Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BR3316

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
15-06-2011
Datum publicatie
27-07-2011
Zaaknummer
14.810304-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens onder meer medeplegen brandstichting, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is.

Toepassing minderjarigenstrafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2013/89.8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer: 14.810304-10 (P)

Datum uitspraak: 15 juni 2011

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 juni 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte, mr. J.M. Feenstra, advocaat te Den Helder, en door verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 29 mei 2010 in de gemeente Schagen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning aan de [adres 1], terwijl daarvan gemeen gevaar voor de opstal van die woning en/of voor de inboedel van die woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de in die woning aanwezige [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2], in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen te duchten was;

2.

Primair hij op of omstreeks 13 juni 2010 in de gemeente Schagen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in of uit een personenauto (merk Peugeot, type 205, kleur rood, gekentekend [kenteken]), die stond geparkeerd op of aan de [adres 2] aldaar weg te nemen geld en/of (een) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot die personenauto te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking, een valse sleutel en/of inklimming, naar die personenauto is toe gegaan en/of (vervolgens) ((met) een steen, althans (met) een (hard) voorwerp) tegen een ruit van die personenauto heeft geslagen en/of heeft gegooid en/of (vervolgens) (door die kapotte ruit) geheel of gedeeltelijk die personenauto is binnen gegaan en/of het dashboardkastje van die personenauto heeft vernield of beschadigd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair hij op of omstreeks 13 juni 2010 in de gemeente Schagen opzettelijk en wederrechtelijk een (ruit en/of het dashboardkastje van een) personenauto (merk Peugeot, type 205, kleur rood, gekentekend [kenteken]), die stond geparkeerd op of aan de [adres 2] aldaar, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar (met) een steen, althans (met) een (hard) voorwerp, op/tegen die ruit te slaan en/of te gooien.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overweging ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

Ten aanzien van feit 1:

Op 29 mei 2010 komt er bij de politie een melding binnen dat er vlammen uit het dak komen van perceel [adres 1] te Schagen. Het betreft een uitslaande brand in een villa, waarvan de bewoners zich niet in het pand zouden bevinden. De brandweer in Schagen heeft deze brand bestreden, doch kon niet voorkomen dat de woning voor een groot gedeelte als verloren moet worden beschouwd. Op 30 mei 2010 doet [benadeelde 2] mede namens [benadeelde 3] onder andere aangifte van brandstichting.

Op 10 juni 2010 wordt getuige [getuige 1] gehoord bij de politie. Zij verklaart dat een kennis van haar, genaamd [verdachte], op 29 mei 2010 via MSN tegen haar heeft verteld dat hij brand heeft gesticht in een woning. Op 30 mei 2010 stuurde [verdachte] haar via

MSN een link van “SCHAGEN VANDAAG.NL” over een brand in een huis aan de [adres 1].

[verdachte] (verder te noemen: verdachte) wordt diverse malen door de politie gehoord. Op 6 juli 2010 verklaart hij dat hij samen met [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in de woning aan de [adres 1] te Schagen was. Hij verklaart dat hij op een gegeven moment samen met [medeverdachte 3] op de overloop staat en dat [medeverdachte 3] een kaars in een doos gooit waarna deze in brand vliegt. Verdachte verklaart een deken op de doos te hebben gegooid om de brand te blussen, maar dat ook de deken vlam vatte. Vervolgens is de doos naar beneden gegooid. Toen de brand zich verder uitbreidde hebben verdachte, [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de woning verlaten.

De rechtbank zal dienen te beoordelen of bewezen kan worden verklaard dat verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht in het perceel aan de [adres 1] te Schagen. De rechtbank zal voorts dienen te beoordelen of bij deze brand, naast gemeen gevaar voor de opstal van die woning en voor de inboedel van die woning, ook levensgevaar voor de in die woning aanwezige [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te duchten was.

Ten aanzien van feit 2:

Op 13 juni 2010 wordt door [benadeelde 1] aangifte gedaan. Hij verklaart dat op 13 juni 2010 de rechtervoorruit en het dashboardkastje van zijn personenauto van het merk Peugeot, type 205, kleur rood, gekentekend [kenteken] zijn vernield. Ter plaatse worden door een man [verdachte] en [medeverdachte 2] aangewezen als de personen die betrokken zijn geweest bij de vernieling van de autoruit en het dashboardkastje.

Bij de politie verklaren zowel [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] als [medeverdachte 3] dat verdachte een steen door de autoruit heeft gegooid. Tevens verklaren [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] dat verdachte in de auto is geklommen en in de auto heeft gezocht.

Bij de politie en op de terechtzitting ontkent verdachte de ruit en het dashboardkastje te hebben vernield, althans geeft hij aan dat hij zich niet kan herinneren dat hij dat gedaan heeft. Hij verklaart dat hij, nadat hij zag dat de ruit was vernield, alleen zijn hoofd door de kapotte ruit van de auto heeft gestoken.

De rechtbank dient te beoordelen of bewezen kan worden verklaard dat verdachte een steen door de ruit van de personenauto van [benadeelde 1] heeft gegooid en het dashboardkastje heeft vernield. Daarbij zal de rechtbank dienen te beoordelen of dit, indien dit kan worden bewezen, dient te worden gekwalificeerd als een poging tot diefstal met braak en inklimming of als vernieling.

B. Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 1:

De officier van justitie stelt voorop dat zij uitgaat van hetgeen verdachte in het MSN gesprek heeft verteld tegen de getuige [getuige 1]. De officier van justitie acht bewezen dat een medeverdachte een brandende kaars in een doos heeft gegooid waarna verdachte een deken op de brandende doos heeft gegooid die vervolgens ook vlam vatte. De officier van justitie acht de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij de brand heeft willen blussen met de deken, niet geloofwaardig en zij constateert dat verdachte de brand juist heeft verergerd. De officier van justitie is van mening dat verdachte door aldus te handelen tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht in het perceel aan de [adres 1] te Schagen. Voorts stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat naast een gemeen gevaar voor goederen, ook levensgevaar voor de aldaar aanwezige [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] te duchten was.

Ten aanzien van feit 2:

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging diefstal uit de personenauto van [benadeelde 1] door middel van braak. De officier van justitie voert daartoe aan dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben verklaard dat verdachte de ruit van de auto heeft ingegooid en vervolgens in de auto is geklommen en de auto heeft doorzocht. Voorts heeft verdachte niet alleen de ruit ingegooid maar ook het dashboardkastje vernield. Gelet op het voorgaande kan naar de mening van de officier van justitie het onder 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend worden bewezen.

C. Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1:

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan brandstichting. Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 3] een brandende kaars in een doos heeft gegooid. Hoewel verdachte een deken op het vuur heeft gegooid, wat de brand heeft verergerd, heeft verdachte dit gedaan met de intentie om het vuur te doven. De omstandigheid dat verdachte [medeverdachte 3] een aansteker heeft aangereikt is naar de mening van de raadsvrouw onvoldoende voor een bewezenverklaring van een nauwe en bewuste samenwerking, omdat verdachte niet wist wat [medeverdachte 3] voornemens was met die aansteker te gaan doen. Dat verdachte naderhand niet de brandweer heeft gebeld, kan evenmin de conclusie dragen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van brandstichting, aldus de raadsvrouw van verdachte.

Gelet op het voorgaande stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2:

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat verdachte van het onder 2 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken omdat niet kan worden bewezen dat verdachte het oogmerk had zich geld en/of goederen wederrechtelijk toe te eigenen.

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

D. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

De rechtbank stelt voorop dat zij bij de vaststelling van de toedracht van de brand

– evenals de officier van justitie – zal uitgaan van hetgeen verdachte daarover kort na de brand heeft verklaard aan [getuige 1] in de hierna te noemen gesprekken. De rechtbank acht deze verklaring betrouwbaar en zij hecht daaraan veel waarde, aangezien het hier gaat om mededelingen die kort na de brand door verdachte zijn gedaan in een vertrouwelijke setting. Overigens is deze verklaring op essentiële punten consistent met door verdachte nadien afgelegde verklaringen. Het voorgaande in aanmerking nemende, gaat de rechtbank uit van de volgende redengevende feiten en omstandigheden.

