Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BT7585

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
08-09-2011
Datum publicatie
14-10-2011
Zaaknummer
AWB 10/2836
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wvg. Weigering rijksvergoeding woonvoorzieningen. Handelen in strijd met Besluit rijksvergoeding Wvg-woonvoorzieningen. Innerlijk tegenstrijdig beleid. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/2836

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 september 2011 in de zaak tussen

de gemeente Langedijk,

eiseres (gemachtigde: N. Lindeman),

en

de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (als rechtsopvolger van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport),

verweerder (gemachtigde: drs. G.T.M.A. Duijndam).

Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiseres toegekende rijksvergoeding van woonvoorzieningen vastgesteld op nihil en een bedrag van € 68.704,00 van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 12 oktober 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2011. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door J.W. Noteboom.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Op 20 juli 2006 is in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een aanvraag gedaan voor een woonvoorziening op het adres [straatnaam] te [plaats]

Hodes Bouwsystemen heeft op 21 december 2006 een offerte uitgebracht voor een zogeheten WMO-unit. Het basisbedrag voor de unit, inclusief aanvoer en montagekosten bedraagt € 26.000,00. Verder zijn in de offerte vier stelposten opgenomen tot een totaalbedrag van € 8.750,00. Deze bedragen zijn exclusief btw.

Op 27 december 2006 is door Reva-advice, dat samenwerkt met Hodes Bouwsystemen, een gelijkluidende offerte uitgebracht voor eenzelfde WMO-unit. In aanvulling hierop heeft Reva-advice mondeling nog een totaalbedrag van ongeveer € 13.000,00 exclusief btw geoffreerd voor het plaatsen van een onderspoeltoilet en 6 electrische deuropeners.

De rapportage van 28 december 2006 van [medewerker], werkzaam bij de Sector Samenlevingszaken van eiseres, vermeldt over het aanpassen van de garage het volgende: “Deze aanpassing is niet meegenomen in de offerte van Reva-advice. Op korte termijn zal hiervoor een offerte worden aangevraagd, ofwel bij Reva-advice danwel bij een andere aanbieder. Als voorlopige stelpost wordt voorgesteld het bedrag te nemen voor het egaliseren en het verhogen van de garagevloer en de bestrating aan de voorzijde van de garage t.b.v. € 2.000,-- (20m2 x € 100,--).”

Bij besluit van 29 december 2006 heeft eiseres de aanvraag in de kosten van woonruimteaanpassing voorlopig toegekend. De hoogte van de kosten is (vooralsnog) vastgesteld op een bedrag van € 57.678,50 inclusief btw. In dit bedrag zijn de kosten van de woonunit, de toiletvoorziening, electrische deuropeners en de nivellering van de garage meegenomen.

Reva-advice heeft op 21 februari 2007 een offerte uitgebracht van € 23.308,00 voor de electrische deuren, het vervangen van het achterkozijn door een schuifpui, het toegankelijk maken van de woning zonder te grote niveauverschillen, het plaatsen van een bidetbril op het toilet en het aanbrengen van een koepel in het portaal. In de offerte is voorts een stelpost opgenomen van € 800,00 voor schilderwerk. Deze bedragen zijn exclusief btw.

Bij besluit van 14 augustus 2008 heeft eiseres de aanvraag voor een woonvoorziening definitief vastgesteld op een bedrag van € 81.550,83. Dit betreft het totaalbedrag van € 78.232,83 aan bouwkosten, alsmede een bedrag van € 3.318,00 aan kosten voor medische en ergonomische advisering en legeskosten.

Op 19 augustus 2008 heeft eiseres verweerder verzocht om toekenning van een voorschot ad € 68.704,00 voor een reeds uitgevoerde dure woningaanpassing.

Bij besluit van 4 november 2008 heeft verweerder het gevraagde voorschot verleend.

Op 28 augustus 2009 heeft eiseres bij verweerder de in 2008 gemaakte kosten van de verleende en uitbetaalde woonvoorziening door middel van een kostenopgave gedeclareerd, waarna verweerder het primaire besluit heeft genomen.

