Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BR6113

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
25-08-2011
Datum publicatie
30-08-2011
Zaaknummer
10/868
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag op 'andere gronden', onvoldoende feitelijke grondslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 10/868 AW

Uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. R.C.M. Klatten,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 8 juli 2009 heeft verweerder aan eiseres onder toepassing van artikel 12.12, aanhef en onder b, van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) met ingang van 15 november 2009 ontslag verleend.

Bij brief van 11 november 2009 heeft verweerders directeur Servicehuis Personeel aan eiseres medegedeeld dat de datum van beëindiging van het dienstverband is gewijzigd naar 1 januari 2010.

Het tegen het besluit van 8 juli 2009 door eiseres gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 17 februari 2010 gegrond verklaard, in die zin dat het ontslag is gehandhaafd, maar dat per 1 januari 2010 aan eiseres een ontslaguitkering wordt gegarandeerd. Eiseres heeft tegen dit besluit (verder: het bestreden besluit) beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van 10 mei 2011. Eiseres – daartoe ambtshalve opgeroepen – is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder – daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen – is vertegenwoordigd door mr. N. Zwagerman, en [naam].

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de rechtbank de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

Bij brief van 29 juli 2011 heeft de rechtbank partijen bericht dat zij uiterlijk op 25 augustus 2011 uitspraak zal doen.

Overwegingen

1. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om aan eiseres op grond van artikel 12.12, aanhef en onder b, van de NRGA (‘op andere gronden’) met ingang van 1 januari 2010 ontslag te verlenen.

2.1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.2. Met ingang van 25 juli 2001 is eiseres bij het Gemeentelijk Grondbedrijf van de gemeente Amsterdam (thans: het Ontwikkelingsbedrijf Gemeente Amsterdam (OGA)) in tijdelijke dienst bij wijze van proef aangesteld in de functie van uitgever (latere functiebenaming: adviseur F). Met ingang van 1 augustus 2002 is eiseres in die functie in vaste dienst aangesteld.

2.3. In het verleden is eiseres vele malen kort- en lang(er)durend uitgevallen wegens depressiviteit, rug-, nek- en schouderklachten. Uit de gedingstukken blijkt dat er vanaf

25 juli 2001 tot 1 januari 2010 in totaal vijfendertig ziekmeldingen zijn geregistreerd en eiseres langer dan een maand geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geweest in de volgende perioden:

- 16 juli 2002 tot 2 juni 2003;

- 28 oktober 2005 tot 29 november 2005;

- 6 juni 2007 tot 28 augustus 2007;

- 28 januari 2008 tot 23 juni 2008 en

- vanaf 13 oktober 2008 tot 1 januari 2010 (datum uitdiensttreding).

2.4. In 2003 heeft verweerder eiseres ter preventie van uitval de mogelijkheid geboden om na een (op een conflictsituatie met een collega gevolgde) lange arbeidsongeschiktheidsperiode met ernstige depressieklachten de hulp in te roepen van een arbeidspsycholoog. Eiseres heeft van dit aanbod geen gebruik gemaakt omdat ze zelf geen aan verweerder gerelateerde hulpvraag had.

2.5. Op 6 juni 2007 is eiseres opnieuw met psychische klachten uitgevallen. In het door de bedrijfsarts opgestelde en door eiseres ondertekende Plan van aanpak WIA van 25 juli 2007 is vermeld dat werkhervatting in de eigen functie het einddoel van de re-integratie is. Met betrekking tot het probleemveld ‘arbeidsverhoudingen’ is aangegeven dat eiseres onvoldoende steun ervaart van haar leidinggevende mevrouw [naam] (hierna: leidinggevende). In dit plan is afgesproken dat eiseres met ingang van 17 juli 2007 haar werk voor een deel van de tijd zal hervatten en dat tweewekelijks de voortgang van de re-integratie tussen eiseres en haar leidinggevende in aanwezigheid van coach/psycholoog mevrouw [naam] (hierna: coach) zal worden besproken. Op 28 augustus 2007 is eiseres volledig hersteld gemeld.

