Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BR6163

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
25-08-2011
Datum publicatie
29-08-2011
Zaaknummer
10/1058
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beoordeling, ontslag en ontslagregeling. Beoordeling op het beoordelingskenmerk flexibiliteit (score 1) berust op onvoldoende gronden: ten onrechte niet tot uitdrukking gebracht dat de functiegerichte flexibiliteit goed was (in het kader van het beoordelen van functioneren onaanvaardbare nadruk op communicatie met - eenhoofdige - directie). Ontslag op primaire grond (ongeschiktheid) vernietigd: onvoldoende feitelijke grondslag. Die grondslag is er wel voor de subsidiaire ontslaggrond (andere gronden: onherstelbaar verstoorde verhouding). De toegekende minimale ontslagvergoeding is niet passend: ten onrechte geen rekening gehouden met het aandeel van verweerder(directie) in de verstoorde verhoudingen. Opdracht met betrekking tot opnieuw beoordelen omvang van ontslagvergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummers: 10/1058 AW en 10/1066 AW

Uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaken van:

[naam eiseres],

wonende te [plaatsnaam],

eiseres,

gemachtigde mr. R. Muurlink,

tegen

het Algemeen Bestuur van de Milieudienst Kop van Noord-Holland,

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 4 december 2009 heeft verweerder de beoordeling van eiseres vastgesteld over het jaar 2008. Tegen dit besluit heeft eiseres op 4 januari 2010 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 7 december 2009 heeft verweerder eiseres met ingang van 1 mei 2010 eervol ontslag verleend, primair op grond van artikel 8:6, eerste lid, van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten/de Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) (onbekwaamheid of ongeschiktheid) en subsidiair op grond van artikel 8:8, eerste lid, van de CAR/UWO (ontslag op andere gronden).

Bij uitspraak van 18 maart 2010 heeft de voorzieningenrechter dit besluit op verzoek van eiseres geschorst voor zover daarmee eiseres ontslag is verleend wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid en voor zover aan eiseres re-integratieverplichtingen zijn opgelegd, tot zes weken nadat een besluit op bezwaar op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Bij besluit van 6 april 2010 heeft verweerder het tegen het besluit van 4 december 2009 gerichte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van eveneens 6 april 2010 heeft verweerder ook het bezwaar tegen het besluit van 7 december 2009 ongegrond verklaard. Tegen beide besluiten van 6 april 2010 heeft eiseres beroep ingesteld.

Bij besluit van 29 april 2010 heeft verweerder een beslissing genomen met betrekking tot een

ontslagregeling voor zover op grond van een rechterlijke uitspraak het ontslag gebaseerd dient te worden op artikel 8:8 CAR/UWO. Bij brief van 18 mei 2010 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het besluit van 29 april 2010. Verweerder heeft deze stukken doorgezonden aan de rechtbank.

Bij uitspraak van 1 juli 2010 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van eiseres om het ontslagbesluit te schorsen afgewezen.

De rechtbank heeft de zaken gevoegd behandeld ter zitting van 11 juli 2011, waar eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Voor verweerder zijn verschenen de gemachtigden [naam1], secretaris-directeur Milieudienst Kop van Noord-Holland en mr. E.D. Buitenhek.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

Motivering

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Eiseres is vanaf 2001 werkzaam geweest in dienst van het Servicepunt Milieuhandhaving van het Gewest Kop van Noord-Holland. Dit Servicepunt is eind 2006/begin 2007 opgeheven en opgegaan in de Milieudienst Kop van Noord-Holland (hierna: de Milieudienst). Eiseres is met ingang van 1 januari 2007 geplaatst als [functie] bij de afdeling [naam afdeling] van de Milieudienst. De heer [naam1] (hierna: [naam1]) was toen haar direct leidinggevende. Eiseres is met ingang van 1 mei 2007 uit dienst getreden van het Gewest Kop van Noord-Holland en gelijktijdig aangesteld in dienst van verweerder in een dienstverband van 24 uur per week. [naam1] werd secretaris-directeur van de Milieudienst. De functioneel leidinggevende van eiseres was de heer [naam2] (hierna: [naam2]).

