Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BR3387

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
28-07-2011
Datum publicatie
28-07-2011
Zaaknummer
14.810544-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling gewelddadige overval C1000 Alkmaar, verwerping verweren ten aanzien van rechtmatigheid van de start van het opsporingsonderzoek op basis van onder anderen CIE informatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer : 14/810544-10 (P)

Datum uitspraak : 28 juli 2011

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Dominicaanse Republiek) op [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres en woonplaats],

thans gedetineerd te Penitentiaire Inrichting Midden Holland, Huis van Bewaring Haarlem te Haarlem.

1. Het procesverloop

Naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 mei 2011 heeft de rechtbank op 31 mei 2011 een interlocutoir vonnis gewezen, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast geldt. In dit vonnis is de zaak verwezen naar de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde de chef van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE), de heer [getuige 1], als getuige te horen.

Op 14 juli 2011 is het onderzoek ter terechtzitting heropend.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

17 mei 2011 en 14 juli 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadslieden van verdachte, mr. A.M. Moszkowicz en mr. B. Kizilocak, advocaten te Amsterdam, en door verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

hij op of omstreeks 06 februari 2010 in de gemeente Alkmaar tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen in of uit een filiaal van supermarkt C1000 (gelegen aan de [adres], aldaar) een bedrag van 19283,= euro, althans een (grote) hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan supermarkt C1000 en/of [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6], althans een of meerdere personeelslid/-leden van supermarkt C1000, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 4] in de nabijheid van supermarkt C1000 heeft/hebben opgewacht en/of

- (vervolgens) een of meerdere (op [een]) vuurwapen(s) (gelijkend[e] voorwerp[en]), op die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 4] heeft/hebben gericht en/of tegen het lichaam heeft/hebben gehouden en/of

- heeft/hebben gezegd dat het een overval betrof en/of dat zij de deur open moesten maken en/of het alarm eraf moest halen en/of

- (toen zij supermarkt C1000 was/waren binnen gegaan), (nog steeds) onder bedreiging van een vuurwapen tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd dat hij de kluissleutel(s) moest pakken en/of hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) naar de kluis moest brengen en/of

- een stroomstootwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp een of meerdere malen tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft/hebben geduwd en/of

- die [slachtoffer 2] heeft/hebben gedwongen een toegangdeur (tot de kluis) en/of de kluisdeur te openen en/of de kluiscode in te toetsen en/of heeft/hebben gezegd de kassalades te openen en/of

- (toen [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 5] bij supermarkt C1000 arriveerde[n] om te werken), die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 5] (onder bedreiging van een [op een] vuurwapen [gelijkend voorwerp]) naar binnen heeft/hebben getrokken en/of heeft/hebben gezegd, (in een kantoorruimte) te gaan zitten;

- tijdens hun vlucht, die [slachtoffer 6] (die op weg was naar de C1000), heeft/hebben geduwd en/of gestompt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- of schrijffouten voorkomen, worden deze verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

Op 6 februari 2010 heeft in de vroege ochtend bij de C1000 supermarkt gevestigd aan de [adres] in Alkmaar een gewapende overval plaatsgevonden. Vier gemaskerde mannen, waarvan twee met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in hun handen, hebben de personeelsleden, waaronder de bedrijfsleider opgewacht en onder bedreiging van op vuurwapens gelijkende voorwerpen en een op een stroomstootwapen gelijkend voorwerp gedwongen de deur te openen, het alarm af te zetten en de kluis te openen. Vervolgens zijn de overvallers er met medeneming van een geldbedrag van bijna

€ 20.000,- vandoor gegaan.

Blijkens een proces-verbaal van de Regionale Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE), gedateerd 23 maart 2010, kwam bij de CIE in de maand maart 2010 informatie binnen dat verdachte en zijn medeverdachten de overval zouden hebben gepleegd. Deze informatie luidde:

“[verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben begin dit jaar de supermarkt C1000, gevestigd in winkelcentrum “[adres]” in Alkmaar overvallen.”

