Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BR1616

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
14-07-2011
Datum publicatie
14-07-2011
Zaaknummer
14/810590-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Familieleden veroordeeld voor (gewoonte)witwassen en handel in XTC en LSD

Medeplegen van een gewoonte maken van witwassen 420ter WvSr. Medeplegen van uitvoer LSD en uitvoer XTC. Opzettelijk aanwezig hebben XTC.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer: 14.810590-10 (P)

Datum uitspraak: 14 juli 2011

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

*verdachte*,

geboren te *plaats* op *datum*,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres *adres*

thans gedetineerd in de P.I. Amsterdam, HvB Demersluis te Amsterdam.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

29 juni 2011 en 30 juni 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. G.F.H. Velthuizen, advocaat te Zaandam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie ex artikel 314a jo 313 van het Wetboek van Strafvordering, strekkende tot aanpassing van de tenlastelegging is toegelaten, ten laste gelegd, dat

1. (zaak 3)

hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 27 september 2010 tot en met 4 oktober 2010 in de gemeente(n) Alkmaar en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans éénmaal, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, (telkens) als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet,

- 2997 zegels, in elk geval (telkens) één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende lisergide en/of lyserginezuur en/of afleidingen en/of derivaten daarvan/daarmee (LSD) en/of

- 2027,5 pillen, in elk geval (telkens) een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende Amfetamine/MDMA/MDA, (telkens) zijnde lysergide en/of lyserginezuur en/of afleidingen en/of derivaten daarvan/daarmee (LSD) en/of amfetamine/MDMA/MDA, (telkens) een of meer middel(en) als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, (telkens) dan wel aangewezen krachtens het vijf lid van artikel 3a van die wet;

2. (zaak 3)

hij op of omstreeks 04 oktober 2010 in de gemeente Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad

- 997 pillen, in elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende Amfetamine/MDMA/MDA, zijnde Amfetamine/MDMA/MDA, (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3. (zaak 1)

hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 27 november 2008 tot en met 25 augustus 2010 in de gemeente(n) Alkmaar en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of Brazilië, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) een of meer voorwerp(en), te weten één of meer geldbedrag(en) en/of Travelcards met een totale waarde van in elk geval 102.560 Euro en/of 14.500 Reais, (telkens) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van een of meer voorwerp(en), te weten voornoemde één of meer geldbedrag(en) en/of Travelcards, gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overweging ten aanzien van het bewijs

Feit 1

Verdachte (hierna ook te noemen: *verdachte*) wordt ervan verdacht dat hij zich samen met zijn vriendin (hierna ook te noemen *medeverdachte1*) en zijn broer (hierna ook te noemen *medeverdachte2*) heeft schuldig gemaakt aan de uitvoer van LSD en zogenoemde ecstasypillen, door deze verpakt in enveloppen vanuit Nederland naar Brazilië te versturen.

*verdachte* heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan dit feit. *medeverdachte2* heeft bij de FIOD verklaard dat hij in de ten laste gelegde periode enveloppen voor zijn broer in de brievenbus heeft gedaan. *medeverdachte1* heeft zich op haar zwijgrecht beroepen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank zal bewezen verklaren dat *verdachte* zich tezamen en in vereniging met *medeverdachte2* en *medeverdachte1* heeft schuldig gemaakt aan de uitvoer van harddrugs.

Standpunt van de verdediging

De advocaat heeft primair vrijspraak bepleit. Er is geen fysiek bewijs dat de verdachte de drugs in de enveloppen heeft gedaan.

Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Op 23 september 2010 is tijdens het opnemen van de communicatie gevoerd met het IP-nummer 87.210.114.157/32 (IP-adres op de *huisadres*) een audio/videogesprek geregistreerd tussen *verdachte* en *medeverdachte2*.

Een deel van het gesprek gaat als volgt :

E: Oh, wacht effe Den… het is hier echt een gekkenhuis…

D: Ja ja ja

E: … niet normaal… echt… het is niet normaal

D: Ja?

E: Hé want we zeggen dat we op vakantie gaan… he… al die gasten… als die gasten… die komen langs.

D: Ja

E: En die willen nu allemaal op het laatste moment… maar het is niet normaal… d’er is al… ik heb… moet je kijken… wacht effe hoor… moet je kijken wat ik dus al hier heb… he…

D: Dat is Reais?

E: Negenduizend… maar *medeverdachte1* ook nog heb ook nog geld in… twee, vier, zes, zeven, acht… *medeverdachte1* heeft ook nog negen duizend… negenenhalf duizend… maar dat is nu op de bank… alles vierenhalf of zo… en ik heb nog duizend euro hier dus ongeveer… we gaan drie, vier duizend euro per man meenemen ook nog eens een keertje

D: Ooh deze kant op?

E: Ja

D: Ooh…

E: Bij elkaar hebben we 29.000 of zo, maar ik moet Karim nog wat geld betalen, moet jouw scooter nog betalen… moet die lening nog afbetalen… zevenduizend.

D: Dat is het laatste wat je nog moet doen?

E: Ja, zevenduizend, dan ben ik klaar

D: Okee

E: Dus.. hé maar alle vier de pakketjes aangekomen?

D: Ja

E: Kee… morgen komt weer een pakketje… misschien twee maar tot nu toe één want eentje was er vrijgegeven

D: Oke

E: Oke… nou dan mag je effe allemaal openmaken als je wil

D: Ja

E: Dus die gasten komen nog van alles… ja, ik wil nog hebben, ik wil nog hebben.

D: Je moet zeker weer nieuwe van alles hebben?

E: Ja, ook maar ik ben echt alles kwijt bijna… ik heb nog 1400 snoepjes en die… die papiertjes… echt nou ook op

D: Jezus hé

E: Ja, niet normaal

D: Tjeeh, allemaal weer halen denk?

E: Ja, en niet… niet zo’n klein beetje ook

D: Zoo… ik maak ze eerst effe open allemaal

E: Ja is goed hoor… ’t is niet zo veel werk vandaag als het goed is

D: Okee.

*medeverdachte2* is op 5 oktober 2010 door de verbalisanten geconfronteerd met voornoemd MSN-gesprek en er wordt hem gevraagd wat hij hierover kan verklaren. Hij verklaart vervolgens het volgende :

“Ik herinner me het gesprek. Met gasten bedoelt *verdachte* in de eerste zin waarschijnlijk klanten, die verdovende middelen bij *verdachte* kopen. Deze gasten willen nog drugs hebben. Ik vraag *verdachte* vervolgens, of hij weer nieuwe van alles moet hebben. Met “alles” bedoel ik tijdens dit gesprek xtc-pillen en LSD trips. *verdachte* had namelijk al eens tegen mij verteld, dat hij ook in de LSD-handel zat. Vervolgens bedoelt *verdachte* tijdens dit MSN-gesprek te zeggen, dat hij zijn hele voorraad drugs verkocht heeft in Brazilië wanneer hij zegt “ja, ook maar ik ben echt alles kwijt bijna”. Wanneer hij vervolgens zegt: “ik heb nog 1400 snoepjes en die.. die papiertjes...echt nou ook op” bedoelt hij met snoepjes xtc-pillen en met papiertjes LSD trips. Wanneer ik vervolgens zeg “jeeh, allemaal weer halen denk ?” bedoel ik, dat *verdachte*, wanneer hij weer in Nederland is, weer drugs gaat kopen. Wanneer *verdachte* tenslotte zegt: Ja, en niet.... niet zo’n klein beetje ook. bedoelt *verdachte*, dat hij in Nederland een grote hoeveelheid drugs in gaat kopen. *verdachte* heeft mij wel eens verteld dat zijn drugsomzet behoorlijk is.”

