Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BT6483

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
03-10-2011
Datum publicatie
03-10-2011
Zaaknummer
11-73
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding 591a Sv. toegewezen voor gemaakte kosten in verband met teruggave in beslag genomen bedrijfsauto. BTW vormt geen schade, waardevermindering bedrijfsauto wel. Als maatstaf geldt daarvoor de bedrijfseconomische waarde van het voertuig voor verzoekster. Rechtbank past afschrijving met restwaarde toe om tot berekening waardevermindering te komen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2012/26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf, meervoudige kamer

Parketnummer : 14/7011113-10

Raadkamernummer: 11/73

Datum uitspraak : 3 oktober 2011

BESCHIKKING van bovengenoemde rechtbank, meervoudige raadkamer, naar aanleiding van het op 15 februari 2011 ter griffie van deze rechtbank ingediende verzoekschrift ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering van:

SHS EXPLOIMIJ B.V.,

gevestigd en kantoor houdende te Almere,

aan het adres 1333 HX Hopperzuigerstraat 16,

hierna ook te noemen verzoekster,

in deze zaak woonplaats kiezende op het adres Keizersgracht 62 te Amsterdam, op het kantoor van haar raadsman mr. J.H. Fellinger.

1. De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen dat strekt tot toekenning van een geldelijke vergoeding ten laste van de staatskas van:

- € 1.227,- ter zake van de schade die verzoekster stelt te hebben geleden ten gevolge van het moeten voeren van een civiele procedure;

- € 687,22 voor vergoeding van de kosten, die verzoekster heeft moeten maken in een beklagprocedure om een van haar in beslag genomen bedrijfsauto Volkswagen Transporter [kenteken] (hierna: de bedrijfsauto) terug te krijgen;

- € 8.823,93, vermeerderd met wettelijke rente, als vermogensschade voor het verlies (aan waarde) van de in beslag genomen bedrijfsauto;

- € 275,- als standaardvergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift;

- een beslissing van deze rechtbank van 6 december 2010, waarin onder meer de teruggave van de bedrijfsauto aan verzoekster is gelast;

- een kopie van een proces-verbaal van bevindingen, 15 september 2011 opgemaakt door K. Roos, financieel deskundige van de Financiële Recherche van de politie Noord-Holland Noord.

Op 19 september 2011 is het verzoekschrift in het openbaar in raadkamer behandeld.

Verzoekster is bij die gelegenheid verschenen bij haar gemachtigde, mr. J.H. Fellinger. Mr. Fellinger en de officier van justitie zijn in raadkamer gehoord. Mr. Fellinger heeft daarbij een handmatig opnieuw berekende schade-opstelling in het geding gebracht.

De officier van justitie heeft gerekwireerd en te kennen gegeven dat hij zich kan vinden in het verzoek, met uitzondering van de verzochte btw. Voor het overige heeft hij verwezen naar de berekening, zoals gemaakt in voormeld proces-verbaal van bevindingen.

2. De beoordeling

2.1 Ontvankelijkheid verzoek

Ingevolge artikel 591a lid 4 Sv. is onder meer artikel 591 lid 5 Sv. van toepassing. Uit die laatste bepaling volgt dat een verzoek tot toekenning van een vergoeding van de kosten, gemaakt in verband met het indienen van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552 a Sv. tot de mogelijkheden behoort.

De rechtbank beschouwt de datum waarop de beslissing tot teruggave door de rechtbank is genomen als begin van de termijn van drie maanden, waarbinnen een dergelijk verzoek moet worden gedaan. Bij beslissing van 6 december 2010 van deze rechtbank is het klaagschrift van verzoekster gegrond verklaard en is de teruggave gelast van het in beslag genomen goed, de bedrijfsauto aan verzoekster. Het onderhavige verzoek is bij verzoekschrift van 15 februari 2010 gedaan en daarom tijdig.

2.2 Vergoeding vermogensschade

Uit de overgelegde aankoopfactuur blijkt dat de bedrijfsauto op 18 maart 2009 voor een bedrag van € 31.763,- exclusief btw (€ 37.833,26 inclusief btw) aan verzoekster is verkocht.

Op 6 juli 2009 is de bedrijfsauto in beslag genomen. De rechtbank verwerpt het standpunt van verzoekster dat de waarde toen nog gelijk aan de aankoopwaarde was. Van algemene bekendheid is dat de waarde van een auto, ook een bedrijfsauto, in het eerste jaar relatief snel afneemt. De rechtbank zal echter als uitgangspunt nemen de waarde, die de bedrijfsauto bedrijfseconomisch had voor verzoekster.

Bedrijfseconomisch wordt de boekwaarde van de auto op een bepaalde datum als de waarde binnen de onderneming gezien. Op de zitting heeft de raadsman gesteld dat de afschrijving over vijf jaren zou moeten plaatsvinden. Uit de schriftelijke toelichting, die de raadsman zelf in het geding heeft gebracht, blijkt echter ook dat voor bedrijfsauto's in 2009 aangeschaft zelfs een afschrijving in twee jaar zou mogen plaatsvinden. De rechtbank zal echter het proces-verbaal van bevindingen volgen. Daarin wordt de afschrijving gesteld op vier jaar en dat is een heel gebruikelijke termijn voor bedrijfsauto's.

Daarnaast zal de rechtbank rekening houden met een restwaarde van de bedrijfsauto na afschrijving. Naar algemene ervaringsregels zal deze worden gesteld op 10% van de aanschafwaarde, € 3.176,-. Er wordt dan ook afgeschreven over € 28.587,-.

