Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BQ8642

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
20-06-2011
Datum publicatie
21-06-2011
Zaaknummer
14.902002-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal, oplichting of verduistering van gelden van cliënten. Art. 82 Wtk 1992. Vervalsing. Niet voldoen aan vorderingen van de AFM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2011/80
JONDR 2011/601
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer:14.902002-07 (P)

Datum uitspraak : 20 juni 2011

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonend [straatnaam] te [postcode en woonplaats].

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 16 november 2010, 16 maart 2011 en 6 juni 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. J.H.S. Vogel, advocaat te Alkmaar, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is, nadat twee vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging zijn toegelaten, ten laste gelegd dat

1 primair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 juli 1998 tot en met 27

september 2006 te Wervershoof, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, (telkens) opzettelijk:

(a) een geldbedrag van 53.000 gulden (24.050,35 euro), in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] (D3.5) en/of

(b) een geldbedrag van 34.000 gulden (15428,52 euro), in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] (D3.5) en/of

(c) een geldbedrag van 10.000 euro (door [benadeelde 2] gestort op rekening van [onderneming 1] BV op of rond 8 mei 2003) in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] (D3 .8) en/of

(d) een geldbedrag van 6000 euro, in elk gevel enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] (D3.8) en/of

(e) een geldbedrag van 100.000 gulden (45378,02 euro), in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3] (OV-G-005) en/of

(f) een geldbedrag van € 6.600, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 4] (G-01) en/of

(g) een geldbedrag van 78.000 euro, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 5] (D3.2),

in elk geval enig geldbedrag dat geheel of ten dele aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, en welk(e) goed(eren)/geldbedrag(en) verdachte en/of zijn mededaders uit hoofde van zijn/hun persoonlijke dienstbetrekking en/of beroep van/als intermediair CVB Bank en/of assurantie/hypotheek/financieel)adviseur, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

subsidiair

(a) hij te Wervershoof, in ieder geval in Nederland, op 16 juli 1998 met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van 53.000 gulden (24.040,35 euro), in ieder geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] (D3 .5);

(b) hij te Wervershoof, in ieder geval in Nederland, op 21 november 2001 met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van 34.000 gulden (15.428,52 euro), in ieder geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] (D3 .5);

(e) hij op of omstreeks 22 december 2005 te Wervershoof in ieder geval in Nederland, samen met een of meer anderen of alleen, met het oogmerk om zichzelf en/of een ander of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[benadeelde 3] heeft/hebben bewogen tot het afgeven van een geldbedrag van 100.000 gulden (45378,02 euro), in elk geval enig geldbedrag, althans tot het teniet doen van een inschuld van [onderneming 1] BV aan haarzelf,

immers heeft /hebben hij/zij met vorenomschreven oogmerk —zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich voorgedaan als (een) betrouwbare financieel/hypotheek-adviseur(s) en/of die (de) [benadeelde 3] overtuigd dat zij haar geld bij hem in persoon (als schuldenaar) kon laten staan;

waardoor (de) [benadeelde 3] werd bewogen tot die afgifte, althans tot tenietdoen van die inschuld;

en/of

(f) hij op of omstreeks 24 april 2006 te Wervershoof en/of Enkhuizen, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 4] heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 6.600 euro, in elk geval van enig geldbedrag/goed, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich voorgedaan als (een) betrouwbare financieel/hypotheekadviseur(s) en/of (vervolgens) die [benadeelde 4] gezegd dat het gezien haar leeftijd moeilijk zou zijn om een hypotheek af te sluiten, dat er een hypotheekverstrekker zou zijn die haar hypotheek zou willen verlenen maar dat er dan een bedrag belegd/gestort zou moeten worden op een derdenrekening van hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waardoor [benadeelde 4] werd bewogen tot vorenomschreven afgifte;

(g) hij op of omstreeks 23 december 2005 te Enkhuizen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 5] heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 78.000 euro, in elk geval van enig geldbedrag/goed, immers heeftlhebben verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich voorgedaan als een betrouwbare financieel/hypotheekadviseur en/of die [benadeelde 5] (ongezien en/of in goed vertrouwen) een overschrijving van 78.000 euro naar de rekening van [onderneming 5] laten tekenen en/of die [benadeelde 5] vergezeld naar de ABN-AMRO bank te Enkhuizen teneinde daar een bankrekening te openen en/of die eerdergenoemde overschrijving daar stiekem tussen een veelheid van voor die opening bankrekening benodigde papieren gestopt, waardoor [benadeelde 5] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 oktober 2004 tot en met 31 december 2006 te Wervershoof, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, (telkens) opzettelijk bedrijfsmatig al dan niet op termijn opvorderbare gelden van [benadeelde 6] (D3.l) en/of [benadeelde 5] (D3.2) en/of [benadeelde 2] (D3.8) en/of [benadeelde 3] (D3.9), in elk geval van het publiek, heeft/hebben aangetrokken en/of ter beschikking heeft/hebben verkregen en/of ter beschikking heeft/hebben gehad;

3

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2005 tot en met 10 februari 2007 te Wervershoof, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/of alleen, (telkens) een salarisspecificatie en/of een modelwerkgeversverklaring en/of een pensioen/inkomensverklaring, te weten onder meer:

1. een salarisspecificatie [betrokkene 2] van mei 2005 (Db-D-0l 1) en/of

2. een salarisspecificatie [dochter verdachte] van januari 2006 (D-IK-023) en/of

3. een salarisspecificatie [verdachte] van januari 2006 (D-IK-01 1) en/of

4. een model werkgeversverklaring van [dochter verdachte] gedateerd 12 mei 2006 (D-IK-015) en/of

5. een model werkgeversverklaring van [dochter verdachte] gedateerd 16 februari 2006 (D-IK 015A) en/of

6. een pensioen/inkomensverklaring van [dochter verdachte] gedateerd 10 februari 2007 (D-IK 036/pg 13 en 14)

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders (telkens) valselijk onder meer

-zakelijk weergegeven-

Ad 1. op voormelde salarisspecificatie vermeld dat [betrokkene 2] in de maand mei 2005 heeft gewerkt voor de [onderneming 6] en/of een salaris heeft ontvangen van de [onderneming 6], zulks terwijl die [betrokkene 2] in het geheel niet werkzaam is geweest bij de [onderneming 6] en/of een salaris heeft ontvangen van de [onderneming 6] en/of

Ad 2. op voormelde salarisspecificatie vermeld dat [dochter verdachte] in de maand januari 2006 bij [onderneming 3] B.V in de functie van officemanager een brutosalaris van 5000 euro heeft verdiend, zulks terwijl die [dochter verdachte] in werkelijkheid niet als officemanager werkzaam was bij [onderneming 3] B.V en/of een lager, in elk geval ander, inkomen verdiende en/of

Ad 3. op voormelde salarisspecificatie vermeld dat [verdachte] in de maand januari 2006 bij [onderneming 3] B.V in de functie van senior accountmanager een brutosalaris van 4516,47 euro heeft verdiend, zulks terwijl die [verdachte] in werkelijkheid niet als senior accountmanager werkzaam was bij [onderneming 3] B.V en/of een lager, in elk geval ander, inkomen verdiende en/of

Ad 4. op voormelde model werkgeversverklaring vermeld dat [verdachte] als senior accountmanager in dienst was bij [onderneming 3] B.V. en een bruto jaarsalaris van 32.407 euro verdiende, zulks terwijl die [verdachte] in werkelijkheid niet als senior accountmanager werkzaam was bij [onderneming 3] B.V en/of een lager, in elk geval ander, inkomen verdiende en/of

Ad 5. op voormelde model werkgeversverklaring vermeld dat [dochter verdachte] als officemanager in djenst was bij [onderneming 3] B.V. en een bruto jaarsalaris van 60.000 euro verdiende, zulks terwijl die [dochter verdachte] in werkelijkheid niet als officiemanager werkzaam was bij [onderneming 3] B.V en/of een lager, in elk geval ander, inkomen verdiende en/of

Ad 6. op voormelde pensioen/inkomensverklaring vermeld dat [dochter verdachte] een inkomen van 60.000 euro had, zulks terwijl die [dochter verdachte] een lager, in elk geval ander, inkomen had,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

4.

[onderneming 3] BV op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 13juli 2007 tot en met 12 september 2007 te Purmerend en/of Wervershoof, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 5:16 Algemene wet bestuursrecht, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan door [toezichthouder 2], Senior Toezichthouder Integriteit, en/of [toezichthouder 1], Toezichthouder, en/of [toezichthouder 3], Senior Toezichthouder Integriteit, die was/waren belast met de uitoefening van enig toezicht en/of die was/waren belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar haar had bevolen, althans van haar had gevorderd informatie te verstrekken, (telkens) geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering, immers is (telkens) opzettelijk door [onderneming 3] BV de navolgende gevraagde informatie niet verstrekt:

- het ingevulde self-assessment financiële dienstverlener, en/of

- een structuuroverzicht (organogram) van de ondernemingen, waaruit de juridische- en zeggenschapstructuur blijkt en/of

- een kopie van het aandeelhoudersregister van [onderneming 2] alsmede een kopie van het/de aandeelhoudersregister(s) van de aandeelhouder(s) van [onderneming 2] en/of

- de statuten van [onderneming 2] alsmede de statuten van de aandeelhouders van [onderneming 2] en/of

- het tijdelijke contract van de heer [getuige 3] en/of

- de openingsgegevens van de bankrekeningnummers, genoemd in de brief d.d. 24 juli 2007 en/of

- de NAW-gegevens van de perso(o)n(en) die thans direct of indirect directie voert/voeren over [onderneming 2], alsmede de NAW-gegevens van de perso(o)n(en) die direct of indirect de directie hebben gevoerd gedurende de periode van 1 januari 2006 tot heden en/of

- een overzicht van de financiële ondernemingen en een kopie van de samenwerkingsovereenkomsten, die [onderneming 2] heeft gesloten met financiële ondernemingen, waarmee [onderneming 2] samenwerkt en/of

- een cliëntenlijst met de NAW-gegevens van de cliënten van [onderneming 2] en een specificatie per cliënt naar verleende dienst en afgenomen product en/of

- het volledig cliëntendossier (inclusief alle correspondentie) van [verdachte], geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats] en/of

- de, met schriftelijke bescheiden onderbouwde, redenen waarom de cliënten [cliënt 1], [cliënt 2], [cliënt 3], [cliënt 4], de [cliënt 5] en [cliënt 6] door [onderneming 2] worden (terug)betaald,

tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met een ander en/of alleen opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven.

