Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BR4353

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
12-07-2011
Datum publicatie
08-08-2011
Zaaknummer
129405 - OT RK 11-646
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BX4459, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van artikel 1: 263b BW wordt namens Bureau Jeugdzorg verzocht de beschikking van 23 maart 2011 te wijzigen. In deze beschikking is een begeleide omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige vastgesteld, zoals door de Raad voor de Kinderbescherming is geadviseerd. Bureau Jeugdzorg verzoekt thans de omgangsregeling (voor onbepaalde tijd) op te schorten. De wijziging is gelegen in het feit dat sinds mei 2011 sprake is van een negatieve gedragsverandering bij de minderjarige, die in verband moet worden gebracht met de omgang met de vader. Daarnaast is de houding en opstelling van de moeder omtrent de wenselijkheid van de begeleide omgang sinds de vorige beschikking gewijzigd, omdat zij niet langer twijfelt of sprake is geweest van seksueel misbruik door de vader van de minderjarige. Door de toenemende weerstand en negatieve emoties van de minderjarige ten opzichte van het contact met zijn vader en de overtuiging van de moeder dat bedoeld misbruik heeft plaatsgevonden, kan de moeder zich niet meer vinden in begeleide omgang. Zij meent dat dit niet langer in het belang van de minderjarige is. De kinderrechter stelt vast dat verschil van inzicht tussen de verschillende deskundigen lijkt te bestaan over het effect dat voortzetten van begeleide omgang op de minderjarige zal hebben vanuit het oogpunt van vertrouwen en loyaliteit. De kinderrechter is van oordeel dat dit verschil van inzicht onbesproken kan blijven, gelet op het feit dat de beschreven gedragsverandering bij de minderjarige en veranderde houding bij de moeder er reeds toe nopen de huidige omgangsregeling op te schorten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR wijziging omgangsregeling

Sector civiel recht

SNO

Rekestnummer: 129405 / OT RK 11-646

Datum uitspraak: 12 juli 2011

Beschikking van de kinderrechter in bovenvermelde rechtbank, gegeven in de zaak met betrekking tot de minderjarige:

[NAAM MINDERJARIGE], geboren te [GEBOORTEPLAATS MINDERJARIGE], op [GEBOORTEDATUM MINDERJARIGE],

vader: [NAAM VADER], wonende te [WOONPLAATS VADER],

moeder: [NAAM MOEDER], wonende te [WOONPLAATS MOEDER],

gezag: de moeder.

PROCESGANG

De kinderrechter te Alkmaar heeft bij beschikking d.d. 22 februari 2011 de ondertoezichtstelling van de minderjarige uitgesproken voor de tijd van een jaar.

Op 6 juni 2011 heeft Bureau Jeugdzorg Noord-Holland te Alkmaar (hierna: BJZ) een verzoekschrift met bijlage(n) ingediend, strekkende tot stopzetting van de omgangsregeling in het kader van de ondertoezichtstelling.

De kinderrechter heeft kennis genomen van:

-het rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming van d.d. 26 januari 2011;

-een schrijven gedateerd 5 juli 2011 van Stichting Time-Out (ter zitting overgelegd);

-een op 5 juli 2011 door de rechtbank ontvangen schrijven van de speltherapeute van [NAAM MINDERJARIGE], mw. W. van den Bos.

Op 7 juli 2011 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld, blijkens het daarvan opgemaakt proces-verbaal. Verschenen zijn: mw. A. van den Berg, gezinsvoogd namens BJZ, de moeder bijgestaan door mr. E.M. Diesfeldt, de vader bijgestaan door mr. M. van der Weide, mw. W. van den Bos, pedagoge/speltherapeute van Opvoedkundig Adviesbureau Alkmaar en mw. Despotovic, psycholoog van de Stichting Time-Out.