Op 29 mei 2010 bevinden verdachte, [medeverdachte 3],[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zich in de woning aan de [adres 1] te Schagen. Op een gegeven moment begeven [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zich naar de eerste verdieping van de woning en trekken zich terug in een slaapkamer. Verdachte kwam er al vrij snel achteraan. [medeverdachte 3] is met een brandende kaars in de ene hand en een doos met kaarsen in de andere hand naar boven gelopen. Op enig moment zaten ook verdachte en [medeverdachte 3] in de kamer met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] met de door hen gevonden kaarsen en “zaten te klooien”. Dan gaan verdachte en [medeverdachte 3] naar de overloop. Daar vraagt [medeverdachte 3] aan verdachte vuur. Verdachte geeft [medeverdachte 3] een aansteker, waarmee [medeverdachte 3] een kaars aansteekt. Op enig moment gooit [medeverdachte 3] een brandende kaars in een doos die zich, op het wasrek, op de overloop bevindt. Vervolgens gooit verdachte een deken op de brandende doos, waarna ook de deken vlam vat. Ook gooide hij kledingstukken op het vuur. Op enig moment is de brandende doos met het wasrek naar beneden gegooid. Vervolgens zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], die zich op dat moment al geruime tijd samen, zonder de beide anderen, in de slaapkamer bevonden, gewaarschuwd door [medeverdachte 3] die de deur van hun kamer opende en vertelde dat er brand was. Via de brandende trap zijn ze naar beneden gegaan waarna zij alle vier de woning verlieten.

Tengevolge van de brand kan de woning als verloren worden beschouwd.

Op 30 mei meldt een getuige, [getuige 1], zich telefonisch bij de politie. Op 10 juni 2010 wordt deze getuige gehoord door de politie. Zij verklaart dat een kennis van haar, genaamd [verdachte], op 29 mei 2010 telefonisch aan haar heeft verteld dat een vriend van hem fikkie had gestookt in een kraakpand en dat hij er zelf ook wat bij had gegooid. Op 30 mei 2010 stuurde verdachte haar via MSN een link van “SCHAGEN VANDAAG. NL” over een brand in een huis aan de [adres 1] en hij verklaarde in dat bericht dat een maat van hem om vuur vroeg en troep boven in de fik zette.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte, dat hij een deken op het vuur heeft gegooid omdat hij het vuur wilde doven, niet geloofwaardig. In het telefoongesprek tussen verdachte en getuige [getuige 1], op de avond van de brand, verklaart verdachte dat een maat van hem een fikkie had gestookt en dat hij er zelf ook nog iets op had gegooid. Uit die tekst valt zeker niet op te maken dat hij het vuur wilde doven. Voorts blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 2] dat verdachte, naast de deken, ook kledingstukken op het vuur heeft gegooid. Ook het gedrag van verdachte na de brand wijst niet op een wens om een beginnend vuur te doven en een uitslaande brand te voorkomen. De rechtbank acht het dan ook niet aannemelijk dat verdachte heeft getracht het vuur te doven.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 3] en verdachte. Niet alleen hebben zij beiden uitvoeringshandelingen verricht waardoor de brand is ontstaan, maar daarnaast hebben zij beiden niets ondernomen om het vuur te doven of om een uitslaande brand te voorkomen door het waarschuwen van de instanties.