2.6. In gesprekken tussen de leidinggevende en eiseres op 2 en 9 oktober 2007 is een coachingstraject met eiseres overeengekomen. Daarbij is gerefereerd aan één van de adviezen van een psychiater van het bureau VerzuimDiagnostiek, die eiseres op verzoek van de bedrijfsarts heeft onderzocht en in juli 2007 een rapport heeft uitgebracht. De insteek van de coach is om eiseres bewust te laten worden van haar houding en de invloed die daarvan uitgaat. Tijdens het gesprek op 9 oktober 2007 is door de leidinggevende aangegeven dat er in verband met de vereiste continuïteit geen project is waarop eiseres kan worden ingezet. De projectleider van het project Zuid-Oost heeft aangegeven eiseres niet als uitgever te willen inschakelen. Voorgesteld is dat eiseres een ontwikkelingsassessment gaat doen. Daaruit zou moeten blijken wat de sterke kanten van eiseres zijn, zodat zij een functie binnen OGA, de gemeente Amsterdam of in een andere gemeente kan zoeken, wellicht via het project “Transfer”. Eiseres heeft dit aanbod geaccepteerd. In de tussentijd zal eiseres losse klussen gaan doen. Verder heeft de leidinggevende aangeboden dat eiseres de opleiding Grondzaken die zij aan de Bestuursacademie volgt, onder werktijd zou kunnen afronden. Eiseres heeft dit aanbod afgeslagen. Later die dag heeft eiseres per e-mail aangegeven dat zij niet bij voorbaat instemt met een eventuele andere functie en het zogenoemde transferproces, omdat zij niet weet waar zij precies mee instemt. Zij geeft aan dat zij eerst wil weten wat de mogelijkheden zijn en hoe het proces in elkaar zit.

2.7. Op 18 oktober 2007 heeft de leidinggevende samen met mevrouw[naam], medewerkster van de afdeling Personeel & Organisatie van OGA (hierna: [medewerkster P&O]), op verzoek van eiseres uitleg gegeven over de werkwijze van het project “Transfer” van de gemeente Amsterdam en het ontwikkelingsassessement. Tijdens dit gesprek is een discussie ontstaan over de inzetbaarheid van eiseres, waarbij is gememoreerd dat er in het verleden mismatches zijn geweest tussen eiseres en een aantal projectleiders. Eiseres heeft aangegeven dat ze zich wil oriënteren op een beleidsfunctie. Tevens heeft zij aangegeven te willen solliciteren op een vacature bij het Havenbedrijf van de gemeente Amsterdam. [medewerkster P&O] heeft hierbij ondersteuning aangeboden.

2.8. In december 2007 heeft eiseres haar werk enige weken verzuimd wegens huidklachten. Op 17 december 2007 heeft eiseres een intakegesprek gehad voor een ontwikkelingsassessment. De adviseur die het intakegesprek met eiseres heeft gevoerd heeft op 19 december 2007 aan de leidinggevende medegedeeld het verstandiger te achten eerst het coachingstraject af te ronden alvorens een loopbaantraject bij hem te starten.

2.9. Op 15 januari 2008 heeft eiseres in een gesprek met haar leidinggevende en [medewerkster P&O] aangegeven haar twijfels te hebben over een assessement en heeft zij haar wantrouwen over de afdeling Personeel & Organisatie – als adviseur van de werkgever - geuit. Voorts heeft eiseres haar twijfels uitgesproken over de leidinggevende capaciteiten van haar leidinggevende en aangegeven dat de leidinggevende haar grootste stressfactor is. Eiseres heeft aangegeven het gevoel te hebben overbodig te zijn en alleen maar de rotklussen te krijgen. Op 16 januari 2008 heeft eiseres haar coach meegedeeld dat zij een kloof ervaart tussen haar visies/meningen/beleving over de toekomst en die van haar leidinggevende.

Op 28 januari 2008 is eiseres door haar echtgenoot ziekgemeld.

In de periode van 10 tot 19 februari 2008 is eiseres in het ziekenhuis opgenomen geweest wegens een psychose.

