Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BR6531

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
27-07-2011
Datum publicatie
01-09-2011
Zaaknummer
97687 - FA RK 07-835
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is met de Raad van oordeel dat er in het belang van de kinderen (in eerste instantie door het Omgangshuis begeleide) omgang dient plaats te vinden met de vader. De rechtbank concludeert dat de opstelling van de moeder er sinds (in ieder geval) 2008 blijk van geeft dat zij zich volledig laat leiden door haar eigen negatieve emoties ten opzichte van de vader en dat uit de correspondentie van de GGZ kan worden afgeleid dat de beleving door de moeder van de vader steeds extremer is geworden. Gebleken is dat de moeder haar ouderlijke verantwoordelijkheid, inhoudende dat zij als gezaghebbend ouder verplicht is om de ontwikkeling van de band van de kinderen met hun vader te bevorderen, veronachtzaamt. Overigens ligt door de opstelling van de moeder in de lijn der verwachting dat de kinderen, in ieder geval richting hun moeder, zullen aangeven niet naar hun vader te willen.

Gezien alle genoemde feiten en omstandigheden heeft de rechtbank niet het vertrouwen dat de vader de kinderen op regelmatige basis zal gaan zien, indien hij thans niet tevens met het eenhoofdig gezag over de kinderen wordt belast. De kinderen zijn klem geraakt tussen de ouders, doordat de moeder op basis van haar eigen emoties (begeleide) omgang van de kinderen met de vader de afgelopen vijf jaar heeft tegengehouden, terwijl omgang in hun belang is. In dat geval vereist het belang van het kind dat ter realisering van een deugdelijke omgang tussen het kind en de ouder met wie het kind omgang dient te hebben, die ouder met het gezag over het kind wordt belast. De rechtbank is met de vader van oordeel dat slechts een gezagswijziging als door de vader verzocht, een garantie geeft dat de kinderen op deugdelijke wijze omgang met hun vader kunnen gaan krijgen. Daarbij gaat de rechtbank er vanuit dat de vader zich houdt aan zijn ter zitting gedane toezegging dat hij de gezagswijziging niet zal gebruiken om een wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen te realiseren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

CT

zaak- en rekestnummer: 97687 / FA RK 07-835

datum: 27 juli 2011

Beschikking van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

[NAAM VADER],

wonende te Utrecht,

verzoekende partij,

advocaat: voorheen mr. A.J. van der Veen, thans mr. J.C. Jaspers te Utrecht,

tegen:

[NAAM MOEDER],

wonende te Hoorn,

gerekwestreerde,

advocaat: voorheen mr. G.A.M. van Dijk, thans mr. P.J.M. Fens.

Partijen zullen verder ook worden aangeduid als de vader en de moeder.

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De man heeft bij verzoekschrift van 18 september 2007 de rechtbank verzocht een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en zijn twee minderjarige kinderen [naam dochter] (hierna: [de dochter]), geboren op [geboortedatum 1] in de gemeente Woerden en [naam zoon] (hierna: [de zoon]), geboren op [geboortedatum 2] in de gemeente Hoorn, dan wel een onderzoek te laten verrichten door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) naar de mogelijkheden tot omgang. Daarnaast heeft hij verzocht eens per drie maanden te worden geïnformeerd omtrent het welzijn van zijn kinderen, een foto van de kinderen te ontvangen en te worden geraadpleegd bij belangrijke beslissingen.

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen dit verzoek. Zij gaat niet akkoord met een omgangsregeling maar wel met een Raadsonderzoek naar de mogelijkheid en wenselijkheid van een omgangsregeling tussen de man en de kinderen.

In de zaak is een beschikking gegeven op 20 februari 2008, waarbij de rechtbank de stukken in handen van de Raad heeft gesteld met het verzoek om in het belang van de kinderen een onderzoek uit te voeren naar de mogelijkheden van een omgangsregeling met de vader. Voorts is bepaald dat de moeder de vader op de hoogte stelt omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van hiervoor genoemde kinderen en deze raadpleegt - zonodig door tussenkomst van derden - over daaromtrent te nemen beslissingen, in de vorm van elke drie maanden een brief met een verslag over het wel en wee van de kinderen, alsmede een recente foto van hen.

Bij de stukken bevindt zich een rapport, met advies, van de Raad voor de Kinderbescherming te Alkmaar (hierna: de Raad) gedateerd 7 november 2008.

