Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BR4997

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
03-08-2011
Datum publicatie
15-08-2011
Zaaknummer
118809 - HA ZA 10-316
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ontbinding overeenkomst, gemist voordeel, ingebrekestelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

AM/(JB)

zaaknummer / rolnummer: 118809 / HA ZA 10-316

Vonnis van 3 augustus 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FLEETLOGIC B.V.,

gevestigd te Vuren,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. B.J.C. Boogers-de Haan te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OTS INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Bergen NH,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J. Koekkoek te Haarlem.

Partijen zullen hierna Fleetlogic en OTS genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 25 maart 2010

- de akte overlegging (9) producties zijdens Fleetlogic van 7 april 2010

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met 25 producties van

7 juli 2010 zijdens OTS

- het tussenvonnis van 21 juli 2011

- 3 aanvullende producties zijdens OTS

- de conclusie van antwoord in reconventie zijdens Fleetlogic, met 10 producties

- het proces-verbaal van comparitie van 11 november 2010

- de conclusie van repliek in reconventie van OTS

- de akte houdende nader bewijs in conventie tevens akte vermeerdering van eis in conventie tevens conclusie van dupliek in reconventie zijdens Fleetlogic

- de akte uitlating producties van OTS

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

in conventie en in reconventie

Fleetlogic en OTS hebben op 24 augustus 2007 een raamcontract gesloten (hierna 'de overeenkomst').

Artikel 3.1.3. van de overeenkomst luidt als volgt:

Onder onderhoud wordt verstaan: op verzoek van opdrachtgever (de rechtbank: OTS) verricht opdrachtnemer (de rechtbank: Fleetlogic) de reparaties en het onderhoud aan de apparatuur welke noodzakelijk zijn voor het correct laten functioneren van de apparaten of onderdelen daarvan, waarbij een onderscheid wordt gemaakt in de hardware en de software, conform de voorwaarden van deze overeenkomst en de bijbehorende garantiebepalingen. Opdrachtgever zal hierbij de 1e lijnssupport uitvoeren en hiervoor alle benodigde productkennis van Opdrachtnemer ontvangen. Opdrachtnemer zal de 2e lijnssupport opvolgen en desgewenst uitvoeren.

Artikel 3.1.6. van de overeenkomst luidt als volgt:

Opdrachtnemer (de rechtbank: Fleetlogic) beheert voertuigen pro-actief.

Artikel 3.2.1. van de overeenkomst luidt als volgt:

Onder service wordt verstaan:

* Het op verzoek van opdrachtgever verrichten van reparaties aan de apparatuur welke noodzakelijk zijn voor het correct laten functioneren van de apparaten of onderdelen daarvan;

* (...)

Artikel 3.3.6. van de overeenkomst luidt als volgt:

Opdrachtnemer (de rechtbank: Fleetlogic) zal binnen 48 uur na melding van de storing ter plekke service verlenen, tenzij schriftelijk een later tijdstip wordt afgesproken. (...)

Artikel 7.2 van de overeenkomst luidt als volgt:

... Het overeengekomen aantal te leveren systemen binnen een termijn van 12 maanden bedraagt 1.000 stuks. Wanneer de genoemde hoeveelheid van 1.000 stuks niet binnen 12 maanden afgenomen is zal de afnametermijn met 6 maanden verlengd worden. Indien binnen 12 maanden meer dan 1.000 units afgenomen worden zal bij het bereiken van die grens een nieuwe prijsafspraak gemaakt worden voor de te leveren units boven de eerder genoemde 1.000.

De in artikel 7.2 van de overeenkomst genoemde termijn van 12 maanden is gaan lopen op 1 september 2007. De afnametermijn is inclusief de verlenging van 6 maanden, verstreken op 1 maart 2009. OTS heeft 169 systemen afgenomen.

Bij brief van 9 juli 2009 heeft Fleetlogic OTS een laatste termijn van vijf dagen gegeven om over te gaan tot het bestellen van 800 systemen. OTS heeft ook daarna geen systemen meer van Fleetlogic afgenomen.

