Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BT8623

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
13-10-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
09/1652, 09/1691 en 09/1707
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Projectbesluit ten behoeve van de herinrichting van een straat, waaronder de aanleg van extra parkeerplaatsen. Door het achterwege laten van de digitale publicatie van het ontwerp-projectbesluit met de daarbij behorende toelichting zijn eisers niet benadeeld. Gebrek wordt gepasseerd. De ruimtelijke onderbouwing voldoet aan de daaraan te stellen eisen. De gemeenteraad heeft in redelijkheid kunnen stellen dat het belang bij de te realiseren parkeerplaatsen zwaarder weegt dan de belangen van eisers bij het behoud van het gehele plantsoen. Het project levert ook niet een zodanige aantasting van het woongenot op dat daarvoor geen projectbesluit had kunnen worden genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 09/1652, AWB 09/1691 en AWB 09/1707

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 oktober 2011 in de zaken tussen:

1. [eiser 1], te [plaatsnaam],

(gemachtigde mr. M.M. de Roon),

2. [eiser 2] en [eiser 3], te [plaatsnaam],

(gemachtigde mr. C.R. Rutte),

3. [eiser 4], te [plaatsnaam],

eisers,

en

de raad van de gemeente Graft-De Rijp, verweerder

(gemachtigde [naam 1]).

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2009 (het bestreden besluit) heeft verweerder een projectbesluit genomen ten behoeve van de wijziging van de inrichting van de openbare ruimte rondom de Bellesloot te [plaatsnaam].

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast hebben eisers sub 2 en sub 3 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Bij uitspraak van 8 oktober 2009 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser sub 3 toegewezen, in die zin dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op realisering van de naast de woning van eiser sub 3 gelegen beoogde tien parkeerplaatsen, wordt geschorst totdat is beslist op het beroep, en het verzoek van eisers sub 2 afgewezen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 28 oktober 2010 heeft er een regiezitting plaatsgevonden. Eiseres sub 1 is vertegenwoordigd door mr. G.G. Kranendonk, die waarnam voor mr. M.M. de Roon. Eisers sub 2 zijn niet verschenen. Eiser sub 3 is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden [naam 1], [naam 2] en [naam 3]. Ter zitting is afgesproken dat van het bestreden besluit opnieuw kennis zal worden gegeven in de Staatscourant en één of meerdere bladen, waaruit zal blijken waar en wanneer het besluit ter inzage is gelegd.

Verweerder heeft vervolgens nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2011. Eiseres sub 1 is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Eisers sub 2 zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Eiser sub 3 is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden [naam 1] en [naam 2].

Overwegingen

1. Het projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is opgesteld voor een project ten behoeve van de herinrichting van de Bellesloot te [plaatsnaam]. Het project betreft het aanpassen van de wegprofilering, het aanbrengen van parkeerplaatsen en het inrichten van de openbare ruimte. Voorafgaande aan de herinrichting zal rioolrenovatie plaatsvinden.

2. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder in redelijkheid het

projectbesluit heeft kunnen nemen.

3.1. Bij deze beoordeling is de volgende wetgeving van belang.

3.2. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Uit het overgangsrecht zoals dat is opgenomen in de Invoeringswet Wabo volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreden van de Wabo is ingediend.

Op 1 juli 2008 is de Wro in werking getreden en de Wet op de Ruimtelijke Ordening vervallen. Gelet op het tijdstip van indiening van het aan het projectbesluit ten grondslag liggende plan - na 1 juli 2008 - dient het ingevolge het bepaalde in de Invoeringswet Wro te worden afgewikkeld onder het regime van de Wro.

3.3. Ingevolge 3.10, eerste lid, van de Wro kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project van gemeentelijk belang een projectbesluit nemen.

Ingevolge artikel 3.10, tweede lid, van de Wro bevat het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing van het project.

4.1. De rechtbank stelt allereerst vast dat ingevolge artikel 3.11 van de Wro op de

voorbereiding van een projectbesluit de uniforme voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is.

