Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BT8894

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
21-10-2011
Zaaknummer
14-702400-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Leerplichtzaak; beroep op overmacht gehonoreerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS

RECHTBANK ALKMAAR

Sector kanton

parketnummer: 14/702400-10

uitspraakdatum: 11 oktober 2011

TEGENSPRAAK

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 september 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres en woonplaats].

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte, mr. Slump, advocaat te Leersum, en door de verdachte naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is, nadat een vordering tot wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, ten laste gelegd dat

Zij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2010 tot en met 26 september 2011 in de

gemeente Castricum, terwijl zij als degene die het gezag uitoefende over de jongere [minderjarige], geboren op [geboortedatum], althans terwijl zij zich met de feitelijke verzorging van die

jongere had belast, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van

de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, als leerling van een school stond

ingeschreven.

2. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van 500 euro, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

3. Voorvragen

De kantonrechter heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging overweegt de kantonrechter als volgt.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het besluit de moeder van [minderjarige] te vervolgen strijdig zou zijn met de beginselen van behoorlijk bestuur. [minderjarige] is, aldus de raadsvrouw, in tegenstelling tot hetgeen wordt vermeld in het proces-verbaal van de leerplichtambtenaar, wel aangemeld hij de school de Zevensprong en het is aan het bevoegd gezag van die school, de stichting HelioSkoop, om de toelatingsprocedure in gang te zetten.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de leerplichtambtenaar ten aanzien van het opmaken en inzenden van het proces-verbaal zorgvuldig te werk is gegaan en dat de door het openbaar ministerie ingestelde vervolging niet in strijd is met de behoorlijke procesorde.

De kantonrechter is van oordeel dat door de strafrechtelijke vervolging van verdachte geen beginselen van een goede procesorde worden geschonden. De leerplichtambtenaar heeft in het proces-verbaal, opgemaakt op 15 november 2010, opgemerkt dat zij een aantal onderzoekshandelingen heeft verricht naar aanleiding van de constatering dat de leerplichtige jongere [minderjarige] niet op enige school of instelling als bedoeld in de Leerplichtwet 1969 stond ingeschreven. De leerplichtambtenaar heeft in het kader van het onderzoek contacten gehad met verdachte, de raadsvrouw van verdachte en met de heer [directeur], directeur van de Zevensprong. De situatie van [minderjarige] is uitvoerig toegelicht en besproken. Bij brief aan het openbaar ministerie van 10 december 2010 heeft de leerplichtambtenaar verzocht het ingestuurde proces-verbaal tot nader order niet in behandeling te nemen. Op 13 april 2011

deelde de leerplichtambtenaar schriftelijk mee dat zij op 12 april 2011 telefonisch contact had gehad met de heer [directeur] en dat er geen aanmelding tot stand was gekomen. Verzocht wordt het reeds eerder ingezonden proces-verbaal in behandeling te nemen. De heer [directeur] heeft in zijn brief, gedateerd 19 juli 2011, geschreven dat de moeder van [minderjarige] medio juni 2011 heeft besloten haar zoon toch aan te melden bij de Zevensprong en hem daar een programma aan te laten bieden.

De vraag of in de correspondentie terecht wordt gesproken van een “aanmelding” laat onverlet dat de geschetste gang van zaken geen grond biedt voor een niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. De kantonrechter vermag niet in te zien welk beginsel van een goede procesorde door de vervolgingsbeslissing wordt geschonden. Ten overvloede merkt de kantonrechter nog op dat de sanctie van niet-ontvankelijkheid ook pas aan de orde zou kunnen zijn bij een ernstige schending van genoemde beginselen, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen wordt tekort gedaan aan haar recht op een behoorlijke behandeling van haar zaak. Het beroep op niet-ontvankelijkheid kan geen doel treffen en wordt verworpen.

Het openbaar ministerie is ontvankelijk in zijn vervolging en er zijn voorts geen redenen voor

schorsing van de vervolging.

