Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BR1938

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
30-05-2011
Datum publicatie
18-07-2011
Zaaknummer
346624 CV EXPL 10-4838
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeraar Univé vordert in conventie van een verzekerde betaling van de premie voor een verzekering op grond van de Zorgverzekeringswet. Verzekerde stelt dat hij de gevorderde premie al heeft betaald en vordert in reconventie dat Univé de aanmelding van hem als 'wanbetaler' bij het College voor zorgverzekeringen ongedaan maakt. De kantonrechter oordeelt dat Univé in dit geval de verzekerde mocht aanmelden als 'wanbetaler' als bedoeld in artikel 18c van de Zorgverzekeringswet en dat Univé niet verplicht is de verzekerde weer af te melden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Hoorn

Zaaknr/rolnr.: 346624 CV EXPL 10-4838

Uitspraakdatum: 30 mei 2011

Vonnis in de zaak van:

de naamloze vennootschap N.V. Univé Zorg, gevestigd te Zwolle

eisende partij in conventie, gedaagde partij in reconventie

verder ook te noemen: Univé

gemachtigde: F.J.M. van der Meer, gerechtsdeurwaarder te Alkmaar

tegen

[naam], wonende te [plaats]

gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie

verder ook te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. M. van Espen, advocaat te Hoorn

[nummer]

Het procesverloop

in conventie en in reconventie

1. Univé heeft bij dagvaarding van 7 december 2011 een vordering ingesteld. [gedaagde] heeft mondeling geantwoord en een tegenvordering (in reconventie) ingediend. Univé heeft daarna een akte houdende royement in conventie genomen, teven conclusie van antwoord in reconventie. Daarna is van repliek dupliek in reconventie gediend. Vervolgens is vandaag uitspraak bepaald.

Het geschil

in conventie

2. Univé heeft gevraagd de procedure in conventie te royeren en [gedaagde] heeft daarmee ingestemd. Gelet daarop zal de zaak op de rol worden doorgehaald en behoeft op de vordering in conventie niet meer te worden beslist.

in reconventie

3. [gedaagde] vordert dat de aanmelding door Univé van hem als wanbetaler bij het College voor zorgverzekeringen (Cvz) ongedaan wordt gemaakt op straffe van een dwangsom. Daarbij stelt [gedaagde] – kort weergegeven – dat hij op het moment van die aanmelding op 2 oktober 2010 geen achterstand meer had in de betaling van zijn premies voor zijn zorgverzekering bij Univé, zodat hij ten onrechte is aangemeld als wanbetaler.

4. Univé voert aan dat [gedaagde] op het moment van aanmelding op 2 oktober 2010 wel een premieachterstand had van zes maanden. Verder wijst Univé erop dat een afmelding bij het Cvz alleen maar mogelijk is als de gehele achterstand is voldaan, hetgeen niet het geval is. Volgens Univé is [gedaagde] daarom terecht aangemeld als wanbetaler.

De beoordeling

in reconventie

5.1. [gedaagde] stelt in de eerste plaats dat hij ten onrechte is aangemeld als wanbetaler. Daarover wordt het volgende overwogen.

5.2. Op grond van artikel 18c, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, voor zover hier van belang, meldt de zorgverzekeraar, indien ten aanzien van een zorgverzekering, rente en incassokosten buiten beschouwing latend, een premie¬schuld ter hoogte van zes of meer maandpremies is ontstaan, dit aan het College zorgverzekeringen en aan de verzekering¬nemer. Uit artikel 18d van de Zorgverzekeringswet volgt dat na een dergelijke melding de verzekeringnemer, in plaats van premie aan de zorgverzekeraar, een bestuursrechtelijke premie moet gaan betalen aan het Cvz, die per maand 130% bedraagt van de standaardpremie.

6.3. Univé heeft een overzicht overgelegd van de verschuldigde en betaalde premie. De juistheid daarvan is door [gedaagde] niet betwist. Gelet op dat overzicht had [gedaagde] ten tijde van de aanmelding door Univé van hem als wanbetaler een premie¬achterstand van meer dan zes maanden. Immers, uit het overzicht blijkt dat [gedaagde] op 19 oktober 2010 een premieachterstand had van € 440,07, maar daarbij rekening is gehouden met de betaling op 19 oktober 2010 van vier maandtermijnen aan premie van telkens € 95,79 en één betaling van € 57,04. Ten tijde van de aanmelding op 2 oktober 2010 was er dus een betalingsachterstand van in totaal € 880,27. Dat levert bij een maandpremie van € 95,79 een achterstand op van ten minste zes maanden. Gelet daarop heeft Univé [gedaagde] op grond van artikel 18c, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet op 2 oktober 2010 kunnen aanmelden als wanbetaler.