Fleetlogic heeft OTS diverse facturen gestuurd. Deze facturen zijn onbetaald gebleven tot een bedrag van EUR 9.629,89.

Het geschil

in conventie

Fleetlogic vordert - samengevat en na vermeerdering van eis- partiële ontbinding van de overeenkomst, voorzover het de wederzijdse verplichtingen betreft ten aanzien van het door OTS niet nagekomen deel van haar afnameverplichting. Daarnaast vordert zij betaling van openstaande facturen ten bedrage van EUR 9.629,89, vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de tekortkoming in de nakoming door OTS, te weten EUR 78.114, alsmede schade uit hoofde van gederfde inkomsten ad EUR 15.375,50, te vermeerderen met BTW, rente en kosten.

OTS voert verweer. Onder meer voert zij verweer tegen de akte vermeerdering van eis, aangezien deze in een te laat stadium is ingesteld.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

OTS vordert te verklaren voor recht dat Fleetlogic aansprakelijk is voor alle geleden en nog te lijden schade van OTS nader op te maken bij staat. Zij stelt dat Fleetlogic voortdurend te kort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst.

Fleetlogic voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling in conventie

De rechtbank beslist allereerst op het bezwaar dat OTS heeft gemaakt tegen de vermeerdering van eis. De rechtbank begrijpt haar bezwaar aldus dat zij de vermeerdering in strijd met de eisen van een goede procesorde acht. De rechtbank is echter van oordeel dat OTS niet in haar belangen is geschaad, aangezien de eiswijziging haar grondslag vindt in de - ter comparitie bevolen - nader onderbouwde berekening van de schade die Fleetlogic stelt geleden te hebben, op welke berekening OTS bij akte heeft kunnen reageren. De rechtbank staat de wijziging van eis aldus toe.

Fleetlogic legt aan haar vordering ten grondslag de stelling dat partijen in artikel 7.2. van de overeenkomst zijn overeengekomen dat OTS verplicht was binnen een termijn van 12 maanden 1.000 systemen bij haar af te nemen, welke termijn éénmaal met 6 maanden verlengd kon worden. OTS voert ten verwere aan dat de bepaling uit de overeenkomst waar Fleetlogic zich op beroept, geen afnameverplichting bevat en anders uitgelegd dient te worden. Dit betekent dat allereerst de vraag aan de orde dient te komen hoe artikel 7.2. van de overeenkomst uitgelegd dient te worden. Daarbij zijn de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, van belang.

De rechtbank stelt voorop dat de tekst van artikel 7.2 van de overeenkomst taalkundig voorshands duidelijk is. Het artikel bepaalt dat het overeengekomen aantal te leveren systemen 1.000 stuks bedraagt. Daarnaast bevat het artikel een termijn voor deze afname. Deze termijn bedraagt 12 maanden en kan verlengd worden met 6 maanden. OTS heeft aangevoerd dat deze afspraak bezien moet worden vanuit haar wens verzekerd te zijn van voldoende voorraad bij Fleetlogic, en dat de achtergrond bovendien gelegen is in het feit dat het in de onderhavige branche gebruikelijk is dat de prijs per eenheid product afhankelijk is van de hoeveelheid die wordt geleverd. De rechtbank ziet niet in hoe deze argumenten van OTS zouden moeten leiden tot een andere uitleg van de overeenkomst dan dat een afnameverplichting is overeengekomen, aangezien OTS zelf aangeeft dat zij wenste dat Fleetlogic voldoende voorraad aanhield en erkent dat - zoals ook Fleetlogic heeft aangevoerd - de overeengekomen prijs gerelateerd is aan het overeengekomen aantal. Ter comparitie heeft OTS bovendien verklaard dat zij ervan uitging dat ze dit aantal zou halen.

