Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BQ7297

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
07-06-2011
Datum publicatie
07-06-2011
Zaaknummer
14.810339-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd, en schennis van de openbare eerbaarheid op een strandje in een recreatiegebied. Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden en een werkstraf voor de duur van 80 uur subsidiair 40 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer: 14.810339-10 (P)

Datum uitspraak: 7 juni 2011

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[Verdachte],

geboren [geboorteplaats en geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het [adres en woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 mei 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte, mr. F.S. Cuperus, advocaat te Hoorn, en door verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 18 juli 2010 en/of 19 juli 2010 in het [recreatiegebied] in de gemeente Andijk, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), te weten

- het betasten en/of strelen van de rug van die [slachtoffer 1], en/of

- het betasten en/of strelen van de rug en/of het (boven)been en/of de nek van die [slachtoffer 2], en/of

- het met zijn, verdachtes, hand in de (onder)broek van die [slachtoffer 1] gaan en/of daarbij de billen van die [slachtoffer 1] te betasten, en/of

- de woorden "dames, willen jullie niet een nummertje maken?" en/of "hebben jullie zin in een triootje?" aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] toe te voegen, en/of

- het van achteren bij haar armen en/of middel omhoogtrekken van het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of vervolgens het lichaam van die [slachtoffer 1] tegen zijn, verdachtes naakte onderlichaam en/of stijve penis aan te drukken

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hieruit dat de verdachte op een afgelegen, donkere plek onverhoeds en onverwachts zich heeft uitgekleed en/of naakt was en/of een stijve penis had en/of onverhoeds bovenstaande handelingen heeft gepleegd;

2.

hij op of omstreeks 18 juli 2010 en/of 19 juli 2010 in de gemeente Andijk zich opzettelijk oneerbaar op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten het [recreatiegebied], heeft gedragen door zich af te trekken en/of zijn geslachtsdeel te betasten en/of zich aldaar met ontbloot geslachtsdeel te bevinden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overweging ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

Op 25 juli 2010 komt er bij de politie een melding binnen dat een meisje, genaamd [slachtoffer 2], in een snackbar in Wervershoof een man heeft herkend als zijnde de man die haar en haar vriendin [slachtoffer 1] zou hebben aangerand in de nacht van 18 op 19 juli 2010 in het [recreatiegebied] in de gemeente Andijk. Ter plaatse wordt de man buiten heterdaad aangehouden.

Op 26 juli 2010 wordt door [slachtoffer 2] aangifte gedaan ter zake feitelijke aanranding van de eerbaarheid en openbare schennispleging. [Slachtoffer 1] heeft op 27 juli 2010 eveneens van voornoemde feiten aangifte gedaan.

Zowel bij de politie als op de terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij weliswaar naakt tussen de meisjes in is gaan zitten, maar hij heeft stellig ontkend de meisjes te hebben aangeraakt. Tevens heeft verdachte ontkend zichzelf te hebben betast of afgetrokken.

De rechtbank dient ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit te beoordelen of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1].

De rechtbank zal voorts dienen te beoordelen of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schennis van de eerbaarheid op of aan een openbare plaats.

B. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

C. Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde primair op het standpunt gesteld dat er wellicht voldoende wettig bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen, maar dat – gelet op de stellige ontkenning van verdachte – het overtuigende bewijs ontbreekt. De raadsvrouw heeft bepleit verdachte derhalve vrij te spreken van dit feit.

Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de door verdachte geuite en in de tenlastelegging opgenomen woorden, niet kunnen worden aangemerkt als een ontuchtige handeling en verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich heeft afgetrokken dan wel zijn geslachtsdeel heeft betast, zodat hij ook van dit feit dient te worden vrijgesproken.

D. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

In de nacht van 18 op 19 juli 2010 omstreeks middernacht bevinden [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zich op een strandje in het [recreatiegebied] in de gemeente Andijk. Op een gegeven moment komt verdachte aanlopen. Na enige tijd met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te hebben gesproken, kleedt verdachte zich uit en loopt hij naar het water. Vervolgens loopt verdachte terug naar de plek waar [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zitten en gaat hij met een naakt onderlichaam tussen de meisjes in zitten. Terwijl verdachte tussen de meisjes in zit, begint hij zichzelf af te trekken. Op enig moment streelt hij de rug, het bovenbeen en de nek van [slachtoffer 2]. Ook streelt verdachte de rug van [slachtoffer 1], gaat hij met zijn hand van achteren in de onderbroek van [slachtoffer 1] en betast hij haar billen. Nadat de meisjes kenbaar maken dat zij niet gediend zijn van het handelen van verdachte, loopt verdachte naar zijn fiets. Op het moment waarop [slachtoffer 1] hurkt om haar tas in te pakken, loopt verdachte terug naar [slachtoffer 1], trekt hij [slachtoffer 1] van achteren omhoog en drukt hij zijn naakte onderlichaam en stijve penis tegen het lichaam van [slachtoffer 1] aan.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Hoewel vast is komen te staan dat verdachte de woorden "dames, willen jullie niet een nummertje maken?" en "hebben jullie zin in een triootje?" aan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft toegevoegd, is de rechtbank – met de raadsvrouw van verdachte – van oordeel dat het uiten van deze woorden niet kan worden aangemerkt als een ontuchtige handeling zoals omschreven in de aanhef van de tenlastelegging. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 18 juli 2010 en/of 19 juli 2010 in het [recreatiegebied] in de gemeente Andijk, door feitelijkheden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten

- het strelen van de rug van die [slachtoffer 1], en

- het strelen van de rug en het bovenbeen en de nek van die [slachtoffer 2], en

- het met zijn, verdachtes, hand in de onderbroek van die [slachtoffer 1] gaan en daarbij de billen van [slachtoffer 2] betasten, en

- het van achteren omhoogtrekken van het lichaam van die [slachtoffer 1] en vervolgens het lichaam van die [slachtoffer 1] tegen zijn, verdachtes, naakte onderlichaam en stijve penis aandrukken,

en bestaande die feitelijkheden hieruit dat de verdachte op een afgelegen, donkere plek onverhoeds en onverwachts zich heeft uitgekleed en naakt was en een stijve penis had en onverhoeds bovenstaande handelingen heeft gepleegd;

2.

hij op 18 juli 2010 en/of 19 juli 2010 in de gemeente Andijk zich opzettelijk oneerbaar op een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten het [recreatiegebied], heeft gedragen door zich af te trekken en zich aldaar met ontbloot geslachtsdeel te bevinden.

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2:

Schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd.

7. De strafbaarheid van de verdachte

De gezondheidspsycholoog P.C. Dalebout heeft blijkens zijn rapport, gedateerd 9 november 2010, geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige seksuele impulscontrole. Verdachte vertoont in seksueel opzicht grensoverschrijdend gedrag, zonder zich in voldoende mate bewust te zijn van de aard van zijn gedrag en het effect dat dit gedrag op zijn omgeving kan hebben. Hij is daarbij niet of in onvoldoende mate in staat zijn driften onder controle te houden en wordt daarbij in onvoldoende mate geremd door zijn gebrekkig functionerende geweten. Er is sprake van alcoholafhankelijkheid wat de reeds aanwezige gebrekkige impulscontrole verder in negatieve zin beïnvloedt.

Dalebout concludeert dat verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd voor het ten laste gelegde.

De rechtbank verenigt zich met deze conclusie en beschouwt verdachte voor beide feiten als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar.

