Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BR5749

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
13-06-2011
Datum publicatie
24-08-2011
Zaaknummer
14-811006-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opleggen PIJ-maatregel in verband met afpersing in vereniging en verboden wapenbezit. Verwerping verweer onrechtmatig verkregen bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer : 14.811006.11 (P)

Datum uitspraak : 13 juli 2011

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te Den Helder op [geboortedatum]

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [woonadres] Heerhugowaard,

thans gedetineerd in de Justitiële Jeugdinrichting Amsterbaken te Amsterdam.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 juni 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte, mr. E.F.E. Hoekstra, advocaat te Heerhugowaard, en door verdachte naar voren is gebracht. De rechtbank heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de getuigen [getuige 1], raadsonderzoeker Raad voor de Kinderbescherming en door T. Dieleman, jeugdreclasseerder, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is, middels een vordering ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 28 januari 2011 in de gemeente Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A. met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van een tas geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of

B. met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft/hebben weggenomen een tas geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk ad A. en/of ad B. genoemd geweld en/of welke daar genoemde bedreiging met

geweld hierin bestond(en) dat:

verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 1] met haar fiets ten val heeft/hebben gebracht en/of (vervolgens) aan haar tas heeft/hebben getrokken en/of haar (daarbij) heeft/hebben toegevoegd: "Ik wil geld" althans woorden van soortgelijke strekking en/of haar een pistool, althans een op een pistool gelijkend voorwerp, dreigend op het gezicht heeft/hebben gericht;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 januari 2011 tot en met 28 januari 2011 te Obdam, gemeente Koggenland en/of in de gemeente Alkmaar, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, te weten een gaspistool (merk Walther, model PP, kaliber 9 milimeter P.A.K.) en/of een onderdeel van een wapen van categorie III, te weten een patroonmagazijn en/of munitie van categorie III,te weten 2 stuks scherpe losse flodders (pepergas, merk Wadie) en/of 1 stuks afgevuurde losse flodder (pepergas, merk Wadie) en/of 1 stuks scherpe losse flodder (pepergas, merk Wadie) en/of 2 stuks scherpe losse

flodders (merk S&B), voorhanden heeft/hebben gehad;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

In de vroege ochtend van 28 januari 2011 wordt de aangeefster [slachtoffer 1] door twee personen op straat beroofd van haar handtas, waarbij zij wordt bedreigd met een wapen. Diezelfde dag om ongeveer 19.00 uur wordt de verdachte door de politie aangetroffen in een auto. In de auto worden bij nader onderzoek onder meer het paspoort van aangeefster [slachtoffer 1], een vuurwapen en munitie aangetroffen. Bij de insluitingsfouillering van verdachte wordt een bankpas van aangeefster [slachtoffer 1] gevonden. Verdachte heeft op de terechtzitting en tegenover de politie bekend dat hij op 27 januari 2011 samen met anderen betrokken is geweest bij een poging tot overval op een juwelier in Obdam. Hierbij was één van zijn mededaders in het bezit van een vuurwapen. In de directe omgeving van de juwelier in Obdam is een patroonhouder en munitie voor een vuurwapen aangetroffen.

De rechtbank dient te beoordelen of verdachte samen met een ander betrokken is geweest bij de beroving van mevrouw [slachtoffer 1]. Daarnaast dient de rechtbank te beoordelen of verdachte al dan niet samen met anderen een vuurwapen, munitie en onderdelen van dat vuurwapen voorhanden heeft gehad.

B. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat beide aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

C. Standpunt van de verdachte/de verdediging

De raadsvrouw stelt zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde. De raadsvrouw stelt dat de eerste aanhouding van verdachte op 28 januari 2011 onrechtmatig is geweest, immers er was door de officier van justitie een bevel tot aanhouding buiten heterdaad afgegeven voor de bestuurder/kentekenhouder van de [auto 1] met het kenteken [kenteken 1], te weten medeverdachte [medeverdachte 1], en niet voor de inzittenden, waaronder verdachte. De onrechtmatige aanhouding heeft er toe heeft geleid dat verdachte is meegenomen naar het politiebureau alwaar hij werd gefouilleerd. De raadsvrouw is van mening dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering omdat de insluitingsfouillering rechtstreeks voortvloeit uit de onrechtmatige aanhouding. De tijdens die fouillering aangetroffen bankpas en Blackberry telefoon dienen te worden uitgesloten voor het bewijs.

