Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BR4477

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
28-04-2011
Datum publicatie
09-08-2011
Zaaknummer
14-904016-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd ter zake van gewoonte-witwassen en het valselijk opmaken van facturen en andere documenten met betrekking tot de handel in mobiele telefoons. Er was sprake van schijntransacties, waardoor grootschalige BTW-fraude is mogelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer: 14.904016-09 (P)

Datum uitspraak: 28 april 2011

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende [woonadres], Rusland,

correspondentieadres [correspondentieadres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 29 september 2010 en 14 april 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. J.W. Bloem, advocaat te Zaandam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 2 augustus 2006 te Alkmaar, in elk geval in Nederland en/of in Rusland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, (telkens) een of meerdere factu(u)r(en) en/of document(en), te weten, onder meer:

1- een invoice voorzien van het nummer 20060005 [bedrijf 1] aan [bedrijf 2], gedateerd 25-01-2006, inzake de verkoop van 1500 Nokia 9300i en/of 95 Samsung i300 en/of 800 Sony Ericsson P990i, voor een totaalbedrag van 1.208.020,00 Engelse ponden;

(bijlage D-4a)

en/of

2- een invoice voorzien van het nummer 20060014 [bedrijf 1] aan [bedrijf 2], gedateerd 09-02-2006, inzake de verkoop van 200 Samsung SGH Serene en/of 1400 Nokia 3250 en/of 450 Sony Ericsson P990 en/of 98 Nokia 8800 Gold, voor een totaalbedrag van 1.186.508,00 Engelse ponden;

(bijlage D-4d)

en/of

3- een receipt of goods gericht aan [verdachte], [bedrijf 1] van [bedrijf 3] voor de ontvangst van 720 Nokia 8800 en/of 600 Sony Ericsson P990;

(bijlage D-4i)

en/of

4- een invoice voorzien van het nummer 20060059 [bedrijf 1] aan [bedrijf 4], gedateerd 27-03-2006 inzake de verkoop van 1617 Nokia 9300i en/of 1000 Sony Ericsson P990 en/of 1578 Sony Ericsson W900l, voor een totaalbedrag van 2.143.843,00 Engelse ponden;

(bijlage D-4v)

en/of

5- een purchase order voorzien van het ordernummer 02200614 [bedrijf 1] aan [bedrijf 5], gedateerd 17 februari 2006, inzake de inkoop van 400 Samsung SGH-Serene en/of 1235 Motorola A780 en/of 1250 Nokia 9500 en/of 1000 Nokia N90, voor een totaalbedrag van 1.836.410,00 Engelse ponden; (bijlage D-5g)

en/of

6- een purchase order voorzien van het ordernummer 02200616 [bedrijf 1] aan [bedrijf 5], gedateerd 20 februari 2006, inzake de inkoop van 1700 Motorola A780 en/of 1375 Nokia N90 en/of 350 Nokia 8800 Gold, voor een totaalbedrag van 1.268.487,50 Engelse ponden;

(bijlage D-6e)

en/of

7- een purchase order voorzien van het ordernummer 03200602 [bedrijf 1] aan [bedrijf 5], gedateerd 9 maart 2006, inzake de inkoop van 1090 Nokia 9300i en/of 1720 Sony Ericsson W900i, voor een totaalbedrag van 1.194.960,- Engelse ponden;

(bijlage D-7d)

en/of

8- een invoice voorzien van het nummer 20060249 [bedrijf 1] aan [bedrijf 6], gedateerd 15-06-2006 inzake de verkoop van 1547 Nokia N80 en/of 2200 Samsung i310, voor een totaalbedrag van 1.732.396,50 Engelse ponden;

(bijlage D-17a)

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -

(telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst en/of door (een) ander(en) valselijk heeft doen of laten opmaken en/of heeft doen of laten vervalsen,

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), telkens valselijk en/of in strijd met de waarheid: -zakelijk weergegeven-

(met betrekking tot de voornoemde invoices en/of purchase orders)

- doen voorkomen dat sprake is/was van (een) verkoopovereenkomst(en) en/of een koopovereenkomst(en) tussen de op die invoice(s) en/of purchase order(s) vermelde ondernemingen met betrekking tot de op de invoice(s) en/of purchase order(s) vermelde goederen;

en/of

- doen voorkomen dat de op die invoice(s) en/of purchase order(s) vermelde ondernemingen overeenstemming hebben/hadden bereikt over de eigendomsoverdracht van de op de invoice(s) en/of purchase order(s) genoemde goederen voor het in de invoice(s) en/of purchase order(s) vermelde geldbedrag;

en/of

- doen voorkomen dat aan de invoice(s) en/of purchase order(s) een voor een rechtsgeldige overeenkomst vereiste wilsovereenstemming tussen de op de invoice(s) en/of purchase order(s) vermelde verkoper en koper aanwezig was;

en/of

- doen voorkomen dat er sprake was van handel in mobiele telefoons van het merk Sony Ericsson, type P990(i), terwijl dat type mobiele telefoon op dat moment nog niet in productie en/of op de markt verkrijgbaar was;

en/of

(met betrekking tot voornoemde receipt of goods)

- door middel van het plaatsen van een handtekening en/of een bedrijfsstempel doen voorkomen dat de op dat receipt of goods vermelde goederen zijn ontvangen door [bedrijf 1];

en/of

- doen voorkomen dat er sprake was van de ontvangst van 600 mobiele telefoons van het merk Sony Ericsson, type P990, terwijl dat type mobiele telefoon op dat moment nog niet in productie en/of op de markt verkrijgbaar was;

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 13 oktober 2006, te Alkmaar, althans in Nederland, en/of in Rusland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) meermalen, in elk geval eenmaal, (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) tot een totaal van circa 417.620,- euro, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van een voorwerp, te weten van (een gedeelte van) dat geldbedrag, gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

Beroep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Naar de mening van de raadsman heeft de officier van justitie onbetrouwbare informatie verstrekt met betrekking tot de vraag of de telefoons van het type P990i (Sony Ericsson) en van het type Serene (Samsung) in de ten laste gelegde periode wel of niet verkrijgbaar, c.q. verhandelbaar waren. Het Openbaar Ministerie heeft op dit punt onvolledig onderzoek gedaan, wat neigt naar misleiding en dat straalt af op het gehele onderzoek. De vraag rijst of er sprake is van vooringenomenheid van het Openbaar Ministerie, aldus de raadsman.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat verdachte op basis van de Russische strafwet nooit in Rusland voor de hem ten laste gelegde feiten vervolgd zou kunnen worden. Daarmee ontbreekt de dubbele strafbaarheid, die op grond van artikel 5, lid 1 onder 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) vereist is, aangezien verdachte wordt verweten dat hij de feiten (mede) in Rusland heeft gepleegd. Ook dit levert een grond op om tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie te komen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er geen reden is om het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk te verklaren in de vervolging.