4. Bewijs

4.1. Bewezenverklaring

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

De raadsvrouw heeft ter zitting vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe, kort samengevat, aangevoerd dat het regulier onderwijs niet bereid was [minderjarige] toe te laten en evenmin bereid bleek om de noodzakelijke aanpassingen te doen. Het speciaal onderwijs, de Zevensprong, wilde [minderjarige] niet inschrijven omdat niet bij voorbaat vast stond dat [minderjarige] de school voltijds zou bezoeken en de onderwijsinspectie enkel met voltijds schoolbezoek zou instemmen.

De kantonrechter overweegt naar aanleiding van het verweer als volgt.

De zoon van verdachte, [minderjarige], volgde tot het schooljaar 2010/2011 regulier basisonderwijs op de Montessorischool te Castricum. [minderjarige] heeft het syndroom van Down. Mevrouw [begeleidster], intern begeleider op de Montessorischool, heeft zich samen met verdachte (hierna ook te noemen: moeder) veel inspanning getroost om passend vervolgonderwijs voor [minderjarige] te vinden. Moeder heeft verklaard er aanvankelijk naar te hebben gestreefd dat [minderjarige] regulier voortgezet onderwijs zou gaan volgen met een op hem toegesneden onderwijsprogramma. Binnen het regulier onderwijs gaf men te kennen dergelijk maatwerk niet te kunnen leveren.

[minderjarige] werd aangemeld bij het voortgezet speciaal onderwijs, cluster 3, de Zevensprong, maar ook deze aanmelding heeft tot op de dag van vandaag (nog) niet tot een inschrijving geleid. Bij brief van 22 september 2010 heeft de algemeen directeur van de stichting HelioSkoop, het bevoegd gezag van de Zevensprong, aan de moeder onder meer het volgende laten weten:

Vlak voor en direct na de zomervakantie heeft u met de heer [directeur], directeur van de Zevensprong,

school voor ZML te Beverwijk en onderdeel van Stichting Helioskoop, een tweetal gesprekken gevoerd. Doel van deze gesprekken was uw verzoek uw zoon [minderjarige] op de Zevensprong in te schrijven,

maar hem vervolgens buiten de school onderwijs te laten volgen.

De heer [directeur] heeft u toegezegd deze alternatieve mogelijkheid te willen onderzoeken. In

samenwerking met u, mevrouw [begeleidster], intern begeleider van de Montessorischool te Beverwijk, en mevrouw [jurist], jurist, is een (concept-)overeenkomst opgesteld. Vervolgens heeft de heer [directeur] deze overeenkomst voorgelegd aan de heer [Leerplichtambtenaar 1], inspecteur bijzondere opdrachten van de Inspectie van het Onderwijs. Vooraf heeft de heer [directeur] u laten weten, dat deze constructie alleen mogelijk is als de Inspectie van het Onderwijs goedkeuring verleent.

(…)

Het standpunt van de inspectie is duidelijk. [minderjarige] kan alleen bij de Zevensprong worden ingeschreven

als hij daar ook daadwerkelijk onderwijs gaat volgen.

In zijn, hiervoor al genoemde brief van 19 juli 2011 merkt de heer [directeur] op dat moeder [minderjarige] graag op het regulier voortgezet onderwijs geplaatst had willen zien. Omdat dat niet lukte wilde moeder, zo schrijft de heer [directeur], [minderjarige] zelf les (laten) geven, los van een bestaande onderwijsorganisatie. Omdat die constructie wettelijk niet is toegestaan, zijn meerdere gesprekken gevoerd met als doel te onderzoeken of het mogelijk zou zijn [minderjarige] wel aan te melden op de Zevensprong, maar hem vervolgens daar niet te plaatsen. Omdat dat niet werd goedgekeurd door de Inspectie van het Onderwijs en onder de druk van bureau leerplicht heeft moeder medio juni 2011 besloten [minderjarige] toch aan te melden bij de Zevensprong en hem daar een programma aan te laten bieden, “op het randje van de wettelijke kaders”. In de brief wordt het programma vervolgens uiteengezet.