2.10. In een e-mail van 1 maart 2008 heeft de coach naar aanleiding van een gesprek met eiseres aan de leidinggevende meegedeeld dat er bij eiseres een hoge lijdensdruk is doordat zij naar haar mening onvoldoende helderheid heeft over de visie van de leidinggevende met betrekking tot haar functie en toekomstige positie binnen de afdeling. De coach heeft de leidinggevende geadviseerd deze duidelijkheid op korte termijn aan eiseres te verschaffen en zodoende de stress bij haar weg te nemen.

2.11. Tijdens een gesprek op 12 maart 2008 hebben de leidinggevende en eiseres afgesproken dat eiseres gedeeltelijk zal hervatten en zich er over uitgesproken om samen uit de problemen in de werkrelatie te komen, omdat dit van belang is voor het slagen van het re-integratieproces op de afdeling. De leidinggevende heeft eiseres daarbij meegedeeld dat de meeste dossiers die eiseres in behandeling had zijn ondergebracht bij collega-uitgevers en door hen worden afgehandeld. In een e-mail van 2 april 2008 heeft eiseres aan haar leidinggevende haar onvrede geuit over de definitieve overdracht van haar projecten.

2.12. In de beknopte Probleemanalyse van 21 april 2008 heeft de bedrijfsarts aangegeven dat de spanning die ontstaat in of gelieerd is aan het werk een bijdragende rol heeft gespeeld in het ontstaan van de medische klachten. Er zijn nog regelmatig ziekmeldingen, waarin het werk een rol speelt. Hervatting in de eigen functie is als einddoel van de re-integratie vermeld. De bedrijfsarts heeft, gelet op de onderlinge interactie, geadviseerd het traject met de leidinggevende over de onderlinge verhoudingen en het functioneren voort te zetten.

2.13. In een e-mail van 9 mei 2008 heeft eiseres ten behoeve van een gesprek op 13 mei 2008 met haar leidinggevende en coach een aantal door haar als stressvol ervaren situaties beschreven.

Per 23 juni 2008 is eiseres hersteld gemeld.

2.14. Op 30 juli 2008 is eisers uitgevallen wegens ziekte. Bij brief van 18 augustus 2008 is eiseres door het plaatsvervangend hoofd OGA erop gewezen dat zij ten onrechte geen gevolg heeft gegeven aan een oproep van de bedrijfsarts. Eiseres is per 19 augustus 2008 hersteld. Daarna volgde er een korte ziekteverzuimperiode van 15 tot 25 september 2008.

2.15. Bij brief van 9 oktober 2008 heeft de Adjunct-directeur OGA eiseres meegedeeld dat de bejegening van eiseres jegens de leidinggevende naar aanleiding van een uitnodiging voor een gesprek dusdanig respectloos was dat hij zich gedwongen ziet om maatregelen te treffen. De bedoeling van deze uitnodiging was om een mediationtraject te starten tussen eiseres en haar leidinggevende om het conflict te verzakelijken en tot een werkbare oplossing te komen. Gezien de reactie van eiseres acht hij dit niet meer zinvol. Deze bejegening, maar ook die bij eerdere gelegenheden, heeft hij aangemerkt als plichtsverzuim. Daarbij is eiseres uitgenodigd voor een verantwoordingsgesprek.

Vervolgens heeft eiseres zich op 13 oktober 2008 ziek gemeld.

2.16. In de Probleemanalyse WIA van 21 november 2008 heeft de bedrijfsarts als redenen van verzuim genoemd: “arbeidsonflict”, “ziekte” en “intra-persoonlijk”. De bedrijfsarts verwacht dat eiseres op middenlange termijn terug kan keren in arbeid. Of dit het eigen werk zal zijn is voor hem onduidelijk daar er een samenwerkingsprobleem is tussen eiseres en de leidinggevende. Tijdens een gesprek op 13 mei 2009, waarbij de Probleemanalyse aan de orde is geweest, heeft de Adjunct-directeur eiseres meegedeeld dat het OGA geen mogelijkheid ziet om haar te laten re-integreren binnen het bedrijf. Het voornemen is eiseres te ontslaan wegens onverenigbaarheid van karakters. Tussen eiseres en haar leidinggevende is in de loop van de tijd een situatie ontstaan die niet meer werkbaar en houdbaar is. Voorts is naar eiseres toe bereidheid getoond haar te ondersteunen bij re-integratie buiten het bedrijf.