1.2. Op 24 april 2007 en 25 januari 2008 heeft [naam1] functioneringsgesprekken met eiseres gevoerd. Tijdens die gesprekken zijn over en weer punten van kritiek geuit. De door [naam1] in concept aangeboden gespreksverslagen zijn door eiseres van vele correcties, opmerkingen en aanvullingen, voorzien.

Op 3 juni 2008 heeft [naam1] de beoordeling van eiseres over het jaar 2007 opgesteld. Op het in het beoordelingsformulier opgenomen beoordelingsaspect flexibiliteit (functiegerelateerd) is een score 3 (voldoende/goed) toegekend. Op het beoordelingsaspect flexibiliteit (organisatiegerelateerd) is een score 2 (onder de norm) toegekend. Als samenvattend eindoordeel is vermeld dat als punt van aandacht de flexibiliteit naar de organisatie toe geldt, maar dat over het algemeen het werk als goed is te kwalificeren en voor bepaalde competenties boven de norm uitstijgt. Eiseres heeft dit besluit niet voor akkoord willen ondertekenen. Naast haar kritiek op de toegekende score op het aspect flexibiliteit (organisatiegerelateerd) had eiseres bezwaar tegen het feit dat in het beoordelingsformulier was opgenomen dat de afspraak zou zijn gemaakt dat zij meer flexibel en pragmatisch leert omgaan met conflictsituaties of belangentegenstellingen. Volgens eiseres was die afspraak - toen (nog) - niet gemaakt; bovendien was zij het met de strekking van de afspraak niet eens. Bij besluit van 26 september 2008 is de beoordeling ongewijzigd vastgesteld. Uit de overwegingen van dat besluit blijkt voorts dat de vaststellingsprocedure niet probleemloos was verlopen. Tevens is daarin opgenomen dat de vaststelling van de beoordeling impliceert dat met eiseres een traject in gang zal worden gezet om tot verbetering te komen van de in de beoordeling opgenomen punten. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

1.3. Op 7 november 2008 heeft een gesprek tussen eiseres enerzijds en [naam1] en [naam2] anderzijds plaatsgevonden met als inzet het verbetertraject. Tijdens dat gesprek heeft [naam1] erop gewezen dat er geen functionele kritiek op eiseres is, maar dat de kritiek zich richt op het gedrag van eiseres richting zijn persoon en de organisatie, hetgeen door [naam2] is bevestigd. De insteek van het traject is volgens [naam1] om te komen tot “personal coaching” met het oog op te ontwikkelen flexibiliteit en gedrag. Eiseres heeft te kennen gegeven niet inhoudelijk te kunnen reageren omdat zij bezwaar had gemaakt tegen de beoordeling.

De beoordeling is in bezwaar gehandhaafd. Ook de procedure rond de behandeling van het bezwaarschrift is niet zonder problemen verlopen. Tegen de in bezwaar gehandhaafde beoordeling heeft eiseres beroep ingesteld welk beroep zij bij brief van 21 april 2009 heeft ingetrokken.

Op 31 januari 2009 heeft opnieuw een functioneringsgesprek plaatsgevonden. Zowel [naam1] als eiseres hebben daarvan een verslag gemaakt. Tijdens dat gesprek is aan de hand van voorbeelden en de gevoerde correspondentie uitgebreid stilgestaan bij het door [naam1] bij eiseres geconstateerde gebrek aan flexibiliteit jegens de organisatie en in het bijzonder jegens hem.

1.4. Eiseres is naar aanleiding van haar bezwaar tegen het gebruik van haar beeltenis in de organisatiefolder van de Milieudienst door verweerder uitgenodigd voor een gesprek op 23 februari 2009. Bij besluit van 1 april 2009 is het bezwaar gegrond verklaard. Een –herhaald – verzoek van eiseres om verwijdering van een aantekening uit haar personeelsdossier heeft verweerder, na tussenkomst van het College Bescherming Persoonsgegevens, afgewezen.

1.5. Op 31 maart 2009 heeft een oriënterend gesprek plaatsgevonden tussen eiseres, [naam1] en de inmiddels ingeschakelde personal coach [naam coach] (hierna: [naam coach]). Ofschoon eiseres in dat gesprek te kennen heeft gegeven het procedureel niet eens te zijn met verweerders besluit met betrekking tot haar persoonlijke ontwikkeling, heeft zij niettemin ingestemd met het traject.

