Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BT8767

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
21-09-2011
Datum publicatie
20-10-2011
Zaaknummer
119682 / HA ZA 10-429
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BY4163, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Economische eigendom, positie en bevoegdheden tussenkomende partij, verjaringsverweer dat slaagt voor zover de vordering zich richt tegen de partij die aansprakelijk is op grond van artikel 102 Boek 1 BW.

In deze zaak wordt door de familie van gedaagde een vordering ingesteld waarbij de actuele waarde van een hem in eigendom toebehorende woning wordt geclaimd. Vordering wordt afgewezen, omdat de economische eigendom van een eerder aan hem toebehorend registergoed niet op rechtsgeldige wijze aan de familie is overgedragen en gedaagde thans een woning in eigendom heeft waar de familie geen enkel recht op kan doen gelden.Subsidiair wordt van gedaagde gevorderd nominaal de door de famiie aan hem geleende gelden terug te betalen, welke vordering hij erkent. Zijn ex-vrouw wordt hierdoor benadeeld en vordert als tussenkomende partij dat gedaagde in de hoofdzaak de schade aan de inmiddels ontbonden huwelijksgoederengemeenschap zal vergoeden. Deze vordering wordt toegewezen en bovendien beslist de rechtbank dat de familie de ex-vrouw niet kan aanspreken op grond van de uitbreiding aansprakelijkheid ex artikel 102 Boek 1 BW, omdat haar beroep op verjaring van de vordering van de familie slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

HP/MA

zaak- en rolnummer: 119682/HA ZA 10-429

datum: 21 september 2011

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

1. [EISER 1], wonende te [WOONPLAATS EISER 1],

2. de erven van [EISER 2], bij leven wonende te [WOONPLAATS EISER 2], overleden op [STERFDATUM EISER 2],

3. [EISER 3], wonende te [WOONPLAATS EISER 3],

4. de erven van [EISER 4], bij leven wonende te [WOONPLAATS EISER 4], overleden op [STERFDATUM EISER 4],

5. [EISER 5], wonende te [WOONPLAATS EISER 5],

6. [EISER 6], wonende te [WOONPLAATS EISER 6],

EISERS bij dagvaarding van 3 mei 2010,

advocaat mr. P.J. Kouwenberg te Hilversum,

tegen:

[GEDAAGDE],

wonende te [WOONPLAATS GEDAAGDE],

GEDAAGDE,

advocaat mr. P.G. Wemmers te Alkmaar.

In welke zaak als tussenkomende partij optreedt:

[TUSSENKOMENDE PARTIJ],

wonende te [WOONPLAATS TUSSENKOMENDE PARTIJ],

advocaat mr. M.L. Molenaar te Alkmaar.

Partijen zullen verder worden genoemd [EISERS], [GEDAAGDE] respectievelijk [TUSSENKOMENDE PARTIJ].

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING

1.1 [EISERS] hebben bij dagvaarding, onder overlegging van bijlagen en onder

aanbieding van bewijs, gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I voor recht zal verklaren dat [EISERS] de volgende geldvorderingen op [GEDAAGDE] hebben:

a) [EISER 1] vijf twaalfde van de actuele waarde in het economisch verkeer, vrij van huur, van de onroerende zaak staande en gelegen aan de [ONROERENDE ZAAK], onder aftrek van de daarop rustende oorspronkelijk hypothecaire lening;

b) De erven van [EISER 2] één vierde van de hiervoor bedoelde waarde, onder aftrek van de daaronder rustende hypothecaire lening;

c) [EISER 3], de erven van [EISER 4], [EISER 5] en [EISER 6] ieder een geldvordering van één twaalfde gedeelte van de hiervoor bedoelde waarde, onder aftrek van de daarop rustende hypothecaire lening;

II subsidiair [GEDAAGDE] zal veroordelen om aan de respectievelijke eisers de volgende bedragen te betalen vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom en jaarlijks gecumuleerde rente, ingaande 6 november 1980, althans 10 oktober 2005:

a) aan [EISER 1] [EURO] 22.689,01,

b) aan de erven van [EISER 2] [EURO] 13.613,41,

c) aan [EISER 3], de erven van [EISER 4], [EISER 5] en [EISER 6] ieder [EURO] 4.537,80.

III voorts [GEDAAGDE] zal veroordelen om aan [EISER 6] te betalen [EURO] 9.075,60, vermeerderd met de overeengekomen rente van 9,6 % per jaar over de hoofdsom en jaarlijks gecumuleerde rente, ingaande 12 januari 1989 tot de dag der algehele voldoening, kosten rechtens.

1.2 Op 4 augustus 2010 heeft de rechtbank in deze zaak een vonnis gewezen in het

incident en [TUSSENKOMENDE PARTIJ] toegestaan om tussen te komen in de hoofdzaak. In dit incidentele vonnis staat tevens vermeld dat aanvankelijk tegen [GEDAAGDE] verstek werd verleend en dat het verstek vervolgens is gezuiverd door mr. Wemmers die zich voor [GEDAAGDE] heeft gesteld.

