Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BR4188

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
31-03-2011
Datum publicatie
04-08-2011
Zaaknummer
125017 HA RK 11
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek ex artikel 69 Fw, inhoudende de curator opdracht te geven informatie uit het faillissementsdossier beschikbaar te stellen. Appellanten zijn in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechter-commissaris. In hoger beroep zijn appellanten niet-ontvankelijk verklaard in hun beroep. Een inhoudelijke beoordeling zou hebben geleid tot verwerping van het beroep, nu het belang van het verzoek, doordat het faillissement is geëindigd, uitsluitend is gelegen in het versterken van de mogelijkheden om verder te procederen. Daarvoor biedt artikel 69 Fw geen grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht, meervoudige kamer

NE/MS/ML/JG

Rekestnummer: 125017

Beschikking van 31 maart 2011

in de zaak van

mr. J.M.R. Vlaar namens "de groep van gezamenlijke schuldeisers in het faillissement van [bedrijfsnaam]"

hierna te noemen: appellanten,

advocaat: mr. J.M.R. Vlaar,

tegen de beschikking van de rechter-commissaris, op grond van artikel 69 Faillissementswet (Fw), gegeven op 15 december 2010 in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijfsnaam], gevestigd en kantoorhoudende te Wieringerwerf, waarin zijn benoemd mr. S.F. Coelingh Bennink als curator en mr. S.N. Schipper als rechter-commissaris (hierna te noemen: Commandeur).

De procedure

1.1.De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het aan de rechter-commissaris gerichte verzoekschrift van 22 november 2010, inhoudende het verzoek ex artikel 69 Faillissementwet (Fw) de curator opdracht te geven cruciale informatie, genoemd in het verzoekschrift, beschikbaar te stellen aan de schuldeisers;

- de brief van 3 december 2010, inhoudende een beroep tegen een fictieve weigering;

- de beschikking van de rechter-commissaris van 15 december 2010;

- de bij brief van appellanten van 30 januari 2011 ingediende aanvullende beroepsgronden;

- de bij brief van appellanten van 14 februari 2011 ingediende nadere producties;

De inhoud van al deze stukken geldt als hier ingelast.

1.2.Op 18 februari 2011 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden, waarbij appellanten en de curator elk hun standpunt hebben toegelicht. De rechtbank heeft na afloop van de behandeling de uitspraak bepaald op heden.

2.Het hoger beroep en de grondslag daarvan

2.1.In de brief met aanvullende beroepsgronden bestrijden appellanten het oordeel van de rechter-commissaris. De rechter-commissaris heeft appellanten in hun verzoek niet-ontvankelijk verklaard, nu appellanten met hun verzoek kennelijk beogen een handvat te vinden voor aansprakelijkstelling van de boedel, de curatoren of de Staat, waarvoor de procedure van artikel 69 Fw niet is bedoeld, terwijl voorts sprake is van een herhaald verzoek dat eerder gemotiveerd is afgewezen. Met hun verzoek willen appellanten voorkomen dat de opgevraagde informatie verloren gaat, ook na opheffing van het faillissement, en willen appellanten controle uitoefenen op het gevoerde beheer van de failliete boedel. Voorts willen appellanten met hun verzoek duidelijkheid verkrijgen waar en voor wiens rekening het bewaren van de administratie zal plaatsvinden.

2.2.Ter zitting hebben appellanten aangegeven dat geen sprake is van een herhaald verzoek. Het verzoek, zoals dat thans in hoger beroep ter beoordeling voorligt, is gericht op het beschikbaar stellen van de administratie van de curator en niet op de administratie van gefailleerde, waar het eerdere verzoek betrekking op had. Appellanten vragen zich af wat het nut is van het overdragen van de administratie aan een bewaarder als de schuldeisers hier geen inzage in hebben. Appellanten hebben verklaard dat zij met de opgevraagde informatie tot een aansprakelijkstelling van de curator willen komen.

2.3.De curator heeft ter zitting aangegeven dat hij de afspraak dat de administratie in handen wordt gesteld van een bewaarder wil nakomen. De curator heeft voorts geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep op grond van het feit dat de partijen niet concreet zijn genoemd en dat door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst het faillissement is geëindigd, waardoor geen sprake meer kan zijn van een verzoek om informatie in verband met het beheer van de failliete boedel.

3.De beoordeling

3.1.De rechtbank ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of appellanten ontvankelijk zijn in het beroep. Naar het oordeel van de rechtbank is niet duidelijk wie in deze procedure zijn aan te merken als de partijen die hoger beroep hebben ingesteld. Noch in het verzoekschrift, noch in de aanvullende beroepsgronden wordt door appellanten melding gemaakt van de namen van degenen die het verzoek doen. Tijdens de mondelinge behandeling op 18 februari 2011 is door de advocaat van appellanten verklaard dat het beroep is ingesteld door alle schuldeisers. Voorts is tijdens de mondelinge behandeling verwezen naar een brief van 16 mei 2010 waarin schuldeisers [naam 1] en [naam 2] worden genoemd.

