Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BQ8615

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
21-06-2011
Zaaknummer
10/1156, 10/1196 en 10/1201
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BX0262, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 26 juni 2008 is namens vergunninghoudster verzocht om een reguliere bouwvergunning, eerste fase, voor het geheel oprichten van een woonvoorziening voor dementerende ouderen op het perceel Kanaaldijk 264 te Alkmaar, kadastraal bekend gemeente Alkmaar, sectie K, nummer 5600. Toepassing bestuurlijke lus, gegrondverklaring beroep met instandlaten rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummers: 10/1156 WW44, 10/1196 WW44 en 10/1201 WW44

Uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaken van:

1a. [naam 1a],

1b. [naam 1b1] en [naam 1b2],

1c. [naam 1c],

1d. [naam 1d],

1e. [naam 1e1] en [naam 1e2],

1f. [naam 1f],

1g. [naam 1g],

allen wonende te [plaatsnaam],

gemachtigde mr. drs. L.T. van Eyck van Heslinga,

2. [naam 2],

wonende te [plaatsnaam],

gemachtigde mr. M.J. Smaling,

3. [naam 3],

gevestigd te [plaatsnaam],

gemachtigde A.T. Bijpost,

eisers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar,

verweerder.

Aan het geding neemt tevens deel de Woningstichting Goed Wonen

Noord-Kennemerland, vergunninghoudster.

Ontstaan en loop van de zaken

Op 26 juni 2008 is namens vergunninghoudster verzocht om een reguliere bouwvergunning, eerste fase, voor het geheel oprichten van een woonvoorziening voor dementerende ouderen op het perceel [adres 1] te Alkmaar, kadastraal bekend gemeente Alkmaar, sectie K, nummer 5600.

Bij besluit van 4 november 2009 heeft verweerder, onder verlening van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), de gevraagde vergunning verleend. De door eisers ingediende bezwaren zijn door verweerder bij besluit van 31 maart 2010 ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen dit besluit bij brieven van 7 mei 2010 en 9 mei 2010 beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaken gevoegd behandeld ter zitting van 12 oktober 2010. Van eisers sub 1 zijn verschenen [naam 1a], [naam 1b1], [naam 1e1] en [naam 1g], bijgestaan door hun gemachtigde. Tevens is verschenen [naam 2], bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens [naam 3] is verschenen

A.T. Bijpost. Namens verweerder zijn verschenen A.M.E. Schnerr-van der Wolde en

mr. V.M. Behrens. Vergunninghoudster is ter zitting vertegenwoordigd door L.J. de Visser. Tevens is verschenen A.J. Boom namens de exploitant Magenta Zorg.

Daartoe bij tussenuitspraak (als bedoeld in artikel 8:51a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) van 18 november 2010 in de gelegenheid gesteld, heeft verweerder in het kader van de bestuurlijke lus bij brief van 7 december 2010 van de door de rechtbank geboden mogelijkheid tot herstel van een in het besluit van 31 maart 2010 geconstateerd gebrek gebruik gemaakt.

Eisers hebben hun zienswijzen hierover in te onderscheiden brieven van 1 februari 2011 en 2 februari 2011 (eisers sub 1), 28 januari 2011 (eiser sub 2) en 21 januari 2011 (eiseres sub 3) naar voren gebracht. Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:66, tweede lid, van de Awb, heeft de rechtbank de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

Motivering

1. In deze zaak dient de rechtbank te beoordelen of het besluit van

31 maart 2010 de toets in rechte kan doorstaan. Bij dat besluit is het besluit van 4 november 2009, waarbij verweerder onder verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO bouwvergunning (eerste fase) heeft verleend aan vergunninghoudster voor het geheel oprichten van een woonvoorziening voor dementerende ouderen op het perceel [adres 1] te Alkmaar, gehandhaafd.

2. Het beoogde bouwwerk is 17,3 meter breed en 45 meter diep. Het bouwwerk heeft een maximale nokhoogte van ongeveer 12,5 meter. Aan de voor- en achterzijde van het bouwwerk bedraagt de nokhoogte 10,8 meter respectievelijk 10,65 meter. De maximale goothoogte is 6,10 meter.

In de woonvoorziening zullen 24 huureenheden worden gerealiseerd, bestemd voor de huisvesting van verminderd of niet-zelfredzame personen die permanent toezicht behoeven. Het bouwplan betreft een rechthoekig gebouw in twee bouwlagen met een kap. Op de eerste en tweede verdieping zullen elk twee woongroepen van zes bewoners gehuisvest worden. Op de zolder, onder de kap, zijn een logeerverblijf, winterberging en een gemeenschappelijke activiteitenruimte gepland. In het midden van de zolder aan de zuidkant bevindt zich een loggia.

3. Bij de beoordeling is de volgende regelgeving met name van belang.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, onder a, van de Woningwet (Ww) is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, onder c, van de Ww mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld (..).

Ingevolge artikel 44, eerste lid, onder d, van de Ww mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd, indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 45, eerste lid, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder e, van de Ww mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd, indien voor het bouwen een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend.

