Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BT8714

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
20-04-2011
Datum publicatie
20-10-2011
Zaaknummer
116775 / OT RK 10-64
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Samenvatting: Ouders stellen zich in deze procedure, die onder meer betrekking heeft op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, op het standpunt dat de indicatiebesluiten niet op juiste wijze tot stand zijn gekomen. De kinderrechter overweegt dat uit de memorie van toelichting bij artikel 3, vierde lid, van de Wet op de Jeugdzorg blijkt dat de kinderrechter in het kader van deze -civielrechtelijke- procedure tevens, als voorvraag, de rechtmatigheid van het indicatiebesluit dient te toetsen. Het is de kinderrechter niet gebleken dat de overgelegde indicatiebesluiten niet aan de in artikel 6, eerste lid, van de WJZ genoemde voorwaarden voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Sector civiel recht

msb

Rekestnummer: 116775 / OT RK 10-64

Datum uitspraak: 20 april 2010

Beschikking van de kinderrechter in bovenvermelde rechtbank, gegeven in de zaak met betrekking tot de minderjarigen:

[naam kind 1], geboren te Hoorn, op [datum 1],

[naam kind 2], geboren te Hoogkarspel, op [datum 2],

[naam kind 3], geboren te Hoorn, op [datum 3],

[naam kind 4], geboren te Hoorn, op [datum 4],

vader: [naam vader], wonende te Hoogkarspel,

moeder: [naam moeder], wonende te Hoogkarspel,

gezag: de ouders.

PROCESGANG

De kinderrechter te Alkmaar heeft bij beschikking van 9 maart 2009 - voor zover hier van belang - de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengd met een jaar, tot 10 maart 2010.

Bij beschikking van 16 juli 2009 heeft de kinderrechter te Alkmaar de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen verlengd, tot 10 maart 2010.

Op 19 januari 2010 heeft Bureau Jeugdzorg Noord-Holland te Alkmaar (hierna: BJZ) verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling en tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen, beide voor de duur van twaalf maanden, ingediend.

De kinderrechter te Alkmaar heeft bij beschikking van 1 maart 2010 ambtshalve de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen verlengd, tot 21 april 2010.

Ter griffie zijn indicatiebesluiten ontvangen, gedateerd 22 december 2009. Uit de indicatiebesluiten blijkt dat de minderjarigen [kind1], [kind2] en [kind3] in aanmerking komen voor verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs voor de duur van een jaar, en dat de minderjarige [kind4] in aanmerking komt voor verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs dan wel voor verblijf bij pleegouder(s) 24-uurs voor de duur van een jaar.

De kinderrechter heeft kennis genomen van:

- de rapportages over het verloop van de ondertoezichtstelling van BJZ;

- de brief van de moeder van 1 maart 2010, met bijlagen;

- de brief van de moeder, ingekomen ter griffie op 14 april 2010, met bijlagen.

Op 14 april 2010 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld. Verschenen zijn: mw. A. Blank namens BJZ en de ouders.