Bij brief van 6 mei 2009 heeft [naam coach] [naam1] ervan in kennis gesteld dat hij zich genoodzaakt zag het traject te beëindigen wegens een ingeschat gebrek aan daadwerkelijk resultaat. Daartoe heeft [naam coach] erop gewezen dat eiseres naar eigen zeggen puur om procedurele redenen aanwezig was, dat zij niet in staat was ontwikkelpunten aan te geven en dat zij verwachtte dat van de kant van verweerder ontwikkelpunten, c.q. nadere opdrachtinvulling zouden worden verstrekt. [naam coach] heeft de opdracht teruggegeven.

1.6. Op 29 mei 2009 heeft [naam1] de beoordeling van eiseres over het jaar 2008 opgesteld. Op het daartoe gebruikte beoordelingsformulier wordt ten aanzien van het beoordelingsaspect flexibiliteit geen onderscheid meer gemaakt in functiegerichte- en organisatiegerichte flexibiliteit. Aan dit aspect is een score toegekend van 1 (onaanvaardbaar). De overige beoordelingsaspecten zijn wederom beoordeeld met de score 3 dan wel 4. Als samenvattend eindoordeel is vermeld dat ten opzichte van 2007 een verslechtering is opgetreden in de competentie flexibiliteit, hetgeen blijkt uit het functioneringsgesprek over 2008, de vele mails en andere correspondentie die in 2008 is gewisseld; eiseres heeft niet laten zien en heeft ook niet de bereidheid getoond om zich op deze competentie te verbeteren. Eiseres heeft de beoordeling niet voor akkoord getekend. Eiseres heeft haar reactie kenbaar gemaakt.

1.7. Bij brief van 2 juni 2009 heeft [naam1] eiseres onder meer bericht dat de eenzijdige procedurele houding van eiseres een daadwerkelijk project van personal coaching, gericht op persoonlijke ontwikkeling, onmogelijk heeft gemaakt. Hierdoor frustreert eiseres het verbeteren van haar functioneren, zoals vastgesteld in de beoordeling. De aanhoudende stroom klachten en procedurele aantijgingen van de kant van eiseres bevestigen volgens [naam1] deze conclusie. Niet anders kan worden geconcludeerd dat eiseres bewust de samenwerking binnen de Milieudienst op het spel wil zetten. Eiseres is uitgenodigd voor een gesprek teneinde te beoordelen of de aanstelling van eiseres zal moeten worden beëindigd. Dat gesprek heeft op 16 juni 2009 plaatsgevonden. Bij brief van 19 juni 2009 heeft verweerder de uitkomst van dit gesprek aan eiseres medegedeeld, daarop neerkomend dat de onderlinge verhoudingen inmiddels dermate verstoord zijn dat herstel daarvan redelijkerwijs niet kan worden verwacht. Tevens is een voorstel gedaan om te komen tot een minnelijke beëindiging van het dienstverband. Eiseres heeft te kennen gegeven niet op dat aanbod te willen ingaan.

Verweerder heeft bij brief van 14 oktober 2009 eiseres meegedeeld dat verweerder het voornemen heeft om de dienstbetrekking te beëindigen. Eiseres heeft op 22 oktober 2009 schriftelijk op dit voornemen gereageerd. Eiseres is op 10 november 2009 gehoord. Op 10 november 2009 heeft eveneens de hoorzitting met betrekking tot de door eiseres gegeven reactie op haar beoordeling 2008 plaats gevonden.

Bij besluit van 4 december 2009 heeft verweerder de beoordeling 2008 vastgesteld. Bij besluit van 7 december 2009 heeft verweerder eiseres ontslag verleend. Beide besluiten zijn na bezwaar gehandhaafd.

De rechtbank overweegt als volgt.

2. Het beoordelingsbesluit

2.1. Het geschil spitst zich toe op de aan eiseres toegekende score 1 op het beoordelingsaspect flexibiliteit. Een score van 1 is de laagst mogelijke score en staat voor onaanvaardbaar.