2. De rechtbank beoordeelt de vraag of verweerder in redelijkheid heeft geweigerd aan eiseres een rijksvergoeding voor woonvoorzieningen toe te kennen en daarbij een bedrag van € 68.704,00 van eiseres heeft teruggevorderd.

3. Verweerder heeft de vergoeding geheel geweigerd, omdat eiseres niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 5 van het Besluit rijksvergoeding Wvg-woonvoorzieningen (het Besluit). Volgens verweerder is het besluit tot het verlenen van de woonvoorziening niet genomen op basis van de vereiste volledig gespecificeerde begrotingen. De twee offertes die wel aanwezig waren voorafgaand aan het nemen van het verleningsbesluit betroffen geen volledig gespecificeerde begrotingen op basis waarvan een goede kostenbeoordeling kan worden gemaakt. Dit blijkt ook uit het verschil van ruim € 20.000,00 tussen het in eerste instantie verleende bedrag en de uiteindelijke kostprijs van de woonvoorziening.

4. Eiseres heeft aangevoerd dat de declaratie van de door haar verleende en uitbetaalde woonvoorziening voldoet aan het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 6 van het Besluit. Uit het rapport van bevindingen van de accountant blijkt dat de gemeentelijke administratie is ingericht overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 van het Besluit en dat de in de toelichting van dat artikel genoemde documenten in het dossier aanwezig zijn. Volgens eiseres kan hieruit worden opgemaakt dat de aanwezige begrotingen als voldoende gespecificeerd konden worden aangemerkt. Eiseres heeft verder opgemerkt dat het Besluit niet voorschrijft wanneer de volledig gespecificeerde begroting(en) moet(en) worden overgelegd. In het Controle- en Rapportageprotocol is slechts aangegeven dat er vóór het afgeven van de verleningsbeschikking één of meer offertes aanwezig moeten zijn. Over de mate van specificatie van de offertes is niets vermeld. Eiseres heeft gesteld dat het niet ongebruikelijk is dat er een verschil zit tussen de bedragen van het verleningsbesluit en de definitieve toekenning. Tijdens de uitvoering van de woningaanpassing is gebleken dat er een aantal meerwerkzaamheden uit voortkwamen, waardoor de kosten hoger werden. Indien de daadwerkelijke kosten ten tijde van het afgeven van de verleningsbeschikking bekend waren geweest, had dit eveneens geleid tot het afgeven van de verleningsbeschikking en was verweerder wel tot vergoeding overgegaan. Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat de nihilstelling buitenproportioneel is.

5. Op grond van artikel 4, derde lid, van het Besluit kan onze Minister een vergoeding geheel of gedeeltelijk weigeren, indien het college van burgemeester en wethouders niet heeft gehandeld overeenkomstig dit besluit. Onze Minister kan de onverschuldigde vergoedingsbedragen geheel of gedeeltelijk terugvorderen of verrekenen.

Op grond van artikel 5, eerste lid, van het Besluit richt het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van de uitvoering van dit besluit de administratie zodanig in dat alle van belang zijnde gegevens en bewijsstukken ten behoeve van het besluitvormings- en controleproces zichtbaar en controleerbaar zijn vastgelegd.

Volgens de Nota van Toelichting bij het Besluit behoren tot de ‘van belang zijnde gegevens en bewijsstukken’ onder meer één of meer bouwoffertes (dit zijn volledig gespecificeerde begrotingen van de bouwkosten en eventueel bijkomende kosten als architectkosten) die aansluiten bij het programma van eisen.

Op grond van artikel 6 van het Besluit stelt onze Minister nadere regels over de wijze van aanvragen van een voorschot, declareren en de in artikel 4, eerste lid, bedoelde verklaring, het rapport van bevindingen en het onderzoek dat resulteert in deze verklaring en het rapport van bevindingen. Deze nadere regels zijn neergelegd in de Regeling verantwoording kosten Wvg woonvoorzieningen.