Ook de email die OTS tijdens de onderhandelingen aan Fleetlogic stuurde naar aanleiding van een concept-overeenkomst, met de vraag: wat gebeurt er als wij niet aan de 1000 stuks komen binnen de termijn van 12 maanden? Of wat gebeurt er als we juist boven die 1000 stuks uitkomen?, onderschrijft niet de stelling van OTS dat er geen afnameverplichting is overeengekomen, integendeel. Deze email en de daarin gestelde vraag geeft naar het oordeel van de rechtbank juist aan dat OTS zich bewust is geweest van de verplichting tot afname van 1000 stuks binnen een bepaalde termijn.

Een en ander betekent dat OTS geen feiten heeft aangevoerd die tot een andere uitleg van - artikel 7.2 van - de overeenkomst moeten leiden dan dat sprake was van een afnameverplichting, gebonden aan een termijn. Aan bewijs komt de rechtbank dan ook - ondanks het bewijsaanbod van OTS - niet toe. De rechtbank komt tot de conclusie dat partijen in artikel 7.2 van de overeenkomst zijn overeengekomen dat OTS binnen een termijn van 18 maanden, dus uiterlijk op 1 maart 2009 1.000 systemen van Fleetlogic diende af te nemen. OTS heeft erkent dat zij slechts 169 systemen heeft afgenomen. Dit betekent dat OTS tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Fleetlogic heeft OTS bij brief van 9 juli 2009 nog een laatste termijn voor nakoming gegund, welke termijn OTS heeft laten verlopen. Daardoor is OTS in verzuim geraakt en is aan de voorwaarden voldaan om tot (partiële) ontbinding van de overeenkomst te geraken. Fleetlogic heeft de rechtbank verzocht de overeenkomst gedeeltelijk te ontbinden voor dat gedeelte dat door OTS niet is nagekomen. Deze vordering zal worden toegewezen.

De schade

Uitgangspunt bij de begroting van de schade is dat Fleetlogic zoveel mogelijk gebracht wordt in de positie waarin zij zou hebben verkeerd bij correcte nakoming van de overeenkomst. Met andere woorden Fleetlogic heeft recht op het positief contractsbelang: het voordeel dat zij zou hebben genoten bij correcte nakoming door OTS.

Fleetlogic heeft aangevoerd dat zij als gevolg van de tekortkoming van OTS schade heeft geleden. Deze schade bestaat uit gederfde winst in verband met de niet afgenomen systemen, gederfde omzet in verband met de service en support van de niet afgenomen systemen en (buitengerechtelijke) kosten.

Fleetlogic stelt dat zij per systeem een winst van EUR 94 is misgelopen. De berekening van dit bedrag heeft zij onderbouwd door middel van een verklaring van haar accountant.

OTS voert allereerst aan dat Fleetlogic deze systemen inmiddels wellicht aan een ander bedrijf heeft kunnen verkopen. De rechtbank begrijpt dit als een beroep op een schadebeperkingsplicht en overweegt in dat kader dat OTS het in haar macht had de schade voor Fleetlogic te voorkomen, namelijk door correct na te komen, en zich tegen die achtergrond - behoudens bijzondere omstandigheden - er thans niet op kan beroepen dat Fleetlogic de plicht had de schade te beperken. Dat geldt in de onderhavige situatie temeer nu de afnametermijn inmiddels geheel verstreken is, zodat de schade definitief geleden is. OTS heeft geen specifieke feiten of omstandigheden gesteld op basis waarvan Fleetlogic verplicht was de schade te beperken, zodat de rechtbank dit verweer verwerpt.

Ten aanzien van de door Fleetlogic- ter onderbouwing van het gemiste voordeel - in het geding gebrachte verklaring van haar accountant voert OTS aan dat onduidelijk is hoe de accountant tot haar opinie is gekomen, omdat bijvoorbeeld niet duidelijk is of ook gekeken is naar de kosten van de organisatie. Zij betwist de hoogte van het gevorderde bedrag.