Er is geen sprake van onvolledig onderzoek met betrekking tot de leverbaarheid en verhandelbaarheid van de twee genoemde telefoon-typen. Het Openbaar Ministerie heeft herhaalde malen navraag gedaan bij de fabrikanten van deze toestellen. Meer kan van het Openbaar Ministerie niet verwacht worden.

Uit door de officier van justitie ingebrachte stukken blijkt dat de ten laste gelegde feiten ook in Rusland strafbaar zijn. De dubbele strafbaarheid is daarmee gegeven. Noch uit de wet, noch uit de jurisprudentie, noch uit de literatuur valt af te leiden dat het noodzakelijk is dat een verdachte ook daadwerkelijk vervolgd moet kunnen worden in het land waar het feit wordt begaan.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt.

Het Openbaar Ministerie heeft zich, naar aanleiding van het interlocutoir vonnis van

13 oktober 2010, ingespannen om nadere gegevens te verkrijgen van de betreffende fabrikanten, respectievelijk Sony Ericsson en Samsung. De in eerste instantie van Sony Ericsson verkregen informatie was niet geheel volledig. Hierop is door het Openbaar Ministerie nadere informatie gevraagd, die ook is geleverd. Ook van Samsung is antwoord op de gestelde vragen gekomen. Niet gezegd kan worden dat de aldus verkregen informatie a priori onjuist is. Ook valt niet in te zien dat dit onderzoek onvolledig is geweest.

Voorts blijkt uit de door de officier van justitie overgelegde vertalingen van de relevante bepalingen uit de Russische strafwet dat soortgelijke feiten als in de onderhavige zaak aan verdachte ten laste zijn gelegd, ook in Rusland strafbaar zijn gesteld. Dit is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om vast te stellen dat sprake is van dubbele strafbaarheid in de zin van artikel 5, lid 1 onder 2 Sr van de ten laste gelegde feiten in Nederland en Rusland. De vraag of deze verdachte voor de ten laste gelegde feiten in Rusland daadwerkelijk vervolgd zou kunnen worden, is daarbij niet relevant.

De rechtbank ziet dan ook geen reden de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.

4. Overweging ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

De verdenking tegen verdachte bestaat hieruit dat hij, samen met een ander, valse facturen, aankooporders en andere documenten met betrekking tot de inkoop en verkoop van mobiele telefoons heeft opgemaakt, terwijl er – kort gezegd – geen sprake was van werkelijke handel in deze goederen.

Daarnaast wordt hij ervan verdacht, eveneens samen met een ander, een gewoonte te hebben gemaakt van het witwassen van geldbedragen die uit misdrijf afkomstig waren.

B. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de beide ten laste gelegde feiten, telkens tezamen en in vereniging met een ander, heeft begaan, op basis van de bewijsmiddelen zoals uiteengezet in haar requisitoir.

C. Standpunt van de verdachte/de verdediging

De raadsman van verdachte heeft geconcludeerd tot integrale vrijspraak, op de gronden zoals aangevoerd in zijn pleitnota’s.

D. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

FEIT 1

Verdachte zal hierna worden aangeduid als [verdachte]; de medeverdachte als [medeverdachte 1].

Aanleiding onderzoek

Op 23 februari 2006 werd de FIOD-ECD benaderd door de Bijzondere Belasting Inspectie te Antwerpen met een verzoek om informatie over het bedrijf [bedrijf 7], gevestigd op Schiphol, in verband met zendingen mobiele telefoons door dit bedrijf naar het bedrijf [bedrijf 8] te Veurne, België. Uit door [bedrijf 7] verstrekte schriftelijke bescheiden bleek dat vanuit [bedrijf 7] een zending van 7 pallets mobiele telefoons was verzonden naar [bedrijf 8]. Deze zending betrof 1.800 stuks Nokia 8800, die [bedrijf 9] had geleverd aan [bedrijf 1]. Op 17 februari 2006 was deze zending door [bedrijf 9] vrijgegeven aan [bedrijf 1]. [bedrijf 1] had op 17 februari 2006 aan [bedrijf 7] laten weten dat de goederen bestemd waren voor een bedrijf in Portugal, [bedrijf 2], en dat de zending al op 16 februari 2006 aan de klant was vrijgegeven. Dat [bedrijf 1] de zending aan haar klant vrijgaf op de dag vóórdat de zending door de leverancier [bedrijf 9] aan [bedrijf 1] zelf was vrijgegeven, wekte bevreemding en was voor de FIOD-ECD aanleiding om een onderzoek in te stellen bij [bedrijf 1], gevestigd op het adres [adres 1].

[bedrijf 1]

Uit het zich in het dossier bevinden Uitreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat enig aandeelhouder en directeur van [bedrijf 1] is de heer [medeverdachte 1].

Onderzoek administratie

Op 15 maart 2006 en op 24 maart 2006 zijn door [medeverdachte 1] vrijwillig administratieve bescheiden van [bedrijf 1] overhandigd aan de FIOD-ECD (m.n. bankafschriften en facturen). Op 8 november 2006 zijn nog eens vier ordners met administratie ter beschikking van het onderzoek gesteld.

De in de tenlastelegging genoemde en omschreven documenten (invoices, purchase orders en een receipt of goods) bevonden zich alle in de administratie afkomstig van [bedrijf 1].

Verbalisant [verbalisant 1] van de FIOD-ECD heeft aan de hand van de overgelegde administratie van [bedrijf 1] een overzicht gemaakt van de goederenbewegingen. Hieruit blijkt dat door [bedrijf 1] mobiele telefoons zijn verkocht aan:

- [bedrijf 2] (Portugal;

- [bedrijf 4] (Portugal);

- [bedrijf 10] (Tsjechië);

- [bedrijf 6] (Polen);

- [bedrijf 11] (Italië).