Uit afgeluisterde telefoongesprekken, boekingsgegevens van de KLM en observaties ,

waarbij is waargenomen dat *medeverdachte2* op 27 september 2010 zijn broer

*verdachte* en een vrouw op Schiphol ophaalt, blijkt dat *verdachte* en

*medeverdachte1* op 27 september 2010 op Schiphol zijn gearriveerd vanuit Brazilië.

Op 29 september 2010 is op het e-mailadres *e-mailadres*, vanaf het IP-adres op de *huisadres*, in de map concepten een e-mail gemaakt met als onderwerp “caixa postal” waarin onder meer de volgende adressen staan vermeld:

ACF CONZAGA

CAIXA POSTAL 2144.0

AV. ANA COSTA, 470

Santos-SP

CEP& 58; 11060-970

Brasil

en

AC SANTOS

CAIXA POSTAL 77

RUA CIDADE DE TOLEDO, 41

Santos-SP

CEP& 58; 11010-970

Brasil

Eveneens op 29 september 2010, wordt op hetzelfde e-mailaccount een conceptbericht met het onderwerk “zendings Nederland naar Brazilië” geopend met als inhoud:

29-09-2010 2x Alex PB 77 + 2x Alex PB 2144-0

Op 29 september 2010 om 18:26 uur belt *verdachte* naar zijn broer *medeverdachte2*. *verdachte* vraagt onder meer aan *medeverdachte2* “of alles gelukt is” en *medeverdachte2* zegt onder meer “dat alles gelukt is” en “dat hij ze alle twee gewoon gedaan had”.

*medeverdachte2* heeft hierover bij de FIOD verklaard dat het gesprek ging over het posten van brieven voor *verdachte*. *verdachte* had gevraagd, of hij deze enveloppen voor *verdachte* wilde posten. Deze enveloppen moesten in de bus voor overige bestemmingen, omdat ze naar Brazilië verstuurd moesten worden. *medeverdachte2* kan niet verklaren waarom *verdachte* de brieven niet zelf op de post deed. Verder verklaart *medeverdachte2* dat hij alleen op de dag van het telefoongesprek enveloppen naar Brazilië heeft verstuurd in opdracht van *verdachte*:

“Volgens mij heb ik vier brieven in een brievenbus gestopt en de andere twee brieven in een andere brievenbus. Dat deed ik in opdracht van *verdachte*. *verdachte* heeft mij verteld dat hij een verdovende middelhandel met Brazilië had”.

Op 30 september 2010 zijn er vier enveloppen, bestemd voor de bovengenoemde adressen in Brazilië, postbussen 77 en 2144-0, onderschept door TNT en in beslag genomen door de FIOD. In alle vier de enveloppen zijn (felicitatie-) kaarten aangetroffen. Het gaat om gevouwen kaarten die met behulp van plakband waren dichtgeplakt. In de kaarten bevonden zich vellen die qua uiterlijk deden vermoeden dat het LSD betrof. De vellen bestonden uit 20 X 25 (=500) kleine vierkante deeltjes, vermoedelijk zogenaamde LSD-trips.

Op 30-09-2010 om 16:03 uur belt *verdachte* via zijn mobiele telefoonnummer naar zijn broer, verdachte *medeverdachte2*:

D: Ik ga nu zo naar huis toe met een paar minuutjes

E: Heb je het geld al gestort?

D: Heb ik gestort, ik heb die postzegels heb ik al voor je dus eh

E: Nou oke

D: Dus eh kan je weer eh versturen

E: Ja want daar zit ik op te wachten, want ik moet voor zessen moet het de deur uit he?

D: Ja ik kom er zo aan hoor met een paar minuten ben ik thuis

*medeverdachte2* heeft over het bovenstaande telefoongesprek bij de FIOD onder meer het volgende verklaard:

“Ik kan me dit gesprek herinneren. Ik had de postzegels gehaald, nadat ik de 1000,- Euro op de rekening van *verdachte* had gestort. U vraagt mij wat ik bedoelde met de zin “Dus eh kan je weer eh versturen”. Daar bedoelde ik alleen mee, dat *verdachte* weer enveloppen kon versturen. Voor ik de enveloppen voor *verdachte* op de bus deed met bestemming Brazilië wist ik wel van de verdovende middelenhandel van *verdachte*, waarbij hij xtc-pillen smokkelde naar Brazilië.”

Op 30 september 2010 om 15.15 uur wordt een e-mail bericht van het e-mail account *e-mailadres* met het onderwerp “zendings Nederland naar Brazilië”, vanaf het IP-adres op de *huisadres* geopend in de map concepten. De inhoud van dit bericht luidt:

29-09-2010 2XALEX PB 77 + 2X ALEX PB2144-0

30-09-2010 1 x alex PB 77 + 1 X ALEX PB 2144-0

4 X WS BP 77 = DDD-CCC - BBB - AAA 4 X WS BP 2 144-0 =

KK-JJ-GG -TT

Door de TNT werden op 1 oktober 2010 tien enveloppen, bestemd voor bovengenoemde adressen in Brazilië, onderschept (voor beide postbussen vijf enveloppen) en in beslag genomen door de FIOD. In twee enveloppen werden (felicitatie-)kaarten aangetroffen. Het gaat om gevouwen kaarten die met behulp van plakband waren dichtgeplakt. In de kaarten bevonden zich vellen die qua uiterlijk deden vermoeden dat het LSD betrof. De vellen bestonden uit 20 X 25 (=500) kleine vierkante deeltjes, vermoedelijk zogenaamde LSD-trips. De vellen kwamen overeen met de vellen uit de op 30 september 2010 in beslag genomen vier enveloppen. In acht enveloppen werden twee lilakleurige stukken papier aangetroffen die met transparant plakband aan elkaar waren geplakt. Op de stukken lilakleurig papier van deze acht enveloppen stonden de lettercombinaties geschreven die ook in het mailbericht met de Zendings Nederland naar Brazilië stonden vermeld, namelijk DDD-CCC-BBB-AAA en KK-JJ-GG -TT. Tussen deze vellen werden transparante plastic verpakkingen aangetroffen waarin groene pillen zaten met een appel logo.

Bij de doorzoeking van de woning aan de *huisadres* werden in de slaapkamer waar verdachte en zijn vriendin verbleven onder meer hetzelfde type enveloppen aangetroffen, hetzelfde lilakleurige papier en ook groene pillen met een appel logo.

Op 1 oktober 2010 om 15.58 uur wordt een e-mail bericht van het e-mail account *e-mailadres* het onderwerp “zendings Nederland naar Brazilië”, vanaf het IP-adres op de *huisadres*, gemaakt in de map concepten. De inhoud van dit bericht luidt:

29-09-2010 2XALEX PB 77 + 2X ALEX PB2144-0

30-09-2010 1 x alex PB 77 + 1 X ALEX PB 2144-0

4 X WS BP 77 = DDD-CCC - BBB - AAA 4 X WS BP 2 144-0 =

KK-JJ-GG –TT

01-10-2010 4 x WS BP 77 = T5-T6-T7-T8 4 X WS 2144-0 = R1-R2-R3-R4

Door de TNT werden op 2 oktober 2010 acht enveloppen, bestemd voor de postbussen 77 en 2144-0 in Brazilië, onderschept (voor beide adressen vier enveloppen) en in beslag genomen door de FIOD.