Ingevolge artikel 56a, achtste lid, van de Ww, voor zover thans van belang, delen burgemeester en wethouders, indien het bouwplan waarvoor de bouwvergunning eerste fase is verleend als gevolg van hun besluit omtrent de aanvraag om bouwvergunning tweede fase zodanige wijziging behoeft dat naar het oordeel van burgemeester en wethouders wederom een toetsing aan de weigeringsgronden van de eerste fase noodzakelijk is, dit onverwijld mede aan de aanvrager van de bouwvergunning tweede fase. Zij stellen hem daarbij in de gelegenheid binnen vijf weken een gewijzigde aanvraag om bouwvergunning eerste fase in te dienen. Burgemeester en wethouders beslissen omtrent die gewijzigde aanvraag binnen vier weken. Indien burgemeester en wethouders niet binnen die vier weken beslissen, is de bouwvergunning eerste fase van rechtswege verleend. De bouwvergunning eerste fase, zoals die in tweede instantie is verleend, treedt, voor zover die afwijkt van de primaire bouwvergunning eerste fase, in de plaats van de primaire bouwvergunning eerste fase. Artikel 46, vijfde lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing. Indien de aanvrager geen gebruik maakt van de gelegenheid die hem krachtens de tweede volzin is geboden, is de bouwvergunning van rechtswege geweigerd met ingang van de dag na de dag waarop de termijn van de hem geboden gelegenheid is verstreken.

4. Ingevolge het vigerende bestemmingsplan “Alkmaar Noord” rust op de gronden waarop het project is voorzien de bestemming “Gemengde doeleinden” met de aanduidingen “maatschappelijke voorzieningen” en “karakteristiek”.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor “gemengde doeleinden” aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen;

b. verkeer en verblijf;

c. groenvoorzieningen en water;

d. openbare nutsvoorzieningen;

e. voorzover aangegeven met :

- "horeca", tevens voor horeca

- "maatschappelijke voorzieningen", tevens voor maatschappelijke voorzieningen

- "zakelijke dienstverlening", tevens voor zakelijke dienstverlening

- "bb", tevens voor bouw- en installatiebedrijf

- "bd", tevens voor drukkerij

- "bc", tevens voor computerbedrijf, en tevens voor

f. waterkering, voorzover de gronden zijn aangegeven met "waterkering”;

g. volkstuinen, voorzover de gronden zijn aangegeven met “volkstuinen”.

Onder het wonen is het aan huis verbonden beroep uitsluitend begrepen voor zover het vloeroppervlak ten hoogste 30% van het vloeroppervlak van de gebouwen op een bouwperceel betreft met een maximum van 60 m². Detailhandel kan uitsluitend deel uitmaken van een beroep aan huis voor zover dit een geïntegreerd en ondergeschikt deel is van de beroepsuitoefening.

In de bestemming zijn seksinrichtingen niet begrepen.

In de functie "horeca" zijn discotheken en vergelijkbare grootschalige, publiekaantrekkende voorzieningen niet begrepen.

In artikel 5, tweede lid, van de planvoorschriften is aangegeven dat voor de met “karakteristiek” op de plankaart aangegeven gebouwen wordt gestreefd naar handhaving van de hoofdvorm, zoals bepaald door goothoogte, bouwhoogte, dakhelling en kapvorm.

Ingevolge artikel 5, derde lid, a, van de planvoorschriften gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen ten behoeve van wonen, horeca, maatschappelijke voorzieningen, zakelijke

dienstverlening en bedrijven gelden de volgende bepalingen:

1. een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

2. het aantal woningen bedraagt ten hoogste het bestaande aantal, dan wel het op de plankaart

aangegeven aantal per bouwvlak;

3. de onderlinge afstand tussen zijgevels van hoofdgebouwen dient tenminste 6 m te bedragen, dan wel de bestaande afstand indien deze minder is;

4. de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan respectievelijk 3,5 m en 8 m, dan wel de bestaande goot- en bouwhoogte, indien deze hoger zijn;

5. de dakhelling bedraagt ten minste 45° en ten hoogste 60°.

Ingevolge artikel 5, vijfde lid, onder a, van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders, met inachtneming van het gestelde in artikel 3 en artikel 5, lid 2, vrijstelling verlenen van het bepaalde in [artikel 5] lid 3, sub a, onder 1 voor het bouwen buiten het bouwvlak.

5. Ten aanzien van de stelling van eisers dat in het onderhavige geval sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 56a, achtste lid, van de Ww, overweegt de rechtbank het volgende.

Bij besluit van 8 maart 2010 is de bij besluit van 15 januari 2010 verleende bouwvergunning tweede fase ingetrokken. Bij besluit van 7 juni 2010 is alsnog bouwvergunning tweede fase verleend. Aan de bouwvergunning tweede fase zijn gewijzigde bouwplannen ten grondslag gelegd. Nu deze enkel zien op de toevoeging van ramen waardoor de gewijzigde uitstraling van de gevel minimaal is en ook de overige – interne – wijzigingen geen planologische uitstraling hebben, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat geen aanleiding bestond vergunninghoudster in de gelegenheid te stellen een gewijzigde aanvraag om een bouwvergunning eerste fase in te dienen, welke alsdan opnieuw aan de weigeringsgronden zou moeten worden getoetst. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen grond voor het oordeel dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken.