Vervolgens zijn de volledige NAW-gegevens van verdachte en zijn medeverdachten in dit proces-verbaal opgenomen. Naar aanleiding van deze informatie en de informatie over de overvallers die al bekend was bij het onderzoeksteam, zoals signalementen van de daders en een beschrijving van de vluchtauto, is verder onderzoek verricht, hetgeen heeft geresulteerd in de aanhouding van verdachte en zijn medeverdachten. Vervolgens hebben verdachte en zijn medeverdachten bij de politie bekend de overval te hebben gepleegd. Op de terechtzittingen van 17 mei 2011 en 14 juli 2011 heeft verdachte zich voor wat betreft het ten laste gelegde feit beroepen op zijn zwijgrecht.

B. Gevoerde verweer op de terechtzitting van 17 mei 2011

De verdediging heeft zich op de terechtzitting van 17 mei 2011 primair op het standpunt gesteld dat de start van het onderzoek onrechtmatig is geweest, omdat de koppeling tussen de voornaam van verdachte aan de volledige NAW-gegevens van verdachte niet is gerelateerd. Derhalve kan niet worden vastgesteld of de koppeling van de voornaam van verdachte aan de NAW-gegevens op rechtmatige wijze tot stand is gekomen. Dit klemt des te meer nu de koppeling het vertrekpunt van het onderzoek is geweest; zonder deze koppeling had geen enkel dwangmiddel kunnen worden ingezet. Nu de start van het onderzoek onrechtmatig is geweest, dient al hetgeen daaruit is voortgevloeid te worden uitgesloten van het bewijs en dient derhalve vrijspraak te volgen.

Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat er bij de toepassing van de dwangmiddelen zélf onrechtmatigheden zijn begaan. Er zijn - samengevat - dwangmiddelen tegen verdachte ingezet, terwijl hij nog niet als verdachte kon worden aangemerkt. Op grond van de op deze wijze verkregen informatie is verdachte aangehouden en verhoord. Nu ook nog de afzonderlijke dwangmiddelen op onrechtmatige wijze zijn aangewend dienen alle onderzoeksresultaten te worden uitgesloten van het bewijs zodat verdachte ook om die reden dient te worden vrijgesproken.

Ingeval de rechtbank de verdediging niet volgt in zijn verweer heeft de verdediging verzocht de chef van de CIE te horen over de wijze waarop de informatie van de informant aan verdachte is gekoppeld.

De officier van justitie heeft op de terechtzitting van 17 mei 2011 uitleg verschaft over de start van het onderzoek en de inzet van dwangmiddelen en zich verzet tegen het verzoek tot het horen van de chef van de CIE.

C. Interlocutoir vonnis van 31 mei 2011

Naar aanleiding van eerder vermeld interlocutoir vonnis van 31 mei 2011, is op 28 juni 2011 de heer [getuige 1] als getuige gehoord, in aanwezigheid van de raadsman van verdachte.

[getuige 1] heeft, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, het volgende verklaard:

De door de informant aangedragen informatie wordt bij proces-verbaal vastgelegd als deze relevant lijkt voor een concrete zaak. Het lukt niet altijd alle informatie van de informant op papier te zetten, omdat er informatie kan zijn die leidt tot het onthullen van de identiteit van de informant. De informatie van de informant wordt vergeleken met de informatie die al bij de politie bekend is en op die manier wordt de informatie veredeld.

In dit concrete geval heeft de informant ook informatie gegeven die niet in het proces-verbaal is verwerkt. Vervolgens is de informatie vergeleken met andere bij de CIE bekende informatie. In dit concrete geval heeft de combinatie van de informatie van de informant en de reeds bij de CIE bekende gegevens geleid tot de volledige personalia van de personen die alleen bij voornaam in het proces-verbaal zijn aangeduid.

Vervolgens heeft de raadsman van verdachte bij brief van 6 juli 2011 de officier van justitie verzocht de informant en de runners van de informant als getuige op de terechtzitting op te roepen. Dit verzoek is door de officier van justitie bij brief van 12 juli 2011 gemotiveerd afgewezen.

Op 14 juli 2011 is het onderzoek op de terechtzitting heropend. De verdediging heeft op deze terechtzitting de rechtbank verzocht de informant en de runners van de informant als getuige te horen, eventueel via de bedreigde getuigenregeling. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat, ook na het verhoor van [getuige 1], nog steeds niet duidelijk is hoe de koppeling van de voornaam van verdachte naar de volledige gegevens van verdachte tot stand is gekomen.