Bij de wijziging Regeling verantwoording kosten Wvg-woonvoorzieningen van 24 oktober 2006 is vastgesteld het Controle- en rapportageprotocol 2006. Volgens dit protocol mag een gemeente de verleningsbeschikking pas opstellen nadat advies is gevraagd van het indicatieorgaan en er een bouwtechnisch programma van eisen en één of meer offertes aanwezig zijn.

6. De rechtbank kan verweerder volgen in het standpunt dat uit de hiervoor weergegeven regelgeving en de toelichting daarop, volgt dat voorafgaand aan de verleningsbeschikking een volledig gespecificeerde begroting aanwezig moet zijn. De rechtbank acht hiertoe mede van belang dat de zogenaamde dure woonvoorzieningen tot 1 januari 2007 werden gefinancierd via de SZW-begroting, zodat verweerder verantwoordelijk was voor de rechtmatige en doelmatige besteding van de uitgaven verband houdende met deze woonvoorzieningen. Verweerder is dan ook gebaat bij weloverwogen beslissingen van gemeenten op de desbetreffende aanvragen. Verweerder heeft voorts gesteld dat gemeenten met behulp van de in artikel 5 van het Besluit genoemde gegevens in staat zijn een gefundeerd besluit te nemen over de verlening van woonvoorzieningen. Voorts geeft deze administratie verweerder inzicht in het gemeentelijke besluitvormingsproces.

7. Vaststaat dat voorafgaand aan het onderhavige verleningsbesluit twee offertes aanwezig waren, namelijk de offerte van Hodes Bouwsystemen van 21 december 2006 en de gelijkluidende offerte van Reva-advice van 27 december 2006. De rechtbank is van oordeel dat dit niet volledig gespecificeerde begrotingen betreffen, gelet op de stelposten die daarin zijn opgenomen en gelet op de omstandigheid dat een deel van de werkzaamheden daarin niet is opgenomen, terwijl reeds bekend was dat deze uitvoering behoefden. De rechtbank doelt op de kosten verband houdende met de electrische deuropeners, het toilet en de aanpassing van de garage. Dit betekent dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres bij het nemen van het verleningsbesluit heeft gehandeld in strijd met de vereisten van het Besluit. De stelling van eiseres dat de accountant de offertes kennelijk wel als voldoende gespecificeerd heeft beoordeeld, maakt dit niet anders.

8. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat volgens de VWS-circulaire van 5 september 2006 (DMP/PO-U-271829) het beleid wordt gevoerd dat woonvoorzieningen die bij verweerder worden gedeclareerd, moeten voldoen aan de vereisten van de Wvg en het Besluit. Ter zitting heeft verweerder een beroep gedaan op dit beleid en in de pleitnota is de tekst van het beleid opgenomen. Het beleid van verweerder luidt: “indien aan één of meer vereisten van het Besluit niet is voldaan, zal ik de vergoeding geheel of gedeeltelijk lager vaststellen, tenzij zich een verschoonbare reden voordoet. Deze korting kan oplopen tot 50%”.

De rechtbank is van oordeel dat dit beleid als zodanig innerlijk tegenstrijdig is nu een gehele weigering zich niet verhoudt met een maximale korting van 50%. Verweerder heeft voorts gesteld dat ten aanzien van het ontbreken van een specifieke bouwofferte (voorafgaand aan de verleningsbeschikking) de beleidslijn is dat de vergoeding zal worden afgewezen. Verweerder heeft voor de motivering van de weigering van de vergoeding verwezen naar dit – innerlijk tegenstrijdige – beleid en de hierop gebaseerde gedragslijn. Voorts is niet gebleken dat verweerder een belangenafweging heeft gemaakt, waarbij ook de individuele belangen van eiseres zijn geïnventariseerd en meegewogen. Hierdoor is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en ontbeert het een zorgvuldige voorbereiding.

9. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb, waarin het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel zijn neergelegd. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres dienen te nemen.

10. Nu niet is gebleken dat eiseres kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen, ziet de rechtbank geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het griffierecht ten bedrage van € 298,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Boonstra, voorzitter, mr. B.H. Franke en mr. W.A. Swildens, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Bankert, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2011 te Alkmaar.

griffier voorzitter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden – in elk geval de eisende partij – en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.