1.3 [GEDAAGDE] heeft gediend van een conclusie van antwoord en de juistheid erkend van hetgeen [EISERS] in de dagvaarding hebben gesteld.

1.4 [TUSSENKOMENDE PARTIJ] heeft als tussenkomende partij gediend van een conclusie van antwoord met conclusie - primair - dat voor recht wordt verklaard dat de vorderingen, zoals ingesteld door [EISERS], niet, althans niet langer, opeisbaar zijn. Voor het geval de rechtbank mocht oordelen dat de vorderingen van [EISERS] geheel of gedeeltelijk wel opeisbaar zijn, vordert [TUSSENKOMENDE PARTIJ]:

-- subsidiair dat voor recht wordt verklaard dat de vorderingen geen deel uitmaken van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen en derhalve niet op het aandeel van [TUSSENKOMENDE PARTIJ] in de huwelijksgoederengemeenschap kunnen worden verhaald;

-- meer subsidiair dat [GEDAAGDE] wordt veroordeeld tot vergoeding van een bedrag ter grootte van de toegewezen vordering aan de huwelijksgoederengemeenschap, binnen een week na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der verschuldigdheid tot aan de dag der algehele voldoening;

-- [EISERS] en [GEDAAGDE] zal veroordelen en wel hoofdelijk, des dat de een betalend de anderen zullen zijn bevrijd, en op voorhand deze te veroordelen in de kosten van deze procedure.

1.5 [EISERS] hebben, onder overlegging van bijlagen, gediend van een conclusie van repliek.

1.6 [GEDAAGDE] heeft, onder overlegging van bijlagen, gediend van een conclusie van dupliek.

[GEDAAGDE] concludeert tot referte voor betreft de vorderingen van [EISERS] en tot niet-ontvankelijk-verklaring van [TUSSENKOMENDE PARTIJ] in haar vorderingen, althans afwijzing daarvan.

1.7 [TUSSENKOMENDE PARTIJ] heeft eveneens gediend van een conclusie van dupliek en zij heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [EISERS]

1.8 Op 30 juni 2011 zijn pleidooien gehouden.

Partijen hebben hun standpunten doen bepleiten door hun raadslieden overeenkomstig de overgelegde pleitnota's. Daarna hebben partijen in tweede termijn het woord gevoerd. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

1.9 Ten slotte is vonnis gevraagd. De inhoud van al deze stukken geldt als hier ingelast.

2 DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

Ten aanzien van de bevoegdheid van de rechter

2.1 Nu [EISERS] in [WOONPLAATS] wonen en [GEDAAGDE] respectievelijk [TUSSENKOMENDE PARTIJ] in Nederland draagt

de zaak een internationaal karakter. Derhalve dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de rechtbank bevoegd is om van deze zaak kennis te nemen.

2.2 Deze vraag kan bevestigend worden beantwoord, omdat gedaagde [GEDAAGDE] in Nederland woonplaats heeft en artikel 2 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering bepaalt dat in zaken die bij dagvaarding moet worden ingeleid, de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft indien gedaagde in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft.

Ten aanzien van het toepasselijke recht

2.3 Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord welk rechtsstelsel op de tussen partijen gesloten overeenkomst toepasselijk is. [EISERS] stellen dat een overeenkomst met [GEDAAGDE] is gesloten welke de intentie had dat door de aankoop van het woonhuis [ONROERENDE ZAAK] [GEDAAGDE] geacht werd de eigendom van dat woonhuis voor [EISERS] te verkrijgen. [EISERS] stellen voorts dat deze afspraken uitsluitend een verbintenisrechtelijk gevolg hebben en dat daaraan geen zakenrechtelijk rechtsgevolg kan worden verbonden.

De rechtbank is van oordeel dat in de gestelde overeenkomst de kenmerkende prestatie - [GEDAAGDE] verkrijgt de onroerende zaak voor [EISERS] - dient te worden verricht door [GEDAAGDE]. Naar Nederlands internationaal privaatrecht brengt dat mee dat de overeenkomst wordt beheerst door Nederlands recht. Ook [EISERS] gaan daar vanuit, omdat zij stellen dat de door [EISERS] en [GEDAAGDE] gemaakte afspraken niet in strijd zijn met het Nederlands recht.