Ingevolge artikel 3:44, eerste lid, van de Awb is één van de vereisten in de uniforme

openbare voorbereidingsprocedure dat de stukken ter inzage dienen te worden gelegd en dat daarvan mededeling dient te worden gedaan door publicatie in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huis-bladen of op andere geschikte wijze.

Ingevolge artikel 3.11, eerste lid, onder a, van de Wro wordt de kennisgeving als bedoeld in artikel 3:12 van die wet, tevens in de Staatscourant geplaatst, geschiedt deze langs

elektronische weg en wordt het ontwerp met de hierbij behorende stukken langs

elektronische weg beschikbaar gesteld.

4.2. Verweerder heeft tijdens de regiezitting op 28 oktober 2010 erkend dat niet aan het hiervoor genoemde vereiste met betrekking tot de terinzagelegging en publicatie van het bestreden besluit is voldaan. Uit artikel 6:8, vierde lid, van de Awb volgt dan dat de beroepstermijn niet is aangevangen, zodat de beroepen van eisers voortijdig zijn ingediend. Verweerder heeft het bestreden besluit op 7 december 2010 alsnog in overeenstemming met het bepaalde in de Awb gepubliceerd in de Staatscourant en in het huis-aan-huisblad “De Uitkomst”. Niet is gebleken dat na publicatie van het bestreden besluit door een andere partij beroep is ingesteld. Gelet hierop en nu het bestreden besluit ten tijde van het instellen van de beroepen wel reeds tot stand was gekomen blijft niet-ontvankelijkverklaring hiervan op grond van artikel 6.10, eerste lid, onder a, van de Awb achterwege. Voor vernietiging van het bestreden besluit vanwege voornoemd gebrek bestaat geen reden, nu de gebrekkige publicatie een onregelmatigheid betreft die zich na het nemen van het bestreden besluit heeft voorgedaan en de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet aantast.

5. Eisers sub 2 stellen dat niet overeenkomstig artikel 3.11, eerste lid, onder e, van de Wro binnen 12 weken na de termijn van terinzageligging is beslist omtrent de vaststelling van het projectbesluit.

De rechtbank overweegt dat een overschrijding van de wettelijke beslistermijn de rechtmatigheid van het besluit niet aantast. Deze beroepsgrond kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

6. Eisers sub 2 stellen verder dat de bekendmaking van het projectbesluit niet is geschied binnen twee weken na de vaststelling.

De rechtbank overweegt dat het niet tijdig bekendmaken van het bestreden besluit, daargelaten of hiervan in dit geval sprake is, een onregelmatigheid betreft die dateert van na het nemen van het bestreden besluit. Dergelijke onregelmatigheden kunnen de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten.

7. Eisers sub 2 stellen voorts dat ten onrechte niet alle bij het ontwerp-besluit behorende stukken langs elektronische weg beschikbaar zijn gesteld.

De rechtbank stelt vast dat van het ontwerp-besluit mededeling is gedaan in het plaatselijke huis-aan-huisblad “de Uitkomst” en in de Staatscourant. Op de gemeentelijke website is op 10 december 2008 de plankaart van het projectbesluit, het definitieve ontwerp, het beplantingsplan en een schriftelijk stuk over het beplantingsplan gepubliceerd. Niet is gebleken dat het ontwerp-projectbesluit met de ruimtelijke onderbouwing van dat besluit via elektronische weg beschikbaar is gesteld. De rechtbank is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 augustus 2010 (LJN: BN3705), van oordeel dat artikel 3:11, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro dat wel verplicht. Geconcludeerd moet daarom worden dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 3:11, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro, gelezen in verbinding met artikel 3:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank is evenwel van oordeel dat eisers door het achterwege laten van de digitale publicatie van het ontwerp-projectbesluit met de daarbij behorende toelichting niet zijn benadeeld, zodat het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd. Gebleken is immers dat zij uiteindelijk de beschikking hebben gekregen over alle relevante stukken - ook het ambtelijk advies van 28 november 2008 en het collegebesluit van 2 december 2008 - en daarop hebben kunnen reageren.

8.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Bellesloot/Westerven” rusten op het betreffende gronden de bestemmingen “Maatschappelijke doeleinden (M)”,

“Tuinen (T)”, “Groenvoorzieningen” en “Verkeersdoeleinden (V)”.