De raadsvrouw stelt zich voorts op het standpunt dat de aangeefster [slachtoffer 1] kennelijk onder invloed van alcoholische drank en medicijnen aangifte heeft gedaan en een zeer summier signalement heeft gegeven van de daders.

De raadsvrouw stelt zich ten slotte op het standpunt dat de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] als ongeloofwaardig en onbetrouwbaar terzijde moeten worden geschoven.

De raadsvrouw bepleit vrijspraak ten aanzien van feit 2 omdat niet kan worden vastgesteld dat het wapen dat is aangetroffen in de auto van medeverdachte [medeverdachte 1], hetzelfde wapen betreft dat is gebruikt bij de poging tot overval van de juwelier in Obdam op 27 april 2011. De raadsvrouw voert aan dat uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] blijkt dat [medeverdachte 1] het vuurwapen in de zak van zijn bodywarmer had zitten vóór de poging tot overval op de juwelier in Obdam en dat hij het tijdens deze poging in zijn handen had. De raadsvrouw stelt dat verdachte op dat moment niet kon beschikken over dat vuurwapen. De verdachte heeft zich in de juwelierszaak omgedraaid en is weer naar buiten gelopen en hij heeft niet kunnen zien wat [medeverdachte 1] op dat moment met het vuurwapen heeft gedaan.

De raadsvrouw is van mening dat ten aanzien van de patroonhouder en de daarin aangetroffen patronen, die door de politie is aangetroffen in de [straat 1] te Obdam, eveneens niet kan worden gezegd dat verdachte hier de beschikking over heeft gehad. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij het wapen in de zak van zijn bodywarmer had zitten en dat hij het wapen, en wellicht de patroonhouder, in zijn hand had in de juwelierszaak.

De raadsvrouw stelt zich ten slotte op het standpunt dat het op 28 januari 2011 in de auto van medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen wapen en de bijbehorende munitie dusdanig waren opgeborgen dat verdachte zich niet bewust was van de aanwezigheid van dat wapen en die munitie, laat staan dat hij hierover kon beschikken.

D. Oordeel van de rechtbank

Het onrechtmatig bewijsverweer

Verdachte werd op 28 januari 2011 op de [straat 2] te Alkmaar door de politie aangehouden op verdenking van een poging tot afpersing dan wel een poging tot diefstal met geweld. In het nog op dezelfde dag gegeven bevel tot inverzekeringstelling is opgenomen dat het ging om een op 27 januari 2011 te Obdam gepleegd feit.

Verdachte bevond zich met twee andere personen in een auto, die rijdend werd aangetroffen op de hiervoor genoemde [straat 2] en welk voertuig mogelijk betrokken was bij de poging tot het plegen van de overval in Obdam.

In een proces-verbaal van bevindingen (dossier pag. 38) is gerelateerd dat de officier van justitie toestemming had gegeven tot de aanhouding buiten heterdaad van de bestuurder/kentekenhouder van de auto in kwestie.

Omdat de door de officier van justitie gegeven toestemming geen betrekking had op verdachte, werd op 29 januari 2011 omstreeks 13.15 uur diens invrijheidsstelling gelast.

Bij de insluiting van verdachte op 28 januari 2011 had reeds een fouillering plaatsgevonden, waarbij in zijn broekzak een bankpas werd aangetroffen ten name van [slachtoffer 1].

Op 29 januari 2011 te 14.34 uur werd verdachte wederom aangehouden, deze keer wel op bevel van de officier van justitie. Uit de gang van zaken, zoals hiervoor weergegeven, volgt dat er weliswaar sprake is geweest van een vormverzuim omdat de eerste aanhouding van verdachte niet rechtmatig was, maar stelt de rechtbank ook vast dat dit verzuim is begaan in het voorbereidend onderzoek in zake de poging tot een overval in Obdam, waarvoor verdachte uiteindelijk niet is vervolgd, dus op een ander dan het aan de verdachte ten laste gelegde feit.

De Hoge Raad heeft in het arrest van 30 maart 2004 (NJ 2004,376) een aantal algemene regels geformuleerd voor de toepassing van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en in dat kader onder meer overwogen dat het in dat wetsartikel bedoelde “voorbereidend onderzoek” uitsluitend betrekking heeft op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake het aan hem ten laste gelegde feit, waarover de rechter heeft te oordelen. In de onderhavige zaak noopt het vormverzuim dan ook niet tot de conclusie dat het feit, dat in de kleding van verdachte de op naam van [slachtoffer 1] gestelde bankpas is aangetroffen, niet voor het bewijs zou mogen worden gebruikt.

