Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BQ5974

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
06-04-2011
Datum publicatie
25-05-2011
Zaaknummer
14.811063-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van verschillende bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht, begaan tegen medewerkers van het Transferium te Heerhugowaard, waar verdachte op dat moment verbleef.

Oplegging van een maatregel PIJ. Aangezien een naadloze aansluiting van de voorlopige hechtenis en de daarop volgende noodzakelijke intramurale behandeling – die niet langer binnen het civiele kader kan plaatsvinden – slechts kan worden gerealiseerd bij oplegging van een maatregel PIJ in de hoofdzaak, wordt de eveneens ter zitting aanhangige vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke maatregel PIJ afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer: 14.811063-10 + 15.761278-09 (tul) (P)

Datum uitspraak: 6 april 2011

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor kinderstrafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats en geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

thans gedetineerd te Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 maart 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte, mr. B.J. de Groot, advocaat te Haarlem, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 07 december 2010 in de gemeente Heerhugowaard [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde personen dreigend de woorden toegevoegd:"ik snij ze allemaal open en/of Ik ga haar vermoorden die Kankerhoer en/of ik maak je af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 07 december 2010 in de gemeente Heerhugowaard opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), (met kracht) bij de keel heeft vastgegrepen en/of de keel heeft dichtgeknepen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 8 december 2010 in de gemeente Heerhugowaard opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere stukken plexiglas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Transferium Jeugdzorg, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door tegen het plexiglas te schoppen;

4.

hij op of omstreeks 10 januari 2011 in de gemeente Heerhugowaard [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een schroef heeft vastgehouden en/of getoond en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "Dit is voor als jullie me aanraken, dan boor ik hem in jouw schedel", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overweging ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

Op 10 december 2010 doet [slachtoffer 1] aangifte van bedreiging gepleegd door verdachte in de instelling Transferium Jeugdzorg te Heerhugowaard (verder te noemen: Transferium) waar aangever werkzaam is als groepsleider. Hij verklaart dat hij en zijn collega [slachtoffer 2] door verdachte zijn bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Tevens verklaart hij door verdachte bij zijn keel te zijn gegrepen. [slachtoffer 3] ondersteunt de verklaring van [slachtoffer 1]. Namens Transferium wordt voorts op 10 december 2010 door [werknemer 1] aangifte gedaan van vernieling van een stuk plexiglas door verdachte.

Verdachte heeft bij de politie erkend dreigende woorden te hebben geuit tegen medewerkers van Transferium. Voorts bekent hij in Transferium tegen een stuk plexiglas te hebben geschopt. Hij ontkent echter [slachtoffer 1] bij de keel te hebben gegrepen en verklaart dat hij hem bij zijn kraag heeft vastgepakt.

Nadat verdachte is geschorst uit zijn voorlopige hechtenis en is teruggeplaatst in Transferium, vindt er nog een incident plaats. Op 13 januari 2011 doet [slachtoffer 4], werkzaam bij Transferium, aangifte van bedreiging. Hij verklaart op 10 januari 2011 door verdachte met een schroef aan een sleutelbos te zijn bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Twee collega’s van aangever bevestigen zijn verhaal ten overstaan van de politie.

Verdachte heeft ten overstaan van de politie erkend met een schroef in zijn handen te hebben gedreigd. Hij verklaart echter dat de bedreiging niet gericht was tegen [slachtoffer 4], maar tegen diens collega.

De rechtbank dient te beoordelen of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de ten laste gelegde bedreigingen, mishandeling en vernieling heeft gepleegd.

B. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vier de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen verklaard, met uitzondering van het onderdeel van het onder 1. ten laste gelegde met betrekking tot de bedreiging van [slachtoffer 3]. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde merkt de officier van justitie op dat het een feit van algemene bekendheid is dat het vastgrijpen bij de keel pijn veroorzaakt.

C. Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 3] heeft bedreigd.

Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte van het onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken nu niet kan worden bewezen dat [slachtoffer 3] pijn heeft ondervonden of letsel heeft bekomen.

Ten aanzien van de overige feiten refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

D. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Feit 1:

Op 7 december 2010 vindt er in Transferium te Heerhugowaard een incident plaats. [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] gaan naar de kamer van verdachte om een stanleymes dat verdachte in zijn bezit heeft af te nemen. [slachtoffer 3] spreekt verdachte aan om hem te overtuigen om het mes terug te geven. Verdachte zegt tegen [slachtoffer 3]: “Ik snij ze allemaal open, jou doe ik niets.” [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bevinden zich op dat moment vlak achter [slachtoffer 3]. Nadat [slachtoffer 2] iets tegen verdachte heeft gezegd, reageert verdachte hierop en zegt: “Ik ga haar vermoorden, die kankerhoer” en “Ik maak je af.”