Moeder is met het aangeboden programma vooralsnog niet akkoord gegaan. Ter zitting is naar voren gebracht dat het programma, zoals [minderjarige] dat op dit moment volgt, het meest tegemoet komt aan de belangen van [minderjarige] en het meest recht doet aan diens recht op onderwijs.

Uit het voorgaande volgt dat moeder om haar moverende redenen [minderjarige] (nog) niet heeft doen inschrijven bij de Zevensprong. Inschrijving was op zichzelf wel mogelijk, maar [minderjarige] zou dan een onderwijsprogramma moeten gaan volgen, waar moeder in het geheel niet achter kan staan. Nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat [minderjarige] in de periode, genoemd in de tenlastelegging, niet was ingeschreven als leerling van een school, terwijl inschrijving bij de Zevensprong op zichzelf wel mogelijk was, is het ten laste gelegde feit naar het oordeel van de kantonrechter wel bewezen.

Voor de door de raadsvrouw bepleite vrijspraak bestaat op grond van het voorgaande gaan

aanleiding. De vraag of de moeder van [minderjarige] ook strafbaar is, zal in het navolgende worden

beantwoord.

De kantonrechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit

heeft begaan, in dier voege dat:

zij in de periode van 1 augustus 2010 tot en met 26 september 2011 in de gemeente Castricum

als degene die het gezag uitoefende over de jongere [minderjarige], geboren op [geboortedatum], niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de

Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere als leerling van een school stond

ingeschreven.

4.2. Bewijsmiddelen

De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal, onder nummer GM 0383-10-11 op ambtsbelofte opgemaakt door [Leerplichtambtenaar 2], leerplichtambtenaar van de gemeente Castricum, inhoudende dat de leerplichtambtenaar na een controle van de leerplichtadministratie van de gemeente Castricum is gebleken dat de leerplichtige jongere, [minderjarige] niet op een school of instelling staat ingeschreven en dat de periode van het verzuim is ingegaan op 1 augustus 2010;

- het door de leerplichtambtenaar [Leerplichtambtenaar 2] op ambtsbelofte op 13 april 2011 opgemaakte aanvullend proces-verbaal, inhoudende dat de periode van het verzuim voortduurt.

- De verklaring van verdachte ter terechtzitting, inhoudende dat er nog geen inschrijving is tot stand gekomen.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde feit is strafbaar en levert op een overtreding van artikel 2, eerste lid van

de Leerplichtwet 1969.

6. Strafbaarheid van de verdachte

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat aan ouders een beroep toekomt op overmacht als scholen aan de inschrijving voorwaarden verbinden waarmee ouders in het belang van hun kind en gezien de doelstelling van het onderwijs, op grond van artikel 247 boek 1 van het Burgerlijk Wetboek niet kunnen instemmen.

De raadsvrouw heeft in dit verband het volgende naar voren gebracht.

Doelstelling van het onderwijs is een ononderbroken ontwikkelingsproces van de leerling. Voor de ouders van [minderjarige] is deze doelstelling het uitgangspunt geweest in de zoektocht naar een passende plek voor [minderjarige] in het voortgezet onderwijs.

De ouders hebben een groot belang om waar mogelijk de zelfredzaamheid van [minderjarige] te bevorderen en stellen om die reden eisen aan het onderwijsprogramma. Bij alle onderwijsactiviteiten die zij hebben ingezet heeft integratie van [minderjarige] in de maatschappij, ondanks zijn handicap, altijd centraal gestaan.