De rechtbank heeft geconstateerd dat in feit 1 subsidiair de letters (f) en (g) abusievelijk zijn verwisseld. De rechtbank ziet dit als kennelijke verschrijvingen, en heeft deze verbeterd.

3. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van feit 4 en heeft zijn standpunt toegelicht als verwoord in de pleitnoties.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het verweer van de raadsman lijkt gebaseerd op twee samenhangende argumenten.

Ten eerste: Doordat een groot deel van de administratie van [onderneming 3] B.V. door de FIOD in beslag was genomen, kon de verdachte niet voldoen aan de vorderingen van de AFM. Aangezien er met betrekking tot de administratie in de container geen lijst van in beslag genomen stukken aanwezig was, wist de verdachte niet welke administratie bij de FIOD lag. De AFM wist in de periode dat de vorderingen werden gedaan en de last tot dwangsom werd opgelegd dat de FIOD bezig was met een strafrechtelijk onderzoek naar de verdachte. Desondanks heeft de AFM geen contact opgenomen met de FIOD om informatie te vragen. De samenwerking tussen de AFM en de FIOD leverde niet de benodigde informatie op. Hierdoor kon de verdachte niet aan zijn inlichtingenplicht voldoen.

Ten tweede: De samenwerking tussen de AFM en de FIOD leidde wél tot een aangifte door de AFM tegen de verdachte. Hierom werd in het tripartiete overleg door het Openbaar Ministerie verzocht.

De rechtbank begrijpt dat de raadsman wegens de combinatie van deze argumenten van oordeel is dat vervolging van de verdachte op grond van de aangifte van de AFM zodanig onredelijk is dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van feit 4.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Uit het dossier met betrekking tot feit 4 blijkt het volgende:

-Op 28 november 2006 werd het bedrijfspand van de verdachte door de deurwaarder ontruimd. Een groot deel van de administratie werd door de deurwaarder in een container geplaatst. Vervolgens heeft de FIOD de container met administratie in beslag genomen. Van deze inbeslagneming is geen lijst van in beslag genomen voorwerpen opgemaakt. Ook werd op die dag een hoeveelheid administratie in beslag genomen die door de verdachte in zijn auto werd gelegd. Hiervan is wel een lijst opgemaakt.

-Op 22 december 2006 is de sleutel van de container aan de verdachte overgedragen, zodat hij weer over zijn administratie kon beschikken. In het proces-verbaal van [verbalisant 1] van 31 augustus 2010 wordt gerelateerd dat een aantal archiefdozen uit deze container op het FIOD-kantoor is achtergebleven. Deze zijn in het voorjaar 2008 naar de verdachte teruggegaan. Op verscheidene data tussen 30 november 2006 en 14 augustus 2007 zijn delen van de administratie teruggegeven aan de verdachte.

-De AFM is in juni 2007 een onderzoek gestart naar [onderneming 3] B.V. (hierna te noemen: [onderneming 3]).

-Bij brief van 13 juli 2007 heeft de AFM [onderneming 3] op de hoogte gesteld van dit onderzoek en heeft zij op basis van de bevoegdheid inlichtingen te vorderen een reeks vragen gesteld die binnen tien dagen schriftelijk en gedetailleerd moesten worden beantwoord.

-Op 23 juli 2007 heeft de verdachte naar aanleiding van deze brief telefonisch contact opgenomen met de AFM. Hij deelde mee dat hij vier weken nodig zou hebben om de gevraagde informatie aan te leveren. De medewerker van de AFM heeft het verzoek om uitstel in dit telefoongesprek afgewezen.

-Op 27 juli 2007 is door de AFM een deel van de opgevraagde informatie ontvangen met een begeleidende brief van procuratiehouder [getuige 3]. In deze brief werd meegedeeld dat [getuige 3] nog niet de gelegenheid had gehad alle stukken direct op tafel te krijgen, maar dat hij zijn uiterste best zou doen om zoveel mogelijk stukken te produceren.

-Op 1 augustus 2007 heeft de AFM een rappel gestuurd aan [onderneming 3]. Hierin is uiteengezet dat een aantal vragen ontoereikend was beantwoord en er zijn aanvullende vragen gesteld.

-Op 2 augustus 2007 heeft de verdachte naar aanleiding van het rappel telefonisch contact opgenomen met de AFM. Hij deelde mee dat het veel werk was om alles te kopiëren, en hij verzocht de AFM langs te komen om op het kantoor van [onderneming 3] onderzoek te doen.

-Op 6 augustus 2007 heeft de AFM een rappel informatieverzoek gestuurd.

-Op 13 augustus 2007 is een door de verdachte ondertekende brief ontvangen met antwoorden op een aantal vragen.

-Op 7 september 2007 heeft de AFM een last onder dwangsom opgelegd aan [onderneming 3].

-Op 17 september 2007 is de zaak in het tripartiete overleg besproken. Het openbaar ministerie heeft toen aangegeven dat zij graag een aangifte van de AFM ontvangt.

-Op 25 september 2007 heeft [onderneming 3] bezwaar aangetekend tegen de last onder dwangsom. [onderneming 3] voerde - kort gezegd – aan dat niet aan de last onder dwangsom kon worden voldaan omdat alle gevraagde informatie door de FIOD-ECD in beslag was genomen.

-Ook tijdens de hoorzitting op 1 november 2007 is dit argument door de verdachte naar voren gebracht. Hij gaf aan dat [onderneming 3] bereid was de twee lijsten van in beslag genomen goederen aan de AFM te verstrekken, met de kanttekening dat een van die lijsten niet compleet was.

-Op 13 november 2007 ontving de AFM een lijst met betrekking tot de tweede inbeslagneming op 1 mei 2008. Er werd meegedeeld dat er geen lijst was met betrekking tot de inbeslagneming op 28 november 2006.

-Op 28 november 2007 heeft de AFM het bezwaar ongegrond verklaard.

-Op 6 februari 2008 heeft de AFM aangifte gedaan.

De rechtbank begrijpt uit deze opsomming, en ook overigens uit de stukken van het dossier, dat door [onderneming 3] en/of de verdachte pas op 25 september 2007 in het bezwaarschrift tegen de last onder dwangsom is gemeld dat [onderneming 3] (nog) niet (volledig) aan de vorderingen kon voldoen omdat het grootste gedeelte van de administratie van [onderneming 3] bij de FIOD lag. Tot dat moment waren door de verdachte steeds andere argumenten gebruikt waarom hij niet aan de vorderingen kon voldoen.

Voor zover bekend heeft alleen de FIOD administratie van [onderneming 3] in beslag genomen. Dat betekent dat de administratie die niet bij [onderneming 3] zelf aanwezig was, bij de FIOD zou moeten zijn. Ook blijkt dat de container met het grootste deel van de administratie al op 22 december 2006 weer in het bezit van de verdachte was. Uit de correspondentie die de verdachte in het voorjaar van 2011 heeft ingebracht, blijkt dat hij veel heeft gebeld en geschreven met de FIOD over de in beslag genomen administratie. Uit deze correspondentie blijkt niet dat de verdachte de FIOD in een heldere brief heeft gevraagd om precies dié bescheiden die de AFM van hem vroeg of die hij nodig had om de vragen te beantwoorden.

Uit het voorgaande blijkt niet dat de verdachte niet of zeer moeilijk aan de vorderingen van de AFM kon voldoen. Ook blijkt niet dat de AFM al over de informatie beschikte die zij van de verdachte vroeg, of dat zij daar gemakkelijker aan kon komen dan de verdachte zelf. Het feit dat de officier van justitie in een tripartiete overleg heeft aangegeven dat hij graag een aangifte van de AFM ontvangt, staat op geen enkele wijze in de weg aan een vervolging op basis van die aangifte.

De rechtbank is van oordeel dat niet gesteld kan worden dat de officier van justitie onredelijk heeft gehandeld door de verdachte te vervolgen. Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk is in zijn vervolging.

4. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Ten aanzien van primair sub a en subsidiair sub a: verduistering uit hoofde van beroep dan wel diefstal van fl. 53.000 van [benadeelde 1]

A. Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van primair sub a (verduistering uit hoofde van beroep). Indien de rechtbank van oordeel is dat verduistering niet kan worden bewezen, kan de officier van justitie zich voorstellen dat de rechtbank oordeelt dat sprake is van diefstal.

B. Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn cliënt moet worden vrijgesproken van verduistering. Op het desbetreffende bankafschrift (D3.5/4) is vermeld dat de overboeking van 53.000 gulden is gedaan in verband met “Stamrecht afkoop FOR.” Dit zou er op duiden dat met [benadeelde 1] is gesproken over een financiële fiscale regeling, doch dat komt [benadeelde 1] niet bekend voor. Het is de vraag of de verdachte dit geld anders dan door misdrijf onder zich heeft gehad.

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn cliënt ook dient te worden vrijgesproken van diefstal. Wat betekent de vermelding op het bankafschrift (D3.5/4) van “Stamrecht afkoop FOR.”? Was dat geld bedoeld als oudedagvoorziening?

Het feit dat aangever stelt dat de overboeking zonder zijn medeweten is gebeurd (het is lang geleden, hoe zeker is het geheugen?) maakt nog niet dat er opzettelijk een strafbaar feit is gepleegd.

C. Beoordeling door de rechtbank

Op grond van het navolgende acht de rechtbank diefstal van fl 53.000,- bewezen.

De heer [benadeelde 1] doet op 31 juli 2006 aangifte . Voor de inhoud van deze aangifte verwijst hij naar verklaringen die zijn schoondochter mevrouw [betrokkene 1] heeft afgelegd.