Subsidiair heeft de verdediging zich aangesloten bij het verzoek van mr. Ter Brake, de raadsman van medeverdachte [medeverdachte 1], tot het opnieuw horen van de chef CIE [getuige 1], ditmaal ter terechtzitting. Meer subsidiair heeft de verdediging het op de terechtzitting van 17 mei 2011 gevoerde verweer gehandhaafd dat de start van het onderzoek onrechtmatig is geweest evenals de inzet van dwangmiddelen en dat als gevolg daarvan alle vruchten van die onrechtmatigheid dienen te worden uitgesloten van het bewijs, zodat vrijspraak dient te volgen.

De officier van justitie heeft zich op de terechtzitting van 14 juli 2011 verzet tegen het als getuige horen van de informant en de runners van de informant, alsmede tegen het opnieuw horen van de getuige [getuige 1] ter terechtzitting, omdat daartoe geen enkele noodzaak bestaat. De rechtbank heeft verzocht om meer duidelijkheid over de wijze waarop het onderzoeksteam is gekomen van de weergegeven CIE-informatie tot de volledige gegevens van de vier verdachten. De chef van de CIE heeft in zijn verhoor door de rechter-commissaris voldoende duidelijkheid gegeven over de wijze van totstandkoming van het proces-verbaal van de CIE. De beantwoording van de vraag welke informatie de informant nog meer heeft verstrektt aan de CIE zou de afscherming van de informant in gevaar kunnen brengen. Om deze reden vindt het horen van runners ook alleen in zeer uitzonderlijke gevallen plaats. Daarvan is hier geen sprake.

Op grond van de uitleg van [getuige 1] is naar de mening van de officier van justitie de conclusie gerechtvaardigd dat de start van het onderzoek rechtmatig is geweest. Voorts stelt de officier van justitie dat de informatie van de CIE slechts richting heeft gegeven aan het opsporingsonderzoek. Er moest onderzocht worden of deze informatie “veredeld” kon worden. Als gevolg daarvan zijn volkomen rechtmatig dwangmiddelen ingezet.

De rechtbank overweegt als volgt.

Voorop staat dat een proces-verbaal zoveel mogelijk transparant behoort te zijn en inzicht moet geven in de start en het verloop van het opsporingsonderzoek. Relevante informatie daarover dient zoveel mogelijk in het proces-verbaal te worden opgenomen en verantwoord, zodat rechterlijke controle op de rechtmatigheid van de inzet van opsporingsmiddelen mogelijk is.

Daarbij moet de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen volledig worden verantwoord door informatie die in het proces-verbaal wordt opgenomen. Aan de hand van het proces-verbaal moet kunnen worden getoetst of ten tijde van de beslissing tot inzet van een opsporingsmiddel was voldaan aan de voorwaarden om tot die inzet te kunnen komen.

De rechter en de verdediging moeten ook kunnen vertrouwen op de volledigheid van de processen-verbaal. Dat beginsel kan echter nooit zover gaan dat de politie verplicht is om alle informatie waarover zij beschikt te vermelden in het proces-verbaal. Informatie die in verband met bronbescherming niet operationeel kan worden gemaakt, moet om die reden buiten het proces-verbaal kunnen worden gehouden. Dat hoeft ook niet op bezwaren te stuiten zolang die informatie niet de grondslag vormt voor de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verklaring van [getuige 1] voldoende duidelijkheid/helderheid verschaft over de wijze van totstandkoming van de koppeling van de voornaam van verdachte aan de NAW-gegevens zoals neergelegd in het CIE proces-verbaal en bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat bij de totstandkoming van deze informatie van enige onrechtmatigheid sprake is geweest. Het enkele feit dat [getuige 1] geen vragen heeft willen beantwoorden ter voorkoming van de onthulling van de identiteit van de informant, dan wel dat de rechter-commissaris de beantwoording van deze vragen op dezelfde grond heeft belet, maakt dit niet anders.

De veronderstelling van de raadsman dat dit anders zou zijn cq. dat doelbewust informatie buiten het proces-verbaal is gehouden die van invloed zou kunnen zijn op de door de rechtbank in het kader van de op grond van artikel 348 en 350 Wetboek van Strafvordering te beantwoorden vragen, is op geen enkele wijze concreet onderbouwd of anderszins aannemelijk geworden. Gelet hierop acht de rechtbank geen noodzaak aanwezig tot het horen van de informant en de runners van de informant en tot het opnieuw horen van de heer [getuige 1], op welke wijze dan ook.