De rechtbank stelt vast dat BDO accountants in haar verklaring vermeldt dat aan haar is verzocht de hoogte van de inkoopprijs vast te stellen. Nu BDO accountants in haar verklaring uitsluitend spreekt over de inkoopprijs, blijkt daaruit inderdaad niet of rekening is gehouden met inkoopkosten in de organisatie van Fleetlogic zodat de rechtbank niet kan vaststellen wat het gemiste voordeel (per systeem) is. Fleetlogic heeft nader bewijs aangeboden, hetgeen de rechtbank tegen deze achtergrond noodzakelijk acht.

Hetzelfde geldt voor de door Fleetlogic gevorderde vergoeding van EUR 18,50 per systeem in verband met de overeengekomen prijs voor door haar te leveren service en support. OTS voert ten verwere aan dat dit bedrag niet onderbouwd is, nu geen berekening is verstrekt waaruit blijkt dat rekening is gehouden met kosten (naar de rechtbank begrijpt: bespaarde kosten). De rechtbank stelt vast dat Fleetlogic terecht aanvoert dat dit bedrag in de overeenkomst is afgesproken tussen partijen, echter ook voor dit bedrag geldt dat niet duidelijk is met welke kosten rekening gehouden moet worden zodat de rechtbank niet kan vaststellen wat in dit kader het gemiste voordeel is. Ook op dit punt is nadere bewijsvoering noodzakelijk.

Fleetlogic heeft aangeboden zo nodig aanvullend bewijs te leveren door een nadere toelichting op genoemde accountantsverklaring door twee medewerkers van BDO accountants. Nu de accountantsverklaring echter uitdrukkelijk vermeldt dat aan BDO accountants is gevraagd de inkoopprijs vast te stellen (en niet de gemiste winst), en bovendien nadere informatie nodig is omtrent de gemiste winst in het kader van de service en support, acht de rechtbank dit onvoldoende. De rechtbank acht het voorshands noodzakelijk dat een onafhankelijke deskundige wordt benoemd en zal partijen bij akte in de gelegenheid stellen daarover een standpunt in te nemen.

De facturen

Naast vergoeding van schade en kosten heeft Fleetlogic betaling gevorderd van openstaande facturen tot een bedrag van EUR 9.629,89, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. OTS heeft terzake geen verweer gevoerd, zodat dit gedeelte van de vordering reeds nu kan en zal worden toegewezen.

De beoordeling in reconventie

OTS legt aan haar vordering in reconventie ten grondslag dat Fleetlogic te kort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiende uit de artikelen 3.1.3 (onderhoudsverplichting), 3.1.6.(pro-actief beheer) en 3.3.6 (service verlenen na storingsmelding) van de overeenkomst.

Fleetlogic heeft zich daartegen verweerd met de stelling dat geen sprake is van wanprestatie. Bovendien heeft OTS nooit geklaagd of Fleetlogic in gebreke gesteld, terwijl dat in dit geval wel van haar verlangd kon worden. Er is dus geen sprake van verzuim en er kan evenmin sprake zijn van aansprakelijkheid voor schade, aldus Fleetlogic.

OTS voert aan dat in het onderhavige geval ingebrekestelling niet vereist was aangezien Fleetlogic op basis van artikel 3.3.6. binnen 48 uur service diende te verrichten en nu zij deze termijn bij herhaling niet heeft gehaald, Fleetlogic van rechtswege in verzuim is geraakt. Subsidiair voert OTS aan dat zij talloze malen heeft geklaagd - ook per e-mail- en dat dit gelijk gesteld kan worden met in gebreke stellen, respectievelijk dat het in de omstandigheden van dit geval in strijd met de redelijkheid en billijkheid is dat Fleetlogic een beroep doet op het achterwege blijven van een ingebrekestelling.

De rechtbank zal allereerst de vraag beantwoorden of - zoals OTS aanvoert - Fleetlogic zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt. OTS betoogt dat de termijn voor onderhoud van 48 uur, zoals genoemd in artikel 3.3.6. van de overeenkomst, een fatale termijn is zodat bij een tekortkoming geen ingebrekestelling vereist was. Fleetlogic betwist dit en stelt dat artikel 3.3.6 haar niet verplichtte om een storing binnen 48 uur op te lossen, maar wel om ter plekke service te verlenen. Zij voert bovendien aan dat sprake was van een inspanningsverplichting, en dat indien deze verplichting voor OTS zo cruciaal was zij daarover had moeten klagen.