In haar, op 20 juli 2006, afgelegde verklaring verklaart mevrouw [betrokkene 1] het volgende. De verdachte heeft haar schoonouders steeds voorgehouden dat het voor hen verstandiger was om een tweede hypotheek te nemen op hun woning. Haar schoonouders hadden daar echter helemaal geen behoefte aan. Toch is er op 9 juli 1996 een tweede hypotheek van fl. 50.000 afgesloten, waarbij de verdachte heeft bemiddeld. De notaris heeft dit geld gestort op de privérekening van de schoonouders, Rabobankrekening [rekeningnummer 1]. Op aanraden van de verdachte is dit geld op 18 september 1996 door de schoonouders doorgestort op VSB-rekeningnummer [rekeningnummer 2], op naam van haar schoonvader.

Op 16 juli 1998 om 8.56 uur heeft een kasopname plaatsgevonden van fl. 53.000. Deze opname is volgens aangeefster gepleegd door de verdachte omdat hij heeft getekend voor ontvangst van dit geld. De verdachte heeft het geld die dag om 8.57 uur gestort op rekeningnummer VSB-[rekeningnummer 6], ten name van [onderneming 1] B.V.

Mevrouw [betrokkene 1] verklaart nog dat haar schoonouders voor de geldopname door de verdachte en de storting op de rekening van [onderneming 1] B.V. nooit toestemming hebben gegeven. Sterker nog: ze hebben daar nooit van af geweten.

Op het rekeningoverzicht van de VSB-rekening van de heer [benadeelde 1] is vermeld dat op 16 juli 1998 een kasopname van fl. 53.000 heeft plaatsgevonden. Het daarop betrekking hebbende opnameformulier is ondertekend en is voorzien van de mededelingen “bekend bij medew.” en “t.b.v. Stamrecht afkoop FOR”. Ook het stortingsbewijs van de storting op de rekening van [onderneming 1] is voorzien van de mededeling “bekend bij medew.”.

Hoewel verdachte het niet expliciet heeft erkend, acht de rechtbank bewezen dat hij deze contante opname en storting heeft gedaan.

In zijn schriftelijke verweer, dat verdachte kort voor de terechtzitting van 16 maart 2011 aan de rechtbank heeft toegestuurd, schrijft hij dat ‘dit te maken heeft met zwart geld van [benadeelde 1] en dat hij er niet over wil praten. Het restant is gewoon netjes terugbetaald.’ Verdachte heeft bij zijn verweerschrift een rapport overgelegd van Niehe Lancee Registeraccountants van 20 januari 2004. In dit rapport wordt melding gemaakt van een brief van verdachte waarin hij schrijft: “Mevr. [benadeelde 1] heeft waarschijnlijk aan ons gevraagd om dit geld op te nemen en later is daar weer een gedeelte van teruggestort, omdat men de plannen weer heeft veranderd.’ en ‘Het restant is gewoon netjes terugbetaald, cash. De bewijsstukken hiervan zijn moeilijk aan te leveren daar dit allemaal in goed vertrouwen ging.” Het rapport vervolgt: “Partij [verdachte] neemt in zijn betalingsvoorstel het bedrag van f 53.000,- (minus de afgeloste bedragen) op”.

Uit het voorgaande leidt de schrijver van het rapport af dat [benadeelde 1] een vordering heeft op [verdachte] van f 53.000,-.

Ook in het civiele vonnis van 20 december 2006 dat is gewezen tussen de heer en mevrouw [benadeelde 1] enerzijds en de verdachte en [onderneming 1] B.V. anderzijds wordt vastgesteld dat de stelling dat de verdachte deze opname heeft gedaan onweersproken heeft gelaten.

Verdachte heeft aldus absoluut niet aannemelijk gemaakt dat deze ongebruikelijke en onverklaarbare transacties met instemming van de familie [benadeelde 1] hebben plaatsgevonden. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte het geldbedrag van fl. 53.000,- heeft gestolen door middel van een kasopname.

Ten aanzien van primair sub b en subsidiair sub b: verduistering uit hoofde van beroep dan wel diefstal van fl. 34.000 van [benadeelde 1]

A. Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van verduistering

B. Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn cliënt moet worden vrijgesproken van verduistering. Het blijkt dat dit geld vele malen heen en weer is geschoven tussen verschillende bankrekeningen. Duidelijk is dat niemand hierdoor is benadeeld. Als de verdachte niet bevoegd was om dit geld over te maken, kan de vraag worden gesteld of het anders dan door middel van misdrijf is verkregen.

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn cliënt ook moet worden vrijgesproken van diefstal. De verdachte spreekt over een mogelijke vergissing. Dat is niet zomaar een oogmerk voor diefstal.

C. Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte dit geld heeft verduisterd of gestolen van aangever [benadeelde 1].

Uit de stukken blijkt dat verdachte op 21 november 2001 een geldbedrag van 34.000 gulden van een bankrekening van aangever naar een bankrekening van [onderneming 1] B.V. heeft overgeboekt en dat dit bedrag de volgende dag is teruggestort van de bankrekening van [onderneming 1] B.V. naar een bankrekening van aangever.

De rechtbank neemt aan dat deze transactie zonder toestemming van de familie [benadeelde 1] heeft plaatsgevonden. De vraag is echter of kan worden bewezen dat het geld met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening is weggenomen of dat verdachte zich dit geld met dit oogmerk wederrechtelijk heeft toege-eigend.

Verdachte beweert dat er sprake is van een vergissing, dus een onbedoelde handeling. In een brief van de CVB-bank van 4 april 2003 aan mevrouw [betrokkene 1] komt een passage voor die ernstige twijfel wekt ten aanzien van de verklaring van verdachte: “Per saldo is in de transacties van 21 en 22 november 2001 geen geld ontvreemd. Om een verklaring te vinden voor bovenstaande mutaties, dient u te weten dat op 21 november 2001 door een controleur van CVB Bank NV bij onze intermediair de [verdachte] te Wervershoof een controlebezoek heeft plaatsgevonden, waarbij onder meer de kas is gecontroleerd. Uit ons interne rapport over deze controle blijkt dat er, voordat onze controleur de kas kon controleren (waarbij de fysieke kasvoorraad dient aan te sluiten met het administratieve kassaldo conform de administratie van CVB Bank), nog diverse boekingen door de heer [verdachte] dienden te worden verricht. Bij deze mutaties behoorden onder andere de transacties op 21 november ad f 34.000. Uit onze administratie blijkt dat [verdachte] gelden van enkele van zijn vennootschappen en ook de f 34.000 van mevrouw [benadeelde 1] heeft overgeboekt naar de rekening van [onderneming 1] BV, waarna ten laste van de rekening van [onderneming 1] BV een kasopname heeft plaatsgevonden. Na verwerking van deze mutaties door [verdachte] kon door onze controleur de kas worden opgemaakt, en bleek het kassaldo (nagenoeg) te kloppen. Op grond van deze gang van zaken (overhevelen van gelden van andere rekeningen gevolgd door een kasopname) kan worden geconcludeerd dat bij [verdachte] sprake is geweest van het ‘slepen’ van kasgelden, behorend aan CVB Bank NV. Om het ontbrekende kassaldo te verantwoorden, zijn door [verdachte] op 21 november 2001 gelden 'geleend' van andere rekeningen om, middels de finale contante opname ten laste van de rekening van [onderneming 1] BV, de kas kloppend te maken. De volgende dag is een aantal van deze ‘geleende’ bedragen door [verdachte] weer teruggeboekt, waaronder de € 34.000.”

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank noch verduistering uit hoofde van beroep noch diefstal bewezen, zodat verdachte van het primaire feit onder b en het subsidiaire feit onder b vrijgesproken zal worden.

Ten aanzien van primair sub c: verduistering uit hoofde van beroep van € 10.000 van [benadeelde 2]

A. Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring.

B. Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn cliënt dient te worden vrijgesproken. [benadeelde 2] heeft aangegeven dat hij € 10.000 heeft afgegeven aan de verdachte om een schuld bij een financiële instelling af te lossen. Kennelijk is dit niet goed gegaan. Het is de vraag of de verdachte dit geld uit hoofde van enige functie onder zich had. Het dossier biedt daarover absoluut geen duidelijkheid. [benadeelde 2] heeft de verdachte het geld kwijtgescholden. De vraag is of dan nog wel sprake is van verduistering. De verdachte had daar geen opzet op; hij heeft het niet willens en wetens gedaan.

C. Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde verduistering uit hoofde van beroep heeft gepleegd.

De heer [benadeelde 2] doet op 25 september 2006 aangifte. Hij had een privérekening bij de Fortis bank, rekeningnummer [rekeningnummer 3]. Rond mei 2003 had hij op die rekening een negatief saldo van ongeveer € 9.400. Hij heeft toen, op aanraden van de verdachte, vanaf een andere privérekening van hem op 8 mei 2003 €10.000 gestort op rekeningnummer [rekeningnummer 4] van [onderneming 1] BV. De verdachte had hem namelijk verteld dat het op deze manier via hem sneller zou gaan. Aangever had dus met de verdachte afgesproken dat de verdachte die € 10.000 zou gebruiken om de schuld van aangever bij de Fortisbank te vereffenen. Aangever ontving echter in juni 2006 een brief van de gerechtsdeurwaarder waarin stond dat deze schuld bij de Fortisbank nog steeds bestond. De verdachte heeft dus de € 10.000 niet gebruikt om de schuld af te lossen, aldus aangever. Bij de aangifte is gevoegd de overschrijving op 8 mei 2003 van € 10.000 van de bankrekening van aangever naar die van [onderneming 1] B.V. Daarnaast bevat het dossier een dagafschrift van [onderneming 1] B.V. bij de ABN AMRO bank, waaruit blijkt dat op 9 mei 2003 genoemd bedrag op die rekening is bijgeschreven.