In elke van de acht enveloppen werden twee lilakleurige stukken papier aangetroffen

die met transparant plakband aan elkaar waren geplakt. Op de stukken lilakleurig papier

van deze acht enveloppen stonden de cijfer-lettercombinaties geschreven die ook

in het mailbericht met het onderwerp Zendings Nederland naar Brazilië stonden vermeld,

namelijk T5-T6-T7-T8 en R1-R2-R3-R4. Tussen deze vellen werden transparante plastic

verpakkingen aangetroffen waarin groen pillen zaten met een appel logo.

Deze verpakkingswijze en de materialen kwamen overeen met de poststukken met pillen

die op 1 oktober 2010 bij TNT in beslag werden genomen.

Op 1 oktober 2010 zijn er vier enveloppen, genummerd 1 tot en met 4, ter monstering

overgebracht naar de Forensische Opsporing van de FIOD en op 12 oktober 2010 achttien enveloppen genummerd van 5 tot en met 22. De enveloppen genummerd 1 tot en met 6 bevatten vellen met zegels. De enveloppen 7 tot en met 22 bevatten in totaal 2027,5 groene tabletten met het logo van een appel. De enveloppen zijn bemonsterd en de monsters zijn verstuurd naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Onderzoek bij het NFI heeft uitgewezen dat monsters uit de enveloppen 1,3 en 5 LSD bevatten en dat monsters uit de enveloppen 7, 9, 11, 16, 18 en 20 MDMA bevatten.

*verdachte* heeft bij de FIOD verklaard dat hij gebruikmaakt van het e-mail adres *e-mailadres*

Conclusie van de rechtbank

Uit de hiervoor vermelde bewijsmiddelen blijkt dat *verdachte* op 23 september 2010 met zijn broer *medeverdachte2* bespreekt dat hij in Nederland weer LSD en XTC gaat inkopen. Op 27 september 2010 is *verdachte* uit Brazilië in Nederland aangekomen en op 29 september 2010 post *medeverdachte2* in opdracht van *verdachte* enkele enveloppen bestemd voor Brazilië. Op 30 september 2010 worden vier enveloppen onderschept bestemd voor twee adressen in Brazilië die overeenkomen met de adressen genoemd in een e-mail vanaf de door *verdachte* gebruikte e-mail account. Vanaf dezelfde account wordt ook een bericht met het onderwerp “zendings Nederland naar Brazilië aangetroffen”. De daarin genoemde aantallen per postbus komen overeen met het aantal onderschepte enveloppen.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen buiten het grondgebied van Nederland brengen van LSD en MDMA.

Ten aanzien van de op 30 september 2010 onderschepte zending van vier enveloppen (bevattende LSD) is wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen *verdachte* en zijn broer *medeverdachte2*.

Anders is dit ten aanzien van de op 1 oktober en 2 oktober 2010 onderschepte verzendingen. Uit de bewijsmiddelen blijkt voor deze gevallen onvoldoende van een nauwe en bewuste samenwerking tussen *verdachte* en *medeverdachte2*.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte tezamen en in vereniging met *medeverdachte1* de uitvoer van drugs heeft gepleegd. De rechtbank ziet in het dossier ernstige bezwaren tegen *medeverdachte1*, zoals het feit dat zij mee is geweest naar een persoon die vermoed wordt de drugsleverancier te zijn, het feit dat de adressen op de voorkant van de verstuurde enveloppen met een ander handschrift zijn geschreven dan de afzenders op de achterkant, maar deze belastende feiten en omstandigheden leveren slechts vermoedens, en - ook in onderling verband beschouwd - geen wettig bewijs ten aanzien van het medeplegen door *medeverdachte1* van de hier besproken uitvoer van drugs op. Het enkele feit dat er via MSN- en e-mailverkeer in het Portugees gesprekken over drugs worden gevoerd, houdt nog niet direct in dat het *medeverdachte1* is geweest, die die gesprekken voerde. Vaststaat dat in ieder geval ook verdachte enige woorden Portugees sprak, en de rechtbank kan niet vaststellen wie van deze twee verdachten de gesprekken heeft gevoerd.

Verweren

De raadsman heeft aangevoerd dat de tenlastelegging geen feitelijke omschrijving omvat van de daadwerkelijke uitvoer, zodat vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging zou moeten volgen. De rechtbank verwerpt dit verweer, nu het begrip ‘buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht’ - in aansluiting bij jurisprudentie van de Hoge Raad - voldoende feitelijk is.

De raadsman heeft verder aangevoerd dat geen sprake kan zijn van een voltooid delict, nu de poststukken in Amsterdam in beslag zijn genomen, zodat vrijspraak zou moeten volgen. De rechtbank verwerpt dit verweer eveneens. Het begrip ‘buiten het grondgebied brengen’ zoals bedoeld in de Opiumwet is ruimer dan wat men in het spraakgebruik hieronder zou verstaan. Iemand die handelingen verricht of laat verrichten die op de uitvoer zijn gericht, zoals in dit geval het met bestemming buitenland ten vervoer aanbieden van enveloppen, maakt zich schuldig aan het buiten het grondgebied van Nederland brengen.

Feit 2

Verdachte wordt ervan verdacht dat hij zich samen met zijn vriendin, zijn broer en zijn ouders heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 997 ecstasypillen in de woning aan de *huisadres* op 4 oktober 2010.

*verdachte* heeft bekend zich schuldig te hebben gemaakt aan het voorhanden hebben van de op zijn slaapkamer gevonden pillen. *medeverdachte2* heeft bekend dat hij op 4 oktober 2010 ecstasypillen in het geldkistje op de zolderkamer bewaarde, maar heeft ontkend te hebben geweten dat er daarnaast 967 ecstasypillen in de slaapkamer van *verdachte* en *medeverdachte1* lagen. *medeverdachte1* heeft zich op haar zwijgrecht beroepen. De ouders hebben ontkend te hebben geweten dat er drugs in hun woning aanwezig waren.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank zal bewezen verklaren dat *verdachte*, *medeverdachte2* en *medeverdachte1* zich tezamen en in vereniging hebben schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 967 ecstasypillen uit de slaapkamer van *medeverdachte1* en 30 ecstasypillen uit het geldkistje op de zolder.

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd ten aanzien van de ouders.

Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Op 4 oktober 2010 heeft een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden van de woning aan de *huisadres*. Op de slaapkamer waar *verdachte* en *medeverdachte1* tijdens het binnentreden verbleven en zijn aangehouden is een zwarte ondoorzichtige plastic zak aangetroffen waarin acht verpakkingen zaten met daarin groene pillen. De plastic tas bevatte 967 groene pillen. De plastic zak met pillen is overgebracht naar de forensische technische recherche en aldaar bemonsterd. Drie monsters zijn naar het NFI verstuurd. Onderzoek bij het NFI heeft uitgewezen dat monsters MDMA bevatten.

*verdachte* heeft op de terechtzitting verklaard dat hij deze zak met pillen op 3 oktober 2010 tussen 23.00 uur en 24.00 uur in de slaapkamer heeft neergelegd en dat hij de enige was die van de aanwezigheid van de pillen op de hoogte was.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 4 oktober 2010 opzettelijk 967 ecstasypillen (MDMA) aanwezig heeft gehad, te weten de pillen aangetroffen in de slaapkamer op de eerste verdieping.

Nu de verdachte nadrukkelijk heeft betwist dat de medeverdachten op de hoogte waren van de aanwezigheid van de pillen in de slaapkamer en uit de stukken in het dossier voorts niet blijkt van omstandigheden van het aantreffen van de zwarte plastic tas, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het voor anderen direct zichtbaar was dat er ecstasypillen in de tas zaten, acht de rechtbank niet bewezen dat de verdachte dit feit tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft begaan.