STANDPUNTEN PARTIJEN

Ter zitting heeft de gezinsvoogd aangegeven dat BJZ het in het belang van [NAAM MINDERJARIGE] acht om de bij beschikking van de rechtbank te Alkmaar van 23 maart 2011 vastgestelde omgangsregeling tussen de vader en [NAAM MINDERJARIGE] (voor onbepaalde tijd) op te schorten. Om die reden is het onderhavige verzoek ingediend. De gezinsvoogd heeft intern overleg gehad met een teamleider en gedragswetenschapper, waarin zij gezamenlijk tot de conclusie zijn gekomen dat de omgangsregeling moet worden opgeschort. De gezinsvoogd heeft aangevoerd dat de situatie na voornoemde beschikking zodanig is gewijzigd dat voortzetting van de omgang tussen vader en [NAAM MINDERJARIGE] niet langer van [NAAM MINDERJARIGE] gevergd mag worden. [NAAM MINDERJARIGE] heeft na de meivakantie zeer gedetailleerd verteld aan zijn moeder over hetgeen is voorgevallen tussen zijn vader en hem. Hierop heeft de moeder wederom aangifte tegen de vader gedaan wegens verdenking van seksueel misbruik van [NAAM MINDERJARIGE].

Gelet op de gedetailleerdheid van de verklaring van [NAAM MINDERJARIGE] heeft de officier van justitie besloten het strafrechtelijk onderzoek te heropenen. Zolang niet duidelijk is wat de rol van vader is, vindt BJZ omgang niet in het belang van [NAAM MINDERJARIGE]. Daarnaast wil BJZ onderzoek doen naar de geestelijke gesteldheid en emotionele ontwikkeling van [NAAM MINDERJARIGE] - via informatievergaring bij derden - om zo een weloverwogen keuze te kunnen maken of omgang met de vader in het belang van [NAAM MINDERJARIGE] kan worden geacht. Eerder kan BJZ geen toestemming geven voor een omgangsregeling. De gezinsvoogd geeft verder aan dat zij de vertrouwensrelatie tussen [NAAM MINDERJARIGE] en de moeder niet verder onder druk wil zetten door [NAAM MINDERJARIGE] door zijn moeder naar zijn vader te laten brengen. Dit speelt met name nu [NAAM MINDERJARIGE] begin mei jongstleden tegen zijn moeder gedetailleerd is gaan vertellen over hetgeen tussen hem en de vader zou zijn voorgevallen en zijn moeder de persoon is aan wie hij zijn basisveiligheid ontleent. Tenslotte wil BJZ voorkomen dat [NAAM MINDERJARIGE] in een loyaliteitsconflict komt, door enerzijds in vertrouwen aan anderen te vertellen wat er is voorgevallen tussen zijn vader en hem en anderzijds met regelmaat contact met zijn vader te hebben. Ter zitting heeft de gezinsvoogd hieraan toegevoegd dat de speltherapie inmiddels is gestart met als doel de als gevolg van het misbruik ontstane trauma te verwerken. BJZ heeft bewust geen contact met de Raad opgenomen voor advies, omdat de Raad de zaak voor verdere inhoudelijke beoordeling aan BJZ heeft overgedragen in maart 2011. BJZ heeft Time Out wel benaderd voor informatie voorafgaand aan het indienen van onderhavig verzoek. Time Out heeft aangegeven dat de bezoeken de laatste paar keer goed zijn verlopen. BJZ trekt dit niet in twijfel, maar kent aan dit gegeven geen doorslaggevende betekenis toe, gezien de overige omstandigheden.