De stelling van één van de raadslieden dat [naam] de informant zou zijn – voor zover al relevant – komt geheel en al voor zijn rekening en wordt op geen enkele wijze onderbouwd door de stukken in het dossier.

In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de CIE informatie voldoende concreet was om verder onderzoek naar te verrichten, mede gelet op de ernst van het feit. Logischerwijs richtte dit onderzoek zich op de verificatie dan wel falsificatie van de verkregen CIE informatie, en daarmee op de in het CIE proces-verbaal genoemde personen. In dit kader zijn bijzondere opsporingsmiddelen ingezet, ten tijde waarvan de verdachte en zijn medeverdachten nog niet als verdachte waren aangemerkt. Anders dan de raadsman heeft betoogd, was de status van verdachte voor de inzet van het gebruikte opsporingsmiddel, gebaseerd op artikel 126nd Wetboek van Strafvordering, ook niet vereist. Voldoende is bij de inzet van het bewuste opsporingsmiddel immers de verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, in combinatie met het feit dat de gevraagde gegevens in het belang van het onderzoek dienen te zijn. Aan deze voorwaarden was in het onderhavige geval, gelet op de in het CIE proces-verbaal vermelde informatie, naar het oordeel van de rechtbank voldaan.

Gelet op het voorgaande worden de verweren van de raadsman verworpen en kunnen de verklaringen van verdachte voor het bewijs worden gebruikt.

C. Standpunt van de officier van justitie ten aanzien van de feiten

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezen verklaring van het ten laste gelegde feit met uitzondering van hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd met betrekking tot [slachtoffer 6].

D. Standpunt van de verdediging ten aanzien van de feiten

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken ten aanzien van het ten laste gelegde met betrekking tot [slachtoffer 6]. Voor de overige ten laste gelegde handelingen heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

E. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

Op 6 februari 2010 omstreeks 04.00 uur rijden verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] in de auto van verdachte naar een filiaal van de C1000 in Alkmaar. Onderweg pikken zij [medeverdachte 2] op, met wie zij eerder hadden afgesproken. In de auto krijgt [medeverdachte 2] van [medeverdachte 3] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. [verdachte] parkeert de auto in een straatje achter de C1000 en met zijn vieren lopen ze over een bruggetje naar de C1000, waar ze wachten tot er personeelsleden komen. Omstreeks 06.45 uur arriveren bedrijfsleider [slachtoffer 2] en zijn collega [slachtoffer 4] bij de dienstingang van het filiaal gevestigd aan de [adres]. Verdachte en zijn mededaders komen op hen af, waarbij [medeverdachte 3] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn handen heeft, en [medeverdachte 1] een stroomstootwapen of een voorwerp dat daarop lijkt. Van de [slachtoffer 2] krijgt een vuurwapen in de rug geduwd en er wordt gezegd dat hij de deur open moet maken en het alarm eraf moet halen. Ook [slachtoffer 4] voelt en ziet dat er een vuurwapen in haar rug wordt geduwd. Ze probeert weg te rennen, maar wordt door [medeverdachte 3] teruggehaald. [medeverdachte 1] en[medeverdachte 3] lopen met [slachtoffer 2] mee naar de kluis, waarbij [medeverdachte 1] meerdere keren het op het stroomstootwapen gelijkende voorwerp tegen de rug van [slachtoffer 2] drukt. Eenmaal bij de kluis moeten ze terug naar het kantoor om de kluissleutels op te halen. Vervolgens lopen [slachtoffer 2], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] terug naar de kluisruimte, waar [slachtoffer 2] de toegangsdeur van de kluis moet openen, de code van de kluis moet intoetsen en de kassalades moet openen. Hierbij houdt [medeverdachte 3] steeds het op een vuurwapen gelijkende voorwerp op hem gericht. In totaal wordt € 19.283,00 weggenomen.

Terwijl [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] met [slachtoffer 2] naar de kluisruimte lopen, blijven verdachte en [medeverdachte 2] bij [slachtoffer 4] achter. Dan arriveert [slachtoffer 5]. [slachtoffer 5] wordt onder bedreiging van een vuurwapen naar binnen getrokken en ze moet met [slachtoffer 4] in een kantoorruimte gaan zitten . Vervolgens komt [slachtoffer 3] aan bij de C1000. Ook hij wordt naar binnen getrokken en de kamer ingeduwd waar [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] zitten.