De feiten

2.4 Tussen partijen staat het volgende vast:

a) [EISER] sub 1 en 2 zijn de ouders van eisers sub 3 tot en met 6 en [GEDAAGDE]. [GEDAAGDE] zijn naam was oorspronkelijk ook [NAAM EISER], maar bij Koninklijk Besluit van 7 april 1989 werd hem de Nederlandse nationaliteit verleend met bepaling dat zijn geslachtsnaam [GEDAAGDE] zou luiden en zijn voornaam [NAAM VOORNAAM]. [GEDAAGDE] is uit [WOONPLAATS GEDAAGDE] naar Nederland verhuisd. Hij is op 1 augustus 1990 met [TUSSENKOMENDE PARTIJ] gehuwd in algehele gemeenschap van goederen nadat hij eerst een aantal jaren met haar samengewoond had.

b) [GEDAAGDE] heeft blijkens een afrekening van notaris A.F. Schut te Alkmaar d.d. 23 oktober 1980 het registergoed [ONROERENDE ZAAK] gekocht voor een koopprijs van [GULDEN] 126.500,--. Het registergoed is hem geleverd door middel van een notariële akte en inschrijving daarvan in de openbare registers.

c) Blijkens een door [EISERS] en [GEDAAGDE] ondertekende schuldbekentenis gedateerd 6 november 1980 hebben [EISERS] [GEDAAGDE] gelden ter beschikking gesteld voor de aankoop van het registergoed [ONROERENDE ZAAK]. In deze schuldbekentenis is het volgende vermeld:

"De ondergetekende

[GEDAAGDE], radiotelegrafist, wonende te [WOONPLAATS GEDAAGDE], geboren te

op [GEBOORTEDATUM], ongehuwd en niet gehuwd geweest,'

verklaart ter leen te hebben ontvangen van en mitsdien schuldig te zijn wegens geleend geld in verband met de aankoop van het perceel [ONROERENDE ZAAK],

aan:

1. [EISER 1], geboren op [GEBOORTEDATUM EISER 1], wonende te [WOONPLAATS EISER 1];

2. [EISER 2], geboren op [GEBOORTEDATUM EISER 2], wonende te [WOONPLAATS EISER 2];

3. [EISER 3], geboren op [GEBOORTEDATUM EISER 3], wonende te [WOONPLAATS EISER 3];

4. [EISER 4], geboren op [GEBOORTEDATUM EISER 4], wonende te [WOONPLAATS EISER 4];

5. [EISER 5], geboren op [GEBOORTEDATUM EISER 5], wonende te [WOONPLAATS EISER 5];

6. [EISER 6], geboren op [GEBOORTEDATUM EISER 6], wonende te [WOONPLAATS EISER 6], respectievelijk de som van,

a) [GULDEN] 50.000,-- (vijftigduizend gulden),

b) [GULDEN] 30.000,-- (dertigduizend gulden),

c) [GULDEN] 10.000,-- (tienduizend gulden),

d) [GULDEN] 10.000,-- (tienduizend gulden),

e) [GULDEN] 10.000,-- (tienduizend gulden),

f) [GULDEN] 10.000,-- (tienduizend gulden),

alsdan tezamen een som van [GULDEN] 120.000,-- (honderdtwintig duizend gulden) en zich te verbinden als volgt.

Terugbetaling en/of opeising van, de aan ieder der schuldeisers verschuldigde som, met de daarover eventueel verschuldigde rente zullen geschieden, op nader tussen partijen overeen te komen voorwaarden.

Getekend te Alkmaar op 6 november 1980 "

d) Op 17 december 2004 hebben [GEDAAGDE] en [TUSSENKOMENDE PARTIJ] een andere woning gekocht, [ONROERENDE ZAAK], voor de koopsom van [EURO] 184.000,--.

Op 10 oktober 2005 hebben [GEDAAGDE] en [TUSSENKOMENDE PARTIJ] de woning [ONROERENDE ZAAK] verkocht voor een koopsom van [EURO] 146.750,--.

e) Tussen [GEDAAGDE] en [TUSSENKOMENDE PARTIJ] is op 1 juli 2010 de echtscheiding uitgesproken. Het huwelijk van [GEDAAGDE] en [TUSSENKOMENDE PARTIJ] is op 13 oktober 2010 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

f) In een door [EISERS] ondertekende akte van algehele kwijting d.d. 6 februari

1994 is - onder meer - het volgende vermeld:

"Hiermee verklaren ondergetekenden het volgende:

dat de [GEDAAGDE], geboren op [GEBOORTEDATUM GEDAAGDE] te [WOONPLAATS GEDAAGDE], thans woonachtig in [WOONPLAATS GEDAAGDE], Nederland geen schulden heeft, nog enige andere geldelijke verplichtingen heeft ten aanzien van enig der ondergetekenden afzonderlijk, noch gezamenlijk.

Alle schuldbewijzen, alsmede alle andere documenten welke een schuld of enige andere geldelijke verplichting aanduiden of opleggen zijn hiermede vervallen en van geen waarde.

Aldus naar waarheid opgetekend te [GEBOORTEPLAATS GEDAAGDE]."

3 HET GESCHIL

Standpunten van partijen

3.1 [EISERS] doen hun vorderingen steunen op vorenstaande feiten en de hierna

volgende stellingen:

3.2 [EISERS] vorderen zoals onder "het verloop van de procedure" is weergeven.

De primaire vordering van [EISERS] is erop gegrond dat zij gelden voor een woning aan [GEDAAGDE] ter beschikking hebben gesteld en dat zij de intentie hadden dat - in overeenstemming met de rechtsregels die onder [] in [] golden en gelden - [GEDAAGDE] door de aankoop van het registergoed [ONROERENDE ZAAK] voor [EISERS] zou verkrijgen.