Ter zitting is namens de moeder naar voren gebracht dat zij altijd het belang van [NAAM MINDERJARIGE] voorop heeft gesteld. De moeder heeft tot mei 2011 zonder voorbehoud meegewerkt aan de begeleide omgang bij Stichting Time-Out, omdat zij meende dat dit in het belang van [NAAM MINDERJARIGE] was. Vanaf 8 mei jongstleden is er wezenlijk iets veranderd. [NAAM MINDERJARIGE] is die dag tegen zijn moeder zeer gedetailleerd gaan vertellen over hetgeen tussen [NAAM MINDERJARIGE] en zijn vader is voorgevallen. Door de inhoud van de verklaringen heeft de moeder niet langer de hoop dat [NAAM MINDERJARIGE] toch niet seksueel door zijn vader is misbruikt. Dit maakt dat de moeder het niet meer over haar hart kan verkrijgen om [NAAM MINDERJARIGE] bij zijn vader te brengen. De moeder meent dat zij borg moet staan voor de veiligheid van [NAAM MINDERJARIGE] en zijn vertrouwen niet mag beschamen. Ook de speltherapeute van [NAAM MINDERJARIGE], W. van den Bos, is van mening dat de veiligheid en ontwikkeling van [NAAM MINDERJARIGE] gewaarborgd dienen te worden en dat om die reden de omgang moet worden gestopt. Gelet hierop acht zij een omgangsregeling met de vader op dit moment schadelijk voor [NAAM MINDERJARIGE]. De moeder staat niet alleen in haar benadering; al eerder hebben mevrouw Prins, orthopedagoge, en mw. Despotovic van de Stichting Time Out hun zorgen over seksueel misbruik van [NAAM MINDERJARIGE] geuit.

Ter zitting is namens de vader aangevoerd dat hij zich niet kan vinden in een opschorting van de vastgestelde omgangsregeling. De vader benadrukt dat de Raad zeer recent heeft geadviseerd dat een begeleide omgangsregeling bij Stichting Time-Out in het belang van [NAAM MINDERJARIGE] is, welk advies door de rechtbank bij beschikking van 23 maart 2011 ook is opgevolgd. Aangezien de Raad ten tijde van het onderzoek en advies reeds bekend was met het strafrechtelijk onderzoek over het vermeende seksueel misbruik, stelt de vader dat er thans geen sprake is van een wijziging van omstandigheden. Bovendien stelt BJZ ten onrechte dat zij vooralsnog geen toestemming kunnen geven. De rechtbank heeft immers beslist tot begeleide omgang. Het punt van het loyaliteitsconflict maakt het volgens de vader ook niet anders, omdat de begeleide omgang goed loopt. Vader wil [NAAM MINDERJARIGE] ook niet tegen zijn zin naar de omgang laten gaan, maar dit is niet het geval. De vader meent dat BJZ bij de Stichting Time Out had moeten navragen hoe de omgang verloopt, alvorens tot het onderhavige verzoek te komen. Ook de vader meent dat de signalen van [NAAM MINDERJARIGE] serieus moeten worden genomen. Hangende deze procedure had BJZ niet mogen besluiten om de beschikking van 23 maart 2011 niet na te leven. Namens de vader wordt daarom verzocht het verzoek van BJZ af te wijzen. De vader heeft ter zitting aangegeven het gevoel te hebben dat hij al veroordeeld is voor een feit dat hij niet heeft gepleegd. De vader benadrukt dat ook hij vindt dat het belang van [NAAM MINDERJARIGE] voorop moet staan.

Mw. Van den Bos heeft schriftelijk naar voren gebracht dat zij [NAAM MINDERJARIGE] reeds acht maal om de twee weken heeft gezien in het kader van speltherapie. Naar aanleiding van deze spelsessies, waarin [NAAM MINDERJARIGE] verslag heeft gedaan van door zijn vader en opa (vaderszijde) bij hem verrichte ernstige seksuele handelingen, is zij van mening dat [NAAM MINDERJARIGE] (verdere) lichamelijke, emotionele en psychische schade zal oplopen indien hij de vader blijft ontmoeten. Gelet hierop acht de speltherapeute het van het grootste belang voor de gezondheid van [NAAM MINDERJARIGE] om de huidige omgangsregeling met zijn vader per direct stop te zetten. In aanvulling hierop heeft zij ter zitting verklaard dat het eenmaal is voorgekomen, in mei 2011, dat de moeder in haar bijzijn aan [NAAM MINDERJARIGE] vertelde dat hij die middag (toch) omgang met zijn vader zou hebben. [NAAM MINDERJARIGE] reageerde hevig emotioneel en met weerstand op deze mededeling. Moeder heeft hierbij getracht [NAAM MINDERJARIGE] te ondersteunen en te motiveren voor de omgang.

