Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BT8773

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
10-10-2011
Datum publicatie
20-10-2011
Zaaknummer
132125 / KV RK 11-106
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking kantonrechter na rolbeslissing. Wrakingsverzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Wrakingskamer

Zaaknummer : 132125 / KV RK 11-106

Datum uitspraak : 10 oktober 2011 (onmiddellijk uitgesproken)

BESLISSING op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 36 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, ingediend namens:

[VERZOEKER],

wonende te [WOONPLAATS VERZOEKER],

hierna te noemen: verzoeker.

1 PROCESVERLOOP

De gemachtigde van verzoeker heeft namens verzoeker bij brief van 27 september 2011 de wraking verzocht als bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van [DE RECHTER] (hierna te noemen: de rechter) als behandelend rechter in de procedure met zaaknummer 365419 CV EXPL 11-2000.

De rechter heeft gemotiveerd laten weten niet te berusten in de wraking.

Het verzoek is behandeld op de openbare zitting van de wrakingskamer van 10 oktober 2011. De rechter is daar niet verschenen. Verzoeker is wel verschenen en heeft daar mondeling zijn standpunt toegelicht. De voorzitter heeft de behandeling ter zitting gesloten en heeft de beslissing onmiddellijk uitgesproken.

2 BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking indien, afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak, de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met de uiterlijke schijn van vooringenomenheid.

De wrakingskamer stelt de volgende feiten vast.

Bij brief van 1 september 2011 is door de griffier aan verzoeker medegedeeld dat de rechter vonnis heeft bepaald en dat het vonnis (in beginsel) op 28 september 2011 zal worden uitgesproken. Op 2 september 2011 heeft de rechtbank een faxbrief ontvangen van Gerechtsdeurwaarderskantoor Mellema B.V. waarin zij te kennen geeft dat de brief van 5 augustus 2011, inhoudende dat de zaak voor conclusie van dupliek in reconventie staat, abusievelijk niet is verwerkt en dat deze reeds vervaardigde conclusie daarom nog niet is ingediend. In deze brief wordt de kantonrechter verzocht de behandeling van de zaak te 'heropenen' en de bijgevoegde conclusie van dupliek in reconventie alsnog mee te nemen in het oordeel over de zaak. Bij brief van 8 september 2011 heeft de griffier aan verzoeker medegedeeld - onder verzending van afschrift van de conclusie van dupliek in reconventie van de wederpartij - dat de rechter op 28 september vonnis zal wijzen en dat het vorige rolbericht als niet verzonden kan worden beschouwd.

Ter motivering heeft de rechter in haar reactie op het wrakingsverzoek naar voren gebracht dat bij de beslissing om de te laat ingediende conclusie van dupliek in reconventie alsnog als processtuk te accepteren, diverse aspecten - zoals de mogelijkheid van hoger beroep, de grootte van de termijnoverschrijding, de inhoud van het te laat ingediende stuk, of er sprake is van een partij die regelmatig stukken te laat indient en of de belangen van de wederpartij worden geschaad - zijn afgewogen.

Verzoeker heeft - samengevat - aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de rechter de schijn van partijdigheid heeft gewekt door haar in strijd met artikel 133, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering genomen beslissing om de te laat ingediende conclusie van dupliek in reconventie als processtuk te accepteren, waarbij de rechter verzoeker bovendien niet heeft gehoord alvorens zij deze beslissing heeft genomen.

De wrakingskamer overweegt hieromtrent het volgende.

De beslissing om een te laat ingediend processtuk alsnog toe te laten in de procedure is een procedurele rolbeslissing, die een rechter - reeds gelet op hetgeen onder 2.11 van het Landelijk procesreglement voor civiele rol van de kantonsectoren is bepaald - kan nemen. Kritiek op een dergelijke beslissing vormt op zich beschouwd geen grond voor het oordeel dat de vrees voor partijdigheid van de rechter gerechtvaardigd is.

Het niet horen van verzoeker naar aanleiding van het verzoek van de wederpartij om het betreffende processtuk toe te laten vormt geen omstandigheid die een ander oordeel in dit geval rechtvaardigt. Weliswaar kunnen zich omstandigheden voordoen die ertoe nopen dat hoor en wederhoor is geboden alvorens op een rolbeslissing wordt teruggekomen. Verzoeker heeft dergelijke omstandigheden niet gesteld en deze zijn evenmin aan de wrakingskamer gebleken.

Het enkele gegeven dat verzoeker niet op bovengenoemd verzoek van de wederpartij is gehoord vormt - gelet op de omstandigheden van deze zaak, waaronder de inhoud van het processtuk en de duur van de termijnoverschrijding - geen grond voor het oordeel dat in deze zaak hierdoor de vrees voor (de schijn van) partijdigheid van de rechter is gewekt.

Het vorenstaande leidt de wrakingskamer tot het oordeel dat geen sprake is van (schijn) van partijdigheid, zodat het verzoek tot wraking moet worden afgewezen.

3 BESLISSING

De wrakingskamer van de rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking van de rechter af;

- bepaalt dat de behandeling van de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;

- beveelt dat de griffier van de wrakingskamer onverwijlde mededeling van deze beslissing doet aan verzoeker en aan de rechter.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.H.B. Littooy, voorzitter, mr. M. Kraefft en mr. F.J. Lourens, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. N.J. Ros, griffier, en onmiddellijk uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 oktober 2011.