6. De rechtbank stelt vast, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is, dat het bouwplan niet in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan nu als gevolg van de diepte van het beoogde bouwwerk de grens van het bouwvlak wordt overschreden. Voorts is de hoofdvorm niet in overeenstemming met de planvoorschriften en worden de op grond van het bestemmingsplan maximaal toegestane goot- en bouwhoogte met dit bouwplan overschreden.

Eisers stelling dat ten onrechte voor het bepalen van de maximale goothoogte van het beoogde bouwwerk niet is uitgegaan van de hoogte van de goot die zich bevindt boven de loggia volgt de rechtbank niet, gelet op het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder b, van de planvoorschriften. Ingevolge dit artikel wordt de goothoogte van een bouwwerk bij toepassing van de voorschriften gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, ondergeschikte bouwdelen als goten van dakkapellen niet meegerekend. Nu de loggia naar het oordeel van de rechtbank als een ondergeschikt bouwdeel kan worden aangemerkt is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht is uitgegaan van een maximale goothoogte van het beoogde bouwwerk van 6 meter.

7. Teneinde realisering van het project niettemin mogelijk te maken heeft verweerder vrijstelling van de bestemmingsplanvoorschriften verleend met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO.

8. Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening inwerking getreden. Ingevolge het toepasselijke overgangsrecht, neergelegd in artikel 9.1.10 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (Stb 2008, 180) blijft het recht zoals dat gold vóór 1 juli 2008 van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke ordening, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip. Vast staat dat vergunninghoudster de aanvraag om een bouwvergunning voor de inwerkingtreding van voornoemde wet heeft ingediend, zodat de WRO op de aanvraag van toepassing blijft.

9. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, bij voorkeur een gemeentelijk of een intergemeentelijk structuurplan verstaan. Als er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het desbetreffende gebied.

10. Voor zover eiseres sub 3 heeft gesteld dat verweerder niet heeft kunnen volstaan met het voeren van een procedure tot vrijstelling maar het bestemmingsplan had moeten wijzigen, overweegt de rechtbank het volgende. De wet kent geen rangorde tussen de procedure tot herziening van een bestemmingsplan en de procedure op grond van artikel

19 WRO. Het stond verweerder vrij van deze laatste procedure gebruik te maken.

11.1 Voor de vraag of verweerder bevoegd is om met toepassing van het tweede lid van artikel 19 van de WRO vrijstelling te verlenen is het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: gedeputeerde staten) van 19 juli 2005, waarin het beleid inzake de toepassing van dit artikel is vastgesteld, bepalend. Daarin staat dat zodra een speerpunt van provinciaal ruimtelijk beleid aan de orde is, een verklaring van geen bezwaar is vereist.

11.2 In het onderhavige geval stellen eisers – al dan niet expliciet – dat sprake is van speerpunten van beleid. De rechtbank begrijpt de gronden van beroep aldus dat zij van mening zijn dat in dit geval de speerpunten onder 1 (locatiebeleid) en onder 5 (cultuurhistorie en archeologie) aan de orde zijn.

11.3 Blijkens hoofdstuk 1.1 onder 1 van vorenbedoelde notitie is “Locatiebeleid en grootschalige voorzieningen, alsmede perifere en grootschalige detailhandel” een speerpunt van beleid. Projecten die de vestiging van arbeidsintensieve bedrijven, zoals kantoren, publiek- en verkeersaantrekkende bedrijven en grootschalige voorzieningen betreffen, vallen, ongeacht de locatie, onder de speerpunten van beleid.

Als grootschalige voorzieningen worden in de toelichting aangemerkt voorzieningen die worden verondersteld een (boven)regionale invloed te hebben en derhalve het bestaande voorzieningenniveau in de regio in gevaar kunnen brengen. Onder deze voorzieningen verstaat de provincie in ieder geval – voor zover hier van belang – zorginstellingen (bijvoorbeeld ziekenhuizen).

In het in op 28 mei 2005 vastgestelde locatiebeleid is in Bijlage 1 “Het onderscheid tussen grootschalige ontwikkelingen” bepaald dat zorgcentra met maximaal 250 bedden/plaatsen behoren tot de kleinschalige ontwikkelingen.

Het bouwplan, dat betrekking heeft op een woonvoorziening voor 24 dementerende bejaarden, betreft naar het oordeel van de rechtbank geen grootschalige voorziening als hiervoor bedoeld. Het project valt dan ook niet onder het hier besproken speerpunt.

11.4 Als speerpunt van beleid is onder 5 van hoofdstuk 1.1 van voornoemde notitie “cultuurhistorie en archeologie” genoemd. Daarbij is in de notitie opgemerkt dat onder de speerpunten van beleid alle projecten vallen die gelegen zijn binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988, waarvoor nog geen ter bescherming daarvan strekkend bestemmingsplan geldt. Voor alle projecten die gelegen zijn buiten deze gebieden verwijst gedeputeerde staten naar de toelichting bij dit speerpunt.