De mondelinge behandeling is vervolgens voortgezet op 13 januari 2009. Daarbij is de behandeling van de zaak terugverwezen naar de Raad voor het uitvoeren van een (deel)onderzoek naar de draagkracht van [de dochter] voor het hebben van omgang met de vader.

Op 12 november 2009 is het deelonderzoek van de Raad gedateerd 10 november 2009 ter griffie ingekomen.

De mondelinge behandeling is voortgezet op 9 maart 2010. Daarbij heeft de rechter opgemerkt dat zij zich ernstige zorgen maakt over de kinderen en dat zij de Raad zal vragen een beschermingsonderzoek te doen met betrekking tot de minderjarigen. Vervolgens is de behandeling van de zaak geschorst in afwachting van bericht van de Raad over het resultaat van het beschermingsonderzoek.

Bij brief van 17 november 2010 heeft de Raad een rapport met advies gedateerd 8 juli 2010 toegezonden alsmede een kopie van de beschikking van 22 juli 2010, waarbij de minderjarigen voor de duur van twaalf maanden onder toezicht zijn gesteld van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland (hierna: BJZ). De kinderrechter heeft overwogen dat de moeder onvoldoende in staat lijkt haar strijd met en eigen (angst)gevoelens over de vader los te laten, waardoor de ontwikkeling van de minderjarigen ernstig wordt bedreigd.

Per faxbericht van 29 november 2010 heeft mr. Fens aangegeven dat een behandeling ter zitting op 6 januari 2011 niet zinvol is, nu er thans een wisseling van gezinsvoogd plaatsvindt en het aan de gezinsvoogd is om de mogelijkheden van contact op een rij te zetten en zo nodig hulp voor partijen in te schakelen.

Per faxbericht van 30 december 2010 heeft mr. Jaspers verzocht de mondelinge behandeling wel doorgang te laten vinden. In tegenstelling tot het uitdrukkelijke advies van BJZ dat het Omgangshuis de meest geschikte instantie is om te onderzoeken of contacten tussen de minderjarigen en de vader wenselijk zijn en zo ja, in welke vorm dat dient te geschieden, blokkeert de moeder iedere medewerking en daarmee proefcontacten.

Blijkens het proces-verbaal van 6 januari 2011 heeft de rechter partijen meegedeeld dat zij zo snel mogelijk hun medewerking dienen te verlenen aan het opstarten van de omgangscontacten tussen de vader en de kinderen. De behandeling van de zaak is gedurende drie maanden aangehouden, in afwachting van het verloop van de begeleide omgang door het Omgangshuis.

Per faxbericht van 8 april 2011 heeft mr. Fens nadere stukken in het geding gebracht.

De mondelinge behandeling is voortgezet op 11 april 2011, alwaar zijn verschenen de vader, bijgestaan mr. Jaspers voornoemd, en de moeder, bijgestaan door mr. Fens voornoemd. Namens de Raad is mevrouw [naam 1] verschenen. Als gezinsvoogd namens BJZ is verschenen mevrouw [naam 2].

Na de mondelinge behandeling heeft mr. Fens per faxbericht van 29 april 2011 een verweerschrift naar aanleiding van het ter zitting gedane verzoek tot gezagswijziging in het geding gebracht.

Bij verzoekschrift van 2 mei 2011 heeft mr. Fens op de daarin omschreven gronden de wraking verzocht van mr. J.L. Roubos als behandelend rechter in deze procedure.

Bij beslissing van deze rechtbank van 26 mei 2011 is het verzoek tot wraking afgewezen en is bepaald dat de behandeling van de zaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek en is de zaak in handen gesteld van de voorzitter van de Sector Civiel van deze rechtbank.

DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

De rechtbank neemt over hetgeen is overwogen en opgenomen in de beschikking van

20 februari 2008. In aanvulling daarop acht de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden van belang.