De verdachte verklaart op 21 september 2007 bij de FIOD-ECD dat hij de

€ 10.000 van aangever wel heeft ontvangen en dat hij niet voor aangever heeft afgelost bij de Fortisbank.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte de gelden van aangever [benadeelde 2] aanvankelijk rechtmatig onder zich had, nl. ter aflossing van diens schuld, maar dat verdachte kennelijk in een later stadium besloten heeft de €10.000,- zich opzettelijk wederrechtelijk toe te eigenen door noch te betalen aan de Fortisbank, noch het bedrag terug te betalen aan de heer [benadeelde 2].

Verdachte heeft gesteld dat hij het geld heeft terugbetaald aan [benadeelde 2]. [benadeelde 2] ontkent dat. Verdachte heeft in zijn 9e verklaring bij de FIOD niet consistent verklaard op dit punt. In één alinea verklaarde hij dat alles betaald is en dat [benadeelde 2] niets meer van hem te vorderen heeft. Vervolgens verklaarde hij dat hij in die periode wel financiële problemen had en dat [benadeelde 2] en hij hebben afgesproken dat hij, [benadeelde 2], het geld zo snel mogelijk terugkrijgt. Verdachte beroept zich op een schriftelijke verklaring van 5 mei 2010 waarin [benadeelde 2] de volgende tekst ondertekent: ‘Ik heb u in het verleden een tweetal leningen doen toekomen. Eénmaal een lening van € 6.000,- en éénmaal een lening van € 10.000,-. Daar is aangifte van gedaan alsof de leningen niet zouden zijn terugbetaald. Er is echter een vergissing in het spel en dus verklaar ik, [benadeelde 2], dat beide leningen volledig zijn terugbetaald en dat er geen vordering meer op mij bestaat. Ik dank u hartelijk voor de prettige afwikkeling van de zaak en doe graag nog zaken met u. Sorry dat ik aangifte heb gedaan, doch dat is ontstaan door de situatie indertijd.’ [benadeelde 2] verklaart hierover bij de rechter-commissaris: ‘Vier weken geleden had [verdachte] een papier, dat aangeeft dat die

€ 10.000,- en € 6.000,- zijn afgehandeld. Ik heb dat papier getekend. Het geld ben ik gewoon helemaal kwijt. (...) Ja, ik heb hem dat geld kwijtgescholden. Ik heb getekend omdat ik wist dat ik dat geld toch niet meer zou krijgen. Die brief met bedragen die ik heb getekend, kwam inderdaad van hem. Ik heb er nu een streep onder gezet.’

De rechtbank hecht geloof aan de verklaring van [benadeelde 2] dat het geld nog niet is terugbetaald en dat de door hem ondertekende verklaring niet de werkelijke gang van zaken weergeeft.

Ten aanzien van primair sub d: verduistering uit hoofde van beroep van € 6.000 van [benadeelde 2]

A. Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring.

B. Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn cliënt moet worden vrijgesproken. Het is wonderlijk dat [benadeelde 2], twee dagen na zijn aangifte van verduistering van € 10.000, aan de verdachte privé € 6.000 leent. In [benadeelde 2]’ verklaring bij de rechter-comissaris wordt niet duidelijk om welke reden dit geld is geleend. Het is de vraag of de verdachte dit geld uit hoofde van enige functie onder zich had. Het dossier biedt daarover absoluut geen duidelijkheid. [benadeelde 2] heeft de verdachte het geld kwijtgescholden. De vraag is of dan nog wel sprake is van verduistering. De verdachte had geen opzet op wederrechtelijke toeeigening van het geldbedrag; hij heeft het niet willens en wetens gedaan.

C. Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht verduistering uit hoofde van beroep bewezen.

De heer [benadeelde 2] verklaart op 3 september 2007 bij de FIOD-ECD dat hij op 27 september 2006 een leningsovereenkomst van € 6.000 heeft gesloten met de verdachte. De verdachte zou hem dat bedrag binnen 7 dagen terugbetalen, maar aangever heeft niets terug ontvangen. De leningsovereeenkomst, ondertekend door aangever en de verdachte, en het overboekingsformulier van de bankrekening van aangever naar die van de verdachte, bevinden zich in het dossier.

De verdachte verklaart op 21 september 2007 bij de FIOD-ECD dat hij het geld contant heeft terugbetaald. Hij heeft daar geen kwitantie van opgemaakt. Gevraagd naar de reden waarom hij niet tegen aangever heeft gezegd dat hij het geld feitelijk niet binnen enkele dagen zou kunnen terugbetalen, verklaart de verdachte dat hij van andere wegen geld zou krijgen, maar dat dat nooit is gebeurd.

Aangever verklaart voorts op 8 juli 2010 bij de rechter-commissaris dat hij de € 6.000 natuurlijk nooit heeft teruggezien. Ook hier geldt wat bij het vorige onderdeel is opgemerkt met betrekking tot de door [benadeelde 2] ondertekende verklaring van 5 mei 2010.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte de gelden van aangever [benadeelde 2] aanvankelijk rechtmatig onder zich had, nl. op basis van een geldige leenovereenkomst, echter heeft verdachte kennelijk in een later stadium besloten de €6.000,- zich opzettelijk wederrechtelijk toe te eigenen door het bedrag niet terug te betalen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde verduistering uit hoofde van beroep heeft gepleegd.

Ten aanzien van primair sub e en subsidiair sub e: verduistering uit hoofde van beroep dan wel oplichting van fl. 100.000 van [benadeelde 3]

A. Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van verduistering. Terwijl de verdachte wist dat zijn bedrijf noch hijzelf dat geld zou kunnen terugbetalen, heeft hij het geldbedrag dat hij had geleend zich wederrechtelijk toegeëigend.

Indien de rechtbank dit oordeel niet deelt, is het openbaar ministerie van mening dat de verdachte aangeefster heeft opgelicht voor dit bedrag.

B. Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn cliënt moet worden vrijgesproken. Uit het dossier blijkt dat [benadeelde 3] voor deze fl. 100.000 op 12 maart 2001 een leningsovereenkomst met [onderneming 1] BV heeft afgesloten, zonder afspraken over aflossing. De lening wordt op 22 december 2005 omgezet naar een overeenkomst met verdachte privé. Duidelijk blijkt dat [onderneming 1] BV op enig moment niet meer aan de verplichtingen kan voldoen. Echter betalingsonmacht levert nog geen verduistering op.

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over subsidiair sub e.

C. Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich het geldbedrag opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend dan wel dat sprake is van oplichting door verdachte.

De rechtbank stelt vast dat de leningsovereenkomst tussen mevrouw [benadeelde 3] en [onderneming 1] B.V. is gesloten op 12 maart 2001. In de overeenkomst is 6 % rente per jaar overeengekomen. Er is niets afgesproken over de datum van aflossing. Mevrouw [benadeelde 3] verklaart dat zij tot eind 2005 rente heeft ontvangen. Zij heeft eind 2005 tegen verdachte gezegd dat zij de lening wilde beëindigen. Op 22 december 2005 is de lening omgezet in een lening tussen mevrouw [benadeelde 3] en verdachte privé.

Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van verduistering. [onderneming 1] B.V. heeft een aantal jaren aan haar verplichtingen voldaan, maar raakte kennelijk eind 2005 in zodanige financiële problemen dat zij hieraan niet verder kon voldoen en evenmin het geleende bedrag kon terugbetalen. Betalingsonmacht is echter geen verduistering.

De vraag doet zich voor of de nieuwe overeenkomst van 22 december 2005 moet worden beschouwd als een daad van oplichting van verdachte. Mevrouw [benadeelde 3] heeft niet opnieuw fl 10.000,- betaald, maar zij is er mee akkoord gegaan dat er een nieuwe leningsovereenkomst in de plaats werd gesteld van de oude. Daarmee is de inschuld van [onderneming 1] B.V. teniet gedaan en is voor hetzelfde bedrag een vordering ontstaan op verdachte, die overigens ook ernstige financiële problemen had. Het is niet aannemelijk dat de kansen van mevrouw [benadeelde 3] op terugbetaling van de lening hierdoor zijn verslechterd. De rechtbank beschouwt de hierboven beschreven situatie niet als oplichting en zal verdachte vrijspreken van zowel de verduistering als de oplichting.

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde sub f en het subsidiair tenlastegelegde sub f: verduistering uit hoofde van beroep van of oplichting m.b.t. € 6.600 van [benadeelde 4]

A. Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primaire feit sub f (verduistering uit hoofde van beroep).

B. Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn cliënt moet worden vrijgesproken. Op de wijze waarop de verduistering ten laste is gelegd, kan dit feit niet worden bewezen en in de oplichtingsvariant komt niet vast te staan waaruit het oogmerk zou moeten blijken.

De in de tenlastelegging genoemde feiten zijn niet een samenspel van verzinsels.

C. Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht oplichting bewezen.

Mevrouw [benadeelde 4] doet op 18 december 2006 aangifte. De verdachte had haar belastingaangiftes en hypotheek verzorgd. Eind 2005 wilde ze de rente van de hypotheek vastzetten. De verdachte zou de nieuwe hypotheek verzorgen. In zijn voorstel voor omzetting van de ene hypotheek naar de andere zou een bedrag overblijven dat ze vrij zou kunnen besteden. Op een gegeven moment zei hij: "Als de hypotheek is gepasseerd, krijg je ruim € 6.000 vrij te besteden." Hij zei dat het, gezien haar leeftijd, moeilijk zou zijn om een hypotheek af te sluiten. Er was een hypotheekverstrekker die haar een hypotheek wilde verlenen. De verdachte vroeg haar toen om extra een bedrag van

€ 6.600,- te storten op een rekening van [onderneming 5] met nummer [rekeningnummer 5]. Ze weet zeker dat de verdachte toen heeft gezegd dat dit een derdenrekening van hem was. Ze heeft de € 6.600 op 24 april 2006 gestort.

Op een gegeven ogenblik kwam ze tot de conclusie dat ze geen nieuwe hypotheek via de verdachte wilde afsluiten. Ze heeft vanaf mei 2006 pogingen ondernomen om haar geld terug te krijgen, en heeft meerdere keren tegen de verdachte gezegd dat ze haar geld terug eiste. Hij heeft op 17 oktober 2006 € 600 overgemaakt. Hij heeft op het bankafschrift laten vermelden: “6600 minus 600 is 6000” en “geen briefjes meer svp”.