In de toelichting is het navolgende opgenomen:

“a. Voor projecten die binnen een gebied zijn gesitueerd, waar volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Holland (hierna: de CHW) sprake is van hoge en zeer hoge historische geografische waarden, dan wel stedenbouwkundige structuren van hoge en zeer hoge waarde, voor zover niet aangewezen als beschermd monument in de zin van de Monumentenwet 1988, geldt dat een verklaring van geen bezwaar is vereist op grond van artikel 19, lid 2 WRO.

b. Voor projecten die binnen een gebied zijn gesitueerd, waar volgens de CHW sprake is van hoge en zeer hoge archeologische waarden dient in beginsel een aanvraag ingevolge artikel 19, lid 1, WRO te worden gedaan. In een archeologisch rapport moet worden aangetoond of wel of niet sprake is van een archeologisch waardevol gebied. Indien dit wel het geval is en een maatschappelijk belang verlangt dat een project wordt uitgevoerd, waardoor de archeologische waarden niet behouden kunnen blijven, dan kan een verklaring van geen bezwaar worden afgegeven mits aan de vrijstelling één van de volgende voorwaarden wordt verbonden: (…)

Toepassing van lid 2 is toegestaan indien het archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat geen waarden aanwezig zijn. Dat zal in de aanvraag moeten worden verwoord. Lid 2 kan tevens worden toegepast indien de verstoring van de bodem dermate gering zal zijn, dat de aanwezige archeologische waarden geen schade wordt toegebracht. Of de verstoring gering zal zijn is ter beoordeling van de provincie (…).”

11.5 De rechtbank stelt vast dat de Westfriese Omringdijk, waarvan de Kanaaldijk onderdeel uitmaakt, is aangewezen als een provinciaal monument. De Westfriese Omringdijk is op de CHW met een lijn aangeduid. Het onderhavige perceel zelf heeft op de CHW geen bijzondere aanduiding. Vast staat dat het onderhavige perceel in het Kadaster wel is aangeduid als een provinciaal monument. Bij schrijven van 7 december 2010 (ingebracht in het kader van de bestuurlijke lus) heeft verweerder evenwel in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat deze aanduiding de provinciale monumentale status van de West Friese Omringdijk betreft, met dien verstande dat voor zover de Omringdijk op het onderhavige perceel is gelegen, ook dit gedeelte van het perceel provinciaal monument is. Het bouwplan is evenwel niet op dit laatste gedeelte gesitueerd. Nu het perceel voorts niet is aangewezen als een rijksmonument is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in het onderhavige geval terecht bevoegd heeft geacht om zonder verklaring van geen bezwaar vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO.

12. Nu aan de formele vereisten om toepassing te geven aan artikel 19, tweede lid, van de WRO is voldaan, spitst het geschil zich toe op de beantwoording van de vraag of verweerder aan het besluit om vrijstelling te verlenen een goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag heeft gelegd en of verweerder in redelijkheid alle bij de vrijstelling betrokken belangen, waaronder de belangen van eisers, tegen elkaar heeft afgewogen.

13. De ruimtelijke onderbouwing die aan de vrijstelling ten grondslag ligt, wordt gevormd door het rapport “Ruimtelijke onderbouwing behorende bij het bouwplan voor het perceel [adres 1] te [plaatsnaam]” van 30 juni 2009, opgesteld door Romijn voor Ruimte.

In het rapport is ingegaan op de aanleiding voor het bouwwerk, is de geschiedenis van het bouwplan beschreven en zijn de planologische kaders beschreven en tevens de aspecten van beeldkwaliteit. Voorts zijn in de notitie aspecten met betrekking tot milieu, verkeer, natuurbescherming, privaatrechtelijke belemmeringen en de uitvoerbaarheid van het bouwplan belicht.

14. Naarmate de inbreuk van een project op de bestaande planologische situatie groter dan wel minder groot is, moeten aan de ruimtelijke onderbouwing van dat project zwaardere respectievelijk minder zware eisen worden gesteld. Het vigerende planologische regime, de feitelijke situatie op het onderhavige perceel en de omgeving daarvan alsmede de overige omgevingsfactoren in aanmerking genomen, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval sprake is van een inbreuk die het midden houdt tussen een geringe en een aanzienlijke inbreuk als hiervoor bedoeld.

15. De ruimtelijke onderbouwing voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Daartoe overweegt de rechtbank dat in de besluiten en het door Romijn voor Ruimte opgestelde rapport is aangegeven dat voor het onderhavige perceel in december 2007 een ruimtelijk kader is vastgesteld, naar aanleiding waarvan stedenbouwkundige uitgangspunten zijn opgesteld – onder meer dat op het perceel één gebouw mag worden gerealiseerd en dat het gebouw mag worden gepositioneerd op het bouwvlak van de oude stolp en uitbreiding van het bouwvlak alleen naar achteren is toegestaan – die ertoe bijdragen dat toekomstige ontwikkelingen op het perceel inpasbaar en in overeenstemming zijn met de ruimtelijke structuur en de karakteristiek die kenmerkend is voor het lint waarin het is gelegen. Daarbij wordt met name gedoeld op het doorzicht naar het achterliggende gebied. In de ruimtelijke onderbouwing is aldus ingegaan op de relatie met het vigerend bestemmingsplan en is met het hiervoor aangehaalde kader een duidelijke visie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van het onderhavige perceel als blijvend onderdeel van het lint. Gelet op het voorgaande, de bouwmogelijkheden die het vigerend plan reeds biedt, de beoogde – met het bestemmingsplan in overeenstemming zijnde – functie van het bouwwerk alsmede de motivering die verweerder onder verwijzing naar de voor het perceel opgestelde stedenbouwkundige uitgangspunten heeft gegeven voor de inpasbaarheid van het bouwplan op het onderhavige perceel wat betreft massa, is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval de ruimtelijke onderbouwing voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