Voor het vervoer en de opslag van de zendingen werd veelal gebruik gemaakt van [bedrijf 8] in Belgie.

Uit voormelde gegevens blijkt dat bij de verkoop van de telefoons in alle gevallen voor [bedrijf 1] de winst per toestel 1 GBP bedroeg.

Bij de eerste vier gedachtestreepjes in de tenlastelegging wordt een drietal facturen (invoices) en een ontvangstbewijs (receipt of goods) (genummerd respectievelijk D-4a, D-4d, D-4v en D-4i) genoemd, die betrekking hebben op onder meer telefoons van het type Sony Ericsson P990(i) en Samsung Serene. De facturen zijn gedateerd 25 januari 2006, respectievelijk 9 februari 2006 en 27 maart 2006. Het ontvangstbewijs is niet gedateerd, maar is blijkens de fax-regel bovenaan de pagina gefaxt op 28 februari 2006. De rechtbank stelt vast dat de receipt of goods is voorzien van een bedrijfstempel van [bedrijf 1 groep] en van een handtekening waarbij in schrijfletters de naam [medeverdachte 1] is toegevoegd.

De stelling van de officier van justitie in haar requisitoir is dat deze facturen en dit ontvangstbewijs vals zijn, omdat genoemde toestellen in de periode waaruit de documenten dateren, nog niet in productie en op de markt verkrijgbaar waren.

De verdediging heeft gesteld dat niet bewezen is dat de bedoelde toestellen destijds nog niet verhandelbaar waren. Wat betreft de Samsung Serene heeft de raadsman daarbij gewezen op de brief van 26 oktober 2010 van Samsung Nederland. Wat betreft de Sony Ericsson P990(i) is de raadsman van mening dat de brief van Sony Ericsson Nederland van 9 november 2010 onvoldoende stellig is.

De rechtbank overweegt dat Samsung Nederland in haar brief van 26 oktober 2010 aan de FIOD-ECD heeft geschreven dat de mogelijkheid dat de Samsung Serene in de eerste anderhalve maand van 2006 buiten Europa geproduceerd/geleverd is zeer reëel kan zijn.

Daarmee kan niet worden volgehouden dat dit toestel niet verhandelbaar was in Europa in het eerste kwartaal van 2006. Nu echter de Samsung Serene niet in de tenlastelegging figureert in de uitwerking van de feitelijkheden waaruit het valselijk opmaken van de vermelde documenten zou hebben bestaan, staat dit gegeven niet aan een bewezenverklaring in de weg.

Wat betreft de Sony Ericsson P990(i) heeft Sony Nederland, na eerdere correspondentie, uiteindelijk op 6 december 2010 laten weten dat volgens de haar ter beschikking staande informatie dit toestel op 25 januari 2006, 9 februari 2006 en 27 maart 2006 nergens in de wereld verhandelbaar was. Naar het oordeel van de rechtbank is deze mededeling niet voor tweeërlei uitleg vatbaar.

Op de zitting heeft de raadsman van verdachte uitdraaien van het internet overgelegd. Dit betreft technische beoordelingen van dit type toestel, waarin wordt vermeld dat het eind 2005, begin 2006 op de markt zal komen. De officier van justitie heeft daartegenover gesteld dat het bij deze beoordelingen zeer waarschijnlijk ging om demonstratietoestellen, die aan recensenten ter beschikking zijn gesteld, terwijl het toestel nog op de markt moest komen. Sony Ericsson heeft verklaard dat dit laatste pas in juli 2006 het geval was.

De rechtbank houdt het er dan ook voor dat de Sony Ericsson P990(i) in het eerste kwartaal van 2006 nog niet in productie en nog niet op de markt verkrijgbaar was.

De in de tenlastelegging bij het vijfde gedachtestreepje genoemde purchase order (D-5g) is onderdeel van een set faxberichten, D-5a t/m D-5g. Documenten D-5a t/m D-5d betreffen sales orders, alle gedateerd 17 februari 2006, verzonden op 20 februari 2006 te 12.47 uur, afkomstig van [bedrijf 5] en gericht aan [bedrijf 1]. Het betreft de levering van mobiele telefoons van de merken Samsung, Motorola en Nokia voor een totaalbedrag van 1.836.410,00 BPG. Uit de faxbladen met de nummers D-5e en D-5f blijkt dat deze bescheiden op 20 februari 2006 om respectievelijk 14.26 en 14.28 uur vanaf het faxnummer van [bedrijf 1 groep] te Alkmaar zijn verstuurd naar een faxnummer in Rusland. Op diezelfde 20e februari 2006 is vanaf het faxnummer van de [bedrijf 1 groep] een purchase order (D-5g) verzonden naar het faxnummer van [bedrijf 5]. De purchase order vermeldt het totaalbedrag van 1.836.410,00 BPG en als afleveradres [bedrijf 8] België. Het document is gedateerd 17 februari 2006. Deze gang van zaken wijst erop dat de purchase order achteraf, dat wil zeggen na ontvangst van de sales order, is opgemaakt en is geantedateerd.

De in de tenlastelegging bij het zesde gedachtestreepje genoemde purchase order (D-6e) is onderdeel van een set faxberichten, D-6a t/m D-6e. Documenten D-6a t/m D-6c betreffen invoices, alle gedateerd 20 februari 2006, verzonden op 21 februari 2006 te 15.15 uur, afkomstig van [bedrijf 5] en gericht aan [bedrijf 1]. Het betreft de levering van mobiele telefoons van de merken Motorola en Nokia voor een totaalbedrag van 1.268.487,50 BPG. Uit het faxblad met nummer D-6e blijkt dat deze bescheiden op 21 februari 2006 om 17.41 uur vanaf het faxnummer van [bedrijf 1 groep] te Alkmaar zijn verstuurd naar een faxnummer in Rusland. Op diezelfde 21e februari 2006 is vanaf het faxnummer van de [bedrijf 1 groep] een purchase order (D-6e) verzonden naar het faxnummer van [bedrijf 5]. De purchase order vermeldt het totaalbedrag van 1.268.487,50 BPG en als afleveradres [bedrijf 8] België. Het document is gedateerd 20 februari 2006. Deze gang van zaken wijst erop dat de purchase order achteraf, dat wil zeggen na ontvangst van de sales order, is opgemaakt en is geantedateerd.