De rechtbank acht voorts niet bewezen dat de verdachte de pillen in het geldkistje op zolder aanwezig heeft gehad, nu uit de stukken en het verhandelde op de terechtzitting niet blijkt dat de verdachte wist dat die pillen in de woning aanwezig waren.

Feit 3

*verdachte* wordt ervan verdacht dat hij zich in de periode van 27 november 2008 tot en met 25 augustus 2010 samen met zijn vriendin, zijn broer en zijn ouders, heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van geldbedragen. Verdachte heeft aangegeven de geldbedragen voorhanden te hebben gehad en er gebruik van te hebben gemaakt, door deze bedragen per post vanuit Brazilië naar Nederland te versturen, waarbij hij heeft verklaard dat het geld niet van misdrijf afkomstig is.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank zal bewezen verklaren dat *verdachte* zich tezamen en in vereniging met *medeverdachte1*, *medeverdachte2*, *medeverdachte4* en *medeverdachte3* heeft schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Zijn cliënt ontkent dat de gelden van misdrijf afkomstig zijn en hij heeft ter terechtzitting een verklaring gegeven voor de herkomst van het geld. Aangezien de beschuldigingen in de tenlastelegging bij de feiten 1 en 2 met betrekking tot uitvoer en voorhanden hebben van drugs een latere periode betreffen, kan niet worden vastgesteld dat de gelden zijn verdiend met criminele activiteiten.

Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat de in de tenlastelegging opgenomen periode tot en met 25 augustus 2010 loopt. Dit heeft tot gevolg dat de geldzendingen en de opgenomen telecommunicatie in de periode tussen 26 augustus 2010 en 4 oktober 2010 naar het oordeel van de rechtbank weliswaar kunnen bijdragen tot het bewijs ten aanzien van de daarvoor liggende periode, maar niet zonder meer het bewijs daartoe kunnen vormen.

Witwashandelingen

Uit het stukken in het dossier blijkt dat in de periode van 4 februari 2010 tot en met 25 augustus 2010 in totaal bedragen van 94.230 euro en 14.500 Reais aan contant geld, en een aantal Travelcards, in 23 koerierspakketten en 29 enveloppen vanuit Brazilië naar *naamverdachte* te Alkmaar zijn verzonden. Met de travelcards is in Nederland € 8.330 opgenomen.

Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij pakketten en enveloppen met geldbedragen naar *huisadres* en naar postbus *nummer* in Alkmaar heeft verzonden. Bovendien wordt door de broer van verdachte, *medeverdachte2*, en zijn ouders bevestigd dat er regelmatig pakketjes en enveloppen, waarin geld zat, door verdachte naar Nederland werden verstuurd. Als hij in Brazilië was moesten zij dat dan aannemen of van de postbus ophalen en voor verdachte bewaren, totdat hij weer in Nederland zou zijn. Verdachte en zijn moeder hebben ook erkend dat op deze wijze zogenaamde travelcards vanuit Brazilië naar Nederland zijn verzonden. Als de verdachte in Nederland was nam hij zelf de poststukken in ontvangst.

Terug in Nederland heeft verdachte ook gebruikgemaakt van dit geld door er betalingen mee te doen, schulden af te lossen en bedragen op zijn bankrekening te storten. In de periode vanaf maart 2009 tot en met 27 oktober 2010 is een totaalbedrag van € 124.475,00 contant op de rekening van verdachte gestort.

Daarmee staat vast dat verdachte voormelde voorwerpen voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en heeft omgezet.

Van misdrijf afkomstig

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of dit geld van misdrijf afkomstig was. Daarbij hoeft niet te worden bewezen om welk gronddelict het precies gaat. Voldoende is dat wordt bewezen dat het niet anders kan dan dat het geld van enig misdrijf afkomstig was. Overigens dient hierbij, gelet op het standpunt van de officier van justitie ter terechtzitting, wel te worden vastgesteld dat het gaat om misdrijven die verband houden met drugs.

In een afgetapt MSN-gesprek tussen *verdachte* en *medeverdachte2* op 15 september 2010 wordt het volgende gezegd:

D: Ja goed man, met jou?

E: Ja lekker, nou pak maar even uit.

D: Ja ik heb ze opengemaakt al

E: Oke er moet totaal 8270, 8000 270 moet er inzitten

D: Oke

E: Je moet even kijken eh waar het ook alweer zit, weet je die pennen, zo wie zo in die pennen

D: Ja, ik ga.. ik kom er aan effe een naald pakken.

E: Als je slim bent Den

D: Ja

E: Neem je een pincet van mama en dan trek je ze er zo uit

E: Lukt het allemaal jongen?

[…]

D: Nou...ik heb hier..

E: Kijk als je die pennen openmaakt

D: Ja, in één pen zit niks he?

E: Dan is ie leeg, dan zit er niks in

D: Oke

E: Als er niks in zit, zit er niks in...

D: Ja nee ik denk misschien straks heb je in al die pennen wat gedaan

E: Nee dat was een beetje verschillend geloof ik

[…]

D: Oke die zijn er allemaal uit Ed nu

E: En dan uhm eh die andere pakketje heb je die ook open gemaakt?

D: Ja.

E: Daar zit ook zo’n dingetje in he voor die pennen, die moet je er ook even uit halen, dan moet je even kijken hoeveel het totaal is. En er zit ook nog in een cd, zit klein geld

D: Oke

[…]

D: Zit er nog meer ergens?

E: Hoeveel heb je nu?

D: Ik heb hier vijf en een half duizend

[…]

D: Plus dan nog eens 2 briefjes van 100

E: Ja

D: Vijftig en oh vier briefjes van vijftig eh vijf, dus dat is 250, 60, 270

E: 270. .oke dat is dan 5,7, 70 toch

D: Eh ja

*verdachte* roept dan in het Engels iets tegen iemand op de achtergrond.

E: Nou moet ik even gaan kijken Den

*verdachte* vraagt in het Engels aan iemand op de achtergrond waar nog meer geld zit. Een vrouwenstem zegt in het Engels dat er nog in broeken iets zit.

E: Het zit in broeken Den.

D: Ja

E: En dan waar die eh. .daar waar die weet je wel eh.. nee niet daarin Den . Weet je waar dat voorkantje zit. .ditte . .hier..

D: Hier?

E: Dan moet je hier een beetje inkijken Den, dan moet je even voelen of het hard is

D: (Praat dan tegen *verdachte* en *medeverdachte1*) Ja, ja... .kijk hier (in de Engelse taal) Die andere ook *medeverdachte1*?

E: Miche...Ja zit ook in Dennie andere volgens mij moet je maar even kijken 1000 per broek als ik het goed heb...

Dan volgt een stilte

E: Ja is weer eens wat anders he?

E: Oh, je hebt het er al uit

D: Ja, dus dat is in totaal nog 2000

E: Tel het even opnieuw want er moet in totaal 8,2, 70 in zitten

[...]

D: Ik heb nu 8000

[…]

E: Ja 8,2,70 heb je in totaal he?

D : Ja

E: Ja uitstekend, uitstekend, he wat heb je met die andere cd’s van mij gedaan? Heb je die bewaard of heb je die weggegooid?

D: Nee, die heb ik hier liggen

E: Oke, dan moet je deze ook bewaren als je wil

D: Ja

E: Dan kan ik die weer mee terug nemen straks

D: Ja

E: Is een mooie smokkelroute zo he?