16. De rechtbank overweegt voorts dat, voor wat betreft de hoogte van het bouwwerk, de onderhavige vrijstelling slechts ziet op dat gedeelte van het bouwwerk dat buiten het bouwvlak is gelegen. Het bouwwerk voor zover daarbinnen gelegen is immers in overeenstemming met het bestemmingsplan. Uit artikel 5, derde lid, onder a, sub 4 van de planvoorschriften volgt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 8 m, dan wel de bestaande bouwhoogte, indien deze hoger is. Verweerder heeft aangegeven voor de hoogte te hebben aangeknoopt bij de hoogte van de stolp zoals deze is opgenomen in de op 7 september 2005 verleende bouwvergunning, te weten 12,5 meter. Bij de verlening van die bouwvergunning – waarvan geen gebruik is gemaakt – is uitgegaan van de feitelijke hoogte tussen 12,5 en 13 meter van de inmiddels afgebrande stolpboerderij en niet van de hoogte van 11,9 meter zoals deze bleek uit oude niet-officiële bouwtekeningen. De rechtbank ziet onvoldoende reden verweerder hierin niet te volgen. Een en ander leidt tot de conclusie dat de beoogde hoogte van het bouwwerk – voor zover gelegen binnen het bouwvlak – in overeenstemming met het bestemmingsplan geacht kan worden.

Nu voorts voor de hoogte van het bouwwerk gelegen buiten het bouwvlak is aangeknoopt bij het bestemmingsplan en het bouwplan voorts – zoals hiervoor is overwogen – voldoet aan de opgestelde stedenbouwkundige uitgangspunten en in overeenstemming is met de ruimtelijke structuur en de karakteristiek van het lint waarin het is gelegen, voldoet de ruimtelijke onderbouwing ook op dit punt aan de daaraan te stellen eisen.

17. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt voorts genoegzaam uit de ruimtelijke onderbouwing, waarin is gewezen op de Nota Ruimte (Ruimte voor Ontwikkeling), dat het bouwplan niet in strijd is met het rijksbeleid. In het rijksbeleid worden ruimtelijke uitgangspunten beschreven die in provincie en gemeente nader worden uitgewerkt. In dit geval is daarbij van belang dat het onderhavige bouwplan voor wat betreft de beoogde functie van het bouwwerk niet in strijd is met de aan het perceel in het vigerend bestemmingsplan gegeven bestemming.

18. Eisers sub 1 kunnen niet worden gevolgd in hun stelling dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet omdat bij de watertoets – die van de ruimtelijke onderbouwing deel uitmaakt – met onvoldoende verharding is rekening gehouden. Daartoe overweegt de rechtbank dat het Hoogheemraadschap in het advies van 4 november 2008 heeft aangegeven dat in de beoogde situatie minder verharding is voorzien en dat het niet noodzakelijk is compenserende maatregelen te treffen. Bij die beoordeling is naar het oordeel van de rechtbank met juistheid uitgegaan van de situatie van verharding van voor de brand in de voormalige stolpboerderij.

19. De stelling van eisers dat in de ruimtelijke onderbouwing bij de beoordeling van het aspect parkeer/verkeershinder onvoldoende rekening is gehouden met de (verkeersaantrekkende werking van de) functie volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft afdoende gemotiveerd dat daarvan geen sprake zal Het (in enge zin) beoogd gebruik, is in overeenstemming met de bestemming die in het vigerend bestemmingsplan aan de onderhavige gronden is gegeven. Dat ter plaatse wellicht voorzieningen moeten worden getroffen voor bijvoorbeeld de aanwezigheid van een pedicure, manicure of kapper, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

In de ruimtelijke onderbouwing is voorts rekenschap gegeven van de parkeerbehoefte. Deze is berekend op basis van de in het Document “Parkeernormen 2007-2015” neergelegde parkeernormen die CROW hanteert. Uitgaande van die – voor verpleeghuizen/verzorgingshuis – geldende normen (0,6 parkeerplaats per eenheid (24) bestaat er bij het onderhavige bouwplan een behoefte aan 14,4 parkeerplaatsen. Nu het plan voorziet in 22 parkeerplaatsen op eigen terrein kunnen eisers ook om die reden in hun stelling niet worden gevolgd.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval dienen te worden gesteld.