De in de tenlastelegging bij het zevende gedachtestreepje genoemde purchase order (D-7d) is onderdeel van een set faxberichten, D-7a t/m D-7d. Documenten D-7a en D-7b betreffen invoices, beide gedateerd 8 maart 2006, verzonden op 9 maart 2006 te 16.27 uur, afkomstig van [bedrijf 5] en gericht aan [bedrijf 1]. Het betreft de levering van mobiele telefoons van de merken Sony Ericsson en Nokia voor een totaalbedrag van 1.194.960,00 BPG. Uit het faxblad met nummer D-7c blijkt dat deze bescheiden op 10 maart 2006 om 07.36 uur vanaf het faxnummer van [bedrijf 1 groep] te Alkmaar zijn verstuurd naar een faxnummer in Rusland. Op diezelfde 10e maart 2006 is vanaf het faxnummer van de [bedrijf 1 groep] een purchase order (D-7d) verzonden naar het faxnummer van [bedrijf 5]. De purchase order vermeldt het totaalbedrag van 1.194.960,00 BPG en als afleveradres [bedrijf 8] België. Het document is gedateerd 9 maart 2006. Deze gang van zaken wijst erop dat de purchase order achteraf, dat wil zeggen na ontvangst van de sales order, is opgemaakt en is geantedateerd.

De gang van zaken rond de purchase orders D-5g, D-6e enD-7d, waarbij eerst een verkooporder wordt ontvangen door [bedrijf 1] in Alkmaar, deze wordt doorgestuurd naar Rusland, waar [verdachte] verblijft, en daarna pas een bestelling wordt verstuurd naar de leverancier, is in strijd met hetgeen gebruikelijk is in het handelsverkeer. Normaal gesproken wordt er immers eerst tussen koper en verkoper onderhandeld over de te leveren artikelen en over de prijs. Wanneer er overeenstemming is bereikt en een overeenkomst is gesloten, wordt door de koper een bestelling opgegeven aan de leverancier en vervolgens ontvangt de koper een (inkoop)factuur van de leverancier.

Dat bij [bedrijf 1] de omgekeerde procedure is gevolgd, duidt erop dat er geen sprake is geweest van reële handelstransacties.

Bij het achtste gedachtestreepje in de tenlastelegging ten slotte gaat het om de invoice aangeduid als D-17a, deel uitmakend van een set documenten D-17a tot en met D-17e.

D-17b is een factuur (invoice), gedateerd 13 juni 2006, afkomstig van [bedrijf 13], gericht aan [bedrijf 1], betreffende de verkoop van 1547 Nokia N80 telefoons en 2200 Samsung SGH i310 telefoons voor een totaalbedrag van 1.728.649,50 Britse ponden. [bedrijf 1] verkoopt blijkens de invoice D-17a dezelfde telefoons op 15 juni 2006 voor in totaal 1.732.396,50 pond aan [bedrijf 6]. Bij release note van 31 juli 2006, ondertekend door [verdachte], geeft [bedrijf 1] aan [bedrijf 8] in Veurne België toestemming om de goederen vrij te geven aan [bedrijf 6]. Dit valt niet te rijmen met het feit dat volgens de vrachtbrieven (CMR's) (D-17c en D-17d) de telefoons pas op 3 augustus 2006 zijn verscheept vanuit Londen naar [bedrijf 8] in België.

Ook valt hierbij weer op dat de winstmarge tussen de inkoop door [bedrijf 1] en de verkoop aan [bedrijf 6] exact één Brits pond per unit bedraagt.

Verklaringen getuige [getuige 1]

[getuige 1] van [bedrijf 8] in België heeft op 1 juni 2006 tegenover de Gerechtelijke Politie in België onder meer het volgende verklaard :

Ik maakte nooit nieuwe documenten, zoals een nieuwe CMR (de rechtbank begrijpt: vrachtbrief), op. De vrachtwagens vertrokken met de oorspronkelijke CMR’s die door mij voor [bedrijf 8] voor ontvangst waren afgetekend. In verband met de ladingen die niet werden afgeladen wens ik nog te verduidelijken dat ik dit kon zien aan de hand van de CMR’s, dat ze niet moesten worden uitgeladen, meer bepaald onder de rubriek 4 ‘Consignee’. Wanneer de goederen niet moesten afgeladen worden stond er in die rubriek steevast vermeld c/o (de rechtbank begrijpt: ‘care of’) [bedrijf 8] en het adres van de uiteindelijke bestemming. Ik wist dan dat ik die CMR’s enkel voor ontvangst door [bedrijf 8] moest aftekenen en afstempelen en dat de vrachtwagens in kwestie onmiddellijk opnieuw met de goederen vertrokken.(…)

Alle CMR’s met onder rubriek Consignee de vermelding “c/o [bedrijf 8] + een ander adres” zijn nooit uitgeladen geworden. Van die zendingen heb ik enkel voor [bedrijf 8] de CMR’s voor ontvangst afgetekend en -gestempeld waarna die vrachtwagens onmiddellijk opnieuw met die goederen zijn vertrokken.

Op 20 juni 2006 is [getuige 1] geconfronteerd met 172 CMR’s, gedateerd tussen 26 januari en 29 mei 2006, geadresseerd aan [verdachte] c/o [bedrijf 8]. Hij verklaarde daarop onder meer het volgende :

Ik heb kennis genomen van al de CMR’s voornoemd. (…)

De bestelwagens zijn wel naar mijn adres gekomen. Ik heb ook in al deze gevallen de CMR’s getekend voor ontvangst. De bestelwagens zijn, zonder afgeladen te worden, onmiddellijk daarna met de ladingen weggereden. Zoals ik eerder verklaarde betekent “c/o [bedrijf 8]” dat ik de goederen niet in ontvangst moest nemen, maar enkel de CMR’s voor ontvangst moest ondertekenen.

Op 5 oktober 2006 heeft [getuige 1] tot slot verklaard :

De dag nadat er een “vrachtwagen” was langs geweest, ontving ik tevens een release note van die klant, via fax. Op dag één kwam de “vrachtwagen” langs. Aan de hand van de adressering “X-c/o [bedrijf 8]” wist ik dat de goederen niet moesten uitgeladen worden, maar dat ik de CMR wel moest afstempelen en tekenen voor ontvangst. Die “vrachtwagen” vertrok terug met zijn oorspronkelijke lading.(…) Op dag twee ontving ik dan een release note van klant X, inhoudende dat de goederen ‘released’ werden naar een ander bedrijf zoals (…) [bedrijf 10], [bedrijf 6](…) [bedrijf 2].