D: Ja dan zal ik ze even in elkaar flansen en dan eh

[…]

E: Je moet alleen even kijken je hebt nu allemaal briefjes van 500 he?

D: Ja

E: En er moet drie, vier, drieduizendvierhonderd moet er naar hem toe

Dus dan zit ik alleen hoe krijgen we die briefjes dan dat briefje van vijfhonderd klein

D: dan moet ik even naar het GWK gaan

E: Nee, weet je wat je kan doen?

D: Nou?

E: de rest van het bedrag dat mag je op mijn rekening storten als je wil

D: Ja, is goed

In een afgetapt telefoongesprek tussen de vaste telefoon van de familie *naam* en een Braziliaans telefoonnummer op 25 september 2010 wordt het volgende besproken:

*verdachte*: Mam was vandaag, was het pakketje aangekomen?

Moeder: Ja.

*verdachte*: Okee, uitstekend. En als *medeverdachte2* dan straks thuiskomt, die weet wel hoe of wat.

Moeder: Okee.

*verdachte*: Moet je maar effe zeggen dat er vier totaal in zit.

Moeder: Ja.

[…]

Dan komt vader aan de telefoon. *verdachte* en vader praten eerst over het weer, daarna

volgende passage: (E=*verdachte* V=vader)

V: Dr was een pakkie voor je aangekomen.

E: Ja

V: Zal ik het zo dicht laten en voor je weg zetten?

E: Ja, is geen enkel probleem. Maar *medeverdachte2* mag het ook zo uit halen, want die weet hoe het is vaders.

V: Okee, nee het maakt mij niks uit eh. Zet die het op je rekening of zo?

E: Nee, die geeft het aan mama netjes

V: Oh ja, ja is goed.

E: Hij haalt het er uit en hij geeft het netjes aan mama, dus, geen enkele hoofdpijn met hem dus

V: okee, nou is goed. Hij had ook al hier wat staan geloof ik he?

E: Ja, ja ja... doet het allemaal prima. Ja nou en als jij wat wil hebben, zo’n kort broekje zit erin.

*verdachte* en vader lachen.

V: Had je die al voor de kleine meid vooruit gestuurd.

E: Nee, nee, zijn van die jongensbroekies, dan doen ik dat waar die touwtjes zitten weet je wel.

V: Ooh, op zon manier.

E: Is weer een nieuwe truc. Ja *medeverdachte1* vindt al die trucjes weet je wel.

Op 4 februari 2010 is voor het eerst een zending, verstuurd aan *naamverdachte* en afkomstig uit Brazilië, door de Belastingdienst/Douane te Schiphol aan een fysieke controle onderworpen. Hierin zat contant geld verborgen in cd – hoesjes. Vervolgens zijn er in de periode tot 25 augustus 2010 nog 22 koerierspakketten en 29 enveloppen voor deze geadresseerde aangetroffen waar geldbedragen inzaten, veelal aangetroffen in cd-hoesjes, pennen, boeken en kleding.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het geld en de travelcards veelal werden verstopt in CD-hoesjes, pennen, boeken en kleding, voordat deze naar Nederland werden verzonden.

Verdachte heeft verklaard dat het geld door hem niet eerder dan vanaf februari 2010 naar Nederland werd verzonden. Uit de andere bewijsmiddelen in deze zaak blijkt echter:

1. dat er tussen 27 november 2008 en 8 februari 2010 38 koerierszendingen zijn verstuurd vanuit Brazilië voor *naamverdachte* te *plaats*;

2. dat er in de periode vanaf 9 maart 2009 tot februari 2010 ook al vele contante stortingen (in totaal € 48.335) op de rekening van verdachte plaatsvinden.

De rechtbank stelt vast dat er over een lange periode op een verhullende wijze contant geld naar Nederland is verstuurd en dat op grond van deze feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen gerechtvaardigd is. Van de verdachte kan onder deze omstandigheden worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de herkomst van deze geldbedragen.

Verdachte heeft voor het eerst ter terechtzitting een verklaring voor de herkomst van het geld gegeven. Hij stelt dat hij het geld in eerdere jaren had verdiend en opgespaard. De verdiensten zouden komen uit de handel met belastingvrije artikelen uit Paraguay, die verdachte vervolgens aanvankelijk in Nederland en later in andere Zuid-Amerikaanse landen verkocht.

De rechtbank overweegt dat de door de verdachte geschetste (al dan niet legale) herkomst van de verstuurde geldbedragen niet aannemelijk is geworden.

De verklaring over de verdiensten door verkopen in Nederland wordt gelogenstraft door de bankafschriften, die verdachte bij gelegenheid van het pleidooi ter ondersteuning van zijn verklaring als productie 5 aan het dossier heeft toegevoegd. Uit die bankafschriften blijkt immers dat er in de periode 2005-2007 weliswaar bedragen aan verdachte worden betaald – voor een deel kennelijk kopers van elektronische artikelen – maar dat er ook vele bedragen door verdachte worden teruggestort. Dat strookt ook met de stukken die de officier van justitie naar aanleiding van het pleidooi op de terechtzitting 30 juni 2011 in het geding heeft gebracht. Daarin is te lezen:

- dat hij verdacht is geweest van oplichting, in verband met de verkoop van elektronische artikelen via het internet;

- dat hij op 4 april 2008 verklaart dat hij deze artikelen goedkoop via Paraguay wilde importeren, maar dat dat nooit van de grond is gekomen en dat hijzelf nooit goederen uit Paraguay heeft ontvangen;

- dat hij daarmee wel is blijven adverteren op het internet;

- dat hij geld heeft teruggestort naar de benadeelden;

- dat hij geld naar zijn moeder heeft gezonden om aan gedupeerde kopers terug te betalen.

Over de (volgens verdachte) latere soortgelijke handel in Brazilië heeft verdachte niet kunnen uitleggen, waarom die handel toen wel lukte in tegenstelling tot de eerdere mislukking. Bovendien heeft verdachte op geen enkele wijze zijn verklaring over deze periode met administratieve bescheiden kunnen onderbouwen.

Uit het onder feit 1 al aangehaalde MSN-gesprek op 23 september 2010 tussen de verdachte en zijn broer *medeverdachte2* , en de verklaring van *medeverdachte2* daarover op 5 oktober 2010 bij de FIOD blijkt dat de verdachte in Brazilië LSD en XTC verkoopt en dat hij daar een “behoorlijke omzet” uit haalt.

Geconfronteerd met deze gegevens uit het onderzoek heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen. Dit recht heeft verdachte, maar door hier gebruik van te maken, geeft hij geen geloofwaardige alternatieve lezing voor de betekenis van deze gegevens.

Conclusie

Op grond van deze vastgestelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen middellijk of onmiddellijk, geheel althans voor een groot deel van misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte daarvan wist. De in de tenlastelegging omschreven handelingen kunnen worden aangemerkt als het veiligstellen van criminele opbrengsten. De rechtbank acht daarmee witwassen bewezen. De verklaringen van verdachte in het vooronderzoek en op de terechtzitting dat het geld legale opbrengsten waren van zijn handel in Brazilië zijn onaannemelijk en oncontroleerbaar.

Wetenschap van de herkomst en medeplegen

De rol van *medeverdachte2*, *medeverdachte3* en *medeverdachte4*

Op grond van de bewijsmiddelen staat vast dat de medeverdachten wisten dat er geld in de pakketten van *verdachte* verstopt zat in CD-hoesjes, pennen, boeken en kleding.