20. Voorts dient te worden beoordeeld of verweerder bij de beslissing om vrijstelling te verlenen al dan niet in redelijkheid meer gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van de vergunninghouders bij het realiseren van het project dan aan het belang van eisers.

21. Eisers stellen dat zij als gevolg van het bouwplan overlast zullen ondervinden van het geluid dat door komende en vertrekkende bezoekers van de woonvoorziening zal worden geproduceerd. Met hun stelling, welke ziet op het gebruik dat van het perceel zal worden gemaakt, miskennen eisers dat het bouwplan voor wat betreft de functie in overeenstemming is met de geldende bestemming “maatschappelijke voorzieningen”. Gelet voorts op het gebruik dat feitelijk van het perceel zal worden gemaakt – een woonvoorziening voor dementerende ouderen – en hetgeen op het perceel gelet op daaraan gegeven bestemming tevens tot de mogelijkheden behoort, heeft verweerder in deze stelling van eisers in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien de gevraagde vrijstelling te weigeren.

22. Ten aanzien van de stelling van eisers dat zij als gevolg van het verlies aan zonlicht onevenredig in hun belangen worden geschaad, overweegt de rechtbank als volgt. Uitgaande van de mogelijkheid om in overeenstemming met de voorschriften van het bestemmingsplan binnen het bouwvlak een bouwwerk met een hoogte van 8 (en gelet op de feitelijke hoogte van de voormalige stolboerderij) tot 12,5 meter te realiseren, de reeds bestaande bebouwing op de naastgelegen percelen [adres 2] en [adres 3], alsmede de in het kader van de risicoanalyse planschade door de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken met behulp van TNO gemaakte schaduwdiagrammen, kunnen eisers niet in hun standpunt worden gevolgd. Daarbij is van belang dat in de schaduwdiagrammen is uitgegaan van een bouwwerk van 15 meter hoog en ook in dat geval de woning aan de [adres 2] geen enkele schaduwhinder van het bouwwerk ondervindt. De schaduwwerking ten aanzien van de tuin en de woning op het perceel [adres 3] is voorts beperkt tot het najaar (vanaf 17.00 uur) en de wintermaanden. Voor zover het zwembad in die periode niet reeds in de schaduw ligt van het bijgebouw op dat perceel, is sprake van schaduwwerking in een periode waarin van het zwembad minder gebruik zal worden gemaakt en voorts de temperatuur van het water niet sterk door zonlicht zal worden beïnvloed. Van een onevenredig (nadelig) verlies aan zonlicht is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

23. Gelet voorts op de aanzienlijke afstanden tussen het onderhavige bouwwerk en de naastgelegen woningen (ongeveer 25 meter) alsmede de afstand van het bouwwerk tot de grens met de naastgelegen percelen (15 tot 22 meter) in samenhang bezien met het beoogd – en op grond van het bestemmingsplan ook toegestaan – gebruik, kan de stelling van eisers sub 1 dat realisering van het bouwplan zal leiden tot een onevenredige aantasting van hun privacy niet slagen.

24. Uit al hetgeen eisers naar voren hebben gebracht begrijpt de rechtbank dat eisers een alternatief voorstaan, te weten de realisering van een verzorgingshuis binnen de contouren van de voormalige stolpboerderij en met gebruikmaking van de restanten van de voormalige stolpboerderij. Hun voorstel kan niet leiden tot het door hem beoogde resultaat nu verweerder is gehouden om plannen te beoordelen zoals deze bij hem worden ingediend. Indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. In de stukken en in aanvulling en verduidelijking daarop ter zitting heeft vergunninghoudster afdoende gemotiveerd dat en om welke reden het onderhavige plan de voorkeur geniet. Zo is – onder meer – gewezen op de omstandigheid dat het eerdere vergunde bouwplan niet rendabel werd geacht en ook een met een kelder aangepast bouwplan niet tot de mogelijkheden behoort. Van een situatie waarin op voorhand duidelijk is dat met het door eisers voorgestane alternatief een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren is dan ook geen sprake.

25. Voor zover eisers stellen dat de verleende vrijstelling een waardedaling van hun woningen tot gevolg heeft, overweegt de rechtbank dat dat – indien dat het geval zou zijn – op zichzelf geen reden hoeft te zijn voor verweerder om de voor het bouwplan vereiste vrijstelling te weigeren. Voor het vergoeden van schade als gevolg van een verleende vrijstelling is immers voorzien in een afzonderlijke regeling. Het staat eisers vrij om zich tot verweerder te wenden met een verzoek om planschadevergoeding.

26. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid vrijstelling kunnen verlenen voor het onderhavige bouwplan. Daarmee is de strijdigheid met het bestemmingsplan opgeheven. Het bepaalde in artikel 44, eerste lid, onder c, van de Ww staat aan het verlenen van de bouwvergunning dan ook niet in de weg.