Verdachte en zijn mededaders zijn daarna met de buit vertrokken.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn voornoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd, redengevend voor het bewijs dat verdachte zich op 6 februari 2010 samen met zijn mededaders heeft schuldig gemaakt aan diefstal met geweld en bedreiging met geweld in de supermarkt C1000 te Alkmaar.

De rechtbank is overigens van oordeel dat gebruik is gemaakt bij de overval van op vuurwapens gelijkende voorwerpen en een op een stroomstootwapen gelijkend voorwerp en geen wapens in de zin van de Wet wapens en munitie.

De wapens zijn niet aangetroffen en de verdachten betwisten de echtheid daarvan.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 6 februari 2010 in de gemeente Alkmaar tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een filiaal van

supermarkt C1000, gelegen aan de [adres], aldaar een bedrag van

€ 19.283,00, toebehorende aan supermarkt C1000 en/of [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en/of zijn

mededaders

- die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 4] in de nabijheid van supermarkt C1000 hebben opgewacht en

- vervolgens meerdere op vuurwapens gelijkende voorwerpen op die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 4] hebben gericht en/of tegen het lichaam hebben gehouden en

- heeft/hebben gezegd dat het een overval betrof en dat zij de deur open moesten maken en het alarm eraf moest halen en

- toen zij supermarkt C1000 waren binnen gegaan, nog steeds onder bedreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen die [slachtoffer 2] hebben gezegd dat hij de kluissleutels moest pakken en hem, verdachte, en/of zijn mededaders naar de kluis moest brengen en

- een op een stroomstootwapen gelijkend voorwerp meerdere malen tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft geduwd en

- die [slachtoffer 2] hebben gedwongen een toegangdeur tot de kluis en de kluisdeur te openen en de kluiscode in te toetsen en hebben gezegd de kassalades te openen en

- toen [slachtoffer 5] bij supermarkt C1000 arriveerde om te werken onder bedreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp die [slachtoffer 5] naar binnen heeft getrokken en heeft gezegd in een kantoorruimte te gaan zitten en

- toen [slachtoffer 3] bij supermarkt C1000 arriveerde om te werken die [slachtoffer 3] naar binnen heeft getrokken en heeft gezegd in een kantoorruimte te gaan zitten.

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals neergelegd in de reclasseringsrapportage.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft strafvermindering bepleit op grond van artikel 359a Sv. Als gevolg van de onrechtmatigheden in het opsporingsonderzoek is verdachte daadwerkelijk in zijn belangen geschaad, waardoor strafvermindering geboden is. Voorts heeft de raadsman verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat verdachte geen wapen heeft gebruikt en tevens dat het geweld beperkt is gebleven tot het dreigen met vuurwapens. Verdachte is niet eerder voor een dergelijk feit veroordeeld en de reclassering acht het recidiverisico laag. Reclasseringstoezicht en het volgen van een Cognitieve Vaardigheidstraining (CoVA+) acht de verdediging niet nodig nu verdachte een goed sociaal netwerk heeft en het om een eenmalig incident gaat.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van verdachte.

Bij de bepaling van de vorm en de duur van de op te leggen straf, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte en zijn mededaders hebben in de vroege ochtend van 6 februari 2010 een gewapende overval gepleegd op een supermarkt van C1000 in Alkmaar. Toen de eerste werknemers die ochtend bij de supermarkt aankwamen werden zij geconfronteerd met vier mannen met bivakmutsen. Bij de overval zijn vier personeelsleden bedreigd met op vuurwapens gelijkend voorwerpen en een op een stroomstootwapen gelijkend voorwerp. De bedrijfsleider werd onder bedreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gedwongen de kluis te openen. De overige personeelsleden werden in een kantoor gezet en bewaakt. Het bewezen verklaarde feit houdt een ernstige aantasting in van de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. De ervaring leert dat zij tengevolge van deze schokkende gebeurtenis nog langdurig psychische klachten zullen kunnen ondervinden. Ter terechtzitting zijn de slachtofferverklaringen van mevrouw [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] – samengevat – voorgelezen. Hieruit blijkt welke ingrijpende gevolgen de overval op hun dagelijks leven heeft gehad en nog steeds heeft.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij puur uit materiële overwegingen heeft gehandeld en in het geheel niet heeft stilgestaan bij de angst die hij en zijn mededaders teweeg hebben gebracht bij de slachtoffers van de overval. Gewapende overvallen zijn zeer ernstige feiten, die tevens gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaken, in het bijzonder bij winkelpersoneel dat via de media op de hoogte raakt van dit soort feiten.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd

2 december 2010, waaruit blijkt dat verdachte eerder voor strafbare feiten is veroordeeld, maar niet eerder voor vermogensdelicten.