STANDPUNTEN PARTIJEN

BJZ heeft ter onderbouwing van de verzoeken -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd. BJZ is van oordeel dat de veiligheid van de minderjarigen in de thuissituatie niet kan worden gewaarborgd, omdat de vader in eerste aanleg strafrechtelijk is veroordeeld voor langdurig seksueel misbruik van zijn stiefdochter [naam 5], en de rapporterend psycholoog (in het kader van de strafzaak) geen uitspraak heeft kunnen doen over de kans op herhaling. Dat de vader van dit vonnis in hoger beroep is gegaan en het vonnis dus nog niet onherroepelijk is, doet hieraan naar het oordeel van BJZ niets af. In dit stadium kan in elk geval als uitgangspunt gelden dat de thuissituatie van de minderjarigen lange tijd zeer onveilig is geweest. De moeder lijkt de vader op dit moment onvoorwaardelijk te steunen in zijn ontkenning van het seksueel misbruik. De ouders reageren niet op uitnodigingen van de gezinsvoogd om bijvoorbeeld de ondertoezichtstelling van de minderjarigen te evalueren, en zij proberen gezamenlijk via (juridische) procedures te bewerkstelligen dat de minderjarigen weer thuis komen wonen. Door deze opstelling van de ouders lukt het BJZ niet om met de ouders in gesprek te gaan over de zorgen om de minderjarigen. Daardoor blijven de zorgen om de minderjarigen onbesproken, en bovendien gaan de ouders hiermee voorbij aan de loyaliteitsproblemen en het gebrek aan perspectief die de minderjarigen daardoor ervaren. In diverse rapportages en in het strafvonnis komt verder naar voren dat de minderjarigen bij de ouders thuis in een controlerend en repressief opvoedklimaat opgroeiden, waarin fysieke correcties niet werden geschuwd en waarbij er weinig ruimte was voor tegenspraak van de minderjarigen. Gelet op het voorgaande is BJZ van oordeel dat thuisplaatsing van de minderjarigen in dit stadium een te groot risico met zich meebrengt. Op dit moment verblijven [kind1], [kind2] en [kind3] op een behandelgroep van 'Kinderhuis Antonius' (hierna: 'Antonius'), en [kind4] in een pleeggezin. BJZ acht het voor de ontwikkeling van [kind1], [kind2] en [kind3] van belang dat zij niet meer op een behandelgroep wonen. Hun opvoeding en verzorging zou plaats moeten vinden binnen een situatie die een normale gezinssituatie zo veel mogelijk benadert. Daarom zal in mei 2010 binnen 'Antonius' een aparte afdeling gereed zijn waar [kind1], [kind2] en [kind3] kunnen gaan wonen. Door de inzet van twee vaste opvoeders wordt een gezinssituatie benaderd. Er worden momenteel gesprekken gevoerd met de ouders om te bezien welke rol zij in deze nieuwe situatie kunnen innemen. Wegens reorganisatie van het hulpverleningsaanbod kan deze voornoemde opvoedsituatie binnen 'Antonius' slechts een half jaar bestaan. In deze periode zal bekeken worden of de ouders in hun houding en opstelling voldoende ondersteuning aan de minderjarigen bieden en of het wonen in een gezinshuis (dat door 'Parlan' gerealiseerd zou kunnen worden) haalbaar is.

De ouders hebben -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd. Zij zijn het niet eens met het verzochte. De ouders verzoeken primair de indicatiebesluiten te vernietigen, zodat de verzoeken op formele gronden dienen te worden afgewezen. Subsidiair verzoeken de ouders om een adequaat onderzoek te laten doen naar de mogelijkheden van thuisplaatsing van de minderjarigen. De ouders zijn van oordeel dat de indicatiebesluiten niet op juiste gronden tot stand zijn gekomen. Zij menen dat de indicatiebesluiten onvoldoende zijn onderbouwd, dat de feiten in het indicatiebesluit niet kloppen, dat BJZ nauwelijks tot geen overleg heeft gevoerd met de ouders en dat de noodzaak tot uithuisplaatsing door BJZ met geen enkel feit wordt onderbouwd. De ouders verschillen met BJZ van mening over de behandeling van de minderjarigen. BJZ wil de uithuisplaatsing laten voortduren, terwijl de ouders en de minderjarigen hun gezinsleven terug willen. Volgens de ouders blijkt uit de rapportages van 'Antonius' en uit het verslag van het Multidisciplinair overleg dat de minderjarigen volledig gezond en competent zijn, dat de huidige situatie van uithuisplaatsing beschadigend is voor de minderjarigen, dat de ouders goed samenwerken met 'Antonius' en de pleegzorgbegeleiding, dat het contact tussen de ouders en de minderjarigen warm, betrokken en gezellig is en dat de minderjarigen goed kunnen communiceren met de ouders. Verder heeft de psycholoog drs. G.J. Postma geconstateerd dat de ouders zeer goed in staat zijn om voor de minderjarigen te zorgen. De ouders menen dat de minderjarigen het beste af zijn met de liefde en aandacht van de ouders en familie. De ouders zijn bereid om mee te werken aan de zorg die nodig wordt geacht om de veiligheid in de thuissituatie wel te garanderen. Zij menen dat zij dit sinds maart 2009 ook steeds al laten zien.

