Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BT8620

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
13-10-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
10/128
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering aanvraag om een tegemoetkoming in planschade. Dat wat krachtens een bouwvergunning mag worden gebouwd mag bij de vergelijking van de planologische maatregelen worden betrokken, indien die vergunning meer mogelijkheden biedt dan het bestemmingsplan. Onvoldoende is komen vast te staan dat zich hier een dergelijke situatie voordoet. Van de betrokken bouwvergunning zijn geen originele stukken, waaronder het ondertekende besluit, meer voorhanden. Er resteren slechts 2 bouwtekeningen. Vanwege onduidelijkheden hierover mag er niet van worden uitgegaan dat sprake is van een bouwvergunning, die meer bebouwingsmogelijkheden dan het geldende bestemmingsplan biedt. Onjuiste planvergelijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/128

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 oktober 2011 in de zaak tussen:

[naam eiser], te [plaatsnaam], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Medemblik, verweerder

(gemachtigde A. van het Ende).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder een aanvraag van eiser om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 9 december 2009 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2011. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is sinds 22 juli 1997 eigenaar van het perceel met grachtenwoning aan het [adres] te [plaatsnaam]. Hij heeft bij formulier, gedateerd 5 augustus 2008, gevraagd om vergoeding van planschade ten gevolge van een bij besluit van verweerder van 7 juli 2005 verleende vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Met gebruik van deze vrijstelling van het bestemmingsplan "Oost 1986" is bouwvergunning verleend voor de bouw van een hotel/restaurant op het perceel

[adres 2] te [plaatsnaam]. Het hotel bestaat uit een gebouw met kelder en drie bouw-lagen met kap. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 31 maart 2009 heeft verweerder eisers aanvraag om een tegemoetkoming in planschade afgewezen, omdat eiser door de

planologische wijziging niet in een nadeliger situatie is komen te verkeren.

2.1. Bij de beoordeling van deze zaak is de volgende wet- en regelgeving van belang.

2.2. Op 1 juli 2008 zijn de Wet ruimtelijke ordening en de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (Invoeringswet Wro) in werking getreden en is de WRO ingetrokken.

Ingevolge artikel 9.1.18, eerste lid, van de Invoeringswet Wro blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van

aanvragen om schadevergoeding ingevolge artikel 49 van de WRO die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet of die ingevolge artikel II, tweede en derde lid, van de wet van 8 juni 2005, Stb. 305, tot wijziging van de WRO (verjaring van en

heffing bij planschadevergoedingsaanspraken, alsmede planschadevergoedings-overeenkomsten), nog tot 1 september 2010 kunnen worden ingediend.

Ingevolge artikel II, tweede lid, van bovengenoemde wet van 8 juni 2005, voor zover hier van belang, moet een aanvraag om vergoeding van schade als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onder b, voor zover het desbetreffende besluit voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet (1 september 2005) onherroepelijk is geworden, binnen vijf jaar na dat tijdstip

worden ingediend.

2.3. De aanvraag van eiser is bij verweerder ingediend op 8 augustus 2008. Aangezien de aanvraag om tegemoetkoming in schade dateert van na 1 juli 2008 en de planologische

maatregel die de aanvraag betreft onherroepelijk is geworden na 1 september 2005, zo is uit de stukken gebleken, zijn in dit geval de bepalingen van de Wro van toepassing zoals deze luidden van 1 juli 2008 tot de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) per 1 oktober 2010.

2.4. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kent het college degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak

schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de

aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wro is een oorzaak, als bedoeld in het eerste lid, een besluit als bedoeld in artikel 3.10, 3.22, 3.23, 3.27, 3.29, 3.40, 3.41 of 3.42 van de Wro.

Ingevolge artikel 9.1.10, tweede lid, van de Invoeringswet Wro wordt een besluit tot

vrijstelling, waartoe het verzoek is ingediend voor 1 juli 2008, voor de toepassing van

afdeling 6.1 van de Wro gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 3.10 van die wet.

3.1. Bij de beoordeling van een verzoek om vergoeding van planschade dient te worden onderzocht of sprake is van een wijziging van het planologische regime, waardoor de

aanvrager in een planologisch nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge

waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt

tussen de planologische maatregel, waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar

hetgeen op grond van dat regime maximaal mocht of mag worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking in feite heeft plaatsgevonden of plaatsvindt.

3.2. In dit verband is voorts van belang dat volgens vaste rechtspraak verweerder bij zijn besluit op een aanvraag om vergoeding van planschade, indien uit het advies van een door hem benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze blijkt, welke feiten en

omstandigheden aan de conclusies ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet

onbegrijpelijk zijn, van dat advies mag uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor

twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat advies naar voren zijn gebracht.

De bewijslast dat het advies waarop de besluitvorming is gebaseerd niet deugt, rust in

beginsel op de aanvrager. De aanvrager moet aannemelijk maken dat het advies waarop de besluitvorming is gebaseerd zodanige gebreken bevat dat de besluitvorming daarop niet kon worden gebaseerd of dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen.