De Raad heeft de rechtbank in haar rapport van 7 november 2008 geadviseerd drie proefcontacten op te leggen tussen de minderjarigen [de dochter] en [de zoon] en hun vader, en deze te laten plaatsvinden ten kantore van de Raad. De Raad vindt het voor de ontwikkeling van [de dochter] en [de zoon] belangrijk dat zij de kans krijgen om een positieve relatie op te bouwen met hun vader. De moeder kan vanuit haar verantwoordelijkheid voor de kinderen in staat worden geacht om mee te werken aan het totstandkomen van deze relatie. Aangezien de moeder heeft laten weten niet mee te gaan werken aan proefcontacten ziet de Raad zich genoodzaakt de rechtbank te verzoeken deze contacten op te leggen, waarbij de moeder de toezegging moet doen dat zij hieraan zal meewerken. Moeder wordt geacht haar gezag te doen laten gelden en de kinderen toe te staan, te ondersteunen en te stimuleren om aan de relatie met hun vader te werken.

Mr. Fens heeft hierop schriftelijk laten weten dat de moeder op dat moment onder geen beding akkoord gaat met proefcontacten, omdat dit teveel stress in de thuissituatie oplevert.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van 13 januari 2009 heeft de Raad naar voren gebracht dat het onderzoek niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. De Raad heeft aangegeven dat er eerst een deelonderzoek moet plaatsvinden naar de draagkracht van [de dochter].Ter zitting van 9 maart 2010 is dit aanvullende rapport besproken. De Raad heeft geen contra-indicaties aangetroffen bij [de dochter] voor omgang met de vader. In het belang van haar ontwikkeling moet [de dochter] de kans krijgen zich te identificeren met haar vader en zich een beeld van hem te vormen. Voor proefcontacten geldt dat de moeder daaraan moet meewerken en het kind toestemming moet geven. Zonder die voorwaarden wordt het heel lastig voor het kind. Er moet proefomgang komen met goede begeleiding, met name naar moeder toe. Gelet op het dossier en het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank de Raad verzocht een beschermingsonderzoek te starten.

De Raad heeft bij rapport en advies gedateerd 8 juli 2010 de kinderrechter verzocht de minderjarigen onder toezicht te stellen van BJZ voor de duur van een jaar. De Raad is van mening dat de ontwikkeling van [de zoon] en [de dochter] zodanig wordt bedreigd dat een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is. De bedreiging bestaat uit het feit dat de minderjarigen sinds 2006 geen contact hebben met hun vader en zich daardoor geen eigen beeld van hun vader kunnen vormen, hetgeen van belang is voor hun persoonlijkheidsontwikkeling. Vooral bij [de dochter] is het verschil van gedrag in de thuissituatie en op school en buitenschoolse opvang, danwel het verschil in interpretatie van haar gedrag, een zorgelijk punt. Daarbij komt dat bij de moeder sprake is van complexe persoonlijke problematiek. Zij kan haar emoties onvoldoende scheiden van die van de kinderen. De vader heeft onvoldoende inzicht in de positie van de kinderen in de strijd tussen ouders. De Raad is van mening dat de bedreiging niet op een andere manier kan worden weggenomen, omdat hulpverlening in het verleden tot onvoldoende resultaten heeft geleid. Bovendien is er op verschillende gebieden hulp nodig die op elkaar moet worden afgestemd, zodat coördinatie wenselijk is. De ondertoezichtstelling is op 22 juli 2010 uitgesproken.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van 11 april 2011 heeft mr. Fens naar voren gebracht dat het Omgangshuis direct contact tussen de ouders als uitgangspunt hanteert. De moeder kan dit rechtstreekse contact met de vader niet aan en ziet hiertoe ook geen mogelijkheden op de langere termijn. De moeder heeft daarom nog geen toestemming gegeven voor het opstarten van begeleide omgang door het Omgangshuis. De hevige reactie van de moeder op de mededeling van het Omgangshuis dat er (in de toekomst) direct contact zou moeten komen tussen de moeder en de vader is voor de GGZ aanleiding geweest om nader onderzoek te verrichten naar de geestestoestand van de moeder. Volgens de moeder is er onvoldoende basis om tot een omgangsregeling te komen en is het Omgangshuis geen passende oplossing, omdat het contact tussen de vader en de moeder dient te worden vermeden. De moeder heeft gewezen op een brief van 7 april 2011, waarin psychiater [naam 3] van GGZ Noord-Holland Noord aangeeft dat er geen draagkracht is bij de moeder voor omgang of contact met de vader. De moeder stelt observatiecontacten bij de Raad voor.