- het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 14 februari 2011 van M. Rovers als reclasseringswerker werkzaam bij Reclassering Nederland, Adviesunit Haarlem. Geadviseerd wordt verdachte een gedeeltelijke voorwaardelijke gevangenisstraf met een reclasseringstoezicht met een meldingsgebod op te leggen. Tevens wordt, ter voorkoming van recidive, de oplegging van een gedragsinterventie geadviseerd, te weten een Cognitieve Vaardigheidstraining+.

De rechtbank is, gelet op vooraanstaande, van oordeel dat oplegging van een gedeeltelijk onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op haar plaats is. Bij de bepaling en de duur van die vrijheidsstraf heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit het oogpunt van vergelding een langdurige gevangenisstraf de enige passende sanctie is. De rechtbank houdt er enerzijds rekening mee dat verdachte niet eerder een dergelijk zwaar misdrijf heeft gepleegd. Anderzijds acht de rechtbank het gemak waarmee verdachte met zijn mededaders is overgegaan tot het plegen van een dergelijk zwaar delict zeer zorgwekkend. Om verdachte ervan te weerhouden te recidiveren en om hem na afloop van de ondergane vrijheidsstraf te ondersteunen acht de rechtbank reclasseringstoezicht en het volgen van een cognitieve vaardigheidstraining geboden.

9. Vordering van de benadeelde partijen

Benadeelde [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich, namens de VOF C1000 [slachtoffer 1], gevestigd aan de [adres en vestigingsplaats], in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van € 6.643,78 wegens materiële schade die verdachte en zijn mededaders aan de benadeelde partij heeft toegebracht. De benadeelde partij is op de terechtzittingen van 17 mei 2011 en 14 juli 2011 verschenen om zijn vordering toe te lichten. Op de terechtzitting van 14 juli 2011 heeft de benadeelde partij aanvullende stukken overgelegd die betrekking hebben op de afkoopsom en het uurloon van werkneemster [slachtoffer 4].

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor toewijzing vatbaar is.

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Primair heeft de raadsman gesteld dat de benadeelde partij niet aanwezig is geweest bij de overval. Subsidiair heeft de raadsman, kort samengevat, gesteld dat de vordering niet of niet voldoende is onderbouwd.

Uit het onderzoek op de terechtzittingen is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij voor een groot deel geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van verdachte en zijn medeverdachten, rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank acht de volgende posten toewijsbaar:

- crisisinterventie: € 360,00

- cognitieve gedragtherapie tot een bedrag van € 896,83. De rechtbank gaat hierbij uit van het bedrag zoals vermeld op bijlage 6 van de vordering, € 1.345,25 minus de vergoeding van de verzekering € 448,42, zodat een bedrag van € 896,83 zal worden toegewezen.

- verzuimarts: € 270,00

- ziekte [slachtoffer 4]: € 4.102,80.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat deze geleden materiële schade voldoende is onderbouwd en een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit. Het verweer dat de benadeelde partij niet bij de overval aanwezig was, treft geen doel, nu de geleden schade is toegebracht aan de onderneming van de benadeelde partij, te weten C1000.

Opgeteld is een bedrag van € 5.629,63 toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 6 februari 2010 tot de dag van algehele voldoening.

Verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De verdachte is niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door de mededader(s) aan de benadeelde partij is voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank levert de behandeling van het resterende gedeelte van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Benadeelde [slachtoffer 4]

De benadeelde partij [slachtoffer 4], [adres en woonplaats], heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van

€ 2.987,41, bestaande uit € 487,41 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, die de verdachte en zijn medeverdachten aan de benadeelde partij hebben toegebracht, onderbouwd met bewijsstukken.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor toewijzing vatbaar is.

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4].