4. Niet in geschil is dat het perceel [adres 2] waarop het pand is gelegen

ingevolge het bestemmingsplan "Oost 1986" de bestemming “Gemengde bebouwing” met aanduiding “hotels en pensions toegestaan” heeft, zodat het gebruik van het pand als hotel binnen het bestemmingsplan past. Vaststaat dat de bouw van het hotel in 2004 is afgerond en dat verweerder ter legalisatie bij besluit van 7 juli 2005 hiervoor vrijstelling en

bouwvergunning heeft verleend. Aan de vrijstelling ligt ten grondslag dat het bouwplan in strijd is met de bouwvoorschriften van het bestemmingsplan "Oost 1986”, omdat het niet voldoet aan de toegestane nok- en goothoogte en de bebouwingsgrenzen van een gedeelte van het hoofdgebouw worden overschreden.

5. Eiser heeft verzocht om tegemoetkoming in de schade die hij lijdt als gevolg van het vrijstellingsbesluit. Hij heeft er in dit verband op gewezen dat door het vrijstellingsbesluit het hotel een dusdanige bouwmassa mag hebben dat hij daarvan hinder ondervindt in de vorm van verlies aan privacy en bezonning. Daarnaast brengt de grootte van het pand ernstige

(geluid)overlast met zich mee vanwege de huisvesting van veel (buitenlandse) werknemers.

6. Verweerder heeft ter onderbouwing van de afwijzing van eisers aanvraag verwezen naar een advies van Langhout & Wiarda (L&W) van 27 februari 2009, aangevuld op 20 oktober 2009, waarin een planologische vergelijking is gemaakt. Daarbij zijn de

bebouwings- en gebruiksmogelijkheden, welke zijn ontstaan als gevolg van de realisatie van de bebouwing die mogelijk is gemaakt met het vrijstellingsbesluit uit 2005, vergeleken met de maximale mogelijkheden welke het geldende bestemmingsplan "Oost 1986" en een

(beweerdelijk) op 15 februari 1994 verleende bouwvergunning (inclusief vrijstelling van het vigerende bestemmingsplan) boden. Verweerder heeft zich, in navolging van het advies van L&W, op het standpunt gesteld dat de overschrijdingen die ten opzichte van de maximale invulling van het oude planologische regime resteren niet zodanig zijn dat een redelijk

denkend en handelend koopgegadigde zijn koopbereidheid en zijn biedprijs zal laten

beïnvloeden als gevolg van het rechtskracht verkrijgen van de planologische wijziging.

Hoezeer de feitelijke situatie ook veranderd is, de planologische maatregel heeft - zo heeft verweerder gesteld - voor eiser niet geleid tot een nadeliger positie waaruit op voet van

artikel 6.1 van de Wro een voor vergoeding vatbare schade in de vorm van een

waardevermindering is voortgevloeid.

7. Eiser betoogt in beroep dat verweerder zich niet heeft mogen baseren op het advies van L&W, omdat daarin niet de juiste planologische vergelijking heeft plaatsgevonden.

Volgens eiser hebben L&W ten onrechte een bouwvergunning uit 1994 onderdeel laten

uitmaken van het voorafgaande planologische regime. Daarbij wijst eiser erop dat het

originele besluit tot verlening van deze bouwvergunning kennelijk niet meer is te traceren en dat er nog slechts twee kopieën van bouwtekeningen bestaan waarvan verweerder bij de planvergelijking niet heeft kunnen uitgaan.

8.1. Dit betoog slaagt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in navolging van het aan hem uitgebrachte advies van L&W van 27 februari 2009 van een onjuiste vergelijking van de planologische regimes is uitgegaan. In het advies van L&W is vermeld dat de

planologische situatie niet alleen wordt bepaald door het bestemmingsplan “Oost 1986”, maar in het bijzonder door een verleende bouwvergunning van 15 februari 1994 voor de verbouw/uitbreiding van het hotel. De rechtbank stelt voorop dat wat krachtens een

bouwvergunning mag worden gebouwd bij de vergelijking van de planologische maatregelen mag worden betrokken, indien die vergunning meer mogelijkheden biedt dan het

bestemmingsplan.

8.2. Onvoldoende is echter komen vast te staan dat zich hier een dergelijke situatie

voordoet. Daartoe overweegt de rechtbank dat van de bouwvergunning van 15 februari 1994, waarnaar L&W ten aanzien van de bebouwingsmogelijkheden hebben verwezen, geen

originele stukken, waaronder het ondertekende besluit, meer voorhanden zijn. Er bestaan ten aanzien van de vergunning uit 1994, zo heeft verweerder desgevraagd meegedeeld, slechts twee bouwtekeningen in kopie. L&W heeft deze bouwtekeningen als uitgangspunt genomen en daaruit afgeleid dat door verweerder bouwvergunning met vrijstelling is verleend voor de bouw van een gebouw met een goothoogte van ongeveer 7,50 meter en een nokhoogte van ongeveer 12 meter. De rechtbank is van oordeel dat dit een interpretatie van L&W is, die een feitelijke grondslag ontbeert. Hiertoe overweegt de rechtbank dat één bouwtekening de