De vader heeft op 11 april 2011 ter zitting aangevoerd dat hij nog steeds achter de beslissing staat om naar het Omgangshuis te gaan. Hij heeft er geen moeite mee om oppervlakkig contact te hebben met de moeder. Mr. Jaspers heeft ter zitting middels een pleitnota een aanvullend verzoek ingediend om de vader op grond van artikel 1:253c lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te belasten met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarigen om op die manier de omgang alsnog te kunnen opstarten. Daarbij heeft zij verklaard dat dit verzoek als uiterste middel wordt ingezet, nu door de opstelling van de moeder reeds 5 jaren zijn verstreken sinds de vader zijn kinderen heeft gezien. De advocaat heeft gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2010, NJ 2010, 437. De vader heeft verklaard het eenhoofdig ouderlijk gezag slechts voor voornoemd doel te willen verkrijgen en dit niet te willen gebruiken voor een wijziging van bijvoorbeeld de hoofdverblijfplaats.

De gezinsvoogd heeft ter zitting van 11 april 2011 gesteld dat het Omgangshuis de perfecte plaats is om omgang onder begeleiding op te starten. De kinderen hebben er recht op hun vader na vijf jaar weer te gaan zien. BJZ denkt aan een schriftelijke aanwijzing om de omgang nu echt te realiseren. Gesprekken en uitleg om de omgang weer op te starten hebben geen effect gehad. De zaak hoeft niet terug naar de Raad zoals de moeder thans voorstelt; het Omgangshuis is de juiste plek om omgang weer op te starten. De gezinsvoogd heeft het idee dat ze worden tegengewerkt door de moeder. Een schriftelijke aanwijzing wordt nu overwogen.

De Raadsvertegenwoordiger heeft ter zitting verwoord dat de Raad meent dat de belemmeringen voor omgang kunnen worden weggenomen door omgang via het Omgangshuis te laten plaatsvinden. De Raadsvertegenwoordiger maakt zich zorgen over de emotionele gesteldheid van de moeder en daarmee ook over die van de kinderen, omdat de moeder de vader steeds extremer lijkt te gaan beleven met het verstrijken van de tijd. De Raad herkent een duidelijk patroon in de weigerachtige houding van de moeder, inhoudende dat zij steeds weer een omweg bedenkt. De Raad heeft al uitputtend onderzocht. Observatiecontacten zijn niet zinvol, maar leiden slechts tot uitstel van executie.

De moeder heeft tot en met 2 mei 2011 de gelegenheid gekregen om zich schriftelijk te verweren tegen het namens de vader ter zitting gedane aanvullende verzoek tot gezagswijziging.

Namens de moeder is bij brief van 29 april 2011 gemotiveerd verweer gevoerd tegen dit verzoek, strekkende tot afwijzing van het verzoek.

De moeder heeft allereerst gesteld dat het verzoek van de vader tot gezagswijziging onvoldoende verband houdt met het oorspronkelijke verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling. Voorts heeft de moeder aangevoerd dat het huidige verzoek is te beschouwen als een mondeling verzoek geïncorporeerd in een pleitnota en dat dit derhalve niet kan worden beschouwd als schriftelijk verzoek, zoals vereist op grond van artikel 283 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) juncto artikel 130 Rv. Daarbij komt dat de moeder het verzoek in strijd met de goede procesorde vindt, nu het verzoek volgens de moeder conform de procesregels van het commune procesrecht behandeling vergt.

Inhoudelijk heeft de moeder voorts verweer gevoerd door aan te geven dat onderhavige zaak op twee punten afwijkt van de uitspraak van de Hoge Raad van 9 juli 2010 (NJ 2010, 437) waarop het verzoek van de vader is gebaseerd. Ten eerste is er in onderhavige zaak geen sprake van een wijziging van een door de rechtbank vastgestelde dan wel door partijen overeengekomen omgangsregeling, maar gaat het om het vaststellen van een omgangsregeling. Er kan volgens de moeder dan ook geen sprake zijn van een gezagswijziging ter effectuering van een omgangsregeling, omdat er thans nog geen omgangsregeling bestaat. Ten tweede is het verzoek van de vader volgens de moeder niet gebaseerd op artikel 253n van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dan wel artikel 251a van Boek 1 BW, maar op artikel 253c van Boek 1 BW. Volgens de vader houdt de moeder ieder contactherstel tegen, dan wel misbruikt zij haar positie door het consequent weigeren van welke toestemming dan ook en ontneemt zij daarmee de minderjarigen de kans om hun vader te leren kennen. De moeder betwist dit en geeft aan dat uit het procesverloop valt af te leiden dat er geen sprake is van een situatie waarin de moeder contactherstel stelselmatig heeft tegengehouden. Daar wordt aan toegevoegd dat

niet-nakoming van een omgangsregeling niet zonder meer grond oplevert voor een gezagswijziging.