Verklaringen verdachten

De raadsman heeft naar voren gebracht dat de verklaring van de verdachte [verdachte], afgelegd op 25 maart 2009 tegenover verbalisanten van de FIOD-ECD, niet als een bekentenis gelezen mag worden. [verdachte] is in dat verhoor geconfronteerd met informatie die hem destijds, in de periode januari – augustus 2006, niet bekend was en op basis daarvan heeft hij verklaard dat hij op het moment van het verhoor wel inzag, dat hij waarschijnlijk het slachtoffer was van een criminele bende, c.q. een zogeheten BTW-carroussel.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit het proces-verbaal van bedoeld verhoor (V-2-1) blijkt dat [verdachte] in de ochtend gedurende ongeveer twee uren is verhoord. Aan het einde van de ochtend heeft hij gezegd:

Het is nu 12.15 uur. Ik wil eerst even telefonisch overleg met mijn vader plegen en een sigaret roken. Daarna zal ik u openheid van zaken geven. (p. 5)

Hierop is het verhoor tot 12.55 uur onderbroken. In die tijd is [verdachte] in de gelegenheid gesteld om telefonisch met zijn vader te overleggen. Vervolgens heeft hij een heldere en consistente verklaring afgelegd, die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat. De rechtbank kan hierin niets anders lezen dan dat [verdachte] er, na consultatie van zijn vader, bewust voor heeft gekozen om de waarheid te vertellen. Daarbij zij nog opgemerkt dat hij vijf dagen later, bij aanvang van het tweede verhoor, heeft gezegd dat hij bleef bij zijn eerder afgelegde verklaring.

Op de zitting van 28 september 2010 heeft [verdachte] desgevraagd niet kunnen uitleggen waarom hij bij de FIOD-ECD had verklaard: Op voorhand wist ik dat het allemaal fout zat. Hij heeft zich slechts beroepen op zijn zwijgrecht.

Uit de verklaring van [verdachte] ter terechtzitting, noch uit de toelichting van de raadsman komt naar het oordeel van de rechtbank een overtuigende verklaring naar voren waarom de door hem bij de FIOD-ECD afgelegde verklaring onjuist zou zijn. De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van deze verklaring en zal deze bezigen tot het bewijs.

In het verhoor van 25 maart 2009 heeft [verdachte] onder meer het volgende verklaard :

In het geval van de zogenaamde telefoonhandel waarbij [bedrijf 1] betrokken is geraakt kan ik opmerken dat er iemand was die de deals regelde. Hij noemde zichzelf “Spider”. Het was een Engels sprekende persoon die ik telefonisch kon bereiken op een 0044-nummer of een 00971-nummer. Het eerste nummer is in Engeland en het tweede nummer is in Dubai. Deze persoon belde mij op en gaf mij door wat ik die dag ging kopen en bij wie en aan wie ik die dag ging verkopen. Hij noemde altijd de hoeveelheden, de types en de stuksprijzen. Deze “Spider” heb ik overigens nooit gezien. Er waren drie personen in dit geheel. Naast “Spider” waren dat “Pirat” en “Boss” en met alle drie heb ik telefonische contacten gehad op nummers in zowel Engeland als Dubai. Met alle drie had ik contacten maar de meeste contacten waren met “Spider”. “Boss” had bepaald dat ik een winstmarge mocht nemen van £ 1,- per toestel. In het begin had ik het telefonische contact met “Boss” en hij zei mij toen dat dit het vaste bedrag was wat ik er aan zou overhouden.

Het zal ongeveer in de zomer 2005 zijn geweest dat ik telefonisch ben benaderd door “Spider” of “Pirat”. Deze zei dat zij “mutual friends” uit het verleden zochten om in de handel met mobiele telefoons te gaan. Daarbij werd al gezegd dat hij mij leveranciers en afnemers zou aanreiken en dat mijn winst £ 1,- per toestel zou zijn. Hij zei ook dat ik een bankrekening bij de First Curaçao Bank moest openen. Ik heb dat toen gedaan met de firma [bedrijf 14], volgens mij een firma van mijn vader. U toont mij een aantal bescheiden, genummerd D-24a t/m D-24d. Inderdaad is het deze bankrekening die toen door mij is geopend en ik heb mijn vader laten tekenen voor de opening daarvan.

Kort daarna werd ik gebeld door “Boss” die mij vertelde dat de naam van deze rechtspersoon hem niet aansprak en dat hij een andere B.V. wilde gaan gebruiken. Ik heb hem toen aangeboden om met [bedrijf 1], te gaan werken. Hij vond dat goed en vervolgens heb ik ook voor deze rechtspersoon een bankrekening geopend bij de First Curaçao Bank. U toont mij de bescheiden, genummerd D-23a t/m D-23i. Ik heb voor deze bankrekening mijn vader laten tekenen. Op deze bescheiden komt mijn handschrift voor; ik heb de diverse formulieren ingevuld. Op een gegeven moment kreeg ik van één van de drie, “Boss”, “Spider”of “Pirat”, te horen dat ik van bank moest wisselen en daarom heb ik in hun opdracht een bankrekening geopend bij SLDL in Zweden. Het merendeel van de betalingen die via deze bankrekening zijn gelopen is niet door mij verricht.

Voor wat betreft het hele financiële verhaal was het simpel. “Spider” belde mij op en zei dat hij geld naar mijn bankrekening bij de First Curaçao Bank ging overmaken en vroeg mij of ik het geld wilde doorboeken naar mijn leverancier. Ik moest dan zorgen dat ik aan mijn computer zat en het meteen overmaken.

Met mijn leveranciers had ik geen gesprekken over wat en hoe er geleverd zou worden. Er is dus door mij nooit onderhandeld over aantallen, prijzen en leveringscondities. Alles stond al vast. Ten aanzien van de afnemers is het eenzelfde verhaal. Met iemand van [bedrijf 2] heb ik wel eens gebeld over facturen of zoiets maar met de andere afnemers had ik geen contacten. We verstuurde ik mijn verkoopfacturen per post of email aan mijn afnemers.