De rechtbank heeft bij het voorgaande in aanmerking genomen, dat door de verdediging niet is aangevoerd en ook overigens niets erop wijst, dat de eerste aanhouding van verdachte met een doelbewuste schending van de vormvoorschriften of op oneigenlijke gronden heeft plaatsgevonden.

De rechtbank heeft het aantreffen van de bankpas van [slachtoffer 1] wel tot het bewijs laten meewerken in die zin dat verdachte geen enkele (aannemelijke) verklaring heeft gegeven hoe deze bankpas in zijn bezit is gekomen.

Op grond van het vorenstaande verwerpt de rechtbank het verweer.

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van beide feiten.

Op 27 januari 2011 doet [slachtoffer 2] aangifte van een poging tot overval op zijn juwelierszaak aan de [straat 1] 1 in Obdam, gepleegd op diezelfde dag om 17.22 uur. Aangever bevond zich op dat moment in de kantoorruimte van zijn winkel en zag op de camerabeelden dat er drie mannen zijn zaak in kwamen van wie hij de gezichten niet goed kon zien. Op het moment dat aangever zijn winkel inloopt ziet hij dat de mannen zijn zaak alweer hebben verlaten. Bij nadere bestudering van de camerabeelden ziet de aangever dat één van de mannen een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn handen heeft .

Op 27 januari 2011 omstreeks 17.35, uur arriveren de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ter plaatse. Door verbalisant [verbalisant 3] wordt ter hoogte van de [adres 2] in Obdam een patroonhouder op straat aangetroffen. Verbalisant zag dat er in deze patroonhouder 2 à 3 patronen zaten .

Verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] maken een zoekslag in de direkte omgeving van de juwelier. waarbij zij worden aangesproken door een getuige, [getuige 2]. Die vertelt dat hij een [auto 1] heeft gezien, met het kenteken [kenteken 1], naast de gymzaal aan de [straat 3] in Obdam. Hij zag dat er één persoon achter het stuur zat en dat drie andere personen deze auto aan het aanduwden .

Op 28 januari 2011 heeft aangeefster [slachtoffer 1] aangifte gedaan van de gewelddadige beroving van haar tas in de vroege ochtend van 28 januari 2011 op de [straat 4] in Alkmaar. De aangeefster heeft verklaard dat zij door twee lichtgetinte Antillianen van ongeveer 20 jaar oud van haar fiets werd geduwd. De langste van deze twee daders trok aan haar tas, welke zij vast bleef houden. De kleinere Antilliaanse jongen kwam op zijn knieën naast haar zitten en richtte een pistool op haar. Op het moment dat de aangeefster het pistool zag, heeft zij haar tas losgelaten en zijn de daders met de tas weggerend .

Op 28 januari 2011 ca. 18.58 uur, zien verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] op de [straat 5] in Alkmaar een [auto 1] rijden, met het kenteken [kenteken 1], waarvan bekend is dat deze betrokken was bij een poging tot gewapende overval op een juwelier in Obdam op 27 januari 2011. De officier van justitie had toestemming gegeven de bestuurder ervan buiten heterdaad aan te houden. De verbalisanten hebben de inzittenden van de auto middels een zogenaamde autoprocedure aangehouden op de [straat 2] in Alkmaar .

De verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] zijn ter assistentie van hun collega’s [verbalisant 6] en [verbalisant 7] ter plaatse gekomen en hebben hierna de verdachte overgebracht naar het politiebureau in Alkmaar. Verbalisant [verbalisant 10] heeft de verdachte op het politiebureau onderworpen aan een insluitingsfouillering. Hierbij werd in de rechter broekzak van de verdachte een bankpas aangetroffen op naam van [slachtoffer 1] .

De [auto 1], waarin de verdachten zich bevonden, is in beslag genomen en doorzocht. Hierbij is onder meer een vuurwapen, Walther PPK 9 mm alsmede een doosje met drie gaspatronen aangetroffen en in het handschoenenkastje een paspoort op naam van [slachtoffer 1] .

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft tijdens zijn eerste verhoor bekend dat hij betrokken is geweest bij de poging tot overval op de juwelierszaak aan de [straat 1] in Obdam op 27 januari 2011, waarbij hij een luchtdrukpistool voorhanden had. Op de vraag hoe hij daar aan kwam heeft [medeverdachte 1] verklaard dat [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) dat pistool bij zich had .