*medeverdachte3* en *medeverdachte4* ontkennen te hebben geweten dat het geld van misdrijf afkomstig was. Zij hebben bovendien verklaard dat zij slechts enkele pakketjes in ontvangst hebben genomen. De rechtbank gaat uit van deze lezing, nu uit de stukken in het dossier blijkt niet van het tegendeel, in ieder geval niet in de tenlastegelegde periode tot 26 augustus 2011. De grootte van de geldbedragen en de veelheid van de zendingen kan deze verdachten dan ook niet worden tegengeworpen, nu niet is komen vast te staan dat zij zicht hebben gehad op de totale omvang daarvan.

De rechtbank acht niet bewezen dat zij wisten dat het geld van misdrijf afkomstig was en dat zij een nauwe en bewuste samenwerking hadden met *verdachte*, mede gelet op de verklaring van *medeverdachte2* dat zijn ouders niets wisten van de XTC-handel van *verdachte*.

Anders ligt dit bij *medeverdachte2*. Op basis van zijn eigen verklaringen is de rechtbank van oordeel dat hij wist dat het geld afkomstig was van de handel in drugs in Brazilië. Hij heeft namelijk verklaard: “*verdachte* heeft mij verteld dat hij een verdovende middelenhandel met Brazilië had. *verdachte* heeft mij ook verteld, dat in de verstuurde enveloppen xtc pillen zaten. Het geld, dat ik uit de postpakketjes moest halen in opdracht van *verdachte*, was afkomstig van de eerdergenoemde verdovende middelenhandel van *verdachte*.” Daarbij heeft hij zendingen in ontvangst genomen, pakketten uitgepakt, geldbedragen weggelegd en bewaard en geldbedragen gestort op de rekening van verdachte. De rechtbank acht dan ook bewezen dat *medeverdachte2* zich tezamen en in vereniging met verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen.

De rol van *medeverdachte1*

Zoals hiervoor reeds vermeld loopt de in de tenlastelegging opgenomen periode tot en met 25 augustus 2010, met als gevolg dat de geldzendingen en de opgenomen telecommunicatie in de periode tussen 26 augustus 2010 en 4 oktober 2010 naar het oordeel van de rechtbank weliswaar tot het bewijs kunnen bijdragen ten aanzien van de voorliggende periode, maar niet zonder meer het bewijs daartoe kunnen vormen.

De rechtbank heeft op de terechtzitting van 29 juni 2011 de door de officier van justitie afgespeelde beelden gezien, behorende bij het hiervoor geciteerde MSN-gesprek van 15 september 2010 tussen *verdachte* en *medeverdachte2*, waarbij *verdachte* aan een vrouw vraagt waar het geld nog meer verstopt zit en de vrouw vervolgens uitlegt waar het geld precies in de broekjes is verstopt. De rechtbank heeft ter terechtzitting waargenomen dat deze vrouw de medeverdachte *medeverdachte1* is.

In het hiervoor geciteerde telefoongesprek van 25 september 2010 zegt *verdachte* tegen zijn vader dat *medeverdachte1* “al die trucjes vindt” als zij praten over het verstoppen van geld in kinderbroekjes. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit in ieder geval dat zij op 15 september 2010 betrokken was bij de geldzendingen.

Daarnaast staat de naam van de verdachte *medeverdachte1* als afzender op 44 van de 95 pakketten en enveloppen die in de periode van 27 november 2008 tot 25 augustus 2010 vanuit Brazilië Nederland zijn binnengekomen en op 4 van de 8 pakketten die in september 2010 vanuit Brazilië Nederland zijn binnengekomen . In bijna alle gevallen vanaf februari 2010 stond bij het adres van de afzender het adres van verdachte *medeverdachte1* vermeld (te weten: Rua ** 575 en daarna Rua ** 505).

Verdachte *medeverdachte1* heeft geen verklaring gegeven voor voornoemde voor haar belastende feiten en omstandigheden. Zij heeft niet aangegeven dat zij weliswaar op 15 september 2010 (tijdens voornoemd MSN-gesprek) op de hoogte was van de geldzendingen en het verstoppen van het geld, maar niet in de periode ervoor. Gelet hierop en uit de combinatie van voornoemd MSN-gesprek en de mededeling van *verdachte* aan zijn vader dat *medeverdachte1* al die trucjes vindt, leidt de rechtbank af dat verdachte *medeverdachte1* niet slechts in september 2010 betrokken was bij geldzendingen, maar ook in de periode daarvoor.

Daarnaast overweegt de rechtbank het volgende.

Vanaf 27 september 2010 werd er vanaf het IP-adres van de woning van de *huisadres* via het internet gecommuniceerd via onder meer de volgende msn-adressen:

*msn-adressen*

De verdachten *verdachte* en *medeverdachte1* verbleven vanaf 27 september 2010 in de woning aan de *huisadres*. De communicatie werd gevoerd in de Portugese en Engelse taal en vond gedeeltelijk plaats in versluierd taalgebruik, waarbij de gebruikers kennelijk duidelijk weten waarover het gaat. Op 1 oktober 2010 wordt de website www.orkut.com geopend vanaf het IP-adres aan de *huisadres*. Het profiel van Ana de Freitas wordt zichtbaar, e-mailadres *e-mailadres1*. Op dit profiel zijn fotoalbums zichtbaar met daarop afbeeldingen van LSD-trips, LSD-tabletten en XTC-tabletten. De rechtbank leidt uit de inhoud van deze chatgesprekken in combinatie met de overige bewijsmiddelen af dat het merendeel van de chatgesprekken betrekking heeft op de handel in verdovende middelen en overweegt dat degenen die zich met deze e-mailadressen bemoeiden wetenschap moeten hebben van die drugshandel.

Op 29 september 2010 vindt een MSN-chatsessie plaats tussen *e-mailadres* en *e-mailadres* Beide accounts gebruiken het IP-adres van de *huisadres*, zodat de rechtbank concludeert dat de gebruikers van de accounts beide op de *huisadres* waren op het moment van communiceren. *naam* geeft een e-mailadres met wachtwoord door aan *naam*. *naam* bedankt hiervoor en geeft aan dat zij vervolgens naar de hotmail gaat van *e-mailadres1). De gebruikers geven elkaar “kusjes” en *naam* eindigt met “hou van je”.

Nu voornoemde adressen pas gebruikt worden vanaf 27 september 2010, na aankomst van *verdachte* en *medeverdachte1* op de *huisdres* en er bovendien slechts in het Portugees en Engels wordt gecommuniceerd, gaat de rechtbank ervan uit dat *verdachte* en *medeverdachte1* de deelnemers aan voornoemd gesprek zijn. Hoewel het in dit geval voor de hand ligt dat verdachte *medeverdachte1* de gebruiker is van *e-mail-adres*, kan de rechtbank dit niet vaststellen. Maar wat daar ook van zij, de rechtbank leidt uit voornoemde chatsessie af dat beide gebruikers bekend zijn met het hotmailadres *e-mail-adres1*. Zoals hiervoor overwogen is de rechtbank van oordeel dat de gebruikers die zich met dit e-mail adres bemoeiden wetenschap hadden van voornoemde drugshandel.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat *medeverdachte1* wist van de criminele herkomst van het geld. Daarbij heeft *medeverdachte1* haar vriend *verdachte* bijgestaan door bij het verstoppen van het geld en het verzenden van de pakketten. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte zich ook tezamen en in vereniging met *medeverdachte1* heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen.