8.2. Ingevolge artikel 13, eerste lid van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor Maatschappelijke doeleinden (M) bestemd voor:

a. ter plaatse van de gronden zonder subbestemming: overheidsvoorzieningen en voorzieningen inzake welzijn, volksgezondheid, cultuur, religie, onderwijs en daarmee gelijk te stellen voorzieningen;

b. ter plaatse van de subbestemming Mn: nutsvoorzieningen.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor Tuinen (T) bestemd voor tuinen met bijbehorende verhardingen zoals in- en uitritten, behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor Groenvoorzieningen bestemd voor beplantingen, speelvoorzieningen en in samenhang daarmee voor voet- en fietspaden alsmede voor wegbermen en daarbij behorende sloten.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor Verkeersdoeleinden (V) bestemd voor wegen, fiets- en voetpaden, parkeerplaatsen, taluds, wegbermen en daarbij behorende groenvoorzieningen en speelgelegenheden.

9. Niet in geschil is dat het project niet in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Zo worden onder meer parkeerplaatsen gerealiseerd op gronden met de bestemming “Groenvoorzieningen” en is groen voorzien op gronden met de bestemming “Verkeersdoeleinden”. Ten einde realisering van het project niettemin mogelijk te maken heeft verweerder een projectbesluit genomen als bedoeld in artikel 3.10 van de Wro.

10. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de benodigde rioleringswerkzaamheden, de dagelijkse parkeeroverlast en een onveilige situatie op de weg als gevolg van het parkeren op de weg aanleiding zijn geweest om een nieuw wegprofiel aan te leggen. Door het projectbesluit worden onder andere nieuwe parkeerplaatsen gerealiseerd. Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar de notitie “Ruimtelijke Onderbouwing: Aangepaste inrichting Bellesloot te [plaatsnaam]”, op het standpunt gesteld dat de parkeerplaatsen op een ruimtelijk aanvaardbare manier zijn geprojecteerd. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat, naar aanleiding van een motie van 6 november 2008, verschillende alternatieven zijn onderzocht. Met de gekozen variant is het oorspronkelijke plan zodanig gewijzigd dat over het gehele deel achter [straatnaam] 2 t/m 20 voorzieningen worden getroffen voor langsparkeren, welke parkeervakken niet voor de deur van woningen worden gerealiseerd. De herinrichting leidt volgens verweerder weliswaar op sommige plekken tot een vermindering van openbaar groen, maar het gehele plan bezien neemt het openbaar groen toe (onder andere door wegversmallingen), waardoor de kwaliteit van de openbare ruimte er op vooruit gaat. In planologische zin is, aldus verweerder, slechts sprake van een relatief kleine verschuiving van bestemmingen in het plangebied. Verweerder is van mening dat het belang bij het gedeeltelijk invullen van de groenstrook achter [straatnaam] 2-12 en 14-20 met parkeerplaatsen, waardoor de parkeerruimte en verkeersveiligheid toeneemt, zwaarder weegt dan het belang van het behoud van de gehele groenstrook.

11. Eisers, allen woonachtig aan de [straatnaam], stellen zich - kort samengevat - op het standpunt dat de ruimtelijke onderbouwing van het project niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Volgens hen is het project planologisch niet inpasbaar. Zij stellen hiertoe dat het beoogde gebruik haaks staat op de uitgangspunten van het bestemmingsplan. Daarnaast verdraagt het zich niet met het standpunt van het college in 2002 dat de groenstrook achter de [straatnaam], die al vele jaren als speel- en trapveld wordt gebruikt en een sociale functie heeft, beeldbepalend is en behouden moet blijven. Volgens eisers is het project voorts in strijd met het Beeldkwaliteitsplan van 19 mei 2008 en het Groenstructuurplan van januari 2008. Daarbij wijzen zij erop dat het beleid erop is gericht het huidige openbaar groen te behouden en ontwikkelingen daarop af te stemmen, terwijl realisering van het project ertoe leidt dat het huidige groen versnippert en de helft van het grasveld zal worden verhard en tot verkeersbestemming zal worden bestemd. De parkeerplaatsen zijn, aldus eisers, niet ingepast en ondergeschikt aan het beeld.