De storting van € 6.600 op de bankrekening van aangeefster, en de storting van dat bedrag op de bankrekening van [onderneming 5] zijn opgenomen in het dossier. Het dossier bevat voorts een aantal e-mails van aangeefster aan de verdachte, waarin ze haar geld terug eist. Deze e-mails zijn aangetroffen op de computer van de verdachte.

Verdachte heeft verklaard dat hij het geld van mevrouw [benadeelde 4] heeft aangewend voor zijn normale bedrijfsactiviteiten en dat het geld aan mevrouw [benadeelde 4] moet worden terugbetaald. Hij laat zich niet uit over het doel van deze betaling door mevrouw [benadeelde 4]. Er is geen leningsovereenkomst, zoals die wel aanwezig is in een aantal andere gevallen die in het dossier worden besproken. Daaruit kan worden geconcludeerd dat een geldlening van mevrouw [benadeelde 4] aan de B.V. kennelijk niet de bedoeling was. Daarom neemt de rechtbank aan dat de verklaring van mevrouw [benadeelde 4] juist is dat zij het geld heeft gestort omdat verdachte voor haar een nieuwe hypotheek zou regelen. Verdachte heeft niet gesteld noch is aannemelijk geworden dat hij een hypotheek voor mevrouw [benadeelde 4] heeft aangevraagd. Gezien haar verklaring zal het zeker niet de bedoeling zijn geweest dat haar geld door verdachte werd aangewend voor de bedrijfsvoering van [onderneming 5] B.V. Onder de hierboven geschetste omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van oplichting.

Verdachte heeft in zijn verweerschrift aangevoerd dat hij en [onderneming 5] B.V. geen geld meer schuldig zijn aan mevrouw [benadeelde 4]. Er is door verdachte € 600,- contant terugbetaald en het resterende bedrag van de vordering heeft verdachte achteraf verrekend met bedragen die mevrouw [benadeelde 4] hem verschuldigd zou zijn in verband met voor haar verrichte en niet eerder gefactureerde werkzaamheden. Deze stelling is niet alleen ongeloofwaardig maar bovendien volstrekt irrelevant voor de beoordeling van de handelingen die verdachte in of omstreeks april 2006 heeft verricht om in het bezit van het geld te komen.

Ten aanzien van primair sub g en subsidiair sub g: verduistering uit hoofde van beroep dan wel van oplichting voor een bedrag van € 78.000, toebehorende aan [benadeelde 5]

A. Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de oplichting (subsidiair sub g). In de aangifte verklaart [benadeelde 5] dat de verdachte hem het formulier heeft laten tekenen bij de bank. Bij de rechter-commissaris zegt [benadeelde 5] dat de verdachte hem eerder heeft laten tekenen en het getekende formulier bij de bank tussen andere formulieren heeft gestopt. Hoe dan ook: de verdachte heeft [benadeelde 5] het formulier laten tekenen. Daarop is de tenlastelegging aangepast.

B. Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn cliënt moet worden vrijgesproken van verduistering. In het dossier kan worden gelezen dat een groot deel van het hypotheekbedrag met betrekking tot de woning van [benadeelde 5] is overgemaakt naar [onderneming 5]. [benadeelde 5] is van mening dat hij hiervoor heeft getekend zonder dat hij zich daarvan bewust is geweest. In zijn aangifte verklaart [benadeelde 5] dat hij formulieren bij de bank heeft ingevuld. Bij de rechter-commissaris verklaart hij dat hij het formulier met betrekking tot de hiervoor genoemde overmaking bij hem thuis heeft ondertekend. Door de wisselende verklaringen van aangever is het onduidelijk onder welke omstandigheden het formulier is getekend.

De verdediging heeft naar voren gebracht dat de overboeking naar [onderneming 5] zeker de bedoeling is geweest en dat de zaak wegens ernstige financiële problemen niet meer kon worden afgewikkeld. Er geen eenduidig beeld wanneer betalingsonmacht overgaat in strafbare feiten; daarover is twijfel.

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn cliënt ook moet worden vrijgesproken van oplichting. De verdachte heeft naar voren gebracht dat de overboeking naar [onderneming 5] zeker de bedoeling is geweest en dat de zaak wegens ernstige financiële problemen niet meer kon worden afgewikkeld. Er bestaat geen eenduidig beeld wanneer betalingsonmacht overgaat in strafbare feiten. Bij twijfel hierover dient de verdachte te worden vrijgesproken.

C. Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht verduistering uit hoofde van beroep bewezen.

De heer [benadeelde 5] doet op 17 juni 2006 aangifte. De verdachte stelde hem eind 2005 voor om een hypotheek op zijn huis te nemen van € 100.000. Aangever vroeg de verdachte een hypotheekverstrekker te zoeken. Later zei de verdachte dat aangever een hypotheek had gekregen. Op 22 december 2005 is de akte gepasseerd bij een notaris.

Op 23 december 2005 zijn aangever en de verdachte naar de ABN-Amrobank in Enkhuizen gegaan. Daar zou aangever een privérekening openen waarop het geld van de hypotheek zou worden gestort. Op advies van de verdachte heeft aangever toen een totaalpakket met rekeningen afgesloten. Aangever zei nog dat hij het niet nodig vond om een ABN-Amrorekening te openen omdat hij al een Rabobankrekening had, maar de verdachte zei dat een nieuwe rekening beter was. Aangever heeft op de bank diverse papieren moeten ondertekenen met vele handtekeningen. Op een gegeven moment zei de verdachte dat aangever ook even een ander formulier moest ondertekenen en haalde een formulier te voorschijn. De verdachte begon een heel verhaal tegen een bankmedewerkster. Onwillekeurig werd aangever hierdoor afgeleid en heeft hij automatisch ook dat formulier ondertekend.

Aangever denkt dat het vlak na nieuwjaar was dat hij een bankafschrift zag van de nieuwe rekening. Er was door de notaris € 82.057,20 op gestort en er was op dezelfde dag € 78.000 afgeschreven en overgeboekt naar de bankrekening van [onderneming 5] met de vermelding 'koopsom'. Toen realiseerde aangever zich dat de verdachte hem bij de poot had.

Bij de rechter-commissaris verklaart aangever dat hij bedoeld formulier voorafgaand aan het bezoek aan de bank heeft ondertekend.

Het betreffende rekeningafschrift bevindt zich in het dossier. Hieruit blijkt dat de genoemde bedragen zijn overgeboekt op dezelfde dag: 23 december 2005.

De getuige [getuige 1], destijds werkzaam bij [onderneming 5], heeft op 26 februari 2007 bij de FIOD-Ecd verklaard dat hij de € 78.000 heeft zien binnenkomen op de bankrekening van [onderneming 5], dat dit geld gewoon binnen het bedrijf is gebleven en is gebruikt binnen de normale bedrijfsvoering. [benadeelde 5] heeft mij verteld dat [verdachte] dat geld voor hem zou gaan beleggen.

De verdachte verklaart op 6 juni 2007 bij FIOD-ECD dat de € 78.000 is gegaan naar [onderneming 5]. Dat wilde [benadeelde 5] zelf. ‘Wij hebben [benadeelde 5] voorgesteld om het geld te beleggen’. Verdachte is van mening dat het geld moet worden terug betaald. Het geld of een gedeelte daarvan is overgemaakt naar de fiscus wegens boetes. Hij heeft niet voldaan aan verzoeken van aangever om terugbetaling omdat het geld vaststaat bij de fiscus.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank verduistering uit hoofde van beroep bewezen.

Ten aanzien van feit 2

A. Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring. De bedrijven van de verdachte hebben opvorderbare tegoeden van het publiek aangetrokken. Uit de handelwijze van de verdachte blijkt genoegzaam dat hij binnen de uitoefening van zijn bedrijf, buiten besloten kring, voor bankier speelde. De verdachte leende geregeld en stelselmatig geld van mensen privé, en is daarvoor strafbaar (HR 27 maart 2001, LJN AB0740).

B. Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn cliënt moet worden vrijgesproken.

Bij [benadeelde 6] zijn de leningen verstrekt buiten de periode genoemd in de tenlastelegging, behalve die van 13 oktober 2004. Maar die had betrekking op gelden die daarvóór zijn afgegeven.

Bij [benadeelde 2] is sprake van gelden vóór de periode genoemd in de tenlastelegging en

een klein deel erna.

Bij [benadeelde 3] is sprake van het aantrekken van gelden vóór de periode genoemd in de tenlastelegging.

Duidelijk is dat sprake is van verschillende bedrijven. Zo is er een overeenkomst tussen [benadeelde 6] en [onderneming 1], tussen [benadeelde 5] en [onderneming 5]. De overeenkomst met [benadeelde 2] is er een tussen [verdachte] privé. [benadeelde 3] heeft een overeenkomst met [onderneming 1].

Het is wel de vraag of de verdachte bewust de bedoeling heeft gehad om bancair op te treden en of hij opzettelijk bedrijfsmatig opvorderbare gelden heeft willen aantrekken. Zo blijft volstrekt onduidelijk waarom een lening met [benadeelde 2] is afgesloten op 27 september 2006 en was het bedrag van [benadeelde 5] kennelijk bestemd voor het aankopen van een financieel product. Wanneer de getuigenverklaring van [benadeelde 6] wordt gelezen, lijkt het of hij meedeed aan een zakelijk risico. Hij geeft namelijk aan: “Je zou kunnen zeggen dat het een zakelijk risico was dat helemaal is misgelopen. “ De vraag is dan of het in dit geval gaat om activiteiten (het geld van [benadeelde 5] had met de afwikkeling van een hypotheek te maken) die vallen onder de Wet toezicht kredietwezen. De vraag bij dit feit kan worden gesteld of in dit geval wel sprake was van strafbaar gedrag, en of de verdachte privé hiervoor strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden. De raadsman vindt van niet.

C. Beoordeling door de rechtbank

Het strafdossier bevat een kopie van een brief van De Nederlandse Bank, d.d. 1 augustus 2006 waaruit blijkt dat verdachte en zijn bedrijven niet als vergunninghoudende kredietinstellingen zijn ingeschreven (geweest).