[EISERS] stellen dat zij zich realiseren dat de afspraken die zij gemaakt hebben ten aanzien van de aankoop van [ONROERENDE ZAAK] uitsluitend een verbintenisrechtelijk gevolg zouden hebben en geen goederenrechtelijk. [EISERS] stellen zich op het standpunt dat [GEDAAGDE] bij verkoop van het woonhuis aan een derde gehouden is de volledige opbrengst aan [EISERS] te voldoen en dat deze opbrengst vervolgens dient te worden verdeeld naar rato van de inleg van ieder van eisers. Nu [ONROERENDE ZAAK] inmiddels is verkocht en de woning [ONROERENDE ZAAK] is aangekocht, ziet de primaire vordering op de vaststelling dat [EISERS] gerechtigd zijn tot de actuele waarde van laatstgenoemde woning onder aftrek van het bedrag van de voor die aankoop aangegane hypothecaire lening.

Subsidiair vorderen [EISERS] dat [GEDAAGDE] wordt veroordeeld om de - in de schuldbekentenis van 6 november 1980 - genoemde en aan [GEDAAGDE] geleende bedragen terug te betalen. Daarnaast dient [GEDAAGDE] een bedrag van [EURO] 9.075,60 aan [EISER 6] terug te betalen dat hem ([GEDAAGDE]) volgens een schuldbekentenis van 12 januari 1989 is geleend, aldus [EISERS]

3.3 [GEDAAGDE] heeft in zijn conclusie van antwoord de juistheid van de stellingen van [EISERS] erkend. [GEDAAGDE] erkent ook de door [EISERS] ingestelde vordering.

3.4 [TUSSENKOMENDE PARTIJ] heeft als tussenkomende partij in haar conclusie van dupliek aangevoerd dat zij

- door het zuiveren van het aanvankelijk aan [GEDAAGDE] verleende verstek - zich alsnog zal kunnen voegen in de procedure, zodat zij de rechtbank kan vragen de vorderingen van [EISERS] af te wijzen. Als tussenkomende partij beschikt zij niet over die bevoegdheid. [TUSSENKOMENDE PARTIJ] wil dat haar verzoek tot tussenkomst wordt gezien als een verzoek tot voeging en zij verzoekt de rechtbank om alsdan de vorderingen van [EISERS] af te wijzen.

[TUSSENKOMENDE PARTIJ] heeft voorts het volgende doen aanvoeren.

[TUSSENKOMENDE PARTIJ] was ermee bekend dat [GEDAAGDE] bij de aankoop van de woning aan de [ONROERENDE ZAAK] gelden van [EISERS] heeft ontvangen. Zij is niet bekend met enig schriftelijk document waarin afspraken zijn gemaakt over deze gelden, integendeel: [TUSSENKOMENDE PARTIJ] ging ervan uit dat [EISERS] deze gelden aan [GEDAAGDE] hebben geschonken, hetgeen wordt bevestigd door de hiervoor in rechtsoverweging 2.4 sub f) genoemde akte van algehele kwijting van 6 februari 1994. Van de in rechtsoverweging 2.4 sub c) genoemde schuldbekentenis heeft [TUSSENKOMENDE PARTIJ] eerst kennis gekregen op 2 juni 2010 in de echtscheidingsprocedure tussen haar en [GEDAAGDE]. [TUSSENKOMENDE PARTIJ] betwist dat de schuldbekentenis daadwerkelijk in 1980 door [EISERS] en [GEDAAGDE] is ondertekend.

De primaire vordering van [EISERS] moet worden afgewezen, omdat het niet de intentie van [EISERS] en [GEDAAGDE] is geweest dat [GEDAAGDE] de woning ten behoeve van [EISERS] zou verkrijgen. [GEDAAGDE] heeft zelf een deel van de woning gefinancierd en de woning [ONROERENDE ZAAK] is aan [GEDAAGDE] geleverd en niet aan [EISERS] [GEDAAGDE] heeft derhalve de eigendom van de woning [ONROERENDE ZAAK] verkregen en niet [EISERS] Bovendien valt niet in te zien dat [EISERS] thans zonder nadere onderbouwing aanspraak zouden kunnen maken op de waarde van de woning [ONROERENDE ZAAK], welke woning in eigendom toebehoort aan [GEDAAGDE] en [TUSSENKOMENDE PARTIJ].

Ook de subsidiaire vordering van [EISERS] kan niet worden toegewezen. [GEDAAGDE] heeft geen verweer tegen deze vordering gevoerd en daarmee benadeelt hij [TUSSENKOMENDE PARTIJ]. Volgens [TUSSENKOMENDE PARTIJ] is de subsidiaire vordering van [EISERS] niet opeisbaar, omdat deze vordering verjaard is (de termijn is gaan lopen vanaf 1980 en dan is ook de verjaringstermijn van 20 jaren voltooid) en door [EISERS] is kwijtgescholden. [TUSSENKOMENDE PARTIJ] is niet bekend met de vordering van [EISER 6], maar zij gaat ervan uit dat [GEDAAGDE] deze schuld voldaan heeft en zo dat niet het geval mocht zijn, dat ook deze vordering verjaard is en is kwijtgescholden door [EISERS]

4 DE BEOORDELING VAN HET GESCHIL

Alsnog voeging ?