Blijkens het door verweerder vastgestelde beoordelingsformulier wordt onder flexibiliteit verstaan:

“is veranderbaar. Herziet meningen besluiten en plannen wanneer hierdoor een doel eerder of beter bereikt kan worden. Speelt in op veranderende omstandigheden (werkomgeving, vakgebieden, taken, verantwoordelijkheden of mensen) en eisen, past zich hieraan gemakkelijk aan zonder het oorspronkelijke doel uit het oog te verliezen. In staat zich mee te bewegen met de behoeften van collega’s en organisatie. Staat open voor nieuwe ideeën.”

2.2. Met betrekking tot de aan te leggen toetsing van de beoordeling, stelt de rechtbank voorop dat die zich volgens vaste rechtspraak dient te beperken tot de vraag of gezegd moet worden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust.

De bij de bestreden score gegeven toelichting luidt als volgt:

“[naam eiseres] stelt zich bij de uitvoering van werkzaamheden binnen het team flexibel op naar haar collegae. In discussie en standpunten houdt [naam eiseres] vaak strak vast aan haar eigen mening en opvattingen en toont hierdoor weinig begrip voor meningen en standpunten van anderen. [naam eiseres] is gericht op strakke formele afhandeling van zaken en geeft hierbij geen blijk van een flexibele instelling naar de organisatie. [naam eiseres] handelt vaak vanuit eigen inzicht naar de organisatie toe, waarbij ze de negatieve effecten van die opvattingen op de organisatie uit het oog verliest. [naam eiseres] kan niet meebewegen met de behoeften van de organisatie. Meerdere malen accepteert ze niet de besluiten van haar leidinggevende.”

2.3. De vraag of met de hiervoor gegeven motivering de score van 1 op het beoordelingsaspect flexibiliteit op onvoldoende gronden berust, beantwoordt de rechtbank bevestigend.

Daartoe heeft de rechtbank in de eerste plaats in aanmerking genomen dat blijkens artikel 1 (begripsbepalingen) van de Regeling personeelsbeoordeling Milieudienst Kop van Noord-Holland, een beoordeling ziet op het oordeel over het functioneren. Onder functioneren wordt verstaan: het totaal van prestaties en gedragingen van de ambtenaar tijdens de uitoefening van de functie. Onder functie wordt verstaan: het geheel van werkzaamheden dat is afgeleid uit de taakstelling van de organisatie, dat wordt opgedragen aan de ambtenaar.

Uit dit samenstel van begripsbepalingen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de beoordeling zich in essentie dient te richten op de wijze waarop betrokkene zich binnen de kaders van de opgedragen werkzaamheden heeft gemanifesteerd. Dat betekent dat ook het aspect flexibiliteit op die wijze moet worden beoordeeld. Dienaangaande stelt de rechtbank vast dat de toelichting bij de score 1 daarvan geen blijk geeft, maar zich daarentegen in hoofdzaak richt op gedrag dat zich buiten die kaders heeft gemanifesteerd. Voor zover de toelichting zich richt op de binnen die kaders betoonde flexibiliteit, is daarop geen kritiek geuit, hetgeen correspondeert met een score 3 (normaal/goed). In aanmerking genomen dat het zwaartepunt van de beoordeling van het aspect flexibiliteit dient te liggen bij de wijze waarop betrokkene de functie met betrekking tot dit aspect inhoudelijk heeft vervuld, en deze functievervulling correspondeert met de score 3, doet de toegekende score van 1 (onaanvaardbaar) daaraan geen recht. Die score berust naar het oordeel van de rechtbank dan ook op onvoldoende gronden.

2.4. Bij haar oordeel heeft de rechtbank voorts in aanmerking genomen dat verweerder bij de voorgaande beoordeling het aspect flexibiliteit wél functiegericht – met een score 3 - heeft beoordeeld. Dat verweerder daarnaast de behoefte heeft gehad om de zogenaamde organisatiegerichte flexibiliteit als afzonderlijk aspect te beoordelen en dit aspect aan het beoordelingsformulier toe te voegen, stond verweerder op zichzelf vrij. Gezien doel en strekking van een beoordeling had het echter in de rede gelegen dat deze werkwijze ook bij de thans bestreden beoordeling was gecontinueerd. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat verweerder in het kader van de beoordeling(en) het begrip organisatie (de inrichting van de Milieudienst) ten onrechte lijkt te beperken tot het directieniveau. Gezien de toelichting en het geheel van onderliggende stukken heeft het verwijt van gebrek aan flexibiliteit zich immers in de kern gericht op de wijze waarop eiseres met de directeur-secretaris [naam1] over - doorgaans - niet direct met de opgedragen werkzaamheden verbonden onderwerpen heeft gecommuniceerd en de belasting die dat bij hem teweeg heeft gebracht.

3. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de bestreden beoordeling op onvoldoende gronden berust en dus niet in stand kan blijven.

4. Het ontslagbesluit (de primaire grond).

4.1. Het ontslagbesluit berust primair op de grond dat eiseres ongeschikt of onbekwaam is voor de functie als bedoeld in artikel 8:6, eerste lid, van de CAR/UWO. Aan dit standpunt

liggen de beoordelingen over 2007 en 2008 ten grondslag, alsmede de opvatting dat eiseres op geen enkele wijze bereidheid en/of initiatief heeft getoond om haar functioneren te verbeteren. Meer toegesneden, is de ongeschiktheid en/of onbekwaamheid in overwegende mate toegerekend aan het kennelijk onvermogen dan wel onwil van eiseres om mee te bewegen met de organisatie en zich te conformeren aan hetgeen door of namens haar leidinggevende van haar wordt verwacht, anders dan de directe uitvoering van haar taken en/of werkzaamheden. Verweerder heeft daartoe een aantal incidenten aangehaald waaruit zijns inziens die conclusie valt te trekken.

4.2. Eiseres heeft dit standpunt bestreden. Daartoe heeft zij in de eerste plaats aangevoerd dat niet in geschil is dat er geen sprake is van gemis aan kennis en kunde en dat zij haar taken naar behoren heeft uitgevoerd. Eiseres is voorts gemotiveerd ingegaan op door verweerder aangehaalde incidenten en heeft daarbij uiteengezet dat die volgens haar allerminst getuigen van de door verweerder geschetste ongeschiktheid. Waar verweerder eiseres inflexibel en star noemt, miskent verweerder volgens eiseres bovendien zijn eigen rol daarin.

5. De vraag of het ontslag op de primaire grond in stand kan blijven, beantwoordt de rechtbank ontkennend. Daartoe heeft de rechtbank in de eerste plaats in beschouwing genomen dat het daaraan ten grondslag liggend standpunt deels berust op de beoordeling over 2008, welke beoordeling gezien rechtsoverweging 3. van deze uitspraak niet in stand kan blijven. Daarbij is met name van belang de constatering dat het door verweerder gestelde gebrek aan flexibiliteit een voor eiseres minder negatieve waardering rechtvaardigt en dat ook de richting daarvan een meer op directieniveau toegesneden nuancering verdient.

Voorts heeft de rechtbank in haar beoordeling betrokken de uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 maart 2010. De rechtbank schaart zich ten volle achter de overwegingen die daarbij aan de door verweerder aangehaalde incidenten zijn gewijd. Evenals de voorzieningenrechter is ook de rechtbank van oordeel dat de aan het ontslag ten grondslag gelegde feiten niet de conclusie rechtvaardigen dat eiseres ongeschikt of onbekwaam is voor haar functie. De rechtbank acht daarbij met name van betekenis dat niet is gebleken dat het gedrag van eiseres de collegiale verhoudingen op de werkplek en het niveau van de daar verrichte werkzaamheden in negatieve zin heeft beïnvloed. Evenmin is gebleken dat de in hoofdzaak schriftelijke communicatie tussen eiseres en [naam1] ertoe heeft geleid dat de houding en het gedrag van eiseres op de werkplek als star en inflexibel is ervaren. De over het functioneren van eiseres uitgebrachte beoordelingen over de jaren 2007 en 2008 bevestigen dit. Dat, zoals in het bestreden besluit is gesteld, eiseres niet in staat is gebleken zich te conformeren aan hetgeen de directie van haar verwacht, is een verwijt dat in de kern ziet op de verstoorde verhouding tussen eiseres en [naam1]. Nu, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, het effect van die verstoorde verhouding zich niet heeft uitgestrekt tot de directe werkomgeving, maar zich heeft beperkt tot het directieniveau, kan deze opvatting - wat daar overigens ook van zij - niet dienen ter onderbouwing van het ongeschiktheidsontslag.

6. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt.

7. Het ontslagbesluit (de subsidiaire grond)

7.1. Ten aanzien van de subsidiaire ontslaggrond is de rechtbank, evenals de voorzieningenrechter en met verweerder, van oordeel dat de feiten alleszins de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een ernstig verstoorde verhouding tussen eiseres en [naam1]. Uit de feiten valt af te leiden dat reeds vanaf 2007 enige frictie bestond tussen eiseres en [naam1]. Sedert diens aanstelling als directeur-secretaris heeft eiseres [naam1] bij voortduring aangesproken op diens verantwoordelijkheid als directeur-secretaris voor een correcte naleving van de geldende (rechtspositionele) regels. Dit aanspreken vond doorgaans plaats in schriftelijke vorm. Uit die correspondentie valt af te leiden dat eiseres van het optreden van de directeur-secretaris in alle opzichten een hoge mate van perfectie verlangde en daarbij een strikte, formele benadering aan de dag legde. Aangezien de praktijk uitwees dat [naam1] in de ogen van eiseres niet (altijd) aan die verwachtingen heeft voldaan, is een nagenoeg continu-proces van actie en reactie ontstaan. Dit heeft geresulteerd in een overvloed aan correspondentie waarbij eiseres er in voorkomend geval ook voor heeft gekozen derden te benaderen, respectievelijk, procedures te entameren. Gebleken is verder dat eiseres in formeel opzicht het gelijk vaak aan haar kant had.

Dat neemt echter niet weg dat eiseres er geen blijk van heeft gegeven begrip te hebben voor het feit dat zij met haar optreden de directie bovenmatig onder druk heeft gezet en daarmee de frictie die vanaf 2007 tussen haar en [naam1] bestond heeft geïntensiveerd. Gezien de inhoud van de functionerings- en beoordelingsgesprekken moet het eiseres zonder meer duidelijk zijn geweest dat haar verhouding met [naam1] sterk onder spanning was komen te staan. Ook moet het haar op enig moment duidelijk zijn geweest dat verweerder die verstoorde verhouding niet langer wenste te continueren. Om die reden is eiseres de mogelijkheid geboden om met behulp van een personal coach te trachten tot verbetering van de onderlinge verhoudingen te komen. Gebleken is evenwel dat eiseres kennelijk niet de behoefte had daarin zelf te investeren maar - wederom - is blijven steken in een formele benadering. Weliswaar moet eiseres worden toegegeven dat het wenselijker zou zijn geweest wanneer verweerder aan [naam coach] een concrete opdracht met toelichting had verstrekt, doch dat neemt niet weg dat van eiseres, vanuit het besef dat er sprake was van een verstoorde verhouding, een meer constructieve opstelling in het coachingstraject verwacht had mogen worden. Daarvan is evenwel geen sprake geweest.

Onder deze omstandigheden is de door verweerder getrokken conclusie gerechtvaardigd dat herstel van de verstoorde verhoudingen niet langer als reële optie was aan te merken.

7.2. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het besluit om eiseres op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO ontslag te verlenen de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

8. De ontslagregeling

8.1. Ingevolge artikel 8:8 van de CAR/UWO moet bij een ontslag als hier aan de orde, een ontslagregeling worden getroffen. Deze moet met het oog op de omstandigheden redelijk zijn, met dien verstande dat betrokkene minimaal recht heeft op, kort gezegd, de aanspraak die bestaat bij niet verwijtbare werkloosheid. De rechtbank stelt vast dat een besluit tot het treffen van een ontslagregeling eerst is genomen op 29 april 2010. In aanmerking genomen dat dit besluit nog binnen de beroepstermijn van de beslissing op bezwaar van 6 april 2010 is genomen, is geen sprake van een afzonderlijk besluit, maar vormt dit samen met het bestreden besluit van 6 april 2010 de beslissing op bezwaar met betrekking tot het ontslagbesluit.