De rechtbank overweegt dat de tekst van artikel 3.3.6 geen aanwijzing biedt voor de uitleg die OTS daaraan geeft, nu deze spreekt over service verlenen en niet over een termijn waarbinnen problemen dienen te worden opgelost. OTS heeft geen feiten aangevoerd die tot een andere uitleg van deze bepaling uit de overeenkomst moeten leiden. Uit de stukken blijkt ook niet dat OTS de bepaling aldus heeft uitgelegd: Indien OTS daadwerkelijk van mening was dat sprake was van een resultaatsverplichting en een fatale termijn en dat Fleetlogic - zoals OTS bij herhaling stelt in haar processtukken - deze verplichting nooit is nagekomen, aangezien sprake was van wachttijden van enkele weken zodat haar klanten bij bosjes wegliepen, had het op haar weg gelegen schriftelijk te klagen dan wel Fleetlogic in gebreke te stellen.

Bovendien geldt dat ook indien, zoals OTS betoogt, sprake zou zijn van een resultaatverplichting en Fleetlogic ten aanzien van een specifieke storingsmelding in verzuim zou kunnen raken zonder dat een ingebrekestelling vereist is, in het kader van de onderhavige overeenkomst een schriftelijke aanmaning dan wel ingebrekestelling redelijkerwijs vereist is aangezien het gaat om een voortdurende onderhoudsverplichting van Fleetlogic voor meerdere systemen bij verschillende klanten.

Ook de schadeposten die OTS vordert vereisen om voor vergoeding in aanmerking te kunnen komen een voorafgaande ingebrekestelling. OTS heeft immers aangevoerd dat zij schade heeft geleden doordat haar klanten wegliepen als gevolg van de tekortkomingen van Fleetlogic en dat zij uiteindelijk de onderhavige bedrijfsactiviteiten zelfs heeft gestaakt. Er is niet gesteld of gebleken dat dit gevolgen c.q. schadeposten zijn die direct zijn opgetreden als gevolg van de - vermeende - overschrijdingen van de 48-uurs termijn, en die niet voor herstel vatbaar waren zodat een ingebrekestelling niet zinvol was.

De rechtbank concludeert aldus dat in de onderhavige omstandigheden een ingebrekestelling vereist was. De feiten die OTS aanvoert leiden niet tot een andere conclusie. Ook de jurisprudentie waar OTS naar verwijst betreft gevallen die niet vergelijkbaar zijn met het onderhavige feitencomplex. Onder meer heeft OTS geen feiten gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat ingebrekestelling niet mogelijk of niet zinvol was, noch heeft zij betoogd dat uit de houding van Fleetlogic niet anders geconcludeerd kon worden dan dat zij niet bereid was actie te ondernemen.

Subsidiair heeft OTS aangevoerd dat zij regelmatig - in gesprekken en in e-mails - heeft geklaagd en dat dit gelijk gesteld kan worden met in gebreke stellen. OTS verwijst in dat kader ongespecificeerd naar producties die zij in het geding heeft gebracht, zonder te concretiseren of nader feitelijk te onderbouwen welke van de bij deze producties in het geding gebrachte e-mails als ingebrekestelling zouden hebben te gelden en waarom. De rechtbank gaat aan deze stelling voorbij aangezien deze onvoldoende feitelijk is uitgewerkt. Voorzover mondeling geklaagd zou zijn - hetgeen wordt betwist door Fleetlogic - acht de rechtbank dat in de onderhavige omstandigheden - mede gezien hetgeen hiervoor onder 5.4 is beschreven - en gezien de ernst van de vermeende tekortkomingen, onvoldoende om als ingebrekestelling te kunnen gelden. De rechtbank concludeert aldus dat OTS Fleetlogic niet in gebreke heeft gesteld.