Gewoontewitwassen

Gezien de veelheid van verschillende witwashandelingen (59 geconstateerde en erkende zendingen) en de duur waarin deze hebben plaatsgevonden, acht de rechtbank ook bewezen dat sprake is van gewoontewitwassen.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 27 september 2010 tot en met 4 oktober 2010 in de gemeenten Alkmaar en Amsterdam,

- tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, hoeveelheden van een materiaal bevattende lisergide en/of lyserginezuur (LSD) en

- meermalen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, 2027,5 pillen van een materiaal bevattende Amfetamine/MDMA/MDA en hoeveelheden van een materiaal bevattende lisergide en/of lyserginezuur LSD) ;

2.

hij op 4 oktober 2010 in de gemeente Alkmaar, opzettelijk aanwezig heeft gehad 967 pillen van een materiaal bevattende Amfetamine/MDMA/MDA;

3.

hij op tijdstippen in de periode van 27 november 2008 tot en met 25 augustus 2010 in Nederland en/of Brazilië, tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededaders geldbedragen en/of Travelcards met een totale waarde van in elk geval 102.560 Euro en 14.500 Reais, telkens voorhanden gehad, overgedragen en omgezet, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven geldbedragen en Travelcards - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 3:

medeplegen van gewoontewitwassen.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden jaren, met aftrek van de tijd die verdachte eerder in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat een gevangenisstraf gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis passend is voor de feiten 1 en 2. Daarnaast zou een werkstraf opgelegd kunnen worden. Voorts heeft de raadsman verwezen naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren (LOVS) en aangevoerd dat ten aanzien van feit 1 een strafdreiging van maximaal 6 tot 7 1/3 maand onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou gelden en ten aanzien van feit 2 maximaal 6 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Nu ten aanzien van feit 1 en 2 sprake is van een voortgezette handeling, aldus de raadsman, zou ten aanzien van beide feiten gezamenlijk dienen te worden volstaan met een maximum van 6 tot 7 1/3 maand onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Indien de rechtbank uitgaat van meerdaadse samenloop zou de hoogte niet meer dan een derde boven het strafmaximum mogen zijn, in dit geval 9,73 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman opgemerkt dat het openbaar ministerie zou hebben aangegeven dat een strafdreiging van 6 maanden gevangenisstraf gangbaar is voor een dergelijk feit.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte heeft zich samen met zijn broer schuldig gemaakt aan de uitvoer van LSD en daarnaast aan de uitvoer van ecstasypillen. Ook heeft hij een aanzienlijke hoeveelheid van dit verdovende middel voorhanden gehad. Harddrugs zijn voor de volksgezondheid zeer schadelijke stoffen. Het gebruik van en de handel in deze drugs leidt bovendien direct en indirect tot vele andere vormen van criminaliteit en vormt aldus een groot maatschappelijk probleem. Verdachte heeft door zijn handelen hieraan bijgedragen.

Verdachte heeft zich daarnaast samen met zijn vriendin en zijn broer schuldig gemaakt het witwassen van grote geldbedragen. Het witwassen van uit misdrijf afkomstig geld tast de integriteit aan van het financieel-economisch verkeer en heeft een ontwrichtende werking op het economisch leven. Deze werking wordt nog versterkt indien het geld via witwassen als vermeend legaal geld wordt aangewend in de legale economie.

De ernst van de bewezen verklaarde feiten rechtvaardigt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Voor een werkstraf, zoals door de raadsman bepleit, ziet de rechtbank geen ruimte.

Om de duur van de door de rechtbank aan de verdachte op te leggen straf – ook in vergelijking tot de straffen die aan de medeverdachten zijn opgelegd – inzichtelijk te maken, zal de rechtbank de straf uitsplitsen naar de bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank is van oordeel dat voor het (deels medeplegen van) de uitvoer van LSD en ecstasypillen – in een organiserende rol – een gevangenisstraf van 8 maanden passend is. Daarbij heeft de rechtbank gelet op de uitgangspunten die in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren ten aanzien van Opiumwetdelicten worden gehanteerd: 7 maanden gevangenisstraf voor de hoeveelheid pillen en daarnaast 1 maand voor de LSD. Daarnaast zal de rechtbank 4 maanden gevangenisstraf opleggen voor het opzettelijk aanwezig hebben van bijna 1000 ecstasypillen.

Door de handel in harddrugs zijn opbrengsten gegenereerd, die naar voren komen in het bewezen verklaarde witwasfeit. De rechtbank van oordeel dat ook voor deze witwasfeiten een strafoplegging gerechtvaardigd is. Juist het leven van de opbrengsten uit misdrijf, wekt immers naar de samenleving de indruk dat misdaad loont, en is daardoor zeer laakbaar. De rechtbank houdt hierbij rekening met de tenlastegelegde en bewezenverklaarde periode, die tot en met 25 augustus 2010 loopt, zodat de witwashandelingen in september 2010 bij de strafoplegging geen rol kunnen spelen. De rechtbank ziet aanleiding voor het witwassen een gevangenisstraf van 12 maanden op te leggen.

In de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank geen aanleiding de hierboven genoemde straf te verminderen, met name omdat de verdachte blijkens het Uitreksel Justitiële Documentatie van 6 oktober 2010 al eerder wegens een Opiumwetdelict en vermogensdelicten is veroordeeld.

De rechtbank zal, gelet op het vorenstaande, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden opleggen.

9. Beslag

De in deze rubriek en in de rubriek BESLISSING gebruikte nummering van de voorwerpen verwijst naar de door de officier van justitie overgelegde lijst van in beslag genomen voorwerpen (hierna: de lijst). Op deze lijst staan 46 voorwerpen genoemd.

De officier van justitie heeft op de terechtzitting aangegeven, dat het onder nummer 40 op de lijst vermelde geldbedrag ten onrechte op de lijst van deze verdachte staat vermeld, nu dit bedrag niet onder hem, maar onder de medeverdachte *medeverdachte2* in beslag is genomen en ook aan *medeverdachte2* toebehoort. De rechtbank zal gelet hierop in de onderhavige strafzaak geen beslissing nemen ten aanzien van het onder nummer 40 vermelde geldbedrag. Deze beslissing zal worden genomen in de zaak tegen de medeverdachte.

Op de lijst staan vermeld:

1 1.00 STK Computer, PACKARD BELL

2 1.00 STK Harddisk, externe harde schijf

3 1.00 STK Kentekenbewijs, SYM Deel 1A D-357-KF, nummer 016688147 bromfiets van *medeverdachte2*

4 1.00 STK Kentekenbewijs, deel 1B, nummer 230679719

5 1.00 STK Kentekenbewijs, SYM deel 2 D-357-KF, overschrijvingsbewijs

6 1.00 STK Sleutel, SYM 611

7 1.00 STK Portable Computer (Laptop), HP met oplader

8 1.00 STK Memory Stick, SCANDISK

9 1.00 STK Papier, Zak met blauw/witte afbeelding met 53 gripzakjes

10 1.00 STK Telefoontoestel, NOKIA 7230

11 6.00 STK Paspoort, VISA CASH

13 15.00 STK Envelop met adressen daarop

14 1.00 STK Horloge, BREITLING Heren nummer A13356

15 1.00 STK Harddisk QUANTUM

16 1.00 STK Paspoort, MASTER CARD nummer 5386 8500 0008 6588

17 1.00 STK SIMM-kaart (GSM) T-MOBILE met handleiding, pincode, pukcode

18 1.00 STK Vuilniszak KOMO met daarin 5 lege postpakketten

19 1.00 STK Tas ALBERT HEIJN Plastic met restanten verpakkingsmateriaal

20 Euro 20x50,- 13x20,- 1x10,- 1x5,- (€ 1.275,-)

21 1.00 STK Paspoort TRAVELEX CASH nummer 5386 8500 0008 6836

22 1.00 STK Verpakkingsmateriaal divers met daarin 25 paarkleurige vellen papier

23 1.00 STK Kaart wenskaart met enveloppe

24 1.00 STK Kaart wenskaart in enveloppe

25 1.00 STK Verpakkingsmateriaal divers met daarin 25 lila kleurige vellen papier