De rechtbank komt op basis van het vorenstaande tot de volgende beoordeling.

De rechtbank is van oordeel dat er geen reden bestaat om de door de Raad uitgebrachte adviezen niet te volgen. Dit betekent dat de rechtbank met de Raad van oordeel is dat er in het belang van de kinderen omgang dient plaats te vinden met de vader. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de Raad en BJZ dat deze omgang (eerst) begeleid dient plaats te vinden en dat het Omgangshuis de juiste instantie is om de benodigde begeleiding te bieden voor zowel ouders als kinderen. De vader heeft zich bereid verklaard de kosten die hiermee gemoeid zijn voor zijn rekening te willen nemen, zodat de financiering geen obstakel vormt. De rechtbank gaat er vanuit dat de gezinsvoogd een coördinerende rol op zich zal nemen om de omgang daadwerkelijk te realiseren. De duur en frequentie van de omgang dient te worden bepaald door het Omgangshuis in overleg met de gezinsvoogd.

Naar aanleiding van het verzoek van de vader om alleen met het gezag over de kinderen te worden belast teneinde tot omgang te komen, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank constateert dat de vader zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling reeds heeft ingediend op 19 september 2007. De Raad heeft voor het eerst op 7 november 2008 geadviseerd dat het voor de ontwikkeling van de kinderen noodzakelijk is dat er proefcontacten met de vader gaan plaatsvinden en dat de moeder vanuit haar verantwoordelijkheid voor de kinderen in staat kan worden geacht mee te werken aan het tot stand komen van deze relatie en de kinderen te ondersteunen en te stimuleren om aan de relatie met hun vader te werken. De rechtbank onderschrijft deze benadering.

De moeder heeft echter per brief van 9 oktober 2008 laten weten onder geen beding mee te werken aan proefcontacten. Op de zitting van 9 maart 2010 heeft de Raad, na aanvullend onderzoek, opnieuw proefomgang met goede begeleiding geadviseerd.

Op 22 juli 2010 zijn de kinderen onder toezicht gesteld. De kinderrechter heeft daartoe overwogen dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig wordt bedreigd, doordat de moeder onvoldoende in staat lijkt haar strijd met en eigen (angst)gevoelens over de vader los te laten.

Op 6 januari 2011 hebben zowel de gezinsvoogd als de Raadsvertegenwoordiger benadrukt dat in het belang van de kinderen niet langer gewacht moet worden met het opstarten van begeleide omgang via het omgangshuis. De gezinsvoogd heeft daaraan toegevoegd dat het Omgangshuis gaat starten zodra beide partijen hebben ingestemd met de voorwaarden en de moeder tot dat moment de benodigde handtekening niet heeft geplaatst. De rechter heeft op 6 januari 2011 de moeder voorgehouden dat haar actieve medewerking nodig is om tot begeleide omgang via het Omgangshuis te komen en dat de zitting over 3 maanden zal worden voortgezet om te horen hoe de omgangscontacten zijn verlopen.

Op 11 april 2011 hebben partijen ter zitting meegedeeld dat omgang nog niet heeft plaatsgevonden, omdat de moeder de benodigde handtekening nog niet heeft geplaatst. De moeder heeft ter zitting aangegeven dat de reden hiervan is dat zij eerst de garantie wil dat zij, ook op termijn, niet in direct contact met de vader hoeft te treden en in dit verband gewezen op genoemde brief van psychiater Roose.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de opstelling van de moeder er sinds (in ieder geval) 2008 blijk van geeft dat zij zich volledig laat leiden door haar eigen negatieve emoties ten opzichte van de vader. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat uit de GGZ-correspondentie kan worden afgeleid dat de beleving door de moeder van de vader steeds extremer is geworden, hetgeen een uitermate zorgelijke ontwikkeling is te noemen. Eveneens zorgelijk acht de rechtbank de benadering van moeder, zoals verwoord ter zitting van 9 maart 2010, dat zij [de dochter] zal ondersteunen als zij contact wil met haar vader, maar dat [de dochter] dat helemaal niet wil. Ook hieruit blijkt dat moeder haar ouderlijke verantwoordelijkheid, inhoudende dat zij als gezaghebbend ouder verplicht is om de ontwikkeling van de band van de kinderen met hun vader te bevorderen, veronachtzaamt. Overigens ligt door de opstelling van de moeder in de lijn der verwachting dat de kinderen, in ieder geval richting hun moeder, zullen aangeven niet naar hun vader te willen.