Mw. Despotovic heeft schriftelijk aangevoerd dat de Stichting Time Out geen beletsel ziet om de beschikking van 23 maart jongstleden uit te voeren, omdat de omgang zelf goed verloopt. Voorts heeft mw. Despotovic ter zitting desgevraagd meegedeeld dat zij in het najaar van 2010 kenbaar heeft gemaakt dat zij twijfelde of voortzetting van de omgang wel in het belang van [NAAM MINDERJARIGE] was, gezien de uitlatingen van [NAAM MINDERJARIGE] tegenover haar betreffende de seksuele handelingen die zijn vader met hem zou hebben verricht.

Desgevraagd heeft mw. Despotovic hieraan toegevoegd dat zij geen standpunt kan innemen over de vraag of voortzetting van de omgangsregeling in het belang van [NAAM MINDERJARIGE] is. Bij de Stichting Time Out werd de laatste bezoeken een positief contact tussen vader en zoon gezien. Dit wil echter niet zeggen dat geen sprake kan zijn van negatieve emoties/gedragsproblemen bij [NAAM MINDERJARIGE] die samenhangen met een omgangsmoment met zijn vader.

OVERWEGINGEN

In artikel 263b van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat de kinderrechter op verzoek van BJZ een rechterlijke beslissing tot vaststelling van een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht kan wijzigen voor de duur van de maatregel, voor zover dat noodzakelijk is met het oog op het doel van de maatregel.

In lid 2 van voornoemd artikel, voor zover van belang, is neergelegd dat de kinderrechter de rechterlijke beslissing kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.

De kinderrechter is van oordeel dat sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds de beschikking van 23 maart 2011.

Een wijziging is gelegen in het feit dat [NAAM MINDERJARIGE] in de na 23 maart 2011 gestarte speltherapie verslag heeft gedaan van bij hem verrichte seksuele handelingen.

Bovendien is blijkens de verklaring van de moeder ter zitting sinds mei jongstleden sprake van een negatieve gedragsverandering bij [NAAM MINDERJARIGE], niet alleen direct voor en na de omgang maar ook daarbuiten. [NAAM MINDERJARIGE] vertoont weerstand en veel spanning/emotie als zijn moeder hem naar Time Out brengt voor de omgang met zijn vader. De laatste keren deed [NAAM MINDERJARIGE] op weg naar huis bij herhaling uitlatingen als: "de piemel moet verbrand" en was hij heel emotioneel. Daarnaast slaapt hij slecht en is hij bang 's nachts.

Tenslotte stelt de rechtbank als gewijzigde omstandigheid vast dat de houding en opstelling van de moeder omtrent de wenselijkheid van een begeleide omgangsregeling tussen [NAAM MINDERJARIGE] en zijn vader is veranderd. Blijkens de beschikking van 23 maart 2011 is de beslissing dat [NAAM MINDERJARIGE] en zijn vader eenmaal per twee weken begeleide omgang bij en door de Stichting Time Out hebben ingegeven door het feit dat de vader en de moeder zich konden vinden in deze door de Raad geadviseerde begeleide omgang. Inmiddels kan de moeder zich hier niet meer in vinden, omdat zij niet langer meent dat dit in het belang van [NAAM MINDERJARIGE] is.