4.1 [TUSSENKOMENDE PARTIJ] heeft, zoals hiervoor in rechtsoverweging 3.2 is overwogen, als tussenkomende partij aangevoerd dat zij alsnog voeging wenst in de procedure, omdat deze mogelijkheid bestaat vanwege het zuiveren van het aanvankelijk aan [GEDAAGDE] verleende verstek. [TUSSENKOMENDE PARTIJ] wil dat haar (eerdere) verzoek tot tussenkomst wordt gezien als een verzoek tot voeging.

4.2 Bij incidenteel vonnis van 4 augustus 2010 werd [TUSSENKOMENDE PARTIJ] toegestaan om tussen te komen in de hoofdzaak. Dat, zoals [TUSSENKOMENDE PARTIJ] stelt, de eerder ingestelde vordering om tussen te komen thans dient te worden aangemerkt als een vordering tot voeging, kan er niet toe leiden dat [TUSSENKOMENDE PARTIJ] zich alsnog in de procedure kan voegen. [TUSSENKOMENDE PARTIJ] heeft immers een vordering tot tussenkomst ingesteld en niet een vordering tot voeging en op die vordering tot tussenkomst is bij het vonnis van 4 augustus 2010 beslist.

In artikel 218 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is bepaald dat een vordering tot voeging of tussenkomst wordt ingesteld bij incidentele conclusie vóór of op de roldatum waarop de laatste conclusie in het aanhangige geding wordt genomen.

Nu [TUSSENKOMENDE PARTIJ] geen vordering tot voeging bij incidentele conclusie heeft ingediend, behoeft haar verzoek tot voeging geen verdere bespreking.

De vorderingen van [EISERS]

4.3 Zoals hiervoor in rechtsoverweging 3.2 is overwogen, ziet de primaire vordering van [EISERS] op de vaststelling dat [EISERS] gerechtigd zijn tot de actuele waarde van de woning [ONROERENDE ZAAK] onder aftrek van het bedrag van de voor die aankoop aangegane hypothecaire lening.

[EISERS] leggen aan de primaire vordering ten grondslag dat [EISERS] aan [GEDAAGDE] gelden ter beschikking hebben gesteld voor de aankoop van een woning. In het kader daarvan bestond de intentie dat [GEDAAGDE] de woning [ONROERENDE ZAAK] zou verkrijgen voor [EISERS] en dat laatstgenoemden verbintenisrechtelijk tot de opbrengst van woning gerechtigd zouden zijn naar rato van hun bijdrage aan de aankoopprijs. Volgens [EISERS] bestaat dezelfde aanspraak op de later aangekochte woning [ONROERENDE ZAAK] in die zin dat [EISERS] gerechtigd zijn op de actuele waarde van deze woning onder aftrek van de hypothecaire lening.

4.4 Naar het oordeel van de rechtbank houden de stellingen van [EISERS] met betrekking tot de primaire vordering in dat de economische eigendom van de woning [ONROERENDE ZAAK] bij [EISERS] berust. [EISERS] vorderen immers niet nominaal de door hun ter beschikking gestelde bedragen terug maar zij vorderen - naar rato van hun aandeel in de kosten van de aankoop - de actuele waarde in het economisch verkeer van het registergoed [ONROERENDE ZAAK] als waren zij eigenaar van de woning. Dit wordt bevestigd door hetgeen door mr. Kouwenberg ter gelegenheid van de op 30 juni 2011 gehouden pleidooien werd verklaard: mr. Kouwenberg verklaart dat de economische eigendom van de woning [ONROERENDE ZAAK] bij [EISERS] berust.

De rechtbank is van oordeel dat [TUSSENKOMENDE PARTIJ] ter gelegenheid van de op 30 juni 2011 gehouden pleidooien terecht heeft aangevoerd dat de economische eigendom van een registergoed door middel van een notariële akte moet worden overgedragen en dat deze akte met betrekking tot de overdracht van de economische eigendom van de woning aan de [ONROERENDE ZAAK] ontbreekt.

Dit betekent dat de economische eigendom van de woning aan de [ONROERENDE ZAAK] niet is overgedragen aan [EISERS] en dat een grondslag voor toewijzing van de primaire vordering ontbreekt. [TUSSENKOMENDE PARTIJ] heeft bovendien terecht aangevoerd [GEDAAGDE] zelf een deel van de aankoop van de woning aan de [ONROERENDE ZAAK] heeft gefinancierd en dat niet valt in te zien dat [EISERS] zonder nadere onderbouwing aanspraak zouden kunnen maken op de waarde van de later aangekochte woning [ONROERENDE ZAAK], die in eigendom toebehoort aan [GEDAAGDE] en [TUSSENKOMENDE PARTIJ].