Met de officier van justitie is de rechtbank voorts van oordeel dat door de brand, naast een gemeen gevaar voor opstal van die woning en voor de inboedel van die woning, ook levensgevaar voor de in die woning aanwezige [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] te duchten was. Hoewel verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 3] dit reeds blijkens de gegeven waarschuwing zeker niet hebben beoogd, stelt de rechtbank vast dat verdachte en [medeverdachte 3] brand hebben gesticht in een woning waar op dat moment in de slaapkamer op de eerste verdieping twee personen aanwezig waren in een kamer met de deur dicht. Na de waarschuwing moesten deze personen langs het vuur om de woning op een normale manier te kunnen verlaten. De rechtbank is van oordeel dat aldus levensgevaar voor [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] te duchten was.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2:

Op 13 juni 2011 bevindt verdachte zich op de parkeerplaats aan de [adres 2] in de gemeente Schagen. Aldaar gooit verdachte met een steen de rechtervoorruit in van de personenauto van [benadeelde 1] van het merk Peugeot, type 205, kleur rood, gekentekend [kenteken]. Vervolgens klimt verdachte via het kapotte raam de personenauto in en begint hij de auto te doorzoeken. Daarbij vernielt verdachte tevens het dashboardkastje van de auto.

Nu verdachte niet alleen de ruit van de auto heeft vernield, maar ook in de auto is geklommen en deze heeft doorzocht, is de rechtbank van oordeel dat is bewezen dat verdachte - met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening geld en/of goederen uit de auto weg te nemen - de ruit en het dashboardkastje heeft vernield.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 29 mei 2010 in de gemeente Schagen tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning aan de [adres 1], terwijl daarvan gemeen gevaar voor de opstal van die woning en voor de inboedel van die woning en levensgevaar voor de in die woning aanwezige [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], te duchten was;

2.

Primair hij op 13 juni 2010 in de gemeente Schagen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een personenauto (merk Peugeot, type 205, kleur rood, gekentekend [kenteken]), die stond geparkeerd op de [adres 2] aldaar weg te nemen geld en/of goederen, toebehorende aan [benadeelde 1], en zich daarbij de toegang tot die personenauto te verschaffen en die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, en inklimming, naar die personenauto is toe gegaan en (vervolgens) met een steen tegen een ruit van die personenauto heeft gegooid en (vervolgens) door die kapotte ruit geheel die personenauto is binnen gegaan en het dashboardkastje van die personenauto heeft vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is.

Ten aanzien van feit 2, primair:

Poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt voorop dat zij zich kan vinden in de aanbeveling van de psychologisch deskundige om verdachte volgens het jeugdstrafrecht te berechten alsmede met diens adviesverdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de rechtbank verdachte voor het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van 60 dagen, waarvan 49 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaren, onder de bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich houdt aan de aanwijzingen van GGZ reclassering Palier en zich daarbij houdt aan een meldplicht;

- zal deelnemen aan de Cognitieve Vaardigheidstraining+;

- zal meewerken aan de begeleiding van dan wel een behandeling zal volgen bij stichting Profila Zorg.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd verdachte te veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen jeugddetentie.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich – uitgaande van een vrijspraak voor het onder 1 en onder 2 primair ten laste gelegde – op het standpunt gesteld dat de oplegging van een vrijheids-straf gelijk aan het voorarrest met een geheel voorwaardelijke werkstraf passend is.

Voorgeval de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 en onder 2 primair ten laste gelegde, benadrukt de raadsvrouw dat uit de over verdachte opgemaakte rapportages blijkt dat hij detentieongeschikt is. Zij heeft de rechtbank derhalve verzocht om geen voorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen, maar een gedeelte van de door de officier van justitie gevorderde werkstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Samen met een ander heeft verdachte brand gesticht in een woning waar zich op dat moment ook andere personen in bevonden. Door het handelen van verdachte en zijn medeverdachte is er een levengevaarlijke situatie ontstaan voor de in de woning aanwezige personen. Tevens zijn de woning en de inboedel van de woning vrijwel volledig verloren gegaan. De slachtoffers zijn mede door het toedoen van verdachte vele persoonlijke bezittingen met emotionele waarde voor de familie verloren. De rechtbank rekent het verdachte zeer aan dat hij niet de brandweer heeft gebeld of op andere wijze heeft getracht te voorkomen dat de woning en de inboedel van het huis verloren zouden gaan. Verdachte heeft er pas achteraf blijk van gegeven te beseffen wat de gevolgen van de brand voor de eigenaren van de woning zijn geweest. Dit alles geeft blijk van een ernstig gebrek aan normbesef bij verdachte.