2.17. Bij brief van 25 mei 2009 heeft de directeur OGA eiseres bericht voornemens te zijn haar ontslag te verlenen op grond van artikel 12.12, aanhef en onder b, van het NRGA.

In het voornemen is onder meer overwogen dat eiseres vanaf april 2007 veelvuldig arbeidsongeschikt is geweest en aan de hand van de door de arbo-arts gegeven adviezen een pad voor re-integratie is uitgestippeld. Binnen het werk van eiseres waren stressvolle situaties die er voor zorgden dat eiseres ziek werd. In juli 2007 is na een bespreking van het rapport van de externe psychiater in aanwezigheid van de arbo-arts, eiseres met haar echtgenoot en de leidinggevende met eiseres afgesproken dat er een psycholoog zou worden ingeschakeld om eiseres te coachen. Nadat in een kennismakingsgesprek met de psycholoog/coach door eiseres is aangegeven dat zij geen heil zag in een traject waarin alleen zij coaching ontvangt, is door de leidinggevende voorgesteld een aantal coachinggesprekken te voeren en vervolgens een aantal driegesprekken tussen eiseres, de coach en de leidinggevende. Op 10 september 2008 heeft de leidinggevende laten weten dat er geen verbetering in de samenwerking is ondanks alle inspanning. Eiseres heeft in dit gesprek aangegeven dat zij van mening is dat de leidinggevende onprofessioneel is, demotiverend en dat zij een leidinggevende wil die meer op afstand staat. Verweerder constateert dat er inzet is geweest om tot een verbetering van de samenwerking en tot een plezierige werkomgeving voor eiseres te komen, maar dat deze inzet na een periode van twee jaar niet heeft geleid tot het gewenste resultaat. Verweerder is daarom tot het voornemen gekomen om het dienstverband met eiseres te beëindigen.

2.18. Bij brief van 15 juni 2009 heeft eiseres op dit voornemen gereageerd. Eiseres heeft daarbij aangegeven dat zij vanaf april 2007 inderdaad herhaaldelijk ziek is geweest, voornamelijk vanwege de werkrelatie met haar leidinggevende. Eiseres wijst erop dat de adviezen die in het in 2007 over haar uitgebrachte rapport zijn opgenomen door verweerder niet zijn opgevolgd en verweerder evenmin actie heeft ondernomen naar aanleiding van de probleemanalyse van 24 april 2009. Eiseres verzoekt om mediation.

2.19. Vervolgens heeft verweerder het besluit van 8 juli 2009 genomen en eiseres met ingang van 15 juli 2009 ontslagen wegens onverenigbaarheid van karakters, waarbij een periode van vier maanden vanaf 15 juli 2009 zal worden aangemerkt als re-integratieperiode als bedoeld in artikel 30a.3 NRGA, zodat het dienstverband op 15 november 2009 eindigt. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat op het verzoek om mediation kan worden ingaan, mits de mediation gericht is op het op goede manier afscheid nemen van eiseres van de organisatie.

2.20. Tijdens de behandeling van het door eiseres op 18 augustus 2009 ingediende bezwaarschrift heeft verweerder de bedrijfsarts verzocht ten behoeve van het opstellen van een re-integratieplan de belastbaarheid van eiseres vast te stellen. Bij brief van 11 november 2009 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat de datum van beëindiging van het dienstverband is gewijzigd naar 1 januari 2010 omdat er reeds enige tijd verstreken is tussen de ontslagaanzegging en het moment dat het re-integratieplan kan worden ingevuld.

2.21. Op basis van de door de bedrijfsarts vastgestelde belastbaarheid is een arbeidsdeskundig onderzoek ingesteld door de registerarbeidsdeskundige drs. P.H.A.L. Jongeneelen. In het concept-rapport van november 2009 van deze arbeidsdeskundige is vermeld dat eiseres volgens de verwoording van de bedrijfsarts beperkingen in de belastbaarheid heeft en volgens die verwoording niet volledig functiegeschikt is voor het eigen werk van Adviseur F. Uit zijn gesprek met eiseres is de arbeidsdeskundige gebleken dat eiseres zich niet in bepaalde beperkingen zoals door de bedrijfsarts verwoord herkent. Zij acht zichzelf volledig belastbaar voor haar functie en zou zelfs met onmiddellijke ingang het werk kunnen hervatten. Aangezien er geen consensus bestaat over de beperkingen is het volgens de arbeidsdeskundige niet mogelijk de vraag te beantwoorden wat de belastbaarheid is voor de eigen functie Adviseur F.