OVERWEGINGEN

Ten aanzien van het verweer van de ouders dat de indicatiebesluiten van BJZ niet op juiste wijze tot stand zijn gekomen, overweegt de kinderrechter het volgende. Tegen een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 8:5, eerste lid, en onderdeel H, onder 3, van de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) staat geen bestuursrechtelijke rechtsbescherming open. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 3, vierde lid, van de Wet op de jeugdzorg (hierna: WJZ) is een indicatiebesluit inzake een onder toezicht gestelde cliënt, inhoudende een uithuisplaatsing, van beroep uitgezonderd teneinde een dubbele rechtsgang te voorkomen. Daarbij is onder meer het volgende aangegeven: "Zoals eerder is opgemerkt staat tegen een indicatiebesluit beroep op grond van de Awb open. Bij ondertoezichtstelling is voor de effectuering van een indicatie die strekt tot uithuisplaatsing een machtiging van de kinderrechter nodig. Om dubbele procedures te voorkomen bepaalt artikel 3, vierde lid, van de WJZ dat een indicatiebesluit van de stichting, dat strekt tot uithuisplaatsing in het kader van de ondertoezichtstelling eerst in werking treedt nadat de machtiging van de kinderrechter, bedoeld in artikel 1:261 van het Burgerlijk Wetboek, is verkregen. De kinderrechter oordeelt in de gevallen dat cliënten zich niet met het indicatiebesluit kunnen verenigen eveneens over bezwaren tegen het indicatiebesluit." (Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 168, nr. 3, p. 52 en 85). Hieruit volgt dat de kinderrechter in het kader van deze - civielrechtelijke - procedure tevens, als voorvraag, de rechtmatigheid van het indicatiebesluit dient te toetsen.

Het is de kinderrechter niet gebleken dat de door BJZ overgelegde indicatiebesluiten niet voldoen aan de in artikel 6, eerste lid, van de WJZ genoemde voorwaarden voor het nemen van een indicatiebesluit. De bezwaren die de ouders hebben aangevoerd tegen de indicatiebesluiten beschouwt de kinderrechter als een beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur - en dan in het bijzonder op het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel - aangezien de ouders van oordeel zijn dat de indicatiebesluiten onvoldoende zijn onderbouwd, niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen, en de ouders ten onrechte niet zijn gehoord. In de indicatiebesluiten zijn naar het oordeel van de kinderrechter de beoogde doelen gericht op de minderjarigen en de beoogde doelen gericht op de ouders zorgvuldig weergegeven. Verder heeft BJZ in de probleemanalyse (diagnostisch beeld) het standpunt inzake de noodzaak tot uithuisplaatsing logisch en begrijpelijk gemotiveerd. In de indicatiebesluiten heeft BJZ verder aangegeven dat de ouders niet met BJZ in gesprek willen gaan over (het nemen van) de indicatiebesluiten, en dat de ouders menen dat de minderjarigen onterecht uit huis zijn geplaatst en thuisgeplaatst moeten worden. Doordat de ouders niet met BJZ in gesprek willen gaan, is het niet mogelijk geweest om hen te horen over de indicatiebesluiten. Op grond van het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat BJZ in redelijkheid tot deze indicatiebesluiten heeft kunnen komen. Nu de indicatiebesluiten van BJZ naar het oordeel van de kinderrechter de rechtmatigheidstoets kunnen doorstaan, zullen de verzoeken van BJZ niet op formele gronden worden afgewezen.