Bij het vaststellen van de vorm en de duur van de op te leggen straf heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- Het op naam van de verdachte staande uittreksel uit het Algemeen Documentatie-register, gedateerd 3 mei 2011, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van enig misdrijf is veroordeeld.

- Het Psychologisch Pro Justitia Rapport, gedateerd 7 oktober 2010, opgesteld door drs. B. van Giessen, klinisch psycholoog. Deze deskundige heeft vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een achterstand in de persoonlijkheidsontwikkeling en van zwakbegaafdheid. Tevens is sprake van misbruik van alcohol (in remissie). De psycholoog concludeert dat verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd voor het ten laste gelegde. Voorts geeft de psycholoog de rechtbank in overweging, verdachte – gelet op de aard en de ernst van de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens – volgens het jeugdstrafrecht te berechten.

- Het over de verdachte uitgebrachte Reclasseringsadvies, gedateerd 21 oktober 2010, opgesteld door M. Boerrigter, als reclasseringswerker werkzaam bij Reclassering Nederland. In dit rapport worden de conclusies van de psycholoog onderschreven en wordt aangegeven dat – gelet op het functioneren van verdachte op zwakbegaafd niveau – toeleiding naar een passende zorginstelling voor behandeling en begeleiding is geïndiceerd. Voorts wordt opgemerkt dat in het kader van toezicht betrokkene ondersteund en gestuurd dient te worden in het vinden van passende zorg. Op de terechtzitting heeft mevrouw Wichers namens Reclassering Nederland aangegeven dat zij contact heeft gehad met stichting Profila Zorg en dat Reclassering Nederland bereid is verdachte ambulant te begeleiden. Deze begeleiding zal op korte termijn aanvangen.

Voorts heeft mevrouw Wichers aangegeven dat, ook indien het jeugdstrafrecht zal worden toegepast, de opdracht hulp en steun aan Reclassering Nederland kan worden verstrekt.

De rechtbank onderschrijft de conclusie van de psychologisch deskundige en beschouwt verdachte voor het ten laste gelegde als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar.

Voorts zal de rechtbank de naar zijn kalenderleeftijd jong meerderjarige verdachte – gelet op de aard en de ernst van de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens – volgens het jeugdstrafrecht berechten, zoals door de psycholoog is aanbevolen.

De rechtbank is – anders dan de officier van justitie – van oordeel dat de oplegging van een voorwaardelijk jeugddetentie, gelet op de persoon van de verdachte zoals hierboven aangegeven, niet opportuun is. De rechtbank is van oordeel dat kan worden volstaan met een werkstraf, De rechtbank zal in plaats van een voorwaardelijke jeugddetentie niet een hoger aantal uren werkstraf opleggen. Gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten acht de rechtbank een gedeeltelijke voorwaardelijke werkstraf van nader te noemen duur passend en geboden. De rechtbank zal daaraan bijzondere voorwaarden verbinden zodat aan verdachte passende hulp zal worden geboden, mede om te voorkomen dat hij in de toekomst opnieuw strafbare feiten zal begaan.

9. Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij, [benadeelde 1], heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 1.579,80 aan materiële schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich – uiteindelijk – op het standpunt gesteld dat de vordering ter zake van de materiële schade toewijsbaar is tot een bedrag van € 1.243,80, vermeerderd met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft gevorderd hieraan de schadevergoedingsmaatregel te koppelen.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde vergoeding voor een ruitenwisserarm, ruitenwisserbladen en een radio/cd-speler niet voor toewijzing vatbaar is. Voorts is de raadsvrouw van mening dat het arbeidsloon dat betrekking heeft op de verrichte werkzaamheden ten aanzien van de ruitenwisserarm, de ruitenwisserbladen en de radio/cd-speler naar ratio in mindering dient te worden gebracht op het gevorderde arbeidsloon.