De kinderrechter is van oordeel dat de negatieve gedragsverandering bij [NAAM MINDERJARIGE] en de bij hem aanwezige emotie/spanning rond de laatste omgangscontacten, zoals hiervoor beschreven, een wijziging van omstandigheden is die moet leiden tot opschorting van de huidige regeling. Hier komt nog bij de verandering in de opstelling/emoties van de moeder, waardoor zij nauwelijks meer in staat is om [NAAM MINDERJARIGE] te ondersteunen in het contact met zijn vader, terwijl [NAAM MINDERJARIGE] dit nodig heeft omdat hij aan zijn moeder zijn basisveiligheid ontleent.

Vorenstaande leidt de kinderrechter tot de conclusie dat voortzetting van de huidige omgangsregeling op dit moment een ernstige bedreiging vormt voor de zedelijke of geestelijke belangen of gezondheid van [NAAM MINDERJARIGE]. Dit betekent dat de door BJZ gevraagde wijziging noodzakelijk is met het oog op het doel van de ondertoezichtstelling, zodat het verzoek zal worden toegewezen.

Overigens heeft de vader ter zitting ook aangegeven dat hij niet wil dat [NAAM MINDERJARIGE] tegen zijn zin naar de omgang gaat. Hij heeft echter de indruk dat hier geen sprake van is, omdat het contact goed verloopt. In reactie op de verklaring van de moeder ter zitting dat de omgang leidt tot hevige, negatieve emotie bij [NAAM MINDERJARIGE] heeft vader aangegeven hieraan niet te twijfelen.

De kinderrechter is met de vader eens dat het strafrechtelijk onderzoek op zichzelf niet van doorslaggevend belang is en dat vanwege het bestaan daarvan reeds tot omgang onder begeleiding is overgegaan. Ook onderschrijft de kinderrechter het standpunt namens vader naar voren gebracht dat het niet aan BJZ is om voorwaarden te stellen alvorens toestemming voor de omgang te geven, omdat er reeds een beschikking ligt waarin begeleide omgang is vastgesteld. Voor het argument van BJZ dat zij eerst onderzoek naar [NAAM MINDERJARIGE] zijn ontwikkeling willen doen alvorens tot omgang te komen geldt dat dit, gezien de eerdere beschikking, geen hout snijdt. Dit leidt echter niet tot een ander oordeel omtrent onderhavig verzoek.

Wat betreft het argument van BJZ dat vanwege de vertrouwensrelatie tussen [NAAM MINDERJARIGE] en zijn moeder en het mogelijke loyaliteitsconflict voor [NAAM MINDERJARIGE] de omgang met zijn vader moet worden stopgezet, merkt de kinderrechter op dat deze argumenten berusten op een bepaalde inschatting over het effect van voortzetten van de omgang voor [NAAM MINDERJARIGE]. De vader heeft daar tegenin gebracht dat de verdenking van misbruik reeds bekend was ten tijde van het raadsonderzoek en de Raad, ondanks deze verdenking, een omgangsregeling in het belang van [NAAM MINDERJARIGE] heeft geacht, zij het begeleid. De kinderrechter stelt vast dat verschil van inzicht tussen de verschillende deskundigen lijkt te bestaan over het effect dat voortzetten van begeleide omgang op [NAAM MINDERJARIGE] zal hebben vanuit het oogpunt van vertrouwen en loyaliteit. De kinderrechter is van oordeel dat dit verschil van inzicht onbesproken kan blijven, gelet op het feit dat de beschreven gedragsverandering bij [NAAM MINDERJARIGE] en veranderde houding bij de moeder er reeds toe nopen om de huidige omgangsregeling op te schorten.

BESLISSING

Wijzigt de beschikking van de rechtbank te Alkmaar van 23 maart 2011, in die zin dat de vastgestelde omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige [NAAM MINDERJARIGEN], geboren te [GEBOORTEPLAATS MINDERJARIGE], op [GEBOORTEDATUM MINDERJARIGE], wordt opgeschort.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.L. Roubos, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juli 2011, in tegenwoordigheid van mr. S. Nourozi Oranje als griffier.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te Amsterdam. Bij het instellen van hoger beroep is de tussenkomst van een advocaat verplicht.