De verbalisant [verbalisant 11] heeft een onderzoek ingesteld naar het in de auto van medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen vuurwapen en het doosje met patronen alsmede naar de patroonhouder met patronen, zoals aangetroffen in Obdam. Hij heeft geconstateerd dat het vuurwapen een wapen is in de zin van de Wet wapens en munitie en dat de aangetroffen munitie, munitie is in de zin van de Wet wapen en munitie. Het betreft 2 scherpe losse flodders (peppergas) merk Wadie, 1 afgevuurde losse flodder (peppergas) merk Wadie, 1 scherpe losse flodder (peppergas) merk Wadie en 2 scherpe losse flodders, merk S&B. Voorts heeft de verbalisant gerelateerd dat de in Obdam aangetroffen patroonhouder normaal kon worden ingebracht in het in de auto van medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen vuurwapen en dat de patroonhouder mogelijk bij het pistool hoort. Verder relateert hij dat de onderzijde van de in Obdam aangetroffen patroonhouder precies gelijk is aan een echte patroonhouder behorende bij een pistool, merk Walther PPK .

In zijn tweede verklaring heeft medeverdachte [medeverdachte 1] aangegeven dat hij na de poging tot overval in Obdam met [persoon 1], [verdachte] en [persoon 2] is teruggereden naar Alkmaar en dat zij daar wat hebben rondgehangen. Hierna hebben zij [persoon 2] naar Amsterdam gebracht en vervolgens is hij samen met [persoon 1] en [verdachte] gaan rondrijden in het centrum van Alkmaar. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [persoon 1] en [verdachte] op een gegeven moment bij het hoerenstraatje bij het bruggetje uit de auto zijn gestapt. Na ongeveer 10 minuten kwam [verdachte] teruglopen met een onbekende vriend. [medeverdachte 1] verklaart dat het flink veel later kan zijn geweest dan 24.00 uur (de rechtbank begrijpt 00.00 uur) dat [verdachte] met die vriend terug kwam lopen. Volgens [medeverdachte 1] had [verdachte] op dat moment een zwarte handtas in zijn handen met twee hengsels. In zijn derde verklaring heeft hij verklaard dat die tas mogelijk van plastic kan zijn gemaakt .

Voorts heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij die vrijdag naar Heerhugowaard is geweest en dat hij daar bij een BP tankstation een band van zijn auto heeft opgepompt. Tijdens het oppompen van de band zou [verdachte] ook even buiten de auto zijn geweest en hij had toen gezien dat [verdachte] ging plassen bij een parkeerplek.

Verbalisanten confronteren [medeverdachte 1] met het feit dat in zijn auto een wapen is aangetroffen. [medeverdachte 1] heeft toegegeven dat hij wist dat er een wapen in zijn auto lag in een soort opbergbak onder de bijrijdersstoel en dat [verdachte] hiermee was gekomen.

Op vrijdagmorgen 28 januari 2011 omstreeks 08.45 uur heeft een gemeentewerker in een groenstrook tussen het BP tankstation en het gemeentehuis in Heerhugowaard een tas aangetroffen en deze naar de politie gebracht. Verbalisant [verbalisant 12] heeft deze tas nader onderzocht. Zij heeft geconstateerd dat het een zwarte lak neplederen tas betrof met twee handvatten, waarvan er één kapot was. In de tas heeft zij een portemonnee aangetroffen met daarin onder meer een Rabobankpasje op naam van [slachtoffer 1] .

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 28 januari 2011 schuldig heeft gemaakt aan afpersing en in de periode van 27 januari 2011 tot en met 28 januari 2011 aan verboden wapenbezit.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 28 januari 2011 in de gemeente Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een tas toebehorende aan die [slachtoffer 1],

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededader die [slachtoffer 1] met haar fiets ten val hebben gebracht en vervolgens aan haar tas hebben getrokken en haar daarbij hebben toegevoegd: "Ik wil geld" en haar een pistool dreigend op het gezicht hebben gericht;

2.

hij in de periode van 27 januari 2011 tot en met 28 januari 2011 te Obdam, gemeente Koggenland en in de gemeente Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een wapen van categorie III, te weten een gaspistool (merk Walther, model PP, kaliber 9 millimeter P.A.K.) en een onderdeel van een wapen van categorie III, te weten een patroonmagazijn en munitie van categorie III,te weten 2 stuks scherpe losse flodders (pepergas, merk Wadie) en 1 stuks afgevuurde losse flodder (pepergas, merk Wadie) en 1 stuks scherpe losse flodder (pepergas, merk Wadie) en 2 stuks scherpe losse

flodders (merk S&B), voorhanden heeft gehad.