Oordeel rechtbank

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. In zijn aangifte verklaart de benadeelde partij (blz. 9) dat de rechter voorruit vernield was en dat het dashboardkastje stuk was. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [opsporingsambtenaar] (blz. 15) blijkt dat hij ziet dat de rechtervoorportierruit was vernield, dat het glas zowel in de auto, als op straat lag en dat het dashboardkastje was vernield. De getuige [getuige 2] (blz. 18) verklaart dat hij ziet dat het rechter portierraam is vernield en dat het dashboardkastje is opengebroken.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de door de benadeelde partij met een factuur onderbouwde schade voor een rechterportierruit, dashboardkastje, dashboardbekleding en verwijderen glas (in totaal € 596,55) voldoende onderbouwd en toewijsbaar. Dat is niet het geval voor de gevorderde vergoeding voor een ruitenwisserarm, ruitenwisserbladen en een radio/cd-speler. Niet valt in te zien dat dat schade is die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van dit strafbare feit, de hiervoor omschreven poging tot inbraak in de auto.

Op de door de benadeelde partij in het geding gebrachte factuur wordt aan hem 7 uur arbeidsloon (€ 94,01 per uur) in rekening gebracht. Er is door het garagebedrijf op deze factuur geen uitsplitsing gemaakt per onderdeel van de verrichte werkzaamheden. Aangezien een deel van de vordering toewijsbaar is en een deel zal worden afgewezen, geldt dit ook voor de gevorderde arbeidsloonkosten en zal daarin een verdeling moeten worden aangebracht. De rechtbank zal dit onderdeel van de schade zelf begroten en ingevolge artikel 6: 97 Burgerlijk Wetboek schattenderwijs bepalen op 5 uur, dus een bedrag van 5 x € 94,01 = € 470,05.

De rechtbank zal zodoende de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.066,60. Dit bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2010. Het overige deel van de vordering zal moeten worden afgewezen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt (tot heden begroot op nihil) en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

10. Schadevergoeding als maatregel

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor een deel van de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht aan de benadeelde. De maatregel wordt opgelegd voor het toegewezen bedrag van € 1.066,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van het verschuldigde bedrag, heft de opgelegde verplichting niet op.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 47, 77c, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12. Beslissing

De rechtbank:

• Verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 en onder 2, primair, ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

• Veroordeelt hem voor het bewezen verklaarde tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren.

Beveelt voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht dat in plaats van de taakstraf vervangende hechtenis wordt toegepast, welke vervangende jeugddetentie wordt vastgesteld op 100 (honderd) dagen.

Bepaalt, dat deze taakstraf bestaat uit een werkstraf.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren voor elke dag.

Bepaalt dat een gedeelte van deze straf, groot 80 (tachtig) uren, subsidiair 40 (veertig) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

Stelt als algemene voorwaarde dat:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen, die de veroordeelde zullen worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt, met opdracht aan Reclassering Nederland voornoemd ex artikel 77aa Wetboek van Strafrecht.

- de veroordeelde zal deelnemen aan de Cognitieve Vaardigheidstraining+;

- de veroordeelde zal meewerken aan begeleiding door stichting Profila Zorg.

Verstrekt aan Reclassering Nederland opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarden.

• Wijst gedeeltelijk toe de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] en

veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 1.066,60 (eenduizendzesenzestig euro en zestig cent) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2010 tot aan de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Wijst de vordering voor het overige gedeelte af.

• Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] te betalen een som geld ten bedrage van € 1.066,60 (eenduizendzesenzestig euro en zestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2010 tot aan de dag van algehele voldoening, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door een jeugddetentie voor de duur van 20 (twintig) dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

• Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. A.S. van Leeuwen en mr. L.J. Saarloos, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.J. Ros, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 juni 2011.

De oudste rechter, mr. A.S. van Leeuwen, is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.