Nu [EISERS] aldus onvoldoende hebben gesteld voor toewijzing van de primaire vordering, dient deze te worden afgewezen.

4.5 Subsidiair vorderen [EISERS] dat [GEDAAGDE] wordt veroordeeld om de in de schuldbekentenis van 6 november 1980 genoemde en aan [GEDAAGDE] geleende bedragen terug te betalen. [EISERS] vorderen voorts dat [GEDAAGDE] een bedrag van [EURO] 9.075,60 aan [EISER 6] zal betalen, welk bedrag hem ([GEDAAGDE]) volgens een schuldbekentenis van 12 januari 1989 is geleend.

4.6 [GEDAAGDE] heeft de juistheid van de stellingen van [EISERS] erkend en hij erkent ook de door [EISERS] ingestelde (subsidiaire) vordering en de vordering sub III. Deze vorderingen zullen dan ook jegens hem worden toegewezen.

Gevolgen van de toewijzing

4.7 [GEDAAGDE] en [TUSSENKOMENDE PARTIJ] waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Het huwelijk is op 13 oktober 2010 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

De subsidiaire vordering tot terugbetaling door [GEDAAGDE] van de door [EISERS] geleende gelden moet dan ook worden aangemerkt als een gemeenschapsschuld. Dit heeft tot gevolg dat [GEDAAGDE] ingevolge het bepaalde in artikel 102 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek na ontbinding voor het geheel aansprakelijk blijft voor deze schuld, waarvoor hij ook reeds voor de ontbinding aansprakelijk was.

Door de ontbinding van het huwelijk wordt [TUSSENKOMENDE PARTIJ] ingevolge het bepaalde in artikel 102 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in beginsel voor de helft hoofdelijk aansprakelijk voor deze gemeenschapsschuld.

De vorderingen van [TUSSENKOMENDE PARTIJ] als tussenkomende partij

4.8 De rechtbank stelt voorop dat tussenkomst van andere aard is dan voeging en aanmerkelijk verder gaat. Van tussenkomst is sprake als de derde zelf een vordering wenst in te stellen tegen een van beide of tegen beide partijen met betrekking tot het onderwerp van de procedure. Over de gevolgen van het toestaan van de tussenkomst bevat de wet geen bepalingen. Uit het karakter van de tussenkomst volgt dat de derde veelal tegen beide oorspronkelijke partijen procedeert. Aldus is sprake van een geding waarin alle drie de partijen tegenover elkaar staan. Wet, literatuur en rechtspraak zwijgen over de wijze waarop dit geding gevoerd moet worden en het wordt aan de rechter overgelaten naar bevind van zaken te handelen. Het betoog van [EISERS] in de pleitnota sub 6 over de beperking in de omvang van de tussenkomst snijdt geen hout. [EISERS] stellen daar dat de vorderingen van [TUSSENKOMENDE PARTIJ] als tussenkomende partij te ruim zijn, omdat de vorderingen van [EISERS] tegen [GEDAAGDE] niets te maken hebben met de verdelingsprocedure tussen [GEDAAGDE] en [TUSSENKOMENDE PARTIJ].

[EISERS] zien er naar het oordeel van de rechtbank aan voorbij dat de vorderingen van [EISERS] tegen [GEDAAGDE] verhaalbaar zijn op de (inmiddels) ontbonden huwelijksgemeenschap en dat ook [TUSSENKOMENDE PARTIJ] na ontbinding op grond van het bepaalde in artikel 102 Boek 1 BW voor de helft van die schulden hoofdelijk aansprakelijk is.

4.9 [TUSSENKOMENDE PARTIJ] heeft als tussenkomende partij primair gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de vorderingen zoals ingesteld door [EISERS] niet, althans niet langer, opeisbaar zijn.

[TUSSENKOMENDE PARTIJ] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat, nu geen termijn voor de nakoming is bepaald en de vordering reeds vanaf 6 november 1980 opeisbaar is, de subsidiaire vordering van [EISERS] verjaard is. [TUSSENKOMENDE PARTIJ] wijst er in dit verband op dat in de daaropvolgende twintig jaar geen nakoming is gevorderd.

Integendeel, de schuld is volgens [TUSSENKOMENDE PARTIJ] bij akte van kwijtschelding in 1994 door [EISERS] kwijtgescholden, zodat geen vorderingsrecht meer bestaat.

4.10 De rechtbank is van oordeel dat [TUSSENKOMENDE PARTIJ] terecht een beroep op verjaring heeft gedaan.

In de in rechtsoverweging 2.4 sub c) genoemde schuldbekentenis van 6 november 1980 is geen termijn voor de nakoming bepaald, hetgeen meebrengt dat, zoals [TUSSENKOMENDE PARTIJ] terecht heeft aangevoerd, terstond nakoming kan worden gevorderd (artikel 38 Boek 6 BW). Nu door [EISERS] gedurende een periode van meer dan twintig jaar - vanaf 6 november 1980 - geen terugbetaling van de leningen is gevorderd, slaagt het beroep op verjaring.