Gezien alle genoemde feiten en omstandigheden heeft de rechtbank niet het vertrouwen dat de vader de kinderen op regelmatige basis zal gaan zien, indien hij thans niet tevens met het eenhoofdig gezag over de kinderen wordt belast. In dit verband wijst de rechtbank expliciet op het feit dat de gezinsvoogd heeft laten weten ondanks inspanningen daartoe nog niets te hebben bereikt in het kader van de omgang. Voorts wijst de rechtbank erop dat het Omgangshuis een begeleide omgang tussen de vader en de kinderen kan realiseren die met voldoende waarborgen is omkleed, maar de moeder weigert van deze mogelijkheid gebruik te maken omdat zij vasthoudt aan de niet reële eis dat zij pas gaat meewerken aan een begeleide omgang als wordt vastgelegd dat zij in de toekomst nimmer rechtstreeks in contact met de vader hoeft te treden.

De kinderen zijn klem geraakt tussen de ouders, doordat de moeder op basis van haar eigen emoties (begeleide) omgang van de kinderen met de vader de afgelopen vijf jaar heeft tegengehouden, terwijl omgang in hun belang is. In dat geval vereist het belang van het kind dat ter realisering van een deugdelijke omgang tussen het kind en de ouder met wie het kind omgang dient te hebben, die ouder met het gezag over het kind wordt belast. De rechtbank is met de man van oordeel dat slechts een gezagswijziging als door de man verzocht, een garantie geeft dat de kinderen op deugdelijke wijze omgang met hun vader kunnen gaan krijgen. Daarbij gaat de rechtbank er vanuit dat de man zich houdt aan zijn ter zitting gedane toezegging dat hij de gezagswijziging niet zal gebruiken om een wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen te realiseren.

De rechtbank is, anders dan de moeder, van oordeel dat het ter zitting van 11 april 2011 door de vader gedane verzoek tot gezagswijziging voldoende connex is met het oorspronkelijke verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling, gelet op het feit dat het ouderlijk gezag mede de verplichting omvat om de ontwikkeling van de band van zijn minderjarig kind met de andere ouder te bevorderen. De rechtbank beschouwt het verzoek als schriftelijk gedaan, nu het aan het papier is toevertrouwd. De status van het schriftelijke stuk is verder niet relevant. Het verzoek is naar het oordeel van de rechtbank niet tardief gedaan, nu het juist is ingegeven door het tijdsverloop in de onderhavige procedure zonder dat de door de vader gewenste begeleide omgang van de grond is gekomen als gevolg van de opstelling van de moeder. De moeder stelt terecht dat de onderhavige zaak op twee punten afwijkt van de uitspraak van de HR van 9 juli 2010. Uit het hierboven weergegevene volgt echter dat de rechtbank van oordeel is dat er ook in het onderhavige geval aanleiding is om tot gezagswijziging over te gaan teneinde een omgang te bewerkstelligen.

DE BESLISSING

De rechtbank:

Bepaalt dat de vader omgang met de kinderen zal hebben onder begeleiding van het Omgangshuis.

Bepaalt dat het (eenhoofdig) gezag van de moeder over de minderjarigen

[naam dochter], geboren op [geboortedatum 1] in de gemeente Woerden, en [naam zoon], geboren op [geboortedatum 2] in de gemeente Hoorn, wordt beëindigd.

Bepaalt dat thans de vader (eenhoofdig) wordt belast met de uitoefening van het gezag over voornoemde minderjarigen.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Houdt iedere verdere beslissing met betrekking tot de omgang aan tot januari 2012, in afwachting van berichten van partijen e/o het Omgangshuis e/o de gezinsvoogd over het verloop van de omgangsregeling en de gewenste voortzetting van de procedure.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.L. Roubos, lid van gemelde kamer, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 27 juli 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.