27.1 Ten aanzien van de stelling van eisers dat het bouwplan niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand, overweegt de rechtbank het volgende.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 15 juli 2009, LJN: BJ2670) mag verweerder, hoewel hij niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet – of niet zonder meer – aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Ww of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

27.2 In het onderhavige geval is het bouwplan voorgelegd aan de welstandscommissie Stichting Welstandszorg Noord-Holland. De welstandscommissie heeft het plan verschillende malen, te weten op 23 mei 2008, 26 september 2008, 24 april 2009, 19 juni 2009 en laatstelijk op 5 maart 2010 beoordeeld aan de hand van de voor het perceel geldende welstandscriteria. Daarbij is sprake van een bijzonder welstandsniveau en is getoetst aan de gebiedsgerichte criteria. Kort gezegd dient bebouwing te passen binnen de bestaande ritmiek van bebouwingsmassa’s, waarbij extra aandacht wordt gegeven aan hoogte-breedteverhoudingen, positionering, transparantie naar het achterliggende gebied, detaillering, kleur- en materiaalgebruik. Getoetst wordt aan de criteria plaatsing, massa en vorm, gevelkarakteristiek, alsmede detaillering, kleur en materiaal.

In voornoemde adviezen heeft de welstandscommissie zich positief verklaard over het bouwplan en gemotiveerd dat het plan in overeenstemming is met en aansluit bij de in de welstandsnota gestelde criteria plaatsing, massa en vorm. In de adviezen en het bestreden besluit is voorts gemotiveerd aangegeven om welke reden in dit geval gebruik is gemaakt van de in de welstandsnota gegeven mogelijkheid om met betrekking tot de criteria gevelkarakteristiek, detaillering, kleur en materiaal af te wijken van de oorspronkelijke of reeds aanwezige bebouwing.

27.3 Naar het oordeel van de rechtbank – hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is – vertoont het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming niet zodanige gebreken dat verweerder zich daarop niet had mogen baseren. In het door eisers overgelegde tegenadvies van 5 maart 2010, opgesteld door Hylkema Consultants, heeft verweerder in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien aan het advies van de welstandscommissie niet langer doorslaggevende betekenis toe te kennen. De enkele stelling in dat tegenadvies, onder verwijzing naar een passage uit de welstandsnota, dat het bouwplan gelet op het volume op deze plek een aantasting betekent van de aanwezige karakteristieken en kwaliteiten van de Kanaaldijk is daartoe, gelet op de motivering van de welstandsadviezen en de aanvulling daarop in de bestreden beslissing, onvoldoende.

27.4 Gelet op het voorgaande is verweerder tot het oordeel kunnen komen dat het bouwplan niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Het bepaalde in artikel 44, eerste lid, onder d, van de Ww staat aan het verlenen van de bouwvergunning dan ook niet in de weg.

28.1 Eisers hebben, zo begrijpt de rechtbank althans hetgeen zij naar voren hebben gebracht, voorts aangevoerd dat voor de afgifte van de bouwvergunning een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder e, van de Ww geldt, nu voor het bouwen een provinciale monumentenvergunning is vereist en deze niet is verleend. Ter nadere onderbouwing van hun standpunt hebben eisers in beroep een uittreksel uit het Kadaster overgelegd, waaruit volgt dat ten aanzien van het kadastraal object met aanduiding Alkmaar K 5600 en locatie “bij [adres 1]” een publiekrechtelijke beperking geldt, te weten dat sprake is van een provinciaal monument. Voor de ligging van het monument wordt verwezen naar de ingeschreven tekening waarop het monument zou zijn ingetekend.

28.2 Omdat op dit punt in het bestreden besluit niet is ingegaan kon – ook niet op grond van hetgeen verweerder in dit verband ter zitting naar voren heeft gebracht – naar het oordeel van de rechtbank niet worden uitgesloten dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder e, van de Ww aan de verlening van de onderhavige bouwvergunning in de weg zou hebben moeten staan. In het kader van finale geschilbeslechting heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 18 november 2010 verweerder in de gelegenheid gesteld het geconstateerde gebrek in de besluitvorming te herstellen. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat verweerder daartoe met schriftelijke informatie afkomstig van zowel de provincie als het Kadaster nader dient te onderbouwen dat de in het Kadaster opgenomen gegevens feitelijk onjuist zijn, dan wel tot welke bevindingen of nader besluit verweerder op basis van die informatie is gekomen.

28.3 Bij schrijven van 7 december 2010, aan partijen doorgezonden, heeft verweerder, onder verwijzing naar stukken afkomstig van het Kadaster en gedeputeerde staten van Noord-Holland, gesteld dat de Westfriese Omringdijk wel, maar het perceel zelf geen monumentale status heeft. Enkel voor zover de voet van de Westfriese Omringdijk op het perceel is gelegen, rust daarop een wettelijke beperking.

28.4 De rechtbank stelt voorop dat, anders dan eisers lijken te stellen, de inschrijving in het Kadaster – al dan niet terecht – niet bepalend is voor de vraag of een perceel of zaak als (provinciaal) monument wordt aangemerkt. Op dat rechtsgevolg ziet immers enkel het besluit een perceel/zaak al dan niet als monument aan te wijzen. Dat – zoals hier het geval is – in het Kadaster is opgenomen dat op het onderhavige perceel een wettelijke beperking rust, maakt op zichzelf dan ook niet dat op het (gehele) perceel een provinciale monumentale status rust. Van een specifieke aanwijzing van het perceel zelf als provinciaal monument is niet gebleken. Vast staat – en tussen partijen is niet in geschil – dat de Westfriese omringdijk als provinciaal monument is aangewezen.