Op voorhand wist ik dat het allemaal fout was maar niemand heeft mij dit verteld. Ik heb op internet genoeg gelezen hoe een BTW-fraude in de handel met mobiele telefoons werkt. In het verleden ben ik eerder met uw dienst in aanraking gekomen. Toen handelde ik ook in mobiele telefoons en ben toen door u aangehouden. Ik snap natuurlijk wel hoe het allemaal zat en zit. Om geld te kunnen verdienen heb ik dit gedaan. Het was natuurlijk stom maar ik had financiële problemen en ben om die reden dit gaan doen.

Op de vraag of er in dit geval volgens mij sprake geweest van reële handelstransacties, antwoord ik: Neen.

Op 30 maart 2009 is [verdachte] opnieuw gehoord door de FIOD-ECD . In dit verhoor zijn hem bescheiden getoond, voorzien van de bijlagenummers D-4a tot en met D-4l, D-4p tot en met D-4r en D-4v t/m D-4x. Dit betreft inkoopfacturen, verkoop-facturen, CMR’s, een ontvangstbewijs, een sales order en een Inspection Report. In reactie hierop heeft [verdachte] onder meer verklaard:

In zijn algemeenheid kan ik verklaren dat alleen ik de verkoopfacturen opmaakte. Dat kan zijn geweest in Alkmaar, als ik in Nederland was, of in Rusland, als ik in Rusland was. De inkoopfacturen of sales orders werden altijd naar het kantooradres in Alkmaar gestuurd, zowel per fax als per post. Het ontvangstbewijs D-4i is door mijn vader ondertekend op mijn verzoek zonder dat ik zeker wist of we de daarin vermelde goederen zouden zijn ontvangen. In ieder geval zijn ze niet in Alkmaar ontvangen want daar is nooit gelost.

Ik verzorgde de administratie [bedrijf 1] Zoals ik eerder heb verklaard was er helemaal geen sprake van enige vorm van handel. In feite is het een papieren gebeuren geweest waarbij ik werd aangestuurd vanuit Dubai en/of Engeland door personen die ik nooit in persoon heb ontmoet en waarvan ik de echte namen niet ken. Ik kende deze mensen alleen als “Boss”, “Pirat” en “Spider”. Alle contacten met hen zijn telefonisch geweest.

Op de vraag van de verbalisanten of zijn administratie een juiste weergave gaf van hetgeen gebeurd is of dat kon worden gesteld dat deze in zijn geheel in strijd met de waarheid en dus vals was, antwoordde [verdachte]:

Achteraf gezien kan ik natuurlijk wel stellen dat alles vals is.

Ook [medeverdachte 1] is gehoord. Hij heeft onder meer verklaard:

Binnen [bedrijf 1] zijn met mijn toestemming door mijn zoon [verdachte] bepaalde handelsactiviteiten gedaan. Mijn zoon [verdachte] kwam op een gegeven moment met een handel in telefoons aan. Hij ging in die periode ook veel en langdurig naar Rusland. Als [verdachte] in Rusland was heb ik op zijn verzoek bepaalde faxen ontvangen en verzonden en heb ik bepaalde documenten ondertekend. Ik was immers de directeur van de B.V.. Zo heb ik faxen van derden ontvangen die ik naar [verdachte] in Rusland heb doorgezonden. Maar ook heb ik faxen ontvangen van [verdachte] en die heb ik doorgezonden naar nummers die ik van hem doorkreeg.

De verhorende verbalisanten hebben [medeverdachte 1] de documenten D-5a tot en met D-5g getoond. Gevraagd naar een reactie, verklaarde hij:

In dit geval heb ik faxen ontvangen van [bedrijf 5 groep] uit Engeland en die heb ik doorgestuurd naar [verdachte] in Rusland. Van [verdachte] heb ik vervolgens een purchase order per fax ontvangen en die heb ik weer teruggestuurd naar Engeland. Dit alles heb ik gedaan op verzoek van [verdachte]. Zo ging het altijd. Eerst kreeg ik faxen vanuit het buitenland, stuurde die naar [verdachte] in Rusland en vervolgens ontving ik een fax van hem die ik weer naar het buitenland stuurde. Dat betrof altijd een purchase order.

Nadat hem de documenten D-6a tot en met D-6e waren getoond, verklaarde [medeverdachte 1]:

Zoals gezegd ontving ik altijd eerst faxen vanuit met name Engeland. Die stuurde ik vervolgens door naar [verdachte] in Rusland en daarna kreeg ik per fax van hem een purchase order.

In reactie op documenten D-7a tot en met D-7d verklaarde hij:

Ook in dit geval heb ik eerst de spullen uit Engeland gekregen en deze vervolgens per fax naar [verdachte] gezonden.

Met betrekking tot de documenten D-4a t/m D-4r en D-12a t/m D-12e ten slotte heeft [medeverdachte 1] verklaard:

Verkoopfacturen, zoals bijlage D-4a, heb ik nooit gemaakt. Volgens mij heeft alleen [verdachte] dergelijke facturen opgemaakt. De namen van de afnemers die op dergelijke facturen staan ken ik niet en ik heb daar nimmer contacten mee gehad. Ik zie dat ik op D-4i getekend heb voor ontvangst van goederen. Het is inderdaad mijn handtekening en ik heb ook mijn eigen naam daarbij geschreven. Dergelijke papieren tekende ik wel vaker. Ik snap nu dat ik daarmee heb aangegeven dat ik in Alkmaar bepaalde goederen zou hebben ontvangen maar daar is nooit sprake van geweest. Ik heb dergelijke papieren, zijnde ontvangstbevestigingen, getekend op verzoek van [verdachte].

conclusie

Op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen kan de rechtbank geen andere conclusie trekken dan dat het in deze zaak gaat om schijntransacties en dat verdachte, samen met zijn medeverdachte, de in de tenlastelegging genoemde documenten telkens opzettelijk valselijk heeft opgemaakt op de wijze zoals in de tenlastelegging omschreven.

Het onder 1 ten laste gelegde feit acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen.