Tenslotte dient dan de vraag beantwoord te worden of het in het kader van de omstandigheden van dit geval in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dat Fleetlogic een beroep doet op het ontbreken van een klacht of ingebrekestelling. OTS voert aan dat daarvan sprake is aangezien zij voortdurend heeft geklaagd en Fleetlogic geen actie ondernam. De rechtbank is van oordeel dat - ook indien deze feitelijke gang van zaken juist is, hetgeen wordt betwist door Fleetlogic - deze gang van zaken juist vraagt om een schriftelijke aanmaning of ingebrekestelling aangezien OTS uit het gebrek aan een reactie zijdens Fleetlogic op haar klachten had moeten concluderen dat haar boodschap niet overkwam.

Nu de rechtbank ten aanzien van artikel 3.3.6 van de overeenkomst heeft geconcludeerd dat een ingebrekestelling vereist was, geldt dat evenzeer voor - eventuele - tekortkomingen in de nakoming van de artikelen 3.1.3. en 3.1.6. van de overeenkomst, mede gezien het feit dat deze bepalingen uit de overeenkomst geen resultaatverplichtingen behelzen en OTS ook niets heeft aangevoerd dat tot een andere uitleg zou moeten leiden.

Een en ander betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke bespreking van de - vermeende - tekortkomingen in de nakoming van de overeenkomst zijdens Fleetlogic, aangezien een vordering tot vergoeding van schade afstuit op het feit dat door OTS niet is geklaagd noch in gebreke is gesteld, terwijl geen van de uitzonderingssituaties van artikel 6:83 BW zich voordoet. De door OTS gevraagde verklaring voor recht dat Fleetlogic aansprakelijk is voor alle geleden en nog te lijden schade van OTS nader op te maken bij staat, zal worden afgewezen.

Conclusies in conventie en reconventie

in conventie

De gevraagde verklaring voor recht zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de door Fleetlogic gevorderde schade heeft de rechtbank hiervoor beslist dat zij het nodig acht een deskundigenbericht in te winnen. Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen.

De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige, te weten een registeraccountant, en dat de navolgende vragen dienen te worden voorgelegd:

1. Wat is de verwachte winst die Fleetlogic had behaald indien OTS zich aan haar afnameverplichting had gehouden, uitgaande van de gebruikelijke marges die zij behaalde op materialen en arbeid? U dient daarbij onderscheid te maken tussen de verwachte winst in het kader van het leveren van (831) systemen en de verwachte winst op de service en support per systeem.

2. Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geding aanleiding om te bepalen dat het voorschot op de kosten van de deskundige door de gedaagde partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door OTS moeten worden betaald.

Ten aanzien van de vordering van Fleetlogic die ziet op openstaande facturen heeft OTS geen verweer gevoerd zodat deze vordering toegewezen zal worden zoals verzocht.

Ten aanzien van de gevorderde rente, buitengerechtelijke kosten, proceskosten en beslagkosten houdt de rechtbank haar beslissing aan.

in reconventie

De rechtbank zal de vordering afwijzen en OTS zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Fleetlogic worden begroot op EUR 1788,00 aan kosten advocaat (2,0 punten × factor 1 × tarief EUR 894,00).

De beslissing

De rechtbank

in conventie

verklaart voor recht dat de overeenkomst tussen partijen van 24 augustus 2007 middels dit vonnis partieel is ontbonden voor zover het betreft alle rechten en verplichtingen over en weer ten aanzien van de 831 stuks niet afgenomen systemen.

veroordeelt OTS om aan Fleetlogic te betalen aan onbetaalde facturen een bedrag van EUR 9.629,89 exclusief BTW, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW vanaf de respectievelijke vervaldata van de facturen tot de dag van volledige betaling,

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 31 augustus 2011 voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportage,

houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

wijst de vorderingen af,

veroordeelt OTS in de proceskosten, aan de zijde van Fleetlogic tot op heden begroot op EUR 1788,

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Merkus en in het openbaar uitgesproken op

3 augustus 2011.