26 25.00 STK Papier Kl: Lila losse vellen papier

27 15.00 STK Envelop Kl:Creme

28 15.00 STK Postzegel 3 vellen met elk 5 postzegels

29 1.00 STK Portable Computer (Laptop) HP

30 1.00 STK Tas, Plastic, met daarin 9 etuis met vierkleuren pennen

31 Geld buitenlands 4x50,- Braziliaanse reais

32 Geld buitenlands 2x20,- Braziliaanse reais

33 Geld buitenlands 1x10,- en 1x5,- Braziliaanse reais in envelop

34 2.00 STK Rijbewijs internationale rijbewijzen t.a.v. *verdachte*

35 2.00 DS Doos Kl:Bruin met daarin gripzakjes

36 2.00 STK Verpakkingsmateriaal divers, rollen transparant verpakkingsmateriaal

37 1.00 STK SIMM-kaart (GSM), AH MOBIEL, simkaartnr. 0309 0460 2754 4P65

38 1.00 STK SIMM-kaart (GSM), T-MOBILE, met simkaarthouder tel.nr. 06-81840814

39 1.00 STK SIMM-kaart (GSM), T-MOBILE

40 Euro 25x50,- 4x20,- 2x10,- 1x5,- euro (€ 1.355,-)

43 2.00 STK Postpakket, lege postpakketten

44 1.00 STK Verpakkingsmateriaal divers, Plastic, met daarop de tekst Documents de Douane

45 1.00 STK Papier Kl:Wit, A4 met tekst TNT post Amsterdam

9.1De rechtbank is van oordeel, dat de volgende in beslag genomen voorwerpen (slechts aangeduid met het nummer van de lijst) dienen te worden verbeurd verklaard:

lijstnummers 11, 14, 16, 20 en 21.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat deze voorwerpen door middel van de bewezen verklaarde feiten zijn verkregen. Dat geldt ook voor de lijstnummers 3, 4, 5 en 6, hoewel deze voorwerpen geen eigendom van verdachte zijn. Dit betreft voorwerpen, waarvan de medeverdachte *medeverdachte2* op de hoogte was dat deze door het bewezen verklaarde feit 3 waren verkregen.

lijstnummers 9, 13, 18, 19, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 30, 35, 36, 43, 44 en 45.

Het bewezen verklaarde is met behulp van deze voorwerpen begaan en/of ze zijn tot het begaan van het bewezen verklaarde bestemd.

9.2De rechtbank is van oordeel, dat de volgende in beslag genomen voorwerpen (slechts aangeduid met het nummer van de lijst) dienen te worden teruggegeven aan verdachte:

lijstnummers 1, 2, 7, 8, 10, 15, 17, 29, 34, 37, 38 en 39.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken, dat verdachte als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De volgende in beslag genomen voorwerpen (slechts aangeduid met het nummer van de lijst) dienen te worden teruggegeven aan de rechthebbende:

lijstnummers 31,32 en 33.

Het betreft hier onder de vriendin van de verdachte in beslag genomen geld. Uit het onderzoek is niet gebleken dat dit geld afkomstig is van de bewezen verklaarde feiten. Wel is gebleken, dat *medeverdachte1* als rechthebbende kan worden aangemerkt.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11. Beslissing

De rechtbank:

? Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

? Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

? Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

? Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

? Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 24 (vierentwintig) maanden.

? Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

? Verklaart verbeurd:

3 1.00 STK Kentekenbewijs, SYM Deel 1A D-357-KF, nummer 016688147 (bromfiets van *medeverdachte2*)

4 1.00 STK Kentekenbewijs, deel 1B, nummer 230679719

5 1.00 STK Kentekenbewijs, SYM deel 2 D-357-KF, overschrijvingsbewijs

6 1.00 STK Sleutel, SYM 611

9 1.00 STK Papier, Zak met blauw/witte afbeelding met 53 gripzakjes

11 6.00 STK Paspoort, VISA CASH

13 15.00 STK Envelop met adressen daarop

14 1.00 STK Horloge, BREITLING Heren nummer A13356

16 1.00 STK Paspoort, MASTER CARD nummer 5386 8500 0008 6588

18 1.00 STK Vuilniszak KOMO met daarin 5 lege postpakketten

19 1.00 STK Tas ALBERT HEIJN Plastic met restanten verpakkingsmateriaal

20 Euro 20x50,- 13x20,- 1x10,- 1x5,- (€ 1.275,-)

21 1.00 STK Paspoort TRAVELEX CASH nummer 5386 8500 0008 6836

22 1.00 STK Verpakkingsmateriaal divers met daarin 25 paarkleurige vellen papier

23 1.00 STK Kaart wenskaart met enveloppe

24 1.00 STK Kaart wenskaart in enveloppe

25 1.00 STK Verpakkingsmateriaal divers met daarin 25 lila kleurige vellen papier

26 25.00 STK Papier Kl: Lila losse vellen papier

27 15.00 STK Envelop Kl:Creme

28 15.00 STK Postzegel 3 vellen met elk 5 postzegels

30 1.00 STK Tas, Plastic, met daarin 9 etuis met vierkleuren pennen

35 2.00 DS Doos Kl:Bruin met daarin gripzakjes

36 2.00 STK Verpakkingsmateriaal divers, rollen transparant verpakkingsmateriaal

40 Euro 25x50,- 4x20,- 2x10,- 1x5,- euro (€ 1.355,-)

43 2.00 STK Postpakket, lege postpakketten

44 1.00 STK Verpakkingsmateriaal divers, Plastic, (“Documents de Douane”)

45 1.00 STK Papier Kl:Wit, A4 met tekst TNT post Amsterdam

? Bepaalt dat moet worden teruggegeven aan verdachte:

1 1.00 STK Computer, PACKARD BELL

2 1.00 STK Harddisk, externe harde schijf

7 1.00 STK Portable Computer (Laptop), HP met oplader

8 1.00 STK Memory Stick, SCANDISK

10 1.00 STK Telefoontoestel, NOKIA 7230

15 1.00 STK Harddisk QUANTUM

17 1.00 STK SIMM-kaart (GSM) T-MOBILE met handleiding, pincode, pukcode

29 1.00 STK Portable Computer (Laptop) HP

34 2.00 STK Rijbewijs internationale rijbewijzen t.a.v. *verdachte*

37 1.00 STK SIMM-kaart (GSM), AH MOBIEL, simkaartnr. 0309 0460 2754 4P65

38 1.00 STK SIMM-kaart (GSM), T-MOBILE, met simkaarthouder tel.nr. 06-81840814

39 1.00 STK SIMM-kaart (GSM), T-MOBILE

? Bepaalt dat moet worden teruggegeven aan de rechthennde:

31 Geld buitenlands 4x50,- Braziliaanse reais

32 Geld buitenlands 2x20,- Braziliaanse reais

33 Geld buitenlands 1x10,- en 1x5,- Braziliaanse reais in envelop

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Lolkema, voorzitter,

mr. L.J. Saarloos en mr. L. Jansen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.M. Schouten, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 juli 2011.