Op 22 december 2009 heeft de bedrijfsarts zijn medische bevindingen met betrekking tot eiseres aan verweerder teruggekoppeld. Hij heeft aan verweerder gemeld dat eiseres inzetbaar is voor arbeid mits rekening wordt gehouden met haar beperkingen. Voorts heeft hij gemeld dat als partijen tot een passende oplossing kunnen komen met betrekking tot de arbeid eiseres kan starten in passende arbeid, geleidelijk aan uit te breiden naar 32 uur per week.

3. Aan het bestreden besluit ligt het advies van de bezwaarschriftencommissie (hierna: de commissie) van 4 februari 2011 ten grondslag.

De commissie heeft uit de probleemanalyse van 4 juni 2007 en de gespreksverslagen tussen eiseres en haar leidinggevende afgeleid dat eiseres zich steeds verder heeft ingegraven in het conflict met haar leidinggevende en dat zij er in de loop van de gesprekken blijk van heeft gegeven niet (meer) in staat te zijn om op een open en constructieve wijze tot een oplossing te komen. Dit laatste is de commissie tevens gebleken uit hetgeen tijdens de hoorzitting naar voren is gekomen.

Volgens de commissie is niet gebleken dat de houding van de leidinggevende enige aantoonbare aanleiding heeft gegeven tot verstoring van de relatie, dan wel de negatieve spiraal hiervan.

Dat er geen beoordelings-/functioneringsgesprekken hebben plaatsgevonden doet hier naar de mening van de commissie niet aan af. Uit de stukken is gebleken dat eiseres vanaf haar indiensttreding jaarlijks een aantal malen geheel dan wel gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geweest, zodat het voeren van dergelijke gesprekken in het gedrang is gekomen. Bovendien gaat het om de vraag of verweerder voldoende heeft gedaan om de verstoorde arbeidsrelatie te herstellen.

Volgens de commissie is niet gebleken van evidente herplaatsingsmogelijkheden. De commissie heeft uit de stukken afgeleid dat het steeds de wens van eiseres is geweest om terug te willen keren naar haar eigen werkplek en dat zij niet heeft opengestaan of zich actief heeft opgesteld voor een andere functie dan haar eigen werkplek.

De commissie heeft geconstateerd dat eiseres het aanbod voor mediation heeft geweigerd.

De commissie heeft geconcludeerd dat de ontslaggrond voldoende feitelijk is onderbouwd en dat al het mogelijke is gedaan om het ontslag af te wenden. Verweerder heeft dan ook op goede gronden gebruik kunnen maken van de bevoegdheid om tot ontslag op deze grond over te gaan.

De commissie heeft geadviseerd het bezwaar van eiseres gegrond te verklaren, het besluit van 8 juli 2009 aan te passen in de zin dat aan eiseres vanaf datum ontslag een ontslaguitkering wordt gegarandeerd.

4. Eiseres heeft aangevoerd dat noch in het ontslagbesluit, noch in de begeleidende brief van 8 juli 2009 een motivering is gegeven voor het ontslag. De gestelde verstoring van de verhoudingen is onvoldoende feitelijk onderbouwd en ook ontbreekt een objectivering van de verstoorde arbeidsverhoudingen. Dat de werkrelatie tussen haar en haar leidinggevende niet optimaal was, kan volgens eiseres niet leiden tot een ontslag wegens onverenigbaarheid van karakters omdat de niet optimale werkrelatie aan haar leidinggevende is te wijten. Eiseres heeft er alles aan gedaan om de werkrelatie zo goed mogelijk te laten zijn. Het voorkomen van een slechte werkrelatie was door het karakter, dan wel de onwil van de leidinggevende echter onmogelijk. Eiseres heeft hier zeer onder geleden. Daar komt bij dat zij lijdt aan een ziekte die zich manifesteert als zij langdurig veel spanning ervaart. De oorzaak van het herhaaldelijk ziek zijn vanaf april 2007 is gelegen in de slechte werkrelatie. De leidinggevende is verder inzake de re-integratie van eiseres nalatig geweest. Geen van de adviezen van de arts van VerzuimDiagnostiek is opgevolgd. Ook naar aanleiding van de probleemanalyse van 24 april 2009 (lees: 21 november 2008) is geen actie ondernomen.