In het Kadaster is, zo volgt uit het uittreksel, voor de ligging van het monument gewezen op de ingeschreven tekening. Genoemde tekening bezien, in samenhang met de toelichting in de brief van 29 november 2010 van de sectormanager Cultuur en Cultuurhistorie, werkzaam bij gedeputeerde staten van Noord-Holland, volgt de rechtbank verweerder in zijn stelling dat het perceel [adres 1] te [plaatsnaam] zelf niet is aangewezen als provinciaal monument, maar dat dit perceel grenst aan de – hetgeen ook tussen partijen niet in geschil is – als provinciaal monument aangewezen Westfriese Omringdijk. Nu voorts niet is gebleken van een specifieke aanwijzing van het perceel zelf als provinciaal monument, ligt op het perceel enkel een wettelijke beperking, voor zover een deel van de dijk op het perceel [adres 1] is gelegen. De stelling van eisers dat de provinciale aanduiding geldt voor het gehele naastgelegen perceel [adres 1] volgt de rechtbank dan ook niet. De rechtbank volgt eisers sub 1 evenmin in hun stelling dat de gearceerde aanduiding “waterkering” op de plankaart van het bestemmingsplan Kanaaldijk 1980 de volledige breedte aangeeft van het dijklichaam nu uit de plankaart zelf kan worden afgeleid dat de dijk zelf van het gearceerde gedeelte van de kaart slechts een onderdeel uitmaakt.

De brief van 4 november 2008, opgesteld door het hoogheemraadschap Holland Noorderkwartier, ziet voorts niet op de vraag of op het onderhavige perceel in z’n geheel een wettelijke beperking rust maar op de boezemwaterkering van de polder Geestmerambacht. Weliswaar is in dat verband opgemerkt dat de begrenzing van het waterstaatswerk zich op globaal 25 meter vanaf de oostkant van de weg bevindt, maar niet is gesproken over de feitelijke ligging van de Kanaaldijk als zodanig. Gelet daarop kan de door eisers aangehaalde brief niet afdoen aan de brief van 29 november 2010 van gedeputeerde staten en de daarbij gevoegde kaarten waaruit volgt dat de wettelijke beperking op slechts een zeer gering deel van het perceel rust.

In hetgeen eisers overigens – en voor zover in dit geval relevant – naar voren hebben gebracht – zo hebben eisers sub 1 een eigen tekening overgelegd, is een kaart van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier ingebracht en de stelling van eisers dat het perceel is verkocht en de nieuwe eigenaar de aanduiding van het perceel als provinciaal monument heeft geaccepteerd – ziet de rechtbank geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.

28.5 Met de gegeven motivering heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank dan ook afdoende onderbouwd dat in het onderhavige geval van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder e van de Ww geen sprake is. Nu hiermee het enige gebrek in het bestreden besluit hersteld is, komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder - naast in redelijkheid een vrijstelling, ook – terecht bouwvergunning voor het bouwplan heeft verleend. Nu de hiervoor gegeven verduidelijking pas in de beroepsfase is geschied, ziet de rechtbank aanleiding om het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. In hetgeen verweerder naar voren heeft gebracht ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand te laten. Verweerder hoeft dus geen nieuw besluit op het bezwaar te nemen.

29. Ten aanzien van de gemaakte kosten in bezwaar overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die belanghebbenden in verband met de behandeling van hun bezwaar redelijkerwijs hebben moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbenden voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Nu van het herroepen van het bestreden besluit geen sprake is, komen eisers reeds om die reden niet voor vergoeding van gemaakte kosten in bezwaar in aanmerking.

30. Er bestaat voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eisers sub 1 en eiser sub 2 voor de behandeling van hun beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft de rechtbank de kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in het geval van eisers sub 1 vastgesteld op € 1092,50 en voor eiser sub 2 eveneens op € 1092,50. Hierbij heeft de rechtbank zowel voor het opstellen van het beroepschrift als voor het verschijnen ter zitting één punt toegekend en het gewicht van de zaak aangemerkt als gemiddeld. Voor de schriftelijke reactie in het kader van de bestuurlijke lus heeft de rechtbank een halve punt toegekend.

Eiseres sub 3 komt voor een vergoeding van proceskosten niet in aanmerking nu in haar geval van beroepsmatig verleende rechtsbijstand geen sprake is.

31. Daarnaast dient verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 31 maart 2010;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eisers sub 1 redelijkerwijs gemaakte proceskosten van € 1092,50 en aan de zijde van eiser sub 2 redelijkerwijs gemaakte proceskosten van € 1092,50, door verweerder aan hen te betalen;

- bepaalt dat verweerder aan eisers het griffierecht van € 150,00 (eisers sub 1), € 150,00 (eiser sub 2) en € 298,00 (eiseres sub 3) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzitter, mr.drs. B. Veenman en mr.drs. J.H.A.C. Everaerts, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2011 te Alkmaar.

griffier voorzitter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.