3.2.Op grond van het eerste lid van artikel 69 Fw kan het verzoek uitsluitend worden ingesteld door (een) schuldeiser(s), de commissie uit hun midden benoemd en de gefailleerde. Nu de partijen bij het verzoek onbekend zijn gebleven, is niet duidelijk geworden of zij behoren tot degenen die in artikel 69 Fw worden genoemd. Met de curator is de rechtbank van oordeel dat vorenstaande een grond is voor niet-ontvankelijkheid.

3.3.Daarnaast dient beoordeeld te worden of appellanten tijdig hoger beroep hebben aangetekend. Na de beschikking van de rechter-commissaris van

15 december 2010 hebben appellanten niet binnen de beroepstermijn van

artikel 67 lid 1 Fw opnieuw een beroepschrift ingediend. Niet eerder dan bij brief van 30 januari 2011 hebben appellanten aanvullende beroepsgronden ingediend.

3.4.Bij de beoordeling van de vraag of appellanten kunnen worden ontvangen in hun hoger beroep moet worden vooropgesteld dat volgens vaste rechtspraak in het belang van een goede rechtspleging aan beroepstermijnen strikt de hand moet worden gehouden, juist ook in zaken waarin een korte termijn voor beroep geldt. In het arrest van 28 november 2003 (LJ-Nummer AN8489) heeft de Hoge Raad een uitzondering op deze rechtspraak gerechtvaardigd geacht, ingeval degene die hoger beroep of cassatie instelt, ten gevolge van een door (de griffie van) het (toenmalige) kantongerecht, de rechtbank of het hof begane fout of verzuim, niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter een beschikking had gegeven en die beschikking hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie is toegezonden of verstrekt. In een zodanig geval moet de beroepstermijn verlengd worden met een termijn van veertien dagen - of een zoveel kortere termijn als overeenstemt met de wettelijke beroepstermijn - na de dag van verstrekking of verzending van de beschikking. Met gevallen als zojuist bedoeld moet op één lijn worden gesteld het geval waarin de griffie de beschikking nog wel binnen de beroepstermijn, maar zo laat heeft verzonden of verstrekt dat daartegen binnen die termijn redelijkerwijs zelfs niet meer een beroepschrift kan worden ingediend waarin de gronden voor het beroep niet zijn opgenomen.

3.5.De rechtbank is van oordeel dat de door de Hoge Raad bedoelde uitzonderingssituatie zich hier niet voordoet. De rechter-commissaris heeft in zijn beschikking van 15 december 2010 aangegeven dat zijn beslissing in de plaats komt van de fictieve weigering waartegen beroep bij de rechtbank is aangetekend. Hieruit volgt dat het op de weg van appellanten lag om binnen de hoger beroepstermijn van vijf dagen een beroepschrift in te dienen tegen de beschikking van de rechter-commissaris. Nu niet is gebleken dat appellanten de beschikking te laat hebben ontvangen is naar het oordeel van de rechtbank het beroep niet tijdig ingesteld. De rechtbank acht de overschrijding van de beroepstermijn niet verschoonbaar. Het voorgaande brengt mee dat appellanten niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in het door hun ingestelde hoger beroep.

3.6.Hoewel appellanten in hun verzoek niet-ontvankelijk zullen worden verklaard overweegt de rechtbank ten overvloede verder als volgt.

De rechtbank stelt vast dat artikel 69 Fw een beperkte strekking heeft. Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 10 mei 1985 heeft bepaald, is het voorschrift van

artikel 69 FW in beginsel slechts gegeven om de daarin genoemden invloed toe te kennen op het beheer van de failliete boedel en om, zo zij menen dat bij dat beheer fouten worden gemaakt, deze te doen herstellen of voorkomen, en niet om hen in de gelegenheid te stellen op deze eenvoudige wijze aan hen persoonlijk toekomende rechten tegenover de boedel geldend te maken (LJ-Nummer AG5016).

Op 26 juni 2009 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep tegen de ongegrondverklaring van het verzet tegen de slotuidelingslijst verworpen, hetgeen heeft geleid tot het verbindend worden van de slotuitdelingslijst en het einde van het faillissement van Commandeur. Het beheren van de boedel en mogelijk herstellen of voorkomen van fouten bij dat beheer is, nu het faillissement is geëindigd, niet meer aan de orde. Dit betekent dat het belang van het op de voet van artikel 69 Fw gerichte verzoek tot de rechter-commissaris er uitsluitend in is gelegen om de mogelijkheden van verder procederen te versterken, hetgeen slechts kan leiden tot het geldend maken van aan appellanten persoonlijk toekomende rechten. Hiervoor biedt artikel 69 Fw geen grondslag. Indien de rechtbank zou zijn toegekomen aan inhoudelijke beoordeling van het verzoek, zou dit hebben geresulteerd in verwerping van het beroep.

4.De beslissing

De rechtbank verklaart appellanten niet-ontvankelijk in hun beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Gisolf, voorzitter, en mrs. M.S. Lamboo en M.C. Schenkeveld en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2011.