FEIT 2

Door de FIOD-ECD is onderzoek gedaan naar de rekeningen die ten name van [bedrijf 1] werden aangehouden bij de First Curaçao International Bank NV (FCIB). Het betreft de rekening met nummer [rekening 1] in GBP-valuta en de rekening met nummer [rekening 2] in euro-valuta. Deze rekeningen zijn op 22 december 2005 geopend op verzoek van [medeverdachte 1]. [verdachte] heeft ter terechtzitting van 29 september 2010 verklaard dat de rekeningen bij FCIB niet voor andere transacties werd gebruikt dan voor de in dit dossier bedoelde transacties.

De FCIB-rekening in GBP-valuta is actief geweest in de periode 23 januari 2006 tot en met 27 juli 2006. Vanaf deze rekening werden geldbedragen overgemaakt naar onder meer de euro-valuta rekening van [bedrijf 1] en naar de ING-rekening van [bedrijf 1] met nummer [rekening 3]. Op deze rekening werden bedragen ontvangen van onder meer [bedrijf 2], [bedrijf 6], [bedrijf 11], [bedrijf 10] en [bedrijf 4]. Dit zijn bedrijven waaraan [bedrijf 1] op papier mobiele telefoons verkocht.

De FCIB-rekening in euro-valuta is actief geweest in de periode 31 januari 2006 tot en met 5 mei 2006. In deze periode is een bedrag van bijna € 63.000,- ontvangen vanuit de FCIB-GBP-rekening en overgemaakt naar de ING-rekening van [bedrijf 1] met nummer [rekening 3].

De FIOD-ECD heeft tevens onderzoek gedaan naar de rekening van [bedrijf 1] bij de ING met nummer [rekening 3]. Hieruit blijkt dat deze rekening in de periode 27 januari 2006 tot en met 14 september 2006 voornamelijk werd gevoed met gelden die afkomstig waren van de rekening van [bedrijf 1] bij FCIB. Het totaalbedrag dat vanuit de FCIB-rekening naar de ING-rekening is gevloeid bedroeg € 417.620,00. Na 14 september 2006 werd voornamelijk geld naar deze rekening overgeboekt vanuit de andere ING-rekening van [bedrijf 1] ([rekening 4]). Betalingen werden vanuit deze rekening verricht naar onder meer [bedrijf 16], [verdachte], [bedrijf 17], [bedrijf 14] en [verdachte]. Daarnaast zijn er kasopnames gedaan, die grotendeels in Rusland hebben plaatsgevonden.

[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij degene was die deze kasopnames verrichtte.

Uit onderzoek is verder gebleken dat in de periode 6 juni 2006 tot en met 5 oktober 2006 vanaf de ING-rekening van [bedrijf 1] met nummer [rekening 4] gelden zijn overgemaakt naar [verdachte], [bedrijf 17], [bedrijf 14] en [bedrijf 16]. Daarnaast zijn er kasopnames gedaan.

Nader onderzoek naar de bedrijven [bedrijf 17], [bedrijf 14] en [bedrijf 16] heeft het volgende opgeleverd :

- enig aandeelhouder/directeur van [bedrijf 17] is [medeverdachte 1];

- [bedrijf 14] is de oude statutaire naam van [bedrijf 18]; enig aandeelhouder/directeur is [bedrijf 17];

- [bedrijf 16] is de oude statutaire naam van [bedrijf 19]; enig aandeelhouder/directeur in de periode 27-4-2006 tot 31-12-2007 was [bedrijf 20]. Enig aandeelhouder/directeur van [bedrijf 20] is [verdachte].

[verdachte] heeft over de ING-bankrekening ten name van [bedrijf 1] met nummer [rekening 3] verklaard dat zowel hij als zijn vader bevoegd waren om via deze bankrekening mutaties te verrichten. Zij hadden allebei een pas om contant geld op te nemen. [verdachte] heeft met zijn pinpas ook contant geld opgenomen in Rusland. Ook met betrekking tot de ING-bankrekening met nummer [rekening 4] waren zowel [verdachte] als zijn vader bevoegd om mutaties te verrichten.

Verder heeft [verdachte] verklaard dat hij op instigatie van ‘Spider’ of ‘Pirate’ (de personen door wie hij in de internationale handel in mobiele telefoons was betrokken) een bankrekening heeft geopend bij de First Curaçao International Bank NV (FCIB). Hij heeft dit gedaan met de firma [bedrijf 14] van zijn vader en hij heeft zijn vader voor het openen van de rekening laten tekenen. Later heeft [verdachte] een bankrekening bij de FCIB geopend op naam van [bedrijf 1]. Ook hiervoor heeft hij zijn vader laten tekenen, aldus [verdachte].

Voorts heeft hij verklaard:

Ik ben degene geweest die de betalingsopdrachten voor de bankrekening bij de First Curaçao Bank heb gegeven. Mijn winst heb ik vanaf deze bankrekening overgemaakt naar de ING-rekening in Nederland. Ikzelf heb vervolgens via deze bankrekening geld overgemaakt naar andere bankrekeningen van bedrijven die van mijn vader en mij waren. Dit alles om rekeningen daarvan te kunnen betalen. U houdt mij voor dat er van de bankrekening bij de First Curaçao Bank naar de ING-rekening € 417.620,- is overgeboekt. Vanuit die bankrekening is geld overgemaakt naar diverse andere bankrekeningen maar er is ook geld contant opgenomen. In ieder geval is het bedrag van € 417.620,- mijn winst geweest.

[medeverdachte 1] heeft bevestigd dat de formulieren voor de rekeningen van [bedrijf 1] bij de FCIB door [verdachte] zijn ingevuld en door hem, [medeverdachte 1], ondertekend. Ook bevestigt hij dat zowel hij als [verdachte] geld konden pinnen van de ING-rekening van [bedrijf 1].