Eisers stellen verder dat onvoldoende is gekeken naar de gevolgen van het project voor de waterhuishouding. Verder blijkt uit de ruimtelijke onderbouwing niet dat er over het project overleg is geweest met andere bestuursorganen en dat burgers en betrokken organisaties bij de besluitvorming zijn betrokken. Voorts ontbreekt volgens eisers in de ruimtelijke onderbouwing een overweging omtrent de uitvoerbaarheid van het project en een geluidrapport waarin de geluidsbelasting vanwege het aangepaste plan wordt berekend.

Eisers concluderen dat verweerder geen zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt tussen de belangen van de bewoners aan de Bellesloot/[straatnaam] en de belangen van de bewoners in het overige plangebied. Volgens hen is de noodzaak van het project niet aangetoond en neemt het groen voor bewoners aan de Bellesloot/[straatnaam], dat hen rust en privacy geeft, onevenredig af. Eiser sub 3 wijst in het bijzonder nog op de beoogde situering van 10 haakse parkeervakken aan de zijkant van zijn woning aan de [straatnaam] 20. Hij stelt dat het uitzicht vanuit zijn woning door geparkeerde auto’s zal worden weggenomen. Voorts vreest hij overlast in de vorm van verlies van privacy en licht- en geluidhinder vanwege draaiende automotoren, waardoor zijn woongenot ernstig wordt aangetast en mogelijk een waardedaling van zijn woning plaatsvindt. Eiser sub 3 vreest verder dat de komst van de parkeerplaatsen in de nabijheid van een bocht tot een verkeersonveilige situatie zal leiden.

12. De rechtbank overweegt dat naarmate de inbreuk op de bestaande planologische situatie geringer is, minder zware eisen behoeven te worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing.

De rechtbank stelt vast dat met het project slechts in geringe mate wordt afgeweken van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Het projectbesluit is voorts het resultaat van een politiek-bestuurlijke afweging, die door de rechter slechts terughoudend kan worden getoetst.

13. De rechtbank is van oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing, die wordt gevormd door de notitie “Ruimtelijke Onderbouwing: Aangepaste inrichting Bellesloot te [plaatsnaam]”, voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Dat de ruimtelijke onderbouwing, zoals verweerder erkent, vanwege de geringe planologische inbreuk niet aan alle eisen van artikel 5.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voldoet, leidt niet tot het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ruimtelijke onderbouwing bij het projectbesluit en de overige aan dat besluit ten grondslag liggende stukken voldoende informatie bevatten voor een goede beoordeling van de ruimtelijke inpasbaarheid van het project.

Daartoe overweegt de rechtbank dat in de ruimtelijke onderbouwing een omschrijving is gegeven van het project en daarin verantwoording is gegeven voor de beslissing tot herinrichting van de Bellesloot, waarmee tevens verantwoording is afgelegd voor de in het project gemaakte keuze van bestemmingen. De leeftijd van de wijk bezien is immers aannemelijk dat sprake is van een tekort aan parkeerplaatsen en dat over een gebrek aan parkeerplaatsen wordt geklaagd bij de gemeente. De rechtbank kan verweerder voorts volgen in zijn stelling dat het parkeren in vakken ten goede komt aan de kwaliteit van de openbare ruimte alsmede aan de verkeersveiligheid.

Anders dan eisers stellen, is met de gevolgen van het besluit voor de waterhuishouding rekening gehouden. Verweerder heeft immers, in navolging van de reactie van het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier van 15 december 2008, geoordeeld dat, nu als gevolg van de herinrichting de verharding in de wijk niet substantieel toeneemt, het projectbesluit voor de waterhuishouding geen gevolgen heeft.

Anders dan eisers stellen, heeft voorts overleg plaatsgevonden als bedoeld in artikel 5.1.3, eerste lid, onder c, van het Bro. De uitkomsten van dat overleg maken weliswaar geen deel uit van voornoemde notitie, maar wel van de aan het besluit ten grondslag liggende stukken. De rechtbank wijst hierbij op evengenoemde brief van het hoogheemraadschap van 15 december 2008, op een brief van de VROM-inspectie van 23 februari 2009, waarin wordt aangegeven dat het ontwerp-projectbesluit geen ruimtelijke rijksbelangen betreft, en op een brief van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 9 januari 2009, waarin zij verweerder hebben bericht dat het ontwerp-projectbesluit niet in strijd is met de provinciale belangen.