plattegrond van de begane grond van een hotel met restaurant behelst. Daarop staan de lengte en de breedte van het gebouw aangegeven. Op deze tekening is echter nergens vermeld dat deze behoort bij een aanvraag om vergunning, dan wel bij een besluit van verweerder tot vergunningverlening overeenkomstig deze tekening. Op de tweede bouwtekening is wel een stempel geplaatst, die aangeeft dat deze tekening behoort bij besluit van verweerder van 15 februari 1994. Daaruit valt echter niet af te leiden dat dit besluit een bouwvergunning met vrijstelling, zoals L&W veronderstelt, inhoudt. Op de bewuste tekening is voorts enkel een dakvlak getekend met daarin een dakkapel en bijbehorende hoogtematen. De tekening

vermeldt weliswaar als onderwerp “verbouw/uitbreiding hotel de rivi”, maar daarmee is niet

gezegd dat de aanvraag betrekking heeft op het gehele gebouw. Niet kan worden uitgesloten dat het bewuste besluit van 15 februari 1994 uitsluitend ziet op realisering van een dakkapel. Beide tekeningen bieden dan ook onvoldoende concrete aanknopingspunten om aan te kunnen nemen dat het besluit van 15 februari 1994 de verbouwing van een hotel toestaat met een goothoogte van ongeveer 7,50 meter en een nokhoogte van ongeveer 12 meter.

8.3. Vanwege bovengenoemde onduidelijkheden mag er naar het oordeel van de

rechtbank niet van worden uitgegaan dat het besluit van 15 februari 1994 een vergunning omvat, die meer bebouwingsmogelijkheden dan het geldende bestemmingsplan biedt.

Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat blijkens de stukken en het verhandelde ter

zitting de verbouw/uitbreiding feitelijk niet is gerealiseerd, hetgeen de twijfel over het

bestaan van de bewuste vergunning voedt.

Voor zover verweerder heeft gesteld dat de voorzieningenrechter van deze rechtbank in zijn uitspraak van 9 februari 2004 met zaaknummer WW44 04/227 het bestaan van de

vergunning uit 1994 dan wel de rechtsgevolgen daarvan niet in twijfel heeft getrokken en dat daarom mocht worden uitgegaan van de rechtsgeldigheid van de bouwvergunning, kan de rechtbank verweerder niet volgen. In de uitspraak van 9 februari 2004 verwijst de

voorzieningenrechter onmiskenbaar niet naar de bouwvergunning uit 1994, maar naar de bestreden bouwvergunning met vrijstelling van 13 mei 2003. De vergunning uit 1994 wordt in de uitspraak in het geheel niet genoemd.

8.4. Gelet op het voorgaande dienen de twee bouwtekeningen bij de beoordeling van de aanvraag buiten toepassing te worden gelaten. Dit betekent dat door L&W ten onrechte de uit deze bouwtekeningen voortvloeiende bouwmogelijkheden in de planvergelijking zijn

betrokken. Daarmee bevat het advies van L&W zodanige gebreken dat de besluitvorming daarop niet kon worden gebaseerd.

9.1. Nu moet worden geconcludeerd dat aan het bestreden besluit een ondeugdelijke planvergelijking ten grondslag is gelegd, is het beroep gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd, nu dit is genomen in strijd met het in artikel 7:12, eerste lid, van de

Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde motiveringsbeginsel en het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel. De overige door eiser aangevoerde gronden behoeven, gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen, geen bespreking meer.

9.2. De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Omdat een geheel nieuwe afweging en daaraan

voorafgaand een geheel nieuwe planvergelijking door verweerder dient te worden gemaakt, ziet de rechtbank geen aanleiding voor toepassing van de bestuurlijke lus.

Met het oog op de nieuwe besluitvorming merkt de rechtbank ten overvloede nog het

volgende op. In het advies van L&W is vermeld dat onder het oude planologische regime (op grond van het bestemmingsplan) ondergeschikte bouwonderdelen, zoals balkons en luifels, de bebouwingsgrenzen tot een diepte van 1,5 meter mogen overschrijden. Anders dan L&W is de rechtbank met eiser van oordeel dat het bij besluit van 7 juli 2005 vergunde

noodtrappenhuis, gelet op de bouwtekeningen en de ter zitting getoonde foto’s, een

constructie van zodanige omvang heeft dat dit niet kan worden aangemerkt als een

ondergeschikt bouwonderdeel. Het ligt op de weg van verweerder ook dit aspect bij de nieuw te maken planvergelijking mee te nemen.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

11. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 9 december 2009;

- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak met inachtneming hiervan opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 150,00 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzitter, mr. W.B. Klaus en mr. drs. M.M. Kaajan, leden, in aanwezigheid van mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, griffier. De beslissing is in openbaar uitgesproken op 13 oktober 2011.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.