[TUSSENKOMENDE PARTIJ] heeft bovendien terecht aangevoerd dat op grond van de door [EISERS] ondertekende akte van algehele kwijting d.d. 6 februari 1994 geen vorderingsrechten van [EISERS] meer jegens [GEDAAGDE] bestaan, omdat [EISERS] de schulden die [GEDAAGDE] had heeft kwijtgescholden.

[EISERS] hebben in hun conclusie van repliek sub 15 gesteld dat deze kwijting slechts betrekking had op de gelden (circa [GULDEN] 50.000,--) die [EISERS] in de loop der jaren aan [GEDAAGDE] ten behoeve van het levensonderhoud van zijn gezin en de door hem gedreven onderneming [NAAM ONDERNEMING] ter beschikking zijn gesteld. Nu, zoals [TUSSENKOMENDE PARTIJ] terecht aanvoert, in de akte geen onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende schulden waarvan een deel wel en een deel niet onder de kwijting zou vallen, hebben [EISERS] onvoldoende gesteld om ervan uit te kunnen gaan dat de kwijting slechts beperkt is tot bepaalde schulden.

Uit het vorenstaande volgt dat [TUSSENKOMENDE PARTIJ], die in beginsel op grond van het bepaalde in artikel 102 Boek 1 BW aansprakelijk is voor de gemeenschapsschuld van [GEDAAGDE], niet door [EISERS] kan worden aangesproken, omdat het beroep van [TUSSENKOMENDE PARTIJ] op verjaring van de vordering

van [EISERS] slaagt. De vordering van [TUSSENKOMENDE PARTIJ] dat voor recht zal worden verklaard dat de (subsidiaire) vordering van [EISERS] niet opeisbaar is dient derhalve te worden toegewezen voor zover het (de aansprakelijkheid van) [TUSSENKOMENDE PARTIJ] betreft.

4.11 Nu de primaire vordering van [TUSSENKOMENDE PARTIJ] niet geheel maar gedeeltelijk wordt toegewezen, is de voorwaarde vervuld waaronder de subsidiaire vordering behandeld dient te worden.

[TUSSENKOMENDE PARTIJ] vordert subsidiair dat voor recht wordt verklaard dat de vorderingen van [EISERS] geen deel meer uitmaken van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen en derhalve niet op het aandeel van [TUSSENKOMENDE PARTIJ] in de huwelijksgoederengemeenschap kunnen worden verhaald.

De rechtbank overweegt dat gemeenschapsschulden na ontbinding van de huwelijksgemeenschap op grond van het bepaalde in artikel 100 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek - onder meer - kunnen worden verhaald op de ontbonden huwelijksgemeenschap.

Dit betekent dat voor de subsidiaire vordering van [EISERS] op [GEDAAGDE] na ontbinding verhaal mogelijk is op de ontbonden huwelijksgemeenschap.

Dit verhaalsrecht kan niet worden verkort. De subsidiaire vordering van [TUSSENKOMENDE PARTIJ] dient derhalve te worden afgewezen.

4.12 [TUSSENKOMENDE PARTIJ] vordert meer subsidiair om [GEDAAGDE] te veroordelen tot vergoeding van een bedrag ter grootte van de toegewezen vordering aan de huwelijksgemeenschap, binnen een week na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der verschuldigdheid tot aan de dag der algehele voldoening.

[TUSSENKOMENDE PARTIJ] heeft aan deze vordering het bepaalde in artikel 164 Boek 1 BW ten grondslag gelegd.

4.13 In artikel 164 lid 1 Boek 1 BW is het volgende bepaald:

"Indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen door één van hen is benadeeld doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 88 van dit boek zonder de vereiste toestemming of machtiging heeft verricht, is hij gehouden na de inschrijving van de beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken, de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden."

4.14 De echtscheiding van [TUSSENKOMENDE PARTIJ] en [GEDAAGDE] is uitgesproken en vaststaat dat de huwelijksgemeenschap inmiddels is ontbonden. Niet gesteld of gebleken is dat de huwelijksgemeenschap reeds is verdeeld.