Uit het onderzoek op de terechtzittingen is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte en zijn medeverdachten, rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag en deze schade voldoende is onderbouwd zodat de vordering geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 6 februari 2010 tot de dag van algehele voldoening.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De verdachte is niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door de mededader(s) aan de benadeelde partij is voldaan.

Benadeelde [slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3], [adres en woonplaats], heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van

€ 1.255,00, bestaande uit € 255,00 materiële schade en € 1.000,00 immateriële schade, die de verdachte en zijn medeverdachten aan de benadeelde partij hebben toegebracht.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 1.000,00 immateriële schadevergoeding voor toewijzing vatbaar is. Voor wat betreft de verzochte materiële schadevergoeding, te weten de kosten voor een extra schooljaar nu hij is blijven zitten, meent de officier van justitie dat het rechtstreeks verband tussen het strafbare feit en de schade moeilijk is aan te tonen.

Met betrekking tot de gevorderde materiële schade heeft de raadsman primair gesteld dat er geen aantoonbaar causaal verband bestaat tussen de geleden schade en het strafbare feit. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat de schade, te weten de kosten voor een extra schooljaar, niet is gedragen door [slachtoffer 3], maar door zijn ouders. De raadsman stelt dat de materiële schade derhalve niet voor toewijzing vatbaar is. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsman gesteld dat matiging van het schadebedrag op zijn plaats is.

Uit het onderzoek op de terechtzittingen is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte en zijn medeverdachten, rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank acht de gevorderde vergoeding voor immateriële schade passend en voor toewijzing vatbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf

6 februari 2010 tot de dag van algehele voldoening.

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor materiële schade, te weten € 255,- voor de extra schoolkosten, is de rechtbank, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat het rechtstreeks verband tussen het bewezen verklaarde feit en de gestelde geleden schade niet is komen vast te staan. De rechtbank zal dit deel van de vordering afwijzen.

10. Schadevergoeding als maatregel

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregelen besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feiten is toegebracht aan de benadeelden. De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van de verschuldigde bedragen, heft de opgelegde verplichtingen niet op.

11. Beslag

De rechtbank acht geen wettelijke basis aanwezig om de officier van justitie te volgen in de vordering tot onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen verdovende middelen, nu deze verdovende middelen geen voorwerpen zijn als omschreven in de artikelen 36c en 36d van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank is van oordeel, dat het in beslag genomen voorwerp, te weten:

- 1 stuk CD-rom,

dient te worden teruggegeven aan: supermarkt C1000, t.a.v de heer [slachtoffer 1].

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken, dat deze persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.

12. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

13. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 36 (zesendertig) maanden.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

Stelt als algemene voorwaarde dat:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich na afloop van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf op eerste uitnodiging van Reclassering Nederland zich aldaar zal melden en hierna zo frequent als de Reclassering gedurende de proeftijd nodig acht;

- dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen, die de veroordeelde zullen worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt;

- dat de veroordeelde zal deelnemen aan de cognitieve vaardigheidstraining+ (CoVa+).

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan C1000 supermarkt ([slachtoffer 1]): van:

- 1 stuk CD-rom.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] namens VOF C1000 [slachtoffer 1] tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 5.629,63 (vijfduizendzeshonderdnegenentwintig euro en drieënzestig cent) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 6 februari 2010 tot de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededaders zijn voldaan.

Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij genaamd [slachtoffer 1] namens VOF C1000 [slachtoffer 1], te betalen een som geld ten bedrage van € 5.629,63 (vijfduizendzeshonderdnegenentwintig euro en drieënzestig cent), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 63 (drieënzestig) dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4].

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 2.987,41 (tweeduizendnegenhonderdzevenentachtig euro en eenenveertig cent) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf

6 februari 2010 tot de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededaders zijn voldaan.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] te betalen een som geld ten bedrage van € 2.987,41 (tweeduizendnegenhonderdzevenentachtig euro en eenenveertig cent), bij gebreke

van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 39 (negenendertig) dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 1.000,00 (eenduizend euro) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 6 februari 2010 tot de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededaders zijn voldaan.

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] te betalen een som geld ten bedrage van € 1.000,00 (eenduizend euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 (twintig) dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.E.C. de Wit, voorzitter,

mr. E.M. Devis en mr. G.A.M. van Dijk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 juli 2011.

Mr. Devis is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.