Verder is verweerder niet ingegaan op haar verzoek om mediation. Pas na de hoorzitting was verweerder bereid een mediationtraject te starten, echter wel op voorwaarde dat een herstel van het dienstverband niet tot de mogelijkheden behoorde. Deze mediation heeft niets opgeleverd. Het coachingstraject heeft niet geleid tot resultaat, omdat de leidinggevende niet coöperatief was. De leidinggevende heeft dit traject zonder opgaaf van redenen halverwege afgebroken toen de problemen tussen eiseres en de leidinggevende nog niet waren besproken.

Volgens eiseres heeft verweerder dan ook onvoldoende inspanning verricht om de verhouding tussen haar en haar leidinggevende te verbeteren en daarmee het ontslag te voorkomen. Dit kan haar leidinggevende volledig worden verweten. Daarbij heeft eiseres opgemerkt dat de laatste paar jaar, ondanks het herhaalde verzoek van eiseres, geen functionerings- en beoordelingsgesprekken hebben plaatsgevonden. Volgens eiseres heeft verweerder niet aangetoond dat de verstoorde arbeidsverhouding in redelijkheid niet meer kan worden hersteld en dat die zodanig is dat een normale werkrelatie niet meer mogelijk is.

Verweerder heeft nagelaten te motiveren waarom van beiden juist eiseres en niet haar leidinggevende dient te worden ontslagen.

Verweerder heeft ten onrechte niet naar een alternatief gezocht om het ontslag te vermijden. Er heeft geen herplaatsingsonderzoek plaatsgevonden, terwijl dit wel verplicht is. Verweerder heeft geen poging ondernomen om passend werk voor eiseres te vinden. In een grote gemeente als de gemeente Amsterdam moet dit werk voorhanden zijn. Eiseres was in staat en bereid om een andere functie te aanvaarden. Ook heeft verweerder zeer eenzijdig gehandeld, zonder eiseres erbij te betrekken.

5.1. Ingevolge artikel 12.12 van de NRGA kan de ambtenaar geheel of gedeeltelijk worden ontslagen als:

a. hij ongeschikt of onbekwaam is voor de verdere vervulling van zijn functie, anders dan door ziekte of gebreken;

b. om een andere reden dan onder a het belang van de gemeente dringend eist dat hij zijn functie op een andere wijze vervult, of

c. hij niet voldoet aan de bij of krachtens wet gestelde voorwaarden voor de vervulling van zijn functie of voor verblijf en het verrichten van arbeid in Nederland.

5.2. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de door verweerder in dit geval gehanteerde bepaling uit het NRGA, te weten artikel 12.12, aanhef en onder b, de grondslag voor een ontslag op zogenoemde “andere gronden”, en kan worden toegepast bij onverenigbaarheid van karakters, onherstelbaar verstoorde verhoudingen en in andere uitzichtloze situaties.

5.3. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moet in de eerste plaats de vraag worden beantwoord of het standpunt van verweerder op voldoende feitelijke grondslag berust, zodat kan worden geconcludeerd dat de bevoegdheid bestond om tot ontslagverlening op andere gronden over te gaan. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of gezegd moet worden dat verweerder in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen (onder meer: CRvB 23 juli 2009, LJN: BJ4376).

5.4. Niet in geschil is dat een bij eiseres bestaande chronische psychische ziekte ten grondslag heeft gelegen aan diverse periodes van langdurig verzuim. Uit het plan van aanpak WIA van 25 juli 2007, en de probleemanalyses van 21 april 2008 en 21 november 2008 blijkt dat de re-integratie na de laatste drie onder 2.3. vermelde arbeidsongeschiktheidsperiodes wordt belemmerd door een steeds verder verstoord rakende verhouding van eiseres met de leidinggevende. Deze verstoorde verhouding heeft op zichzelf een negatieve invloed op de bestaande ziekte. Aangezien uit deze stukken blijkt dat de re-integratie steeds is gericht op werkhervatting in de eigen functie moet worden geconcludeerd dat niet wordt getwijfeld aan de medische geschiktheid van eiseres voor haar functie. Uit een vóór de effectuering van het ontslag ingesteld onderzoek naar de belastbaarheid van eiseres zou daarentegen zijn gebleken van beperkingen die eiseres mogelijk ongeschikt maken voor haar eigen functie.