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 7 december 2010 [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Met de officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte is de rechtbank van oordeel dat uit wat verdachte heeft gezegd kan worden afgeleid dat de dreigende woorden niet tegen [slachtoffer 3] waren gericht. Van dat onderdeel van de tenlastelegging zal verdachte daarom worden vrijgesproken.

Feit 2:

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, omdat naar het oordeel van de rechtbank niet is vast komen te staan dat [slachtoffer 1] als gevolg van het handelen van verdachte pijn heeft ondervonden dan wel letsel heeft bekomen. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank niet van oordeel dat het als een feit van algemene bekendheid kan worden beschouwd dat [slachtoffer 1] in deze situatie pijn heeft ondervonden, temeer nu [slachtoffer 1] zelf nadrukkelijk heeft verklaard niets te hebben gevoeld. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde.

Feit 3:

Op grond van:

- de bekennende verklaring van verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, ter terechtzitting van 23 maart 2011 afgelegd;

- het proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de politie d.d. 13 december 2010 (dossierpagina 20);

- het proces-verbaal van aangifte van [werknemer 1] namens Transferium Jeugdzorg d.d. 10 december 2010 (dossierpagina 32),

acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 8 december 2010 te Heerhugowaard een stuk plexiglas heeft vernield door tegen het plexiglas te schoppen.

Feit 4:

Op 10 januari 2011 vindt er wederom een incident plaats in Transferium. Verdachte heeft een schroef, afkomstig van zijn sleutelbos, vast en houdt deze dreigend voor zich. Daarbij zegt verdachte: "Dit is voor als jullie me aanraken, dan boor ik hem in jouw schedel". Verdachte kijkt daarbij [slachtoffer 4] recht aan.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 7 december 2010 in de gemeente Heerhugowaard [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd:"ik snij ze allemaal open”

en

[slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd:"ik snij ze allemaal open en Ik ga haar vermoorden die Kankerhoer en ik maak je af";

3.

hij op 8 december 2010 in de gemeente Heerhugowaard opzettelijk en wederrechtelijk een stuk plexiglas, toebehorende aan Transferium Jeugdzorg, heeft vernield door tegen het plexiglas te schoppen;

4.

hij op 10 januari 2011 in de gemeente Heerhugowaard [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een schroef vastgehouden en getoond en daarbij deze dreigend de woorden toegevoegd: "Dit is voor als jullie me aanraken, dan boor ik hem in jouw schedel".

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 3:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen

Ten aanzien van feit 4:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

7. De strafbaarheid van de verdachte

In opdracht van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, heeft drs. M.H. Keppel, GZ- en Kinder- en Jeugdpsycholoog, onderzoek gedaan naar de persoonlijkheid en de geestvermogens van verdachte. Zij concludeert in haar rapport van 11 maart 2011 dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van ADHD gecombineerde type. Tevens is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een gedragsstoornis (waarbij antisociale persoonlijkheidsstoornis in ontwikkeling) en een reactieve hechtingsstoornis. Daarnaast is er sprake van misbruik van alcohol (in remissie) en cannabis. Voornoemde was ook ten tijde van het aan de verdachte ten laste gelegde feiten aanwezig. Gelet op het voorgaande concludeert de deskundige dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd voor de ten laste gelegde feiten.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de rapportages van 28 juni 2010 van drs. M.H. Keppel, GZ- en Kinder- en Jeugdpsycholoog en dr. J. Vreugdenhil, (kinder- en jeugd)psychiater, die zijn opgesteld ten behoeve van een andere strafzaak, te weten met het oog op de feiten waarvoor verdachte op 27 september 2010 door de rechtbank te Haarlem is veroordeeld. De rechtbank merkt daarbij op dat deze zaak betrekking had op onder meer soortgelijke feiten als de onderhavige (bedreiging en vernieling).

De rechtbank stelt vast dat beide gedragsdeskundigen in die zaak eensluidend concluderen dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd voor de destijds ten laste gelegde feiten.

De rechtbank kan zich, mede gelet op de eerdere bevindingen van de gedragsdeskundigen, vinden in de conclusie van drs. M. H. Keppel en beschouwt verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar voor de ten laste gelegde feiten. Voorts oordeelt de rechtbank dat verdachte strafbaar is nu ook overigens niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit

8. De oplegging van de maatregel

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van zestig dagen met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw verzoekt de rechtbank bij haar beslissing rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte nadat zijn voorlopige hechtenis is geschorst, niet is behandeld voor zijn agressieprobleem.

Oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt, alsmede op de persoon van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit de rapportages, acht de rechtbank na te noemen beslissing passend en geboden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verschillende bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht. De feiten zijn begaan tegen medewerkers van het Transferium te Heerhugowaard, waar verdachte op dat moment verbleef. Verdachte heeft ten opzichte van [slachtoffer 4] zijn bedreigingen ook kracht bijgezet door een schroef te tonen aan [slachtoffer 4]. Verdachte is groot en sterk en de desbetreffende personeelsleden hebben verklaard zich ook daadwerkelijk door verdachte bedreigd te hebben gevoeld. Het uiten van dergelijke bedreigingen kan daarbij ook onrust en gevoelens van onveiligheid veroorzaken bij andere personeelsleden van de instelling. Voorts heeft verdachte bekend een stuk plexiglas toebehorende aan Transferium te hebben vernield. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij kort na de vorige veroordeling op 27 september 2010 al weer verschillende malen soortgelijke strafbare feiten heeft gepleegd. Ook heeft hij geen berouw getoond en zich niet bereid verklaard de door Transferium geleden schade te vergoeden.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- Het op naam van de verdachte staande Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 14 december 2010, waaruit blijkt dat verdachte al eerder wegens soortgelijke delicten is veroordeeld, onder andere tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

- Het Psychologisch Pro Justitia Rapport, gedateerd 28 juni 2010, opgesteld door drs. D.T. de Jong, GZ-psycholoog, onder supervisie van drs. M.H. Keppel, GZ- en Kinder- en Jeugdpsycholoog, opgesteld ten behoeve van een andere strafzaak, te weten met het oog op de feiten waarvoor verdachte op 27 september 2010 door de rechtbank te Haarlem is veroordeeld.

- Het Psychiatrisch Pro Justitia Rapport, gedateerd 30 juni 2010, opgesteld door dr. J. Vreugdenhil, kinder- en jeugdpsychiater, opgesteld ten behoeve van een andere strafzaak, te weten met het oog op de feiten waarvoor verdachte op 27 september 2010 door de rechtbank te Haarlem is veroordeeld.

- Het Aanvullend Psychologisch Pro Justitia Rapport, gedateerd 11 maart 2011, opgesteld door drs. M.H. Keppel, GZ- en Kinder- en Jeugdpsycholoog.

- Het rapport, opgesteld door [medewerker 2], als raadsonderzoeker werkzaam bij de Raad van de Kinderbescherming, gedateerd 17 maart 2011.

- De beantwoording van de door de raadsvrouw van verdachte gestelde aanvullende vragen bij brief van drs. M.H. Keppel, GZ- en Kinder- en Jeugdpsycholoog, gedateerd 21 maart 2011.

- Een e-mailbericht van J. Vreugdenhil, kinder- en jeugdpsychiater, gedateerd 23 maart 2011, gericht aan de officier van justitie.

De rechtbank merkt op dat uit de rapportages van de gedragsdeskundigen, die zijn opgesteld ten behoeve van een andere strafzaak, te weten met het oog op de feiten waarvoor verdachte op 27 september 2010 door de rechtbank te Haarlem is veroordeeld, blijkt dat indien verdachte niet aan de voorwaarden voor terugplaatsing in Transferium kan voldoen dan wel Transferium verdachte niet langer een passend behandelprogramma kan bieden, de oplegging van een onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (verder te noemen: PIJ) dient te worden overwogen. De rechtbank constateert dat verdachte na terugplaatsing in Transferium opnieuw meermalen strafbare feiten heeft gepleegd.

Uit het rapport van drs. M.H. Keppel van 11 maart 2011, opgesteld ten behoeve van onderhavige feiten, blijkt dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van ADHD gecombineerde type. Tevens is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een gedragsstoornis (waarbij antisociale persoonlijkheidsstoornis in ontwikkeling) en een reactieve hechtingsstoornis. Daarnaast is er sprake van misbruik van alcohol (in remissie) en cannabis. Drs. Keppel beschrijft voorts dat verdachte agressief gedrag blijft aanwenden om zijn zin te krijgen of om iets te voorkomen als hij dat niet wil. Omdat verdachte geen behandeling toelaat wordt de kans op recidive thans nog als zeer hoog ingeschat. Nu Transferium geen behandelmogelijkheden meer ziet voor verdachte en zij het recidiveren van verdachte niet kunnen voorkomen, rest er naar het oordeel van drs. Keppel niets anders dan een gesloten, opgelegde behandeling binnen een Justitiële Jeugdinrichting (verder te noemen: JJI), in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ.

Ook dr. Vreugdenhil geeft in haar e-mailbericht, gedateerd 23 maart 2011, aan dat verdachte consequent behandeling afwijst en daarom alleen – mogelijk – zou kunnen profiteren van een zeer strikt, in beginsel gesloten, gedragstherapeutisch opvoedingsklimaat.