Ter zitting heeft de moeder van [minderjarige] aangegeven dat het onderwijsprogramma, zoals [minderjarige] dat op dit moment volgt, het meest wenselijke programma is. Moeder acht het bestaande onderwijsaanbod op de Zevensprong niet in het belang van [minderjarige] en wordt daarin ook gesteund door mw. [begeleidster], die [minderjarige] vele jaren heeft gevolgd op de Montessorischool. Mw. [begeleidster] is ter terechtzitting als getuige gehoord en heeft bij die gelegenheid verklaard dat er een reëel gevaar bestaat dat [minderjarige] bij plaatsing in een groep jongeren, die speciaal onderwijs krijgt, in zijn ontwikkeling achteruit gaat. Voor [minderjarige] is met name van belang dat hij veel communiceert om zijn spreekvaardigheid bij te houden en te ontwikkelen. [minderjarige] heeft ook regulier basisonderwijs gevolgd. Op de Zevensprong zal zo’n communicatie echter niet mogelijk zijn. Het tempo van de leerlingen op de Zevensprong ligt ook vele malen lager dan [minderjarige] in het basisonderwijs gewend was.

De officier van justitie heeft als haar standpunt te kennen gegeven dat de moeder van [minderjarige] in had kunnen en moeten gaan op het onderwijsprogramma zoals dat kennelijk aangeboden kan worden door de Zevensprong. De officier van justitie heeft daarbij verwezen naar de inhoud van de brief van de heer [directeur] d.d. 19 juli 2011. Dat programma zou in voldoende mate rekening houden met de speciale behoeften van [minderjarige]. Van overmacht is in de visie van de officier van justitie geen sprake.

De raadsvrouw heeft tenslotte nog opgemerkt dat het momenteel in het geheel niet zeker is dat het programma, zoals verwoord in de hiervoor genoemde brief van 19 juli 2011, ook daadwerkelijk tot de mogelijkheden behoort. Overigens is zij van mening dat het thans door [minderjarige] gevolgde en voor rekening van zijn ouders komende onderwijsprogramma ingepast zou moeten kunnen worden in het aanbod van de Zevensprong.

Wat dit laatste punt betreft: het is niet aan de kantonrechter om in het kader van onderhavige strafzaak een uitspraak te doen over de rechtmatigheid van de beslissing van het bestuur van de Zevensprong om [minderjarige] slechts op die school toe te laten als hij daar ook daadwerkelijk onderwijs gaat volgen. Overigens zou uit de brief van de directeur van de Zevensprong d.d. 19 juli 2011 kunnen worden opgemaakt dat de school wel bereid is mee te denken en mee te werken aan een specifiek op [minderjarige] gericht onderwijsprogramma.

Het voorgaande neemt echter niet weg dat de moeder van [minderjarige] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in een situatie van overmacht is terechtgekomen. Op een door de ouders van [minderjarige] – zij het onder protest – ingediend verzoek tot vrijstelling is door de leerplichtambtenaar namens het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Castricum negatief gereageerd. De moeder heeft gemotiveerd aangegeven waarom het onderwijsprogramma, zoals [minderjarige] dat momenteel volgt, voortgezet zou moeten worden. Door dat programma onder te brengen bij de Zevensprong zou de voortzetting ervan gewaarborgd zijn. Uitgaande van die gedachte is de beslissing van moeder om [minderjarige] niet zonder meer in te schrijven voor het voortgezet speciaal onderwijs, maar er tot op heden alles voor te doen om te bewerkstelligen dat [minderjarige] onder de vlag van een school een specifiek op hem gericht onderwijsprogramma kan volgen teneinde de op de Montessorischool ingeslagen weg te vervolgen, te billijken.

Nu verdachte heeft gehandeld uit overmacht, is zij naar het oordeel van de kantonrechter niet

strafbaar.

7. Motivering van sanctie en van overige beslissingen

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat verdachte moet worden ontslagen

van alle rechtsvervolging.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Leerplichtwet 1969: artikel 2 lid 1.

9. Beslissing

De kantonrechter:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.1 omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor onder 4.1 bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hiervoor onder 5 vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte niet strafbaar.

Ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. S.M. Jongkind-Jonker, in tegenwoordigheid van

A. Helder, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 11 oktober 2011.