5.5. Nadat eiseres op 28 augustus 2007 weer is hersteld gemeld, is eiseres door de leidinggevende niet in staat gesteld haar eigen werkzaamheden te hervatten. Er zou in verband met de vereiste continuïteit en gebleken samenwerkingsproblemen geen project zijn waarop eiseres kan worden ingezet. De rechtbank leidt hieruit af dat eiseres door de leidinggevende in feite onbekwaam of ongeschikt wordt geacht tot het verrichtten van haar functie. Er hebben echter geen functionerings- of beoordelingsgesprekken met eiseres plaatsgevonden. Eiseres is daardoor niet in de gelegenheid gesteld om haar standpunt via de daartoe geëigende weg kenbaar te maken en desgewenst gebruik te maken van de uit haar rechtspositie voorvloeiende middelen om een dergelijk ongeschiktheidsoordeel te laten toetsen. Uit deze gang van zaken kan naar het oordeel van de rechtbank de ambivalente opstelling van eiseres in het vervolgens door de leidinggevende ingezette traject worden verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres niet worden tegengeworpen dat het steeds haar wens is geweest om terug te willen keren naar haar eigen werkplek en dat zij niet heeft opengestaan of zich actief heeft opgesteld voor een andere functie dan haar eigen werkplek. De rechtbank acht dan ook begrijpelijk dat eiseres niet meer wist waar zij ten aanzien van het coachingstraject en de driegesprekken aan toe was. Eiseres ging er vanuit en mocht er van uitgaan dat deze middelen werden ingezet in het kader van de re-integratie gericht op terugkeer in haar eigen functie, maar de opstelling van de leidinggevende lijkt echter veeleer te worden ingegeven door haar streven voor eiseres een andere functie bij een ander dienstonderdeel of andere werkgever te vinden.

Naar het oordeel van de rechtbank lag het op de weg van verweerder zijn kennelijke standpunt dat eiseres onbekwaam of ongeschikt is voor haar functie volgens de daarvoor in de rechtspositionele regelingen vastgelegde weg aan eiseres kenbaar te maken en lag het gelet op het veelvuldige ziekteverzuim en het eerdere aanbod van verweerder om een arbeidspsycholoog voor eiseres in te schakelen ter preventie van uitval wegens psychische klachten voorts op de weg van verweerder te onderzoeken of een mogelijke onbekwaamheid of ongeschiktheid op een ziekte of gebrek is terug te voeren. Nu verweerder deze stappen niet aan het nemen van het thans voorliggende ontslagbesluit heeft vooraf doen gaan, is de rechtbank van oordeel dat verweerder (nog) niet tot dit ontslag op de b-grond van artikel 12.12. heeft kunnen besluiten.

5.6. Gelet op het voorgaande vindt een ontslag wegens onverenigbaarheid van karakters onvoldoende grondslag in de feiten. Verweerder was daarom niet bevoegd eiseres te ontslaan op grond van artikel 12.12, aanhef en onder b, van de NRGA. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd.

6. Bij deze beslissing is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres voor de behandeling van haar beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft de rechtbank de kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874. Hierbij heeft de rechtbank zowel voor het opstellen van het beroepschrift als voor het verschijnen ter zitting één punt toegekend en het gewicht van de zaak aangemerkt als gemiddeld.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar beslist met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het griffierecht ten bedrage van € 41 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eiseres redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van € 874;

- bepaalt dat de betaling van € 874 dient te worden gedaan aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. C.M. van Wechem, voorzitter, mr. B.H. Franke en mr. L.N. Nijhuis, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Bankert, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2011 te Alkmaar.

griffier voorzitter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden – in elk geval de eisende partij – en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.