Het project is naar het oordeel van de rechtbank voorts niet in strijd met de uitgangspunten van het Groenstructuurplan van januari 2008, nu van ingrijpende veranderingen in het groenbeeld geen sprake is. In dat verband overweegt de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat het totale oppervlak aan groen als gevolg van de herinrichting groter wordt. Verder is niet gebleken dat de bewuste groenstrook achter de [straatnaam] in gemeentelijk beleid als beeldbepalend is bestempeld.

Evenmin is van strijd met het Beeldkwaliteitsplan van 19 mei 2008 gebleken. Gelet op de wijze waarop de parkeervakken in de groenstrook achter de [straatnaam] en de parkeervakken aan de zijkant van de woning van eiser sub 3 zijn geprojecteerd en worden uitgevoerd, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat deze zijn ingepast in het ruimtelijk beeld en dat het project daarmee voldoet aan de richtlijnen ontsluitingsstructuur en openbare ruimte. De rechtbank volgt eisers dan ook niet in hun stelling dat de parkeervakken afbreuk doen aan en niet ondergeschikt zijn in het ruimtelijk beeld.

De rechtbank is verder van oordeel dat, nu in het project de ligging van de weg ten opzichte van het eerder ingediende verzoek om vrijstelling voor de herinrichting van de Bellesloot niet is gewijzigd, verweerder heeft kunnen volstaan met een verwijzing naar de in het kader van die aanvraag door de milieudienst regio Alkmaar opgestelde akoestisch rapport van 17 juli 2008, waaruit volgt dat aan de geluidsnormen wordt voldaan. Verweerder heeft tevens op goede gronden overwogen dat, nu de gemeente de aanvrager en uitvoerder van het project is, geen belemmeringen bestaan voor de uitvoerbaarheid van het projectbesluit.

14.1. Voor zover eisers de noodzaak van de aanleg van de parkeerplaatsen betwisten, overweegt de rechtbank dat verweerder het project noodzakelijk acht om, naast de benodigde rioolrenovatie, de verkeersveiligheid ter plaatse te verbeteren en de parkeeroverlast te verminderen. De rechtbank acht dit niet onredelijk, in aanmerking genomen dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van de besluitvorming sprake was van een tekort aan parkeerplaatsen en dat een herinrichting aangewezen was.

14.2. Voorts kan het betoog van eisers dat niet inzichtelijk is gemaakt hoeveel parkeerplaatsen nodig zijn om de parkeerbehoefte op te kunnen vangen, niet tot het daarmee beoogde doel leiden. Weliswaar blijkt uit de stukken niet precies hoe verweerder tot het besluit is gekomen om 112 parkeerplaatsen te realiseren, maar de rechtbank ziet hierin geen grond voor het oordeel dat de gevolgen van de aanleg van deze parkeerplaatsen voor de omwonenden onvoldoende bij de besluitvorming zijn betrokken.