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1:

Afpersing, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd op de openbare weg, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Feit 2:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Uit de rapportage van de psychiater mevr. drs. L.F.D.M. Koens en de psycholoog S.A. Moonen kan geen conclusie getrokken worden met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich, gelet op de rapportage van mevr. drs. L.F.D.M. Koens, kinder- en jeugdpsychiater in opleiding onder supervisie van psychiater dhr. Prof. Dr. T.A.H. Doreleijers, kinder- en jeugdspsychiater en de rapportage van S.A. Moonen, GZ-psycholoog, alsmede gelet op het strafblad van verdachte, op het standpunt dat een gesloten behandeling in een streng juridisch kader noodzakelijk is om de kans op herhaling in algemene zin te beperken en om een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte te kunnen bevorderen.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het advies van de psychiater en de psycholoog gevolgd moet worden en vordert dat aan de verdachte de maatregel tot Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) voor de duur van twee jaar zal worden opgelegd.

Standpunt van de verdediging/verdachte

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten zodat de vordering tot het opleggen van de PIJ-maatregel dient te worden afgewezen. Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat overtreding van de Wet wapens en munitie onvoldoende ernstig is voor het opleggen van de PIJ maatregel en dat, bij een bewezenverklaring van de feiten, aan de verdachte naast een werkstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf opgelegd dient te worden die gelijk is aan de duur van het voorarrest.

De verdachte heeft verklaard dat hij de PIJ-maatregel niet opgelegd wil krijgen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

Bij de bepaling van de duur en de vorm van de maatregel heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met een ander, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd op de openbare weg schuldig gemaakt aan de beroving van een volstrekt willekeurig slachtoffer. Verdachte heeft met zijn mededader de aangeefster van haar fiets gegooid en heeft haar, onder dreiging van een vuurwapen, gedwongen haar handtas met inhoud af te staan. Door dergelijke feiten worden niet alleen pijn, letsel en schade bij de slachtoffers daarvan veroorzaakt, maar worden ook gevoelens van onrust en onveiligheid bij de slachtoffers in het bijzonder en in de maatschappij in het algemeen aangewakkerd.

Uit een toelichting bij het voegingsformulier en uit de toelichting van de benadeelde partij op het voegingsformulier op de terechtzitting is gebleken dat het slachtoffer [slachtoffer 1] nog steeds te kampen heeft met de psychische gevolgen van hetgeen haar op 28 januari 2011 is overkomen.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 7 april 2011, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder, onder meer ter zake vermogensdelicten, is veroordeeld. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie blijkt bovendien dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten nog maar kort in een proeftijd liep van een veroordeling van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank waarbij verdachte terzake het plegen van vijf diefstallen/inbraken was veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk. Deze voorwaardelijke veroordeling heeft hem er kennelijk niet van weerhouden te recidiveren.

- het over de verdachte uitgebrachte rapport, gedateerd 30 mei 2011, opgemaakt door S.A. Moonen, GZ-psycholoog;

- het over de verdachte uitgebrachte rapport, gedateerd 15 juni 2011, opgemaakt door mevr. drs. L.F.D.M. Koens, kinder- en jeugdpsychiater in opleiding, onder supervisie van dhr. Prof. Dr. T.A.H. Doreleijers, kinder- en jeugdpsychiater;

- het over de verdachte uitgebrachte rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, gedateerd 24 juni 2011.

In voornoemde rapportages wordt door de deskundigen de conclusie getrokken dat er sprake is van een zorgwekkende situatie met betrekking tot de verdachte. Er is sprake van een gebrek aan berouw, omgang met criminele jongeren, problematisch middelengebruik, gebrek aan planning, probleembesef en lijdensdruk. Deze aspecten zullen in het algemeen niet gunstig inwerken op de recidivekans.