De heer [benadeelde 6] verklaart dat hij op enig moment aan de praat kwam met de verdachte. Verdachte zei dat het verstandig van aangever zou zijn als hij zijn geld zou beleggen in onroerend goed. De verdachte stelde voor dat het geld bij hem kon worden belegd, de verdachte bezat een aantal panden en aangever zou een rendement krijgen van 6%. Aangever heeft in 2002 acht porties € 120.000 overgemaakt naar [onderneming 3] respectievelijk [onderneming 1] B.V. Daarbij tekent de rechtbank aan dat de overmaking van deze bedragen valt buiten de ten laste gelegde periode.

Tijdens een gesprek met aangever in oktober 2004 heeft de verdachte een geheel nieuwe leningsovereenkomst opgesteld voor het gehele bedrag van € 120.000. Blijkens document D-3.1/9 dat zich bij de stukken bevindt, is deze overeenkomst, met als datum 13 oktober 2004, gesloten tussen aangever en [onderneming 1] B.V., voor een bedrag van € 123.812,55 en een rente van 6% per jaar. Er is sprake van omzetting van de lening, er is niet opnieuw geld gestort. In het geval van [benadeelde 6] is er in ieder geval sprake van het ter beschikking hebben van (eerder aangetrokken) gelden.

Uit de hiervoor onder feit 1 primair sub g weergegeven bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte op 23 december 2005 € 78.000 van de bankrekening van [benadeelde 5] heeft gestort op de bankrekening van [onderneming 5].

Uit de hiervoor onder feit 1 primair sub d weergegeven bewijsmiddelen blijkt dat [benadeelde 2] op 27 september 2006 een leningsovereenkomst van € 6.000 heeft gesloten met de verdachte. De verdachte zou hem dat bedrag binnen 7 dagen terugbetalen.

[benadeelde 3] verklaart op 29 maart 2007 dat ze op 12 maart 2001 fl. 100.00 heeft geleend aan [onderneming 1] B.V. Dit is vastgelegd in een leningsovereenkomst. Deze is op 22 december 2005 omgezet in een leningsovereenkomst tussen [benadeelde 3] en de verdachte. De verdachte leent fl. 100.000 of € 45.378 tegen een rente van 6% per jaar. Ook in dit geval is er in ieder geval sprake van het ter beschikking hebben van (eerder aangetrokken) gelden.

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit bewezen.

De rechtbank is van oordeel dat de activiteiten als bedoeld in artikel 82 Wet toezicht kredietwezen 1992 plaatsvinden met betrekking tot het publiek indien de activiteiten plaatsvinden buiten besloten kring ten aanzien van niet professionele beleggers. Onder professioneel verstaat de rechtbank in dit kader beroepsmatig. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte al dan niet vanuit zijn bedrijven geregeld en stelselmatig op termijn opvorderbare gelden heeft aangetrokken en ter beschikking heeft gekregen en ter beschikking heeft gehad.

De raadsman van verdachte heeft ook aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op het overtreden van artikel 82 Wtk 1992. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Zogenaamd boos opzet – het feit dat de verdachte zich ervan bewust was in strijd met het verbod van artikel 82 lid 1 Wtk 1992 te handelen - is gelet op de tenlastelegging niet vereist. Voldoende is dat de verdachte willens en wetens - al dan niet in de vorm van voorwaardelijk opzet - (kort gezegd) bedrijfsmatig op termijn opvorderbare gelden heeft aangetrokken, ter beschikking verkregen en/of gehad, hetgeen te dezen uit de bewezenverklaring voortvloeit. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

Ten aanzien van feit 3

A. Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring.

B. Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verwezen naar hetgeen de verdachte heeft aangevoerd in zijn schriftelijk verweer. De rechtbank stelt echter vast dat de verdachte niets heeft aangevoerd omtrent (het bewijs van) dit feit.

Voor wat betreft de bewezenverklaring heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

C. Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, op grond van de volgende bewijsmiddelen.

Ten aanzien van sub 1

Het dossier bevat een salarisspecificatie mei 2005 m.b.t. mevrouw [betrokkene 2]. Volgens dit document verdiende zij in mei 2005 bruto € 1.946,17 als administratief medewerkster bij de [onderneming 6] (verder te noemen: [onderneming 6]). De datum van indiensttreding is 1-01-05.

Mevrouw [betrokkene 2] is hierover gehoord. Zij verklaart dat de verdachte in 2005 een hypotheek voor haar heeft geregeld voor de aankoop van een huis. Zij werkte op dat moment in een restaurant, waar zij een nul-urencontract had. Zij had hieruit, en uit haar werk als freelance grafisch vormgever, geen vast inkomen. De verdachte heeft tegen haar gezegd dat ze moest zeggen dat zij werkzaam was bij de [onderneming 6]. Als de Fiod-Ecd haar genoemde salarisspecificatie toont, verklaart zij dat dat zij dat stuk nooit heeft gezien, en dat het niet klopt, want zij is nooit werkzaam geweest bij [onderneming 6]. Mevrouw [betrokkene 2] verklaart dat haar vader een geldbedrag heeft overgemaakt naar verdachte, dat verdachte dat bedrag als salaris op haar rekening heeft gestort en dat zij hetzelfde bedrag weer heeft terugbetaald aan haar vader.

Ten aanzien van sub 2 tot en met sub 6

Het dossier bevat de volgende stukken.

sub 2, een salarisspecificatie waarop is vermeld dat [dochter verdachte] in januari 2006 bruto € 5.000 verdiende als office manager bij [onderneming 3].

sub 3, een salarisspecificatie waarop is vermeld dat [dochter verdachte] in januari 2006 bruto

€ 4.516,47 verdiende als senior accountmanager bij [onderneming 3],

sub 4, een model-werkgeversverklaring van 12 mei 2006 waarin is vermeld dat [dochter verdachte] een arbeidsovereenkomst had met [onderneming 3] B.V., en dat ze als senior accountmanager bruto € 32.407,- per jaar verdiende,

sub 5, een model-werkgeversverklaring van 16 februari 2006 waarin is vermeld dat drs. [dochter verdachte] een arbeidsovereenkomst had met [onderneming 3] B.V., en dat ze als officemanager bruto € 60.000 per jaar verdiende (ondertekend door [getuige 1])

sub 6, een (Pensioen)Inkomensverklaring van 10 februari 2007 waarin is vermeld dat drs. [dochter verdachte] een (gezamenlijk) jaarinkomen uit arbeid en uit vermogen had van € 60.000.

[dochter verdachte] (dochter van de verdachte) heeft op 21 augustus 2007 verklaard dat zij student is, maar dat zij al een aantal jaren geen studiefinanciering meer ontvangt. Daarom heeft zij naast haar studie gewerkt, onder andere als schoonmaakster op de kantoren van haar vader [onderneming 2] en [onderneming 3] B.V. Als haar de documenten sub 2 en sub 3 worden getoond, heeft zij geen commentaar. Als haar de documenten sub 4 en sub 5 worden getoond, verklaart zij deze niet eerder te hebben gezien; het is niet haar handschrift. Gevraagd naar de juistheid van de gegevens, beroept zij zich op haar verschoningsrecht.

Op 26 februari 2007 verklaart de getuige [getuige 1] dat hij als administrateur heeft gewerkt bij [onderneming 5] en daarna bij [onderneming 4]. [dochter] heeft tot ongeveer september 2006 het kantoor schoongemaakt. Hij schat dat ze daarmee € 300 per maand heeft verdiend.

In een volgend verhoor op die dag wordt hem het document sub 4 getoond. Hij heeft dit stuk opgesteld, maar denkt dat de gegevens niet kloppen. Het loon van [dochter] werd door de verdachte opeens verhoogd van € 300 naar € 3.000 per maand, omdat zij senior-accountmanager zou worden. Hij heeft haar echter nooit in het bedrijf gezien, en hij heeft geen aanwijzingen dat zij ooit werkzaamheden heeft verricht voor [onderneming 3]. Hij heeft het salaris aan haar uitbetaald, 2 à 3 keer, misschien 1 keer. Hij kreeg de gegevens door van de verdachte en ging ervan uit dat die juist waren. Ook het stuk sub 5 wordt hem getoond. Hij verklaart dat hij de gegevens kreeg aangeleverd door de verdachte. Hij heeft [dochter] nooit op kantoor gezien om de functie van office manager uit te oefenen. Hij maakte het loon naar haar over, en maakte daarna dit document op.

[getuige 2] is op 24 april 2007 gehoord als getuige. Hij verklaart dat hij in januari 2004 in dienst is gekomen bij [onderneming 3]. De heer [getuige 1] maakte, in opdracht van de verdachte, vervalste werkgeversverklaringen en loonslips, zo verklaart de getuige.

De getuige [getuige 3] verklaart op 5 juli 2010 bij de rechter-commissaris dat hij heeft gewerkt bij [onderneming 3]. Volgens hem heeft [dochter] in het verleden schoonmaakwerkzaamheden verricht bij de verdachte; van andere werkzaamheden weet hij niets.

De verdachte verklaart omtrent het document sub 1 dat mevrouw [betrokkene 2] heeft gewerkt bij [onderneming 6], en dat hij geen valse loonopgaaf heeft gemaakt.

De verdachte verklaart omtrent het document sub 4 dat hij dit formulier niet heeft ingevuld. Hij weet niet hoe [getuige 1], die het heeft ondertekend, aan de gegevens komt. Hij vindt het vermelde jaarinkomen “een raar inkomen” waarover hij niets kan verklaren.

Omtrent het document sub 5 verklaart hij dat [dochter] het daarop vermelde salaris nooit heeft verdiend; zij zou het gaan verdienen. Aan deze verklaringen van verdachte hecht de rechtbank geen geloof gezien de hiervoor weergegeven getuigenverklaringen.

Ten aanzien van feit 4

A. Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring.