Ten materiële overweegt de kinderrechter voorts nog het volgende. De ouders zijn op 13 oktober 2009 in hoger beroep gegaan van de beschikking van de kinderrechter te Alkmaar van 16 juli 2009. Bij beschikking van 9 februari 2010 heeft het gerechtshof te Amsterdam (hierna: het hof) de beschikking van de kinderrechter te Alkmaar bekrachtigd. Het hof overweegt hiertoe -zakelijk samengevat- het volgende. Bij vonnis van de rechtbank te Alkmaar van 23 april 2009 is de vader veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf voor verkrachting, meermalen gepleegd, van zijn stiefdochter [naam 5]. De vader heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Dat de vader van het vonnis in hoger beroep is gegaan, staat er naar het oordeel van het hof niet aan in de weg dat in dit stadium in elk geval als uitgangspunt heeft te gelden dat de thuissituatie van de minderjarigen lange tijd zeer onveilig is geweest. Voorts overweegt het hof dat blijkens het strafvonnis tot de bewijsmiddelen onder meer de aangifte van de moeder van 25 april 2007 behoort. In die aangifte heeft de moeder uitvoerig verklaard over de omstandigheden die haar argwaan jegens de vader hebben gewekt. Blijkens het vonnis heeft zij dat op 8 mei 2007 in een nadere verklaring herhaald. Zij heeft daarmee de verklaringen van [naam 5] over het seksueel misbruik door de vader ondersteund. Later is de moeder hierop evenwel teruggekomen en heeft zij zich op het standpunt gesteld dat seksueel misbruik van [naam 5] door de vader niet heeft plaatsgevonden. De vader heeft van meet af aan iedere betrokkenheid bij de hem ten laste gelegde misdrijven ontkend, reden waarom de rapporterend psycholoog geen uitspraak heeft kunnen doen over de kans op herhaling. Nu omtrent dit laatste geen duidelijkheid bestaat, en voorts gelet op de wisseling van standpunt van de moeder waarbij zij thans de vader onvoorwaardelijk steunt in diens ontkenning van het ten laste gelegde, kan de conclusie in dit stadium naar het oordeel van het hof geen andere zijn dan dat thuisplaatsing een te groot risico voor de veiligheid van de minderjarigen met zich brengt. Het voorgaande vindt bevestiging in de rapportages van 'OCK het Spalier' van 29 augustus 2008 en van het SAZ Onderzoeksbureau van 29 september 2008, waarin vermoedens van seksueel misbruik van [kind2] en [kind3] worden omschreven en onderbouwd. Volgens het rapport van het SAZ Onderzoeksbureau heeft ook [kind1] aangegeven met grensoverschrijdend seksueel gedrag in aanraking te zijn geweest, en hebben een aantal minderjarigen aangegeven thuis door de vader te zijn geslagen. Het hof ziet geen aanleiding om de voornoemde rapportages als niet objectief en oncontroleerbaar terzijde te laten. Het hof oordeelt op grond van het voorgaande dat de uithuisplaatsing van de minderjarigen in het belang van hun verzorging en opvoeding noodzakelijk is. De inhoud van het rapport van psycholoog G.J. Postma van 5 juni 2009 brengt in dat oordeel geen verandering, reeds omdat de veiligheid van de thuissituatie van de minderjarigen blijkens dat rapport geen onderwerp van onderzoek is geweest. Ook de stelling van de ouders dat de uithuisplaatsing de minderjarigen schade toebrengt, leidt niet tot een ander oordeel.

De kinderrechter maakt de bovenstaande overwegingen van het hof tot de hare en overweegt dat er sedert de beschikking van het hof geen sprake is van gewijzigde feiten of omstandigheden. De kinderrechter komt thans dan ook niet tot een andersluidende beslissing.

Op grond van het voorgaande en de overige verkregen inlichtingen is de kinderrechter van oordeel dat de voorwaarden, in artikel 254, eerste lid, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek voor ondertoezichtstelling gesteld, nog aanwezig zijn. Tevens is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de minderjarigen noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen en/of tot onderzoek van hun geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

BESLISSING

De kinderrechter:

- verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarigen:

[kind 1], geboren te Hoorn, op [datum 1],

[kind 2], geboren te Hoogkarspel, op [datum 2],

[kind 3], geboren te Hoorn, op [datum 3],

[kind 4], geboren te Hoorn, op [datum 4],

tot 10 maart 2011;

- verlengt de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen:

[kind 1], geboren te Hoorn, op [datum 1],

[kind 2], geboren te Hoogkarspel, op [datum 2],

[kind 3], geboren te Hoorn, op [datum 3],

in een accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs, tot 10 maart 2011, zulks ter effectuering van voornoemde indicatiebesluiten;

- verlengt de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen:

[kind4], geboren te Hoorn, op [datum 4],

bij pleegouder(s) 24-uurs dan wel in een accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs, tot 10 maart 2011, zulks ter effectuering van het voornoemd indicatiebesluit;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven te Alkmaar door mr. W.C. Oosterbroek, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 april 2010, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Blijlevens als griffier.