Door de deskundigen wordt geadviseerd om verdachte gesloten te behandelen in een streng juridisch kader om de kans op herhaling in algemene zin te beperken en om een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte te bevorderen. Er zijn tot heden vele vormen van hulpverlening en begeleiding ingezet, echter zonder positief resultaat. Daarom wordt een onvoorwaardelijke maatregel PIJ als ultimum remedium thans nog als enige optie beschouwd om tot een gedragsverandering te kunnen komen. Deze maatregel beoogt als doel op een meer realistische wijze in het leven te komen staan met gepast gevoel voor normen en waarden. De PIJ-periode moet zoveel mogelijk worden gebruikt om verdachte bij te scholen en werkervaring op te laten doen, zodat zijn toekomstperspectief en –visie gunstiger worden. Verdachte is (ook ter zelfbescherming) gebaat bij structuur, discipline en scholing. Het is van belang dat er met hem wordt gekeken naar zijn positieve vaardigheden, dat deze uitgebouwd en versterkt worden en hoe hij deze ook buiten concreet kan gebruiken. Identiteit, verantwoordelijkheidsbesef en toekomstvisie zijn daarbij sleutelwoorden. Zijn gevoelswereld zou eveneens een aandachtspunt moeten zijn. Hierbij wordt nog opgemerkt dat tijdens de behandeling niet te snel op vrijheden of verlofmogelijkheden zou moeten worden ingezet, daar dit de aandacht van verdachte afleidt van inhoud en doel van zijn verblijf.

De deskundigen adviseren een continuering van het verblijf van verdachte in de Justitiële Jeugdinrichting Amsterbaken in Amsterdam, doch in ieder geval in een inrichting die topografisch gezien goed is te bereiken voor de moeder van verdachte.

Door de Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdreclassering wordt het advies van de psycholoog en de psychiater onderschreven.

De heer Dieleman van het Bureau Jeugdzorg heeft daarbij als getuige op de terechtzitting opgemerkt dat er binnen de inrichting waar verdachte thans verblijft wordt gewerkt met een competentiemodel dat niet voldoende blijkt te zijn voor verdachte. De heer Dieleman acht meer behandeling en begeleiding nodig. Op de terechtzitting heeft de heer Dieleman verklaard dat verdachte ongevoelig lijkt voor normen en waarden en dat hij zaken bagatelliseert. Verdachte vertoont antisociale trekken die zich onder meer uiten in het overtreden van regels, zoals het niet terugkeren van verlof.

De rechtbank kan zich vinden in de inhoud en de conclusies van de rapporten van de psycholoog en de psychiater voornoemd. De rechtbank is, met name op grond van de inschatting door de deskundigen van het recidivegevaar, van oordeel dat aan het door de wet vereiste gevaarscriterium, te weten in dit geval dat “de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel eist” is voldaan. Daarnaast blijkt uit de met betrekking tot de verdachte uitgebrachte rapporten dat de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte. Voor het bewezen verklaarde is bovendien voorlopige hechtenis toegelaten.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is voldaan.

Wat betreft de inrichting waar de PIJ-maatregel ten uitvoer zal moeten worden gelegd sluit de rechtbank zich aan bij het advies van de deskundigen.

9. Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [adres] Alkmaar, heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 20,- wegens materiële schade en € 1000,- wegens immateriële schade die verdachte aan haar heeft toegebracht.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in het geheel kan worden toegewezen en deze te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade.

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering in verband met de door haar bepleitte vrijspraak.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij, voor zover dit de materiële schade en een deel van de immateriële schade betreft, geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden kan de vordering deels worden toegewezen.

De rechtbank zal een bedrag van € 20,- toewijzen aan materiële schade, zijnde het geldbedrag dat is weggenomen. Ten aanzien van de immateriële schade acht de rechtbank toekenning van een bedrag van € 750,- redelijk en billijk.

Aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] wordt derhalve in totaal een bedrag van € 770,- , toegekend wegens geleden materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2011, de dag van het ontstaan van de schade, tot de dag der algehele voldoening.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

Naar het oordeel van de rechtbank levert de behandeling van het resterende gedeelte van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is.

De benadeelde kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10. Schadevergoeding als maatregel

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht aan de benadeelde. De toepassing van jeugddetentie, bij gebreke van voldoening van het verschuldigde bedrag, heft de opgelegde verplichting niet op.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77s, 77gg, 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

12. Beslissing

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen verklaarde tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van twee jaren.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 770,- (zevenhonderd zeventig euro) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2011, de datum van het ontstaan van de schade, tot de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] te betalen een som geld ten bedrage van € 770,- , (zevenhonderd zeventig euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 15 (vijftien) dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Dit vonnis is gewezen door

Mr. S.M. Jongkind-Jonker, voorzitter, tevens kinderrechter,

Mr. I.M. Nusselder en mr. G.A.M. van Dijk, rechters,

in tegenwoordigheid van G.A.M. Delis, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 juli 2011.