De rechtbank is op grond van genoemde bewijsmiddelen, in samenhang met hetgeen hiervoor met betrekking tot feit 1 is overwogen, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte, samen met zijn medeverdachte, geldbedragen tot een totaal van € 417.620,- heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl zij wisten dat deze bedragen van misdrijf afkomstig waren. Dit levert het misdrijf van witwassen op. De stelselmatigheid waarmee dit is gebeurd, alsmede de lange pleegperiode maken dat naar het oordeel van de rechtbank in dit geval gesproken kan worden van gewoonte-witwassen.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1. en 2. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 2 augustus 2006 te Alkmaar en in Rusland, tezamen en in vereniging met een ander, telkens facturen en andere documenten, te weten, onder meer:

1- een invoice voorzien van het nummer 20060005 [bedrijf 1] aan [bedrijf 2], gedateerd 25-01-2006, inzake de verkoop van 1500 Nokia 9300i en 95 Samsung i300 en 800 Sony Ericsson P990i, voor een totaalbedrag van 1.208.020,00 Engelse ponden (bijlage D-4a)

en

2- een invoice voorzien van het nummer 20060014 [bedrijf 1] aan [bedrijf 2], gedateerd 09-02-2006, inzake de verkoop van 200 Samsung SGH Serene en 1400 Nokia 3250 en 450 Sony Ericsson P990 en 98 Nokia 8800 Gold, voor een totaalbedrag van 1.186.508,00 Engelse ponden (bijlage D-4d)

en

3- een receipt of goods gericht aan [verdachte], [bedrijf 1] van [bedrijf 3] voor de ontvangst van 720 Nokia 8800 en 600 Sony Ericsson P990 (bijlage D-4i)

en

4- een invoice voorzien van het nummer 20060059 [bedrijf 1] aan [bedrijf 4], gedateerd 27-03-2006 inzake de verkoop van 1617 Nokia 9300i en 1000 Sony Ericsson P990 en 1578 Sony Ericsson W900l, voor een totaalbedrag van 2.143.843,00 Engelse ponden (bijlage D-4v)

en/of

5- een purchase order voorzien van het ordernummer 02200614 [bedrijf 1] aan [bedrijf 5], gedateerd 17 februari 2006, inzake de inkoop van 400 Samsung SGH-Serene en 1235 Motorola A780 en 1250 Nokia 9500 en 1000 Nokia N90, voor een totaalbedrag van 1.836.410,00 Engelse ponden (bijlage D-5g)

en

6- een purchase order voorzien van het ordernummer 02200616 [bedrijf 1] aan [bedrijf 5], gedateerd 20 februari 2006, inzake de inkoop van 1700 Motorola A780 en 1375 Nokia N90 en 350 Nokia 8800 Gold, voor een totaalbedrag van 1.268.487,50 Engelse ponden (bijlage D-6e)

en

7- een purchase order voorzien van het ordernummer 03200602 [bedrijf 1] aan [bedrijf 5], gedateerd 9 maart 2006, inzake de inkoop van 1090 Nokia 9300i en 1720 Sony Ericsson W900i, voor een totaalbedrag van 1.194.960,- Engelse ponden (bijlage D-7d)

en

8- een invoice voorzien van het nummer 20060249 [bedrijf 1] aan [bedrijf 6], gedateerd 15-06-2006 inzake de verkoop van 1547 Nokia N80 en 2200 Samsung i310, voor een totaalbedrag van 1.732.396,50 Engelse ponden (bijlage

D-17a),

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,

telkens valselijk heeft opgemaakt,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader, telkens valselijk en in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven –

met betrekking tot de voornoemde invoices en purchase orders:

- doen voorkomen dat sprake was van verkoopovereenkomsten en koopovereenkomsten tussen de op die invoices of purchase orders vermelde ondernemingen met betrekking tot de op de invoices of purchase orders vermelde goederen

en

- doen voorkomen dat de op die invoices of purchase orders vermelde ondernemingen overeenstemming hadden bereikt over de eigendomsoverdracht van de op de invoices of purchase orders genoemde goederen voor de in de invoices of purchase orders vermelde geldbedragen

en

- doen voorkomen dat aan die invoices of purchase orders een voor een rechtsgeldige overeenkomst vereiste wilsovereenstemming tussen de op de invoices of purchase orders vermelde verkoper en koper aanwezig was

en

- doen voorkomen dat er sprake was van handel in mobiele telefoons van het merk Sony Ericsson, type P990(i), terwijl dat type mobiele telefoon op dat moment nog niet in productie of op de markt verkrijgbaar was

en met betrekking tot voornoemde receipt of goods

- door middel van het plaatsen van een handtekening en een bedrijfsstempel doen voorkomen dat de op dat receipt of goods vermelde goederen zijn ontvangen door [bedrijf 1]

en

- doen voorkomen dat er sprake was van de ontvangst van 600 mobiele telefoons van het merk Sony Ericsson, type P990, terwijl dat type mobiele telefoon op dat moment nog niet in productie of op de markt verkrijgbaar was,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 13 oktober 2006, te Alkmaar en in Rusland, tezamen en in vereniging met een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader meermalen voorwerpen, te weten geldbedragen tot een totaal van circa 417.620,- euro verworven en voorhanden gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van gewoontewitwassen

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden gevorderd.

Standpunt van de verdachte/de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair, in geval van een bewezenverklaring, heeft hij verzocht aan verdachte geen straf of maatregel op te leggen, dan wel te volstaan met een geheel voorwaardelijke straf.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de op te leggen straf rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en met de persoon van verdachte, zoals gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting en het op naam van naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 28 september 2010.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich, samen met een ander, schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van facturen en andere handelsdocumenten met betrekking tot mobiele telefoons, om zo de schijn van reële handelstransacties te wekken. Door dit frauduleuze handelen van verdachten is een grootschalige BTW-fraude mogelijk gemaakt, met zeer grote financiële schade voor de Britse staatskas tot gevolg. Verdachten hebben zelf tot een bedrag van ruim vier ton voordeel getrokken uit hun bedrog.

Daarnaast heeft de verdachte zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Door zo te handelen, heeft hij de integriteit van het financiële en het economische verkeer geschaad.

Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat verdachte als ‘gewaarschuwd man’ moet worden aangemerkt. De eerdere vervolging wegens BTW-fraude is weliswaar geëindigd in een vrijspraak, maar had voor verdachte wel een waarschuwing moeten zijn om zich niet in te laten met handelsrelaties op de wijze zoals in deze zaak is gebeurd

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat op de bewezen verklaarde feiten niet anders gereageerd kan worden dan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal deze dan ook opleggen, voor de duur van zes maanden.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 57, 225 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. Beslissing

? Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek Bewezenverklaring aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven in de rubriek Bewezenverklaring bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek Strafbaarheid van het bewezen verklaarde vermelde strafbare feiten.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

? Veroordeelt verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. van der Perk, voorzitter,

mr. L.J. Saarloos en mr. Y.M.I. Greuter-Vreeburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. Helder, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 april 2011.