8.2. De door verweerder getroffen ontslagregeling betreft de minimumregeling als bedoeld in artikel 8:8 van de CAR/UWO. Verweerder heeft geen aanleiding gezien een ruimere regeling te treffen aangezien eiseres naar het oordeel van verweerder zelf heeft bijgedragen aan het ontstaan van de verstoorde verhoudingen en daarnaast onvoldoende heeft bijgedragen aan het voorkomen van een ontslag.

8.3. Eiseres heeft ter zake aangevoerd dat ook verweerder debet is aan de verstoorde verhoudingen en dat dit in de ontslagregeling tot uitdrukking dient te worden gebracht.

8.4. De rechtbank overweegt als volgt.

Het bepaalde in artikel 8:8 van de CAR/UWO strekt er toe dat in geval een arbeidsverhouding wordt beëindigd op deze - neutrale – grond, een passende regeling wordt getroffen die recht doet aan de omstandigheden van het geval. Bij de inhoud van de regeling moet rekening worden gehouden met de achtergrond van de verstoorde verhoudingen en de rol van partijen daarin. Door te kiezen voor de minimumregeling heeft verweerder kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat verweerder daarin geen rol heeft gespeeld.

Dit standpunt kan de rechtbank niet volgen. Op grond van de feiten moet immers worden vastgesteld dat in de van meet af aan bestaande fricties tussen eiseres en [naam1], [naam1] in het voortbestaan daarvan een rol van betekenis heeft gespeeld. Naar uit de uitspraak van de voorzieningenrechter blijkt, hebben [naam1], respectievelijk verweerder zich met betrekking tot de daar besproken incidenten (de ziekmeldingsprocedure, de pasfoto-plaatsing, het archiveren van de mindmappen en de houding van eiseres bij de zienswijzen-procedure) ten onrechte in verwijtende zin jegens eiseres uitgelaten. Daarbij komt dat zij in hun reactie onvoldoende professionele distantie hebben betracht, terwijl van de reacties van eiseres niet kan worden gezegd dat zij zich daarbij incorrect heeft uitgelaten. In zoverre is dan ook niet onbegrijpelijk dat eiseres de standpunten van [naam1] in de onderlinge controverses niet zonder meer als gezaghebbend heeft willen aanvaarden.

Ten onrechte heeft verweerder dus gemeend dat verweerder in het (voort)bestaan van de verstoorde verhoudingen geen aandeel heeft gehad. Dat betekent dat het besluit dat eiseres slechts aanspraak op de minimumregeling kan maken niet in stand kan blijven. Verweerder zal zich over de omvang van die regeling opnieuw dienen te beraden.

9. De rechtbank is op grond van hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat het besluit om eiseres op de subsidiaire grond ontslag te verlenen niet in stand kan blijven voor zover het de daaraan verbonden ontslagregeling betreft.

10. Bij deze uitkomst is er aanleiding verweerder in de proceskosten te veroordelen. Deze kosten heeft de rechtbank met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 2622,00 voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Hierbij heeft de rechtbank voor het indienen van de bezwaarschriften en de beroepschriften vier punten, voor het verschijnen ter hoorzitting en ter zitting één punt toegekend en het gewicht van de zaak aangemerkt als gemiddeld.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep tegen het beoordelingsbesluit van 6 april 2010 gegrond;

- vernietigt dit besluit en verstaat dat verweerder een nadere beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- verklaart het beroep tegen het ontslagbesluit van 6 april 2010 gegrond voor zover dat is gericht tegen de primaire ontslaggrond alsmede tegen de aan de subsidiaire ontslaggrond verbonden ontslagregeling;

- vernietigt het bestreden ontslagbesluit in zoverre;

- verstaat dat verweerder ter zake van de ontslagregeling een nadere beslissing op bezwaar neemt;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eiseres redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van € 2622,00;

- bepaalt dat de betaling van € 2622,00 dient te worden gedaan aan eiseres;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het griffierecht ten bedrage van € 300,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zijp, voorzitter, mr. B.H. Franke en mr. A.E. van Montfrans-Wolters, leden, in tegenwoordigheid van D.M.M. Luijckx, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25

augustus 2011 te Alkmaar.

griffier voorzitter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden – in elk geval de eisende partij – en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.