B. Standpunt van de verdediging

De verdachte had een probleem omdat een groot deel van zijn administratie in beslag was genomen door de Fiod. Hij kreeg een aantal dozen terug, een aantal archiefdozen bleef achter op kantoor Alkmaar. Hoeveel dozen dit betrof, is niet meer na te gaan. Uiteindelijk zijn al deze dozen na afsluiting van het onderzoek in het voorjaar van 2008 retour gegaan naar de verdachte. Noch van de inbeslagname, noch van de teruggave is een bewijsstuk aanwezig. Het was voor [verdachte] hierdoor lastig om aan zijn verplichtingen te voldoen. Hij kon niet beschikken over zijn volledige administratie. Door de getuigen [toezichthouder 1] en [toezichthouder 2] van de AFM is aangegeven dat hij kopieën van de stukken bij de FIOD kon opvragen; dit is echter niet gebeurd. Bovendien was niet duidelijk geadministreerd welke spullen wel en welke niet bij de FIOD waren. Het was heel goed mogelijk dat informatie die het ene overheidsorgaan (de AFM) nodig had bij de andere (de FIOD) aanwezig was. De getuige [toezichthouder 1] geeft aan dat, wanneer de verdachte informatie bij de FIOD zou moeten hebben, dit toch heel eenvoudig voor hem zou moeten zijn. De FIOD geeft immers lijsten op van spullen die ze in beslag hebben genomen. Volgens de raadsman was dat nu juist het probleem in deze zaak, want die lijsten, met betrekking tot de in beslag genomen administratie op 28 november 2006, waren er niet.

C. Beoordeling door de rechtbank

De Autoriteit Financiële Markten (Verder te noemen: AFM) heeft bij brief van 6 februari 2008 aangifte gedaan wegens overtreding van artikel 184 Wetboek van Strafrecht tegen [onderneming 3] B.V., alsmede tegen de verdachte als feitelijk leidinggever aan deze overtreding. De op de tenlastelegging voorkomende gegevens zijn door de AFM gevorderd van de verdachte bij brieven van 13 juli 2007 en van 1 augustus 2007.

Namens verdachte is niet betwist dat de bedoelde gegevens door hem niet (volledig) aan de AFM zijn overgelegd. Verdachte benadrukt dat hij hiertoe niet in staat was vanwege de strafrechtelijke inbeslagneming van zijn administratie door de FIOD. De rechtbank gaat, onder verwijzing naar de overwegingen in rubriek 3 van dit vonnis (De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie), aan dit verweer voorbij. Kort gezegd komen deze overwegingen erop neer dat, daargelaten het feit dat verdachte pas in een zeer laat stadium (namelijk in het kader van zijn bezwaarschrift tegen de last onder dwangsom) een beroep heeft gedaan op het beslag, hij in elk geval op geen enkel moment een concreet verzoek aan de FIOD heeft gericht met betrekking tot de door de AFM gewenste documenten/informatie.

De rechtbank acht eveneens bewezen dat verdachte als feitelijk leidinggever dit feit heeft gepleegd. Ondanks dat zijn zoon [zoon verdachte] sinds 2007 als directeur werkzaam was bij [onderneming 3] B.V. blijkt uit meerdere verklaringen in het dossier dat het verdachte was die feitelijk de gang van zaken binnen het bedrijf bepaalde. [zoon verdachte] (verhoor 1 mei 2007 – G9-001) verklaart in dit verband: ‘[verdachte] had feitelijke leiding van de onderneming. Hij besliste alles. Over inhoudelijke dingen, sturing en bedrijfsvoering had ik niks te vertellen. Ik werd ook niet op de hoogte gehouden door [verdachte] van dergelijke zaken (…). Mijn vader nam alle beslissingen’. [getuige 2] verklaart op 6 juli 2010 bij de rechter-commissaris: ‘[verdachte] had onmiskenbaar de feitelijke leiding. Er gebeurde daar niets zonder dat hij het geaccordeerd heeft’. Ook [getuige 3] verklaart op 5 juli 2010 bij de rechter-commissaris dat ‘[verdachte] het voor het zeggen had’

De verdachte heeft aldus, hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden, maatregelen achterwege gelaten ter voorkoming dat de verboden gedragingen zich zouden voordoen, waardoor hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verboden gedragingen plaatsvonden, zodat hij die gedragingen opzettelijk heeft bevorderd.

De rechtbank acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank is, op grond van de hierboven onder 4 weergegeven bewijsmiddelen, van oordeel dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij

feit 1 primair

hij op tijdstippen in de periode van 16 juli 1998 tot en met 27 september 2006 in Nederland opzettelijk

(c) een geldbedrag van 10.000 euro (door [benadeelde 2] gestort op rekening van [onderneming 1] op 8 mei 2003) toebehorend aan [benadeelde 2] en

(d) een geldbedrag van 6.000 euro, toebehorend aan [benadeelde 2] en

(g) een geldbedrag van 78.000 euro, toebehorend aan [benadeelde 5],

welke geldbedragen verdachte uit hoofde van zijn beroep als hypotheek/financieel adviseur onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

feit 1 subsidiair

(a) hij in Nederland op 16 juli 1998 met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 53.000 gulden, toebehorend aan [benadeelde 1];

(f) hij op 24 april 2006 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels [benadeelde 4] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 6.600 euro, immers heeft verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid zich voorgedaan als een betrouwbare financieel/hypotheekadviseur en vervolgens die [benadeelde 4] gezegd dat het gezien haar leeftijd moeilijk zou zijn om een hypotheek af te sluiten, dat er een hypotheekverstrekker zou zijn die haar hypotheek zou willen verlenen maar dat er dan een bedrag belegd/gestort zou moeten worden op een derdenrekening van hem, verdachte, waardoor [benadeelde 4] werd bewogen tot vorenomschreven afgifte;

feit 2

hij op tijdstippen in de periode van 13 oktober 2004 tot en met 31 december 2006 in Nederland telkens opzettelijk bedrijfsmatig al dan niet op termijn opvorderbare gelden van [benadeelde 6] en [benadeelde 2] en [benadeelde 3] (en in het geval van [benadeelde 5]: tezamen en in vereniging met een ander) heeft aangetrokken en ter beschikking heeft verkregen en/of ter beschikking heeft gehad;

feit 3

hij op tijdstippen in de periode van 1 mei 2005 tot en met 10 februari 2007 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander

1. een salarisspecificatie [betrokkene 2] van mei 2005 en

2. een salarisspecificatie [dochter verdachte] van januari 2006 en

3. een salarisspecificatie [verdachte] van januari 2006 en

4. een model werkgeversverklaring van [dochter verdachte] gedateerd 12 mei 2006 en

5. een model werkgeversverklaring van [dochter verdachte] gedateerd 16 februari 2006 en

6. een pensioen/inkomensverklaring van [dochter verdachte] gedateerd 10 februari 2007

- elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en/of zijn mededader telkens valselijk

-zakelijk weergegeven-

ad 1. op voormelde salarisspecificatie vermeld dat [betrokkene 2] in de maand mei 2005 heeft gewerkt voor de [onderneming 6]. en een salaris heeft ontvangen van de [onderneming 6], zulks terwijl die [betrokkene 2] in het geheel niet werkzaam is geweest bij de [onderneming 6] en een salaris heeft ontvangen van de [onderneming 6] en

ad 2. op voormelde salarisspecificatie vermeld dat [dochter verdachte] in de maand januari 2006 bij [onderneming 3] B.V in de functie van officemanager een brutosalaris van 5000 euro heeft verdiend, zulks terwijl die [dochter verdachte] in werkelijkheid niet als officemanager werkzaam was bij [onderneming 3] B.V en een lager inkomen verdiende en

ad 3. op voormelde salarisspecificatie vermeld dat [verdachte] in de maand januari 2006 bij [onderneming 3] B.V in de functie van senior accountmanager een brutosalaris van 4516,47 euro heeft verdiend, zulks terwijl die [verdachte] in werkelijkheid niet als senior accountmanager werkzaam was bij [onderneming 3] B.V. en een lager inkomen verdiende en

ad 4. op voormelde model werkgeversverklaring vermeld dat [dochter verdachte] als senior accountmanager in dienst was bij [onderneming 3] B.V. en een bruto jaarsalaris van 32.407 euro verdiende, zulks terwijl die [dochter] in werkelijkheid niet als senior accountmanager werkzaam was bij [onderneming 3] B.V en een lager inkomen verdiende en

ad 5. op voormelde model werkgeversverklaring vermeld dat [dochter verdachte] als

officemanager in dienst was bij [onderneming 3] B.V. en een bruto jaarsalaris van 60.000 euro verdiende, zulks terwijl die [dochter] in werkelijkheid niet als officiemanager werkzaam was bij [onderneming 3] B.V en een lager inkomen verdiende en

ad 6. op voormelde pensioen/inkomensverklaring vermeld dat [dochter verdachte] een inkomen van 60.000 euro had, zulks terwijl die [dochter] een lager inkomen had,

zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

feit 4

[onderneming 3] BV op tijdstippen in de periode van 13 juli 2007 tot en met 12 september 2007 in Nederland opzettelijk niet heeft voldaan aan vorderingen, krachtens artikel 5:16 Algemene wet bestuursrecht gedaan door [toezichthouder 2], Senior Toezichthouder Integriteit, en [toezichthouder 1], Toezichthouder, en [toezichthouder 3], Senior Toezichthouder Integriteit, die waren belast met de uitoefening van enig toezicht, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaren van haar hadden gevorderd informatie te verstrekken, telkens geen gevolg gegeven aan die vordering, immers is telkens opzettelijk door [onderneming 3] BV de navolgende gevraagde informatie niet verstrekt:

- het ingevulde self-assessment financiële dienstverlener, en

- een structuuroverzicht (organogram) van de ondernemingen, waaruit de juridische en

zeggenschapstructuur blijkt en

- een kopie van het aandeelhoudersregister van [onderneming 3], alsmede een kopie van het/de

aandeelhoudersregister(s) van de aandeelhouder(s) van [onderneming 3] en

- de statuten van [onderneming 3], alsmede de statuten van de aandeelhouders van [onderneming 3] en

- het tijdelijke contract van de heer [getuige 3] en

- de openingsgegevens van de bankrekeningnummers, genoemd in de brief d.d. 24 juli

