andere doeleinden zou gebruiken, heeft gestort op zijn eigen betaalrekening, van welke rekening alle lasten werden betaald.

4.10 De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Hoewel de omvang van het bedrag voldoende vaststaat, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestaan van de vordering onvoldoende is komen vast te staan in deze procedure. Door de vrouw is immers niet weersproken dat er sprake was van schulden die met het geld afbetaald zouden worden. Zij heeft in dat verband uitsluitend aangevoerd dat de man geen bewijs heeft overgelegd dat hij het geld daadwerkelijk voor de aflossing van de schulden heeft gebruikt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter strekt het onder de geschetste omstandigheden te ver om de man in het kader van dit kort geding tot terugbetaling van het geld te veroordelen. De vordering zal worden afgewezen. Partijen dienen ook dit geschil mee te nemen in het totale plaatje van de verdeling van de eenvoudige gemeenschap die tussen hen bestaan heeft, waarbij naast de vermogensbestanddelen ook de schulden betrokken zullen moeten worden.

Ten aanzien van de gevorderde kinderalimentatie

4.11 Door de vrouw is gevorderd dat de man wordt veroordeeld tot betalen van een voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen totdat daaromtrent in de reeds aanhangige bodemprocedure eventueel anders zal zijn beslist.

4.12 Door de man is een draagkrachtberekening in het geding gebracht. Hij heeft het standpunt ingenomen dat hij maximaal een bedrag van [euro] 345,-- per maand voor de drie kinderen gezamenlijk kan bijdragen.

4.13 De voorzieningenrechter is van oordeel dat het te ver gaat om in kort geding een voorlopige alimentatieberekening te maken. Daarvoor bestaat immers een bodemprocedure die met alle waarborgen is omkleed. Vast staat wel dat partijen de ouders zijn van hun drie minderjarige kinderen en op grond daarvan gehouden zijn tot verzorging en opvoeding van de kinderen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw, terwijl de man op dit moment in het geheel niets bijdraagt. De vrouw heeft onweersproken verklaard dat zij slechts een beperkt inkomen heeft, zodat voldoende aannemelijk geworden is dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Nu de man zelf heeft aangegeven dat hij maximaal een bedrag van

[euro] 345,,-- per maand kan betalen als bijdrage voor de drie kinderen gezamenlijk, zal de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige maatregel de vordering van de vrouw tot dat bedrag toewijzen.

Proceskosten

4.14 Aangezien het geschil voortkomt uit de affectieve relatie die tussen partijen bestaan heeft, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de wijze als hierna te vermelden.

5. DE BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- veroordeelt de man om voorlopig - totdat de rechtbank in de reeds aanhangige bodemprocedure anders zal hebben beslist - aan de vrouw een bedrag van [euro] 345,-- per maand te voldoen ter zake van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de drie kinderen van partijen;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- weigert de meer of anders gevorderde voorziening.

Gewezen door mr. M.E. Allegro, voorzieningenrechter van de Rechtbank te Alkmaar en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2011 in tegenwoordigheid van C. Vis-van Zanden, griffier.