De rechtbank zal zodoende de waardevermindering stellen op 25% voor het eerste jaar. De bedrijfsauto was op het moment van inbeslagname 3,6 maanden oud. De waarde van de bedrijfsauto was op dat moment afgenomen met 3,6 : 12 x 25% x € 28.587,- = € 2.144,02. De bedrijfsauto was dus nog € 29.618,98 waard voor verzoekster.

Op 6 december 2010 heeft de rechtbank de teruggave van de bedrijfsauto aan verzoekster gelast, althans uitbetaling van de dagwaarde ervan aan verzoekster.

Op 27 januari 2011 is door de Staat aan verzoekster een bedrag van € 22.939,07 als schadevergoeding uitgekeerd.

Verzoekster lijdt zodoende de volgende schade:

- het verschil tussen de waarde ten tijde van de inbeslagname en het op 27 januari 2011 aan haar uitgekeerde bedrag, dus € 6.679,91;

- de wettelijke rente over € 29.618,98 vanaf 6 juli 2009 tot 27 januari 2011, zijnde € 1.414,65;

- de wettelijke rente over € 6.679,91 vanaf 27 januari 2011 tot de dag van algehele voldoening door de Staat.

Verzoekster is zelf btw-plichtig. Ter zitting is dat bevestigd door de gemachtigde en het blijkt ook uit de in het geding gebrachte dagvaarding in de civiele procedure. Dat betekent dat de door haar betaalde btw geen schade oplevert, omdat zij die btw kan verrekenen met de belastingdienst.

2.3 Vergoeding kosten advocaat

a. Juridische bijstand in de tweede klaagschriftprocedure

Deze kosten zijn toewijsbaar voor zover ze redelijk zijn. Verzoekster heeft declaraties in het geding gebracht, waaruit blijkt welke bedragen haar advocaat haar op 1 oktober 2010 en 18 januari 2011 in rekening heeft gebracht. Uit de daarbij tevens overgelegde specificaties blijkt afdoende dat het gaat om kosten, die zijn gemaakt in het kader van de klaagschriftprocedure. De hoogte van het aantal in rekening gebrachte werkzaamheden is redelijk (in totaal 2,75 uur), evenals het gehanteerde uurtarief (€ 200,-). Toewijsbaar is dus een bedrag van € 550,-. Niet toewijsbaar is de btw over dit bedrag. De door verzoekster betaalde btw vormt immers voor haar geen schade, aangezien verzoekster die btw kan verrekenen met de fiscus, zoals hiervoor is overwogen.

b. Juridische bijstand in de civiele procedure van verzoekster tegen [naam]

Allereerst heeft verzoekster in de civiele procedure een verklaring voor recht gevorderd van een standpunt, waar haar wederpartij, [naam], het mee eens was. Uit de overgelegde processtukken uit de procedure voor de rechtbank Zwolle/Lelystad blijkt immers dat zowel verzoekster als [naam] zich op het standpunt stelde dat de eigendom van de bedrijfsauto [kenteken] bij verzoekster berust. Bij de door de rechtbank gegeven verklaring voor recht is een proceskostenveroordeling ten gunste van verzoekster uitgesproken.

Later heeft verzoekster zich met precies dezelfde stukken in de tweede klaagschriftprocedure tot deze rechtbank gewend en daarbij ook hetzelfde standpunt ingenomen als in de civiele procedure. Vervolgens heeft de rechtbank dat standpunt gehonoreerd, waarmee verzoekster zelfs een beter – concreet – resultaat heeft bereikt, namelijk het gelasten van de teruggave van de in beslag genomen bedrijfsauto. Met andere woorden, de in de civiele procedure gemaakte kosten moeten ten aanzien van de Staat als nodeloze kosten worden beschouwd. Aangezien hiervoor (onder 2.3.a.) al is geoordeeld dat verzoekster de kosten voor de juridische bijstand in die tweede klaagschriftprocedure vergoed dient te krijgen, zijn de kosten voor de juridische bijstand in de civiele procedure niet toewijsbaar. Het is niet billijk om die kosten op de Staat af te wentelen. Als verzoekster er om haar moverende redenen voor kiest om [naam] in een civiele procedure aan te spreken, dient zij de daarbij toegewezen kosten ook op [naam] te verhalen.

c. Vergoeding voor het voeren van de onderhavige procedure

Voor het voeren van de onderhavige procedure zal het forfaitair vastgestelde bedrag van € 540,- worden toegewezen.

De rechtbank zal daarom beslissen als hierna te melden en neemt daarbij de desbetreffende wetsartikelen in aanmerking.

3. De beslissing

Kent toe aan verzoekster een vergoeding uit ’s Rijks kas van in totaal € 9.184,56

(zegge: negenduizendeenhonderdvierentachtig euro en zesenvijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over € 6.679,91 vanaf 27 januari 2011 tot de dag van algehele voldoening;

Bepaalt dat voormeld bedrag vanwege de griffier van deze rechtbank aan verzoekster zal worden uitbetaald door middel van overschrijving naar rekeningnummer 10.35.19.483

ten name van de derdenrekening van Fellinger Corporate Law te Amsterdam;

Beveelt de tenuitvoerlegging van deze beslissing, nadat deze in kracht van gewijsde is gegaan;

Wijst af wat meer of anders is verzocht.

Aldus gedaan in raadkamer van deze rechtbank door mr. L.J. Saarloos, als voorzitter en

mrs. G.A.M. van Dijk en G.D.M. Hoedemaker, als leden van de meervoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.J. Ros als griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2011.