Verdachte is strafbaar nu overigens ook niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren, onder de bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich houdt aan de aanwijzingen van GGZ reclassering Palier;

- zich houdt aan een meldplicht;

- zal meewerken aan een behandeling voor zijn alcoholverslaving bij De Brijder Verslavingszorg te Hoorn;

- zal meewerken aan een impulsregulatie behandeling bij de forensische polikliniek FPA te Heiloo.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd verdachte te veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

Voorgeval de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van beide feiten heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat, naast oplegging van een werkstraf, de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand passend is.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft onverhoeds en op een afgelegen plaats twee jonge vrouwen onzedelijk betast. Verdachte heeft door aldus te handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van deze slachtoffers.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan schennispleging. De slachtoffers zijn aldus op ongewenste en hoogst onaangename wijze in het publieke domein onverhoeds geconfronteerd met een persoon die exhibitioneert.

Bij het vaststellen van de vorm en de duur van de op te leggen straf heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 28 april 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder een transactie heeft betaald voor een soortgelijk feit als onder 2 bewezen is verklaard.

- het Pro Justitia Rapport, gedateerd 9 november 2010, opgesteld door de gezondheidspsycholoog P.C. Dalebout, waaruit blijkt dat verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd voor het ten laste gelegde. Dalebout geeft voorts aan dat een behandeling voor de stoornis van verdachte in de impulscontrole en het daaraan gekoppelde risico op in seksuele zin grensoverschrijdend gedrag en voor diens alcoholafhankelijkheid noodzakelijk is om het risico op recidive voldoende te kunnen reduceren.

- het rapport van GGZ reclassering Palier, gedateerd 19 november 2010, opgesteld door P. Vink, waaruit blijkt dat verdachte zich heeft aangemeld bij de Brijder verslavingszorg. Het recidiverisico wordt thans ingeschat als laag gemiddeld en in het rapport wordt aangegeven dat, indien verdachte meer vat zal krijgen op zijn seksuele driften, dit de kans op recidive zal doen afnemen.

Op de terechtzitting heeft verdachte te kennen gegeven dat hij bij de Brijder verslavingszorg de leefstijltraining heeft gevolgd en dat het contact is afgesloten. Voorts heeft verdachte aangegeven dat hij met de heer Volkers van de FPA reeds een aantal gesprekken heeft gevoerd in het kader van een intake bij de FPA. Mevrouw S. van Maanen, als reclasseringsmedewerkster werkzaam bij GGZ reclassering Palier, heeft dit op de terechtzitting bevestigd.

Voorts heeft verdachte opgemerkt dat hij naar aanleiding van onderhavige feiten enige tijd geen contact heeft gehad met zijn dochters, maar dat dit contact thans weer is hersteld.

Alles in overweging nemende is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf van nader te noemen duur dient te worden opgelegd met daaraan gekoppeld enige bijzondere voorwaarden, een en ander op de wijze zoals hierna in de rubriek BESLISSING zal worden aangegeven.

De rechtbank is van oordeel dat tevens een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, behoort te worden opgelegd. Bij de bepaling van de hoogte van de werkstraf is de rechtbank, mede gelet op de gevolgen die verdachte in zijn privéleven al van onderhavige feiten heeft ondervonden en op de leefstijltraining die verdachte reeds heeft gevolgd, van oordeel dat ten voordele van verdachte enigszins dient te worden afgeweken van de omvang van de door de officier van justitie gevorderde werkstraf.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 239 en 246 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. Beslissing

De rechtbank:

• Verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

• Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

Stelt als algemene voorwaarde dat:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen, die de veroordeelde zullen worden gegeven door of namens GGZ reclassering Palier, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt, en zich daarbij zal houden aan de meldplicht zoals door de GGZ reclassering Palier in haar rapport omschreven;

- de veroordeelde gedurende de proeftijd zal meewerken aan impulsregulatie behandeling bij de FPA of een soortgelijke instelling.

• Veroordeelt hem voor het bewezen verklaarde tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren.

Beveelt voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht dat in plaats van de taakstraf vervangende hechtenis wordt toegepast, welke vervangende hechtenis wordt vastgesteld op 40 (veertig) dagen.

Bepaalt, dat deze taakstraf bestaat uit een werkstraf.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren voor elke dag.

• Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. H.E.C. de Wit en mr. A.C. Haverkate, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.J. Ros, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 juni 2011.