De rechtbank is van oordeel dat [GEDAAGDE] - door in deze procedure de juistheid van de stellingen van [EISERS] te erkennen en de vorderingen van [EISERS] niet te bestrijden, hoewel een beroep op verjaring en op de akte van kwijtschelding mogelijk zou zijn geweest - de gemeenschap heeft benadeeld. De subsidiaire vordering van [EISERS] en de vordering van [EISER 6] tegen [GEDAAGDE] worden immers toegewezen en deze vorderingen zijn op grond van artikel 100 lid 2 Boek 1 BW verhaalbaar op de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van [GEDAAGDE] en [TUSSENKOMENDE PARTIJ]. Deze huwelijksgoederengemeenschap van [GEDAAGDE] en [TUSSENKOMENDE PARTIJ] bestaat volgens [TUSSENKOMENDE PARTIJ] uit weinig meer dan de echtelijke woning (conclusie van antwoord [TUSSENKOMENDE PARTIJ] sub 24) en bij het uitoefenen van het verhaalsrecht door [EISERS] en [EISER 6] wordt [TUSSENKOMENDE PARTIJ] benadeeld. De vordering van [TUSSENKOMENDE PARTIJ] dat [GEDAAGDE] de schade aan de gemeenschap dient te vergoeden, is toewijsbaar vanaf het moment dat de schade wordt geleden en niet, zoals door [TUSSENKOMENDE PARTIJ] gevorderd, vanaf het moment dat het huwelijk is ontbonden. Deze vordering van [TUSSENKOMENDE PARTIJ] wordt toegewezen als na te melden.

Samenvatting

4.15 Uit het vorenstaande volgt dat de primaire vordering van [EISERS] moet worden afgewezen en dat de subsidiaire vordering van [EISERS] en de vordering van [EISER 6] tot terugbetaling van de geleende gelden tegen [GEDAAGDE] moet worden toegewezen, omdat [GEDAAGDE] geen verweer heeft gevoerd tegen laatstgenoemde vorderingen. Uit de toewijzing van de subsidiaire vordering van [EISERS] volgt dat de primaire vordering van [TUSSENKOMENDE PARTIJ] (dat de vorderingen van [EISERS] niet opeisbaar zijn) niet toewijsbaar is voor zover het [GEDAAGDE] betreft.

De primaire vordering van [TUSSENKOMENDE PARTIJ] is wel toewijsbaar in zoverre [TUSSENKOMENDE PARTIJ] door [EISERS] voor de aan [GEDAAGDE] geleende bedragen kan worden aangesproken (op grond van de uitbreiding van de hoofdelijke aansprakelijkheid door de werking van artikel 102 Boek 1 BW).

De subsidiaire vordering van [TUSSENKOMENDE PARTIJ] moet worden afgewezen, omdat - door de erkenning door [GEDAAGDE] - sprake is van een gemeenschapsschuld waarvoor [EISERS] zich op de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van [TUSSENKOMENDE PARTIJ] en [GEDAAGDE] kan verhalen. Dit verhaalsrecht kan niet worden verkort.

De meer subsidiaire vordering van [TUSSENKOMENDE PARTIJ] wordt toegewezen.

4.16 Daar [EISERS] en [GEDAAGDE] tot elkaar in een familierechtelijke relatie staan (ouders, broers en zusters) worden de proceskosten gecompenseerd aldus dat [EISERS] en [GEDAAGDE] ieder de eigen kosten dragen.

Daar [GEDAAGDE] en [TUSSENKOMENDE PARTIJ] ex-echtelieden zijn, worden de proceskosten eveneens gecompenseerd aldus dat [GEDAAGDE] en [TUSSENKOMENDE PARTIJ] ieder de eigen kosten dragen.

[EISERS] en [TUSSENKOMENDE PARTIJ] zijn ieder over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk gesteld. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat ook de proceskosten van [EISERS] en [TUSSENKOMENDE PARTIJ] dienen te worden gecompenseerd aldus dat ieder van deze partijen de eigen kosten draagt.

5 DE BESLISSING

De rechtbank:

Wijst af het primair door [EISERS] gevorderde.

Veroordeelt [GEDAAGDE] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [EISERS] de volgende bedragen te betalen, vermeerderd met de contractuele rente ter hoogte van de wettelijke rente over de hoofdsom alsmede de jaarlijks gecumuleerde rente vanaf 6 november 1980 tot aan de dag der algehele voldoening:

a) aan [EISER 1] [EURO] 22.689,01;

b) aan de erven van [EISER 2] [EURO] 13.613,41;

c) aan [EISER 3], de erven van [EISER 4], [EISER 5] en [EISER 6] ieder [EURO] 4.537,80.

Veroordeelt [GEDAAGDE] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [EISER 6] te betalen een bedrag van [EURO] 9.075,60, vermeerderd met de overeengekomen rente van 9,6 % per jaar over de hoofdsom alsmede de jaarlijks gecumuleerde rente, vanaf 12 januari 1989 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verklaart voor recht dat de subsidiaire vordering van [EISERS] en de vordering van [EISER 6] niet opeisbaar zijn jegens [TUSSENKOMENDE PARTIJ].

Veroordeelt [GEDAAGDE] om aan de huwelijksgoederengemeenschap te vergoeden een bedrag ter grootte van de tegen hem toegewezen vorderingen van [EISERS] en [EISER 6], vanaf het moment dat laatstgenoemde vorderingen op [GEDAAGDE] uit de gemeenschap worden voldaan en de schade door de gemeenschap aldus wordt geleden. Een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag dat de schade worden geleden tot aan de dag der algehele voldoening.

Compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad behoudens ten aanzien van de verklaring voor recht.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. M. E. Allegro en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 21 september 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.