6.4. [gedaagde] heeft nog opgemerkt dat Univé in haar overzicht andere premieschulden noemt dan zij aan haar vordering in conventie ten grondslag heeft gelegd, zodat ook om die reden volgens [gedaagde] ten onrechte is uitgegaan van een premieschuld van meer dan zes maanden. Die stelling gaat niet op. Bij de vraag of Univé een melding kan doen als bedoeld in artikel 18c, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet is niet van belang wat Univé in deze procedure in conventie aanvankelijk aan premie heeft gevorderd. Bepalend is of er op 2 oktober 2010 feitelijk een premieachterstand was van zes maanden of meer. Dat laatste is het geval.

7.1. Verder voert [gedaagde] aan dat Univé de melding ongedaan had moeten maken op het moment dat de vordering was voldaan. Daarover wordt het volgende overwogen.

7.2. Artikel 18d, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet bepaalt dat de verzekeringnemer aan het College zorgverzekeringen een bestuursrechtelijke premie verschuldigd is vanaf de eerste dag van de maand volgende op de maand waarin dat college de melding, bedoeld in artikel 18c, heeft ontvangen tot de eerste dag van de maand volgende op de maand waarin de datum, bedoeld in het derde lid, ligt. In artikel 18d, derde lid en onder a, van de Zorgverzekeringswet staat dat de zorgverzekeraar het College zorgverzekeringen en de verzekeringnemer met het oog op de toepassing van het eerste lid onverwijld op de hoogte stelt van de datum waarop de uit de zorgverzekering voortvloeiende schulden zijn of zullen zijn afgelost of tenietgaan.

7.3. Blijkens de dagvaarding heeft Univé betaling gevorderd van de premie over de maanden mei, juni en juli 2010. In zijn mondelinge antwoord heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij de premie tot en met juli 2010 al had voldaan, waarna Univé heeft verzocht om royement. Blijkens eerdergenoemd overzicht had [gedaagde] echter, rekening houdend met alle betalingen die hij tot en met 19 oktober 2010 had gedaan, nog altijd een premieachterstand van € 440,07. Naar de kantonrechter begrijpt, heeft die achterstand mede te maken met het feit dat ook over de maanden augustus, september en oktober 2010 nog premie verschuldigd is. [gedaagde] heeft in reactie daarop niet gesteld dat hij die premie heeft betaald of dat de achterstand van € 440,07 geheel is voldaan. Er moet daarom als vaststaand worden aangenomen dat er nog een schuld bestaat. Gelet op artikel 18d, derde lid en onder a, van de Zorgverzekeringswet is Univé dus niet verplicht om [gedaagde] bij het Cvz af te melden als wanbetaler.

7.4. Ook hier overweegt de kantonrechter dat het bij de vraag of [gedaagde] zijn schulden heeft afgelost als bedoeld in artikel 18d, derde lid en onder a, van de Zorgverzekeringswet niet gaat om de betaling van de vordering zoals opgenomen in de dagvaarding, maar om betaling van álle schulden die uit de zorgverzekering voortvloeien. Dit volgt zowel uit de tekst als uit de wetsgeschiedenis van artikel 18d van de Zorg¬verzekeringswet (Kamerstukken II, 2008-2009, 31 736, nr. 3, pag. 39).

7.5. Ten overvloede wijst de kantonrechter er nog op dat [gedaagde] van de hiervoor genoemde hoge bestuursrechtelijke premie af kan komen door alsnog álle schulden die uit de zorgverzekering voortvloeien af te betalen.

8. De conclusie van het voorgaande is dat de vordering van [gedaagde] wordt afgewezen. Nu [gedaagde] ongelijk krijgt, moet hij de proceskosten betalen.

De beslissing

De kantonrechter:

in reconventie

Wijst de vordering af.

Veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die tot heden voor Univé worden vastgesteld op een bedrag van € 180,00 voor salaris van de gemachtigde van Univé.

Verklaart deze veroordeling(en) uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 30 mei 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter