Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BR5578

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
23-08-2011
Zaaknummer
14-810045-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van het invoeren van harddrugs, wegens een gebrek aan bewijs dat daadwerkelijk harddrugs binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenissstraf voor de duur van zes maanden voor het treffen van voorbereidingen gericht op de invoer van harddrugs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Straf

Parketnummer : 14.810045-11

Datum uitspraak : 30 juni 2011

TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te Amsterdam op 17 december 1981,

gedetineerd in HVB Wolvenplein te Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 juni 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, die ertoe strekt dat de rechtbank:

- de onder 1 en onder 2 ten laste gelegde feiten bewezen zal verklaren;

- verdachte zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek van voorarrest.

Tevens heeft de rechtbank kennis genomen van hetgeen door verdachte en door de raadsvrouw van verdachte, mr. I.E. Leenhouwers, advocaat te Alkmaar, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging is toegelaten, ten laste gelegd, dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 4 december 2010 tot en met 12 december 2010 in de gemeente(n) Alkmaar en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, één of meer middel(en) vermeld op de bij die wet behorende lijst I;

2.

hij in of omstreeks de periode van 10 januari 2011 tot en met 25 januari 2011 in de gemeente(n) Amsterdam en/of Rotterdam en/of 's-Gravenhage en/of (elders) in Nederland,

om (een) feit(en), bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) van (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, één of meer ander(en), te weten [persoon 1] en/of [persoon 2] heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of zich en/of die [persoon 1] en/of [persoon 2] gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van die/dat feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of (een) voorwerp(en) en/of (een) vervoermiddel(en) en/of (een) stof(fen) en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van die/dat feit(en),

immers heeft hij verdachte toen en daar opzettelijk die [persoon 1] en/of [persoon 2] gevraagd om - tegen betaling - verdovende middelen naar Nederland te transporteren en/of die [persoon 1] een geldbedrag - voor een paspoort - betaald.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. VRIJSPRAAK

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij vanuit Suriname via Jamaica en België geen drugs, maar goud heeft getransporteerd naar Nederland. De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit verweer als volgt.

Verdachte heeft tegenover de rechter-commissaris en op de terechtzitting verklaard dat 2786 gram goud is getransporteerd. Het goud zou zijn gesmokkeld in een fles sap, een trosje bananen en walnoten. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij in Jamaica twee tasjes heeft meegekregen met een totaalgewicht van naar zijn schatting ongeveer één à anderhalve kilo en dat medeverdachte [medeverdachte 2] een fles sap heeft meegekregen. [medeverdachte 2] zelf heeft als getuige op 30 mei 2011 tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij in Jamaica wel een fles sap overhandigd heeft gekregen, maar dat hij deze niet naar Nederland heeft meegenomen. Reeds gelet op het gewicht en het volume van de goederen waarin het goud zou zijn vervoerd, acht de rechtbank onaannemelijk dat in deze goederen bijna drie kilo goud is vervoerd.

Daar komt bij dat verdachte op 7 juni 2011 bij de rechter-commissaris heeft verklaard al het goud te hebben verkocht via verschillende goudjuwelieren in het land en in Antwerpen. Echter, daar naar gevraagd heeft verdachte met betrekking tot deze afnemers in het geheel geen verifieerbare informatie verstrekt.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de door verdachte gegeven voorstelling van zaken niet aannemelijk is geworden en dat het desbetreffende verweer moet worden verworpen.

Hoewel de rechtbank de lezing van verdachte niet volgt, komt zij toch niet tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen dient uit wettige bewijsmiddelen te blijken dat daadwerkelijk drugs binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht. Dat bewijs is echter niet geleverd. Er zijn bij het onderzoek geen drugs aangetroffen en ook blijkt niet uit de in het dossier opgenomen verklaringen, dat iemand daadwerkelijk heeft geconstateerd dat er drugs zaten verstopt in de goederen, die door de medeverdachten vanuit Jamaica naar Nederland zijn meegenomen.

De verklaringen in het dossier van diverse personen die dachten dat het om drugs ging of hadden gehoord dat er drugs zouden zijn gesmokkeld, acht de rechtbank – ook in onderlinge samenhang bezien met de uit de tapgesprekken blijkende versluierde gesprekken – niet voldoende om tot een bewezenverklaring te komen.

Nu naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 ten laste is gelegd, zal verdachte van dat feit worden vrijgesproken.

4. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

hij in de periode van 10 januari 2011 tot en met 25 januari 2011 in Nederland,

om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden,

anderen, te weten [persoon 1] en [persoon 2] heeft getracht te bewegen om dat feit mede te plegen,

immers heeft hij verdachte toen en daar opzettelijk die [persoon 1] en [persoon 2] gevraagd om - tegen betaling - verdovende middelen naar Nederland te transporteren en die [persoon 1] een geldbedrag - voor een paspoort - betaald.

5. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.

6. NADERE MOTIVERING

De raadsvrouw van verdachte heeft ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde eveneens vrijspraak bepleit omdat zij van mening is dat niet kan worden bewezen dat de voorbereidingshandelingen die verdachte zou hebben getroffen betrekking hebben op het transporteren van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De verdediging heeft ook in dit verband naar voren gebracht dat het om een transport van goud zou gaan.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Zoals hiervoor overwogen is naar het oordeel van de rechtbank in het geheel niet aannemelijk geworden dat verdachte zich met het invoeren van goud in Nederland heeft beziggehouden. De rechtbank acht ,gelet op de verklaringen van [persoon 1] en [persoon 2], de tapgesprekken tussen verdachte en [persoon 1] en [persoon 2] – één en ander in onderlinge samenhang bezien met de verklaringen van [medeverdachte 1], [persoon 3] en [persoon 4] – bewezen dat de handelingen van verdachte zien op het voorbereiden van een transport van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

7. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 2:

Om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen.

8. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

9. MOTIVERING VAN DE STRAF

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte heeft voorbereidingen getroffen om anderen ertoe te bewegen harddrugs binnen het grondgebied van Nederland te brengen. Dit is een zeer laakbaar feit. In de eerste plaats omdat de distributie van dergelijke verdovende middelen schadelijk is voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid van de gebruikers daarvan. In de tweede plaats omdat verdachte er kennelijk toe bereid is andere mensen grote risico’s te laten lopen door hen ertoe te bewegen drugs vanuit het buitenland naar Nederland te vervoeren.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 27 januari 2011, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder, doch niet in de afgelopen vijf jaren, ter zake van een opiumdelict is veroordeeld. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren;

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 28 april 2011 van H. Ellen als reclasseringswerkster verbonden aan Reclassering Nederland. In dit rapport wordt geadviseerd verdachte, indien hij schuldig wordt bevonden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Al het voorgaande is overweging nemende is de rechtbank van oordeel dat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van nader te noemen duur passend en geboden is.

10. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing rust op de artikelen 10 en 10a van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11. BESLISSING

De rechtbank:

• Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

• Verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

• Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

• Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. S.M. Jongkind-Jonker en mr. R.A. Kok, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.J. Ros, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 juni 2011.

De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.