Daartoe overweegt de rechtbank dat naar aanleiding van het oorspronkelijke plan, waarin onder meer achter de [straatnaam] 2-20 15 haakse parkeerplaatsen waren gepland, een viertal varianten is ontwikkeld. De door verweerder gekozen variant 1 houdt in dat er vier langsparkeerplaatsen in het plantsoen ter hoogte van [straatnaam] 2-12 en twee langsparkeerplaatsen in het plantsoen ter hoogte van [straatnaam] 14-20 zullen komen. Naar het oordeel van de rechtbank worden eisers hierdoor niet onevenredig in hun belangen geschaad. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat met de gekozen variant 1 uitvoering is gegeven aan de motie van de raad van de gemeente Graft-De Rijp om meer rekening te houden met de belangen van de omwonenden, inhoudende dat het stuk grasveld achter de [straatnaam] 2-20 meer behouden moet blijven en dat er voorzieningen moeten worden getroffen voor langsparkeren. Nu ook na realisatie van de vier langsparkeerplaatsen achter [straatnaam] 2-12 nog een plantsoen van aanzienlijke omvang zal resteren, wordt naar het oordeel van de rechtbank het gebruik van bedoeld plantsoen als speelveld, anders dan eisers stellen, niet onmogelijk gemaakt. Van een halvering van het grasveld door de herinrichting is geen sprake. Bij haar oordeel heeft de rechtbank voorts betrokken dat het plantsoen gelegen achter de woningen aan de [straatnaam] 2-12 weliswaar iets in omvang afneemt, maar dat daar tegenover staat dat het plantsoen, gelegen achter de woningen aan de [straatnaam] 14-20, door het verleggen van de weg en de versmalling ervan ter hoogte van [straatnaam] 20 wordt vergroot. Gezien de in het dossier aanwezige tekeningen kan worden aangenomen dat de oppervlakte aan groen achter [straatnaam] 2-20 minimaal gelijk blijft, zoniet toeneemt. In hetgeen eisers hebben aangevoerd over het verdwijnen van het plantsoen ziet de rechtbank dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat het belang bij de te realiseren parkeerplaatsen zwaarder weegt dan de belangen van eisers bij het behoud van het gehele plantsoen.

15. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder weliswaar niet heeft onderbouwd waarom er naast de woning van eiser sub 3 tien parkeerplaatsen zijn beoogd, maar dat verweerder er bij de belangenafweging toch van uit is mogen gaan dat de gevolgen van het gebruik van deze parkeerplaatsen voor eiser sub 3 beperkt van omvang zullen zijn. Daarbij betrekt de rechtbank dat door de herinrichting drie parkeerplaatsen nagenoeg geheel en zeven parkeerplaatsen voor een gedeelte komen te liggen op gronden, waar voorheen de weg lag en waarop de bestemming “Verkeersdoeleinden” rust. In zoverre is het project niet in strijd met het bestemmingsplan. Volgens vaste rechtspraak behoort de belangenafweging zich niet uit te strekken over de gevolgen van die onderdelen van het project die op grond van het bestemmingsplan ook zonder projectbesluit zouden kunnen worden gerealiseerd. Die gevolgen vloeien immers voort uit de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan en heeft eiser sub 3 dus zonder meer te aanvaarden.

Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat de beoogde parkeervakken niet direct naast de woning van eiser sub 3 worden gerealiseerd. Er komt tussen zijn woning en de parkeervakken een niet geringe groenvoorziening. De rechtbank realiseert zich dat het gebruik van de parkeerplaatsen eiser sub 3 enige overlast kan geven en dat de huidige groenstrook aan de zijkant van zijn woning in omvang afneemt, maar daar staat tegenover dat door de herinrichting de weg verder af van zijn achtertuin komt te liggen. Daarnaast wordt aan die achterzijde, in de bocht waar voorheen de weg liep, nu in openbaar groen voorzien. Aannemelijk is dat deze ontwikkelingen een positief effect hebben op het woon- en leefklimaat van eiser sub 3. Verder ziet de rechtbank, gelet op de situering van de omstreden parkeerplaatsen, geen grond voor het oordeel dat het uitzicht vanuit de woning van eiser sub 3 door geparkeerde auto’s volledig wordt weggenomen en dat van een onaanvaardbaar verlies aan privacy sprake is. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het project niet een zodanige aantasting van het woongenot van eiser sub 3 zal hebben dat daarvoor geen projectbesluit had kunnen worden genomen. Eiser sub 3 heeft voorts niet aan de hand van concrete gegevens aannemelijk gemaakt dat uit oogpunt van verkeersveiligheid een onaanvaardbare situatie zal ontstaan.

16. De rechtbank concludeert dat verweerder in redelijkheid het projectbesluit heeft kunnen nemen en zal, gelet op het voorgaande, de beroepen ongegrond verklaren.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, voorzitter, mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. drs. M.M. Kaajan, leden, in aanwezigheid van mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, griffier. De beslissing is in openbaar uitgesproken op 13 oktober 2011.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.