2007 en

- de NAW-gegevens van de perso(o)n(en) die thans direct of indirect directie voert/voeren over [onderneming 3], alsmede de NAW-gegevens van de perso(o)n(en) die direct of indirect de directie hebben gevoerd gedurende de periode van 1 januari 2006 tot heden en

- een overzicht van de financiële ondernemingen en een kopie van de samenwerkings-overeenkomsten die [onderneming 3] heeft gesloten met financiële ondernemingen waarmee [onderneming 3] samenwerkt en

- een cliëntenlijst met de NAW-gegevens van de cliënten van [onderneming 3] en een specificatie per cliënt naar verleende dienst en afgenomen product en

- het volledig cliëntendossier (inclusief alle correspondentie) van [verdachte], geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats] en

- de, met schriftelijke bescheiden onderbouwde, redenen waarom de cliënten [cliënt 1], [cliënt 2], [cliënt 3], [cliënt 4], de familie [cliënt 5] en [cliënt 6]

door [onderneming 3] worden (terug)betaald,

aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 primair:

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd,

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

diefstal

en

oplichting,

ten aanzien van feit 2:

opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 82, eerste lid van de Wet toezicht kredietwezen 1992 (oud), meermalen gepleegd

en

medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 82, eerste lid van de Wet toezicht kredietwezen 1992

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd,

ten aanzien van feit 4:

opzettelijk niet voldoen aan een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

7. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. Oplegging van de straf

De officier van justitie heeft gerekwireerd dat de rechtbank de verdachte voor het ten laste gelegde een gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van 24 maanden.

De raadsman heeft, in geval de rechtbank komt tot een bewezenverklaring, gesteld een voorwaardelijke gevangenisstraf, eventueel in combinatie met een werkstraf, passend te vinden.

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering, diefstal en oplichting van gelden van particulieren (feit 1). Met deze personen had hij een jarenlange vertrouwensrelatie opgebouwd. Op grootschalige en geraffineerde wijze heeft hij misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zij in hem stelden.

Voorts heeft hij meermalen valsheid in geschrift gepleegd (feit 3), met het doel hypotheken te verkrijgen op naam van (onder meer) zijn dochter, die als studente en schoonmaakster niet genoeg inkomen had.

Daarnaast heeft hij zich gedragen als bank, door gelden van particulieren aan te trekken (feit 2). De Wet toezicht kredietwezen heeft tot doel om misbruik in de financiële markt te voorkomen en de belangen van degenen die zich als consument bewegen op deze markt te beschermen.

Tenslotte heeft de verdachte niet voldaan aan de verplichting tal van gegevens te verstrekken aan de AFM (feit 4). Daarmee maakte hij het de AFM onmogelijk toezicht uit te oefenen op een van zijn ondernemingen.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij zich heeft laten leiden door zijn eigen verlangen naar gewin, en zich niets gelegen heeft laten liggen aan de grote financiële en emotionele gevolgen voor de slachtoffers die hun geld in goed vertrouwen op zijn rekening hebben gestort zonder dat de verdachte nog enige reële verhaalsmogelijkheid biedt.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 26 maart 2010. Daaruit blijkt dat de verdachte op 24 juni 2009 tot straf is veroordeeld wegens verduistering. Voorts is de verdachte op 27 september 2007 tot straf veroordeeld wegens valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 63 Sr). Laatstgenoemd vonnis is niet onherroepelijk.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen het over de verdachte uitgebrachte adviesrapport, gedateerd 29 april 2010, van J. Veel, als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland.

Omtrent de redelijke termijn waarin een strafzaak dient te worden aangevangen, behandeld en afgerond, oordeelt de rechtbank het volgende. De redelijke termijn vangt aan op 28 november 2006, als de administratie van een van de bedrijven van de verdachte door de deurwaarder in een container wordt gedaan en aansluitend door de FIOD in beslag wordt genomen. De zaak is aangebracht op de zitting van 15 juni 2010, waar de raadsman zijn onderzoekswensen heeft opgegeven. Vervolgens heeft de rechter-commissaris in juli en augustus 2010 veertien getuigen gehoord. Op de zitting van 2 september 2010 is de zaak aangehouden omdat de verdachte zich in verband met zijn gezondheid onvoldoende kon voorbereiden. Op de zitting van 16 november 2010 is de verdachte de laatste gelegenheid gegeven zijn verweer voor te bereiden. Kort voor de zitting van 16 maart 2011 heeft de verdachte zijn schriftelijke verweer ingezonden en heeft de officier van justitie daarop gereageerd. De inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden op 16 maart en 6 juni 2011.

De redelijke termijn is derhalve royaal overschreden, ook indien de omvang en de complexiteit van het onderzoek in aanmerking worden genomen, alsmede de omstandigheid dat de aanhoudingen van de behandeling ter zitting van 2 september 2010 en 16 november 2010 in de risicosfeer van de verdachte liggen. Als de redelijke termijn niet was overschreden, had de rechtbank een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van 16 maanden. Hierbij betrekt de rechtbank het feit dat zij de verdachte zal vrijspreken van een gedeelte van de tenlastelegging, waar de officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring. Nu de redelijke termijn is overschreden, zal de rechtbank een gedeelte van de gevangenisstraf opleggen in voorwaardelijke vorm. De op te leggen straf is passend en geboden.

9. Vorderingen van benadeelde partijen

De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 58.720,92 aan schade die verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

De benadeelde partij kan niet worden ontvangen in de vordering, nu de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van de feiten 1 primair en 1 subsidiair (telkens onder e), waarop de vordering betrekking heeft. De benadeelde partij kan de vordering desgewenst aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 25.928,37 aan schade die verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

De benadeelde partij kan niet worden ontvangen in de vordering, nu de vordering geen betrekking heeft op enig in deze strafzaak aan de verdachte ten laste gelegd feit.

De benadeelde partij [benadeelde 5] heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 78.000,00 aan schade die verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

De behandeling van de vordering van de benadeelde partij levert geen onevenredige belasting van het strafgeding op zodat de vordering in deze strafzaak kan worden behandeld.

Nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij, als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feit 1 primair sub g, door de handelingen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot dit bedrag, kan de vordering tot € 78.000,00 worden toegewezen. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot de dag van algehele voldoening. De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

[onderneming 5] is door deze rechtbank, sector civiel, bij vonnis met zaaknummer 89790 / HA ZA 06-742, van 18 oktober 2006 veroordeeld tot betaling aan

[benadeelde 5] van € 78.000,00, vermeerderd met de wettelijk rente vanaf 23 december 2005 tot de dag van volledige betaling. De rechtbank zal bepalen dat, indien en voorzover is voldaan aan genoemd vonnis, de verdachte zal zijn bevrijd van betaling aan de benadeelde partij.

De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 6.000,00 aan schade die verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

De behandeling van de vordering van de benadeelde partij levert geen onevenredige belasting van het strafgeding op zodat de vordering in deze strafzaak kan worden behandeld.

Nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij, als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feit 1 subsidiair sub f, door de handelingen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot dit bedrag, kan de vordering tot € 6.000,00 worden toegewezen. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot de dag van algehele voldoening. De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

11. Schadevergoeding als maatregel

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregelen besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens voornoemde slachtoffers [benadeelde 5] en [benadeelde 4] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schades die door de in de rubriek BEWEZENVERKLARING respectievelijk onder feit 1 primair sub g en feit 1 subsidiair sub f bewezen verklaarde strafbare feiten heeft toegebracht aan de benadeelde partijen. De rechtbank zal daarom schadevergoedingsmaatregelen opleggen aan de verdachte tot de toegewezen bedragen.

De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van de verschuldigde bedragen, heft de opgelegde verplichtingen niet op.

12. Toegepaste wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 51, 57, 63, 184, 225, 310, 322, en 326 van het Wetboek van Strafrecht,

artikel 82 van de Wet toezicht kredietwezen 1992,

de artikelen 1, 2°, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten,

zoals genoemde artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd onder feit 1 primair sub a, b, e, en f, alsmede onder 1 subsidiair sub b en e.

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

• Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

• Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

• Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 16 (zestien) maanden.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

• Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4], [adres] te [woonplaats], tot een bedrag van € 6.000,00 (zes duizend euro) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 april 2006 tot aan de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. De tot op heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

• Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 4] voornoemd, te betalen een som geld ten bedrage van € 6.000,00 (zes duizend euro) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 april 2006 tot aan de dag van algehele voldoening, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 65 (vijf en zestig) dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

• Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5], [adres] te [woonplaats], tot een bedrag van € 78.000,00 (acht en zeventig duizend euro) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 december 2005 tot aan de dag van algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien en voor zover is voldaan aan het vonnis van deze rechtbank, sector civiel, met zaaknummer 89790 / HA ZA 06-742, van 18 oktober 2006, waarin [onderneming 5] is veroordeeld tot betaling aan [benadeelde 5] van € 78.000,00, vermeerderd met de wettelijk rente vanaf 23 december 2005 tot de dag van volledige betaling, de verdachte zal zijn bevrijd van betaling van het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. De tot op heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

• Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde 5] voornoemd, te betalen een som geld ten bedrage van € 78.000,00 (acht en zeventig duizend) euro als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 december 2005 tot aan de dag van algehele voldoening, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 365 (drie honderd vijf en zestig) dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat, indien en voor zover is voldaan aan het vonnis van deze rechtbank, sector civiel, met zaaknummer 89790 / HA ZA 06-742, van 18 oktober 2006, waarin [onderneming 5] is veroordeeld tot betaling aan [benadeelde 5] van € 78.000,00, vermeerderd met de wettelijk rente vanaf 23 december 2005 tot de dag van volledige betaling, de verdachte zal zijn bevrijd van betaling van het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij.

• Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3], Pier 10 te 1693 LV Wervershoof,

niet-ontvankelijk in de vordering.

• Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1], Voorstuk 44 te 1619 GP Enkhuizen,

niet-ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. van der Perk, voorzitter,

mr. A.C. Haverkate en mr. I.M. Nusselder, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.A. Huisman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 juni 2011.