Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BR5724

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
18-08-2011
Datum publicatie
24-08-2011
Zaaknummer
11/523
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen sprake van een dienstongeval. Eiser heeft op eigen initiatief besloten tijdens het sporten niet langer een veiligheidsbril te dragen. Geen schending van de zorgplicht door de werkgever omdat eiser de werkgever niet heeft geinformeerd over de risico's.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 11/523 AW

Uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van:

[naam eiser],

wonende te [plaatsnaam],

eiser,

gemachtigde mr. W. Waardenburg,

tegen

de Minister van Justitie en Veiligheid,

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij brief van 16 juni 2009 heeft eiser verweerder verzocht bij besluit de aansprakelijkheid te erkennen voor het hem op 30 januari 2006 overkomen (bedrijfs)ongeval en te bepalen dat de materiële en immateriële schade zal worden vergoed.

Bij besluit van 28 april 2010 heeft verweerder eiser meegedeeld dat verweerder geen aansprakelijkheid erkent voor het ongeval dat eiser is overkomen en tevens dat het ongeval niet wordt aangemerkt als een dienstongeval. Verweerder heeft zich bereid getoond te bezien of er in het kader van de redelijkheid en billijkheid een (beperkte) eenmalige financiële tegemoetkoming in de geleden schade kan worden verstrekt. Eiser is verzocht een nader onderbouwd verzoek om schadevergoeding in te dienen en daarbij een gespecificeerde schadestaat te overleggen. Bij brief van 9 juni 2010 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 6 januari 2011 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Bij brief van 16 februari 2011 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting van 11 juli 2011 behandeld. Eiser, daartoe ambtshalve opgeroepen, is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder, daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen, is vertegenwoordigd door mr. F.A.M. Bot, [naam 1], waarnemend vestigingsdirecteur van de Penitentiaire Inrichting te Zwaag en [naam 2], instructeur.

Motivering

1.1. De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten en omstandigheden.

1.2. Eiser is op 1 februari 1987 in dienst getreden bij verweerder. Met ingang van 15 oktober 2001 is eiser door verweerder in vaste dienst aangesteld als [naam functie] bij de Penitentiaire Inrichtingen Noord-Holland Noord met als standplaats Zwaag.

1.2. Eiser heeft op 8 februari 2005 een hoornvliesoperatie aan zijn rechteroog ondergaan. Eiser heeft in het kader van het verzuim na de operatie verschillende keren contact gehad met de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft op 1 maart 2005 aangegeven dat eiser herstellende is van een operatieve ingreep aan het oog, dat eiser wacht op een beschermbril en dat hij daarna (waarschijnlijk de week daarna) weer aan het werk gaat. Het komende half jaar kan hij niet meedoen aan sport vanwege risico op complicaties.

1.3. Volgens het op 31 januari 2006 door de direct leidinggevende van eiser ingevulde ongevallenregistratieformulier heeft op 30 januari 2006 tijdens de training van het Interne Bijstand Team (IBT) een ongeval plaatsgevonden in de sportzaal. Door de direct leidinggevende is gerapporteerd dat tijdens een spel in de warming-up tussen eiser en een collega een duel om de bal ontstond. Na het fluitsignaal zou eiser zijn opgestaan en naar zijn oog hebben gegrepen. Zichtbaar was dat er veel vocht uit het oog kwam en dat zijn hoornvlies los van zijn oogbol zat. Het loszittende hoornvlies is in een bekertje water gedaan. Eiser is onder begeleiding van een collega naar het ziekenhuis gebracht.

2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een dienstongeval. Er wordt geen aansprakelijkheid erkend voor de buiten de rechtspositionele aanspraken vallende schade van eiser. De training vond plaats in een daartoe bestemde sportzaal in aanwezigheid van twee opgeleide instructeurs. Het betrof een normale opwarmingsoefening waaraan geen bijzondere risico’s verbonden waren. Het ongeval had ieder ander onder vergelijkbare omstandigheden kunnen overkomen, maar de gevolgen voor eiser zijn ernstiger omdat hij door puur persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico liep. Voor zover de oogarts eiser heeft meegedeeld dat hij zijn werkzaamheden weer op normale wijze kon vervullen, creëert dit geen situatie waarbij de verantwoordelijkheid voor het ongeval is overgegaan van eiser op zijn werkgever. Eiser stond niet onder medische controle van de bedrijfsarts en er golden voor hem geen medische beperkingen. Eiser heeft zijn dienstleiding niet op de hoogte gesteld van het verhoogde risico dat voor hem was verbonden aan het deelnemen aan de in geding zijnde sportactiviteiten. Evenmin heeft eiser een veiligheidsbril aangevraagd. Gelet op deze omstandigheden was er voor de werkgever geen aanleiding eiser van de training te weerhouden dan wel specifieke voorzorgsmaatregelen te treffen - zoals het aanvragen van een deskundigenoordeel - alvorens eiser aan een dergelijke training te laten deelnemen. Daarbij komt dat eiser wist of had kunnen weten uit de hem bekende patiënteninformatie dat de risico’s aanzienlijk zouden kunnen zijn. Eiser had hierin zijn eigen verantwoordelijkheid dienen te nemen door van de training af te zien. Het ongeval is dan ook aan eisers schuld te wijten zodat er geen sprake kan zijn van een dienstongeval. Daarbij komt dat op eiser als hoofd IBT weliswaar de verplichting rustte om de inzet van het IBT te coördineren maar niet dat hij verplicht was aan de IBT-trainingen deel te nemen. Aansluitend bij jurisprudentie merkt verweerder op dat de werkgever alleen tot het betalen van schadevergoeding verplicht is indien de werkgever redelijkerwijs onvoldoende actie heeft ondernomen om te voorkomen dat de schade optreedt. Daarvan is geen sprake. Verweerder heeft in voldoende mate aan zijn zorgplicht voldaan.

3. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat alle schade die uit het ongeval van 30 januari 2006 is voortgevloeid voor vergoeding in aanmerking dient te komen. Er is sprake van een dienstongeval en voorts heeft verweerder zijn zorgplicht geschonden. Het ongeval heeft in overwegende mate zijn oorzaak gevonden in de aard van de aan eiser opgedragen werkzaamheden en is niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid te wijten. Uit het overgelegde overzicht van eisers contacten met de bedrijfsarts blijkt dat in overleg met de bedrijfsarts is vastgesteld dat eiser een half jaar niet zou sporten. Dat heeft eiser ook niet gedaan. De bedrijfsarts noch zijn leidinggevende heeft eiser na afloop van dat half jaar benaderd om nader over de situatie te overleggen. Uit het Protocol Arbeidsverzuim blijkt dat de leidinggevende van eiser, door het houden van contacten, een belangrijke rol vervult bij de terugkeer naar de werkplek. Dat gold vanaf 7 maart 2005, de datum van eisers terugkeer naar het werk. De leidinggevende van eiser heeft geen terugkeergesprekken met eiser gevoerd noch geïnformeerd naar eisers gezondheid en zijn mogelijkheden om weer alle werkzaamheden te verrichten, inclusief het deelnemen aan de sport. Eiser heeft zich in de periode na de operatie geheel overeenkomstig de instructies van de behandeld arts en de bedrijfsarts gedragen, terwijl de werkgever de op hem rustende verplichting in het kader van eisers terugkeer volledig heeft veronachtzaamd. Eiser heeft in de eerste periode na de operatie steeds een veiligheidsbril gedragen. Begin 2006 was de situatie dermate stabiel dat eiser meende weer aan de trainingen te kunnen meedoen. Nu er geen enkele begeleiding van de leidinggevende na de operatie heeft plaatsgevonden, lag het niet voor de hand dat eiser daarover met zijn leidinggevende in overleg zou treden. Eiser heeft overlegd met zijn specialist en de bedrijfsarts. De artsen hebben hem niet laten weten dat het onverantwoord was wat hij deed. Volgens eiser schuift verweerder ten onrechte alle verantwoordelijkheid voor het ongeval op hem af. Aangezien niet gezegd kan worden dat verweerder in redelijkheid aan zijn zorgplicht heeft voldaan en er geen sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid aan de kant van eiser, is verweerder, naar analogie van artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek (BW), aansprakelijk voor de eiser geleden schade.

4.1. In geschil is allereerst het antwoord op de vraag of het eiser op 30 januari 2006 overkomen ongeval moet worden aangemerkt als een dienstongeval in de zin van artikel 35, aanhef en onder e, van het Algemeen Rijksambtenarenregelement (ARAR). Op grond van dit artikel is sprake van een dienstongeval als het ongeval in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht en niet aan schuld of onvoorzichtigheid van de ambtenaar is te wijten.

4.2. Niet (meer) in geschil is dat het ongeval heeft plaatsgevonden in de uitoefening van de aan eiser opgedragen werkzaamheden en ook de rechtbank gaat daarvan uit. In geschil is of het ongeval niet aan schuld of onvoorzichtigheid van de ambtenaar is te wijten.

4.3. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat de bedrijfsarts op 1 maart 2005 eiser de beperking heeft opgelegd dat hij een half jaar niet mocht meedoen aan sport vanwege het risico op complicaties. Na de operatie is eiser verschillende keren voor controles bij de oogarts geweest, waarbij steeds één of meerdere hechtingen werden verwijderd. Toen bijna alle hechtingen waren verwijderd mocht eiser van de oogarts weer zwemmen. Een half jaar na de operatie is eiser voorzichtig begonnen met sporten waarbij hij een veiligheidsbril heeft gedragen. In november 2005 is de laatste hechting verwijderd. Bij dit consult heeft eiser de oogarts niet expliciet gevraagd of het dragen van de veiligheidsbril bij het sporten achterwege kon blijven. Eiser heeft zelf besloten de veiligheidsbril niet langer te dragen.

4.4. Eiser heeft, door op eigen initiatief te besluiten tijdens het sporten niet langer een veiligheidsbril te dragen terwijl eiser hierover vooraf geen medisch advies heeft ingewonnen, naar het oordeel van de rechtbank, het risico genomen dat een ongeval als het onderhavige zou kunnen plaatsvinden, welk risico zich in dit geval ook heeft verwezenlijkt. Hierbij speelt een rol dat eiser wist dan wel had kunnen weten uit de hem bekende patiënteninformatie dat de risico’s aanzienlijk waren en het oog na de operatie blijvend erg kwetsbaar was. Zo is in de patiënteninformatie vermeld dat door een hoornvliestransplantatie het oog kwetsbaarder is geworden. Het blijft daarom nuttig een goede, veilige bescherming te dragen in de vorm van een (veiligheids)bril tijdens werkzaamheden en bij sporten waarbij ballen worden gebruikt of lichamelijk contact kan optreden. Door zelf te beslissen tijdens de training niet langer gebruik te maken van een veiligheidsbril, heeft eiser een risico genomen dat zich tijdens het sporten een ongeval zou kunnen voordoen. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee gegeven dat het ongeval van 30 januari 2006 is te wijten aan de schuld of onvoorzichtigheid van eiser, zoals het begrip schuld is bedoeld in de in artikel 35 van het ARAR gegeven definitie van het begrip dienstongeval, Het voorgaande brengt met zich mee dat niet is voldaan aan één van de vereisten om het ongeval van 30 januari 2006 aan te merken als een dienstongeval.

5.1. Met betrekking tot de in het bestreden besluit neergelegde weigering tot erkenning van aansprakelijkheid naar analogie van artikel 7:658 BW oordeelt de rechtbank als volgt. Conform de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 juni 2000(LJN: AB0072) heeft een ambtenbaar, voorzover dit niet reeds voortvloeit uit de op de ambtenaar van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften, recht op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten alsmede voor het verrichten van de werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.

Zoals onder 4.2. is overwogen heeft het ongeval plaatsgevonden in de uitoefening van de werkzaamheden. Tussen partijen staat vast dat van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van eiser geen sprake is geweest. In geschil is daarom de vraag of verweerder heeft aangetoond dat hij als werkgever aan de hiervoor omschreven zorgplicht heeft voldaan.

5.2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank van oordeel dat verweerder genoegzaam heeft aangetoond dat verweerder in het onderhavige geval niet tekort is geschoten in het nakomen van zijn verplichtingen. De IBT-training heeft plaats gevonden in een daartoe ingerichte sportzaal in aanwezigheid van twee opgeleide instructeurs. Het betrof een normale opwarmingsoefening waaraan geen bijzondere risico’s waren verbonden. Op eigen initiatief heeft eiser tijdens de training geen veiligheidsbril gedragen. De heer Huisman (Huisman), de instructeur tijdens de training op 30 januari 2006, heeft ter zitting verklaard dat hij en eiser weliswaar over de oogoperatie in februari 2005 hebben gesproken, maar dat hij moeilijk kon inschatten welke bijzondere risico’s eiser hierdoor in januari 2006 zou kunnen lopen. Volgens Huisman vraagt hij bij aanvang van de training aan de deelnemers of er bijzonderheden zijn en heeft hij dat ook bij de aanvang van deze training gevraagd. Eiser heeft hier niet op gereageerd. Huisman heeft voorts aangegeven dat alle deelnemers aan de training de mogelijkheid hebben op elk willekeurig moment met de training te stoppen. Eisers stelling dat het op de weg van verweerder had gelegen hem na de herstelverklaring per 7 maart 2005 verder te begeleiden wordt door de rechtbank niet gevolgd. Na het spreekuurcontact van 1 maart 2005 en eisers volledige werkhervatting per 7 maart 2005 heeft voor de bedrijfsarts geen aanleiding meer bestaan om eiser opnieuw voor een spreekuur op te roepen. Ook kan eisers beroep op het Protocol Arbeidsverzuim hem niet baten. Het Protocol schrijft een terugkeergesprek direct na het verzuim voor met als doel mogelijke drempels voor de terugkeer weg te nemen. Hoewel een dergelijk gesprek mogelijk niet heeft plaatsgevonden, was verweerder er van op de hoogte dat eiser na de werkhervatting een half jaar niet zou kunnen deelnemen aan het sporten vanwege het risico op complicaties. Vastgesteld moet worden dat eiser verweerder ook na de operatie niet (verder) heeft geïnformeerd over de risico’s met betrekking tot zijn oog. Niet valt daarom in te zien welke specifiek op de situatie van eiser toegespitste maatregelen verweerder had kunnen treffen.

5.3. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de weigering van verweerder om aansprakelijkheid te erkennen voor de schade van eiser in rechte stand kan houden.

6. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

7. Bij deze uitkomst is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.H. Franke, voorzitter, mr. drs. C.M. van Wechem en mr. A.E. van Montfrans-Wolters, leden, in tegenwoordigheid van D.M.M. Luijckx, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2011 te Alkmaar.

griffier voorzitter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden – in elk geval de eisende partij – en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.