De voogd van verdachte heeft op de terechtzitting aangegeven dat Transferium al het mogelijke heeft gedaan om verdachte de nodige begeleiding en behandeling te bieden om toe te kunnen werken naar een eventuele vervolgstap. Desondanks heeft verdachte binnen Transferium gerecidiveerd en moet worden geconcludeerd dat behandeling en begeleiding van verdachte binnen het civiele kader niet langer toereikend is, met name ook om de veiligheid van de medewerkers en andere jongeren binnen de instelling te kunnen waarborgen.

Op de terechtzitting heeft mevrouw [werknemer 2], werkzaam bij Transferium, het voorgaande bevestigd. Hoewel zij heeft benadrukt dat verdachte ook een positieve verandering heeft doorgemaakt nu hij steeds meer mensen om zich heen heeft gekregen waarvan hij instructies accepteert en nu hij is begonnen met werken, moet zij concluderen dat binnen Transferium het maximaal haalbare is bereikt. De behandelpogingen die zijn ondernomen bij De Waag (agressieproblematiek) en de Brijderstichting (verslavingsproblematiek) zijn gestaakt wegens een gebrek aan medewerking aan de zijde van verdachte. Tot slot merkt mevrouw [werknemer 2] op dat zij niet verwacht dat er een andere civiele instelling zal zijn die meer voor verdachte kan betekenen dan Transferium heeft gedaan.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, aan vergelding in de vorm van onvoorwaardelijke jeugddetentie geen prioriteit dient te worden gegeven. Het is thans van belang, dat op zo kort mogelijke termijn met een adequate intramurale behandeling van verdachte wordt gestart, waarbij het ongewenst is, dat verdachte -onbehandeld- in vrijheid zal worden gesteld. De rechtbank overweegt dat de door de officier van justitie voorgestelde oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie van 60 dagen een dergelijke invrijheidstelling niet uitsluit. Gelet op het hierboven vermelde, concludeert de rechtbank dat verdachte voor behandeling van zijn problematiek niet meer terecht kan in een gesloten hulpverlening binnen het civiele kader. De rechtbank overweegt dat naadloze aansluiting van de voorlopige hechtenis en de daarop volgende behandeling slechts kan worden gerealiseerd bij de oplegging van een maatregel PIJ.

De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, en mede gelet op het feit dat verdachte een feit heeft gepleegd waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en voorts in aanmerking genomen dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel PIJ eist en dat de maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte is en de noodzakelijke behandeling kan bieden, de oplegging van de maatregel PIJ noodzakelijk is.

De raadsvrouw van verdachte heeft de rechtbank verzocht zich in het kader van de eveneens ter zitting aanhangige vordering tot tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke maatregel PIJ uit te laten over de vraag in welke instelling de PIJ ten uitvoer dient te worden gelegd. De rechtbank acht zich niet in staat hierover een advies uit te brengen. Wel acht de rechtbank het van belang dat zoveel mogelijk een inrichting zal worden gekozen, die een individueel programma kan bieden (waarbij al dan niet wordt toegewerkt naar een groepsprogramma). Voor de rechtbank is onvoldoende duidelijk, in welke Justitiële Jeugd Inrichting (nader te noemen:JJI) deze specifiek voor verdachte noodzakelijke individuele behandeling kan worden geboden. De rechtbank ziet echter geen aanleiding zich hieromtrent nader te laten voorlichten, omdat een zo spoedig mogelijke aanvang van de behandeling van verdachte op dit moment de prioriteit heeft. Het ligt het naar het naar het oordeel van de rechtbank daarbij in de rede dat de desbetreffende selectiefunctionaris van het Ministerie van Veiligheid en Justitie het verlangde onderzoek naar de meest passende JJI verricht.

9. Vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie vordert dat de rechtbank zal gelasten dat de bij vonnis van de rechtbank Haarlem van 27 september 2010 in de zaak met parketnummer 15.761278-09 aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde PIJ, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd, op grond van het feit dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op de terechtzitting gepersisteerd in haar vordering. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte binnen de proeftijd is gerecidiveerd en zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke feiten als die ten grondslag hebben gelegen aan de oplegging van de voorwaardelijke PIJ. De officier van justitie wijst in dit verband ook op de eerdere rapportages van de gedragsdeskundigen, opgesteld ten behoeve van een andere strafzaak, te weten met het oog op de feiten waarvoor verdachte op 27 september 2010 door de rechtbank te Haarlem is veroordeeld. In die rapportages wordt door de deskundigen opgemerkt dat, indien verdachte niet aan de voorwaarden voor terugplaatsing in Transferium kan voldoen of Transferium verdachte niet langer een passend behandelprogramma kan bieden, de oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ dient te worden overwogen. De officier van justitie merkt in dat verband op dat, ondanks de inzet van Transferium, verdachte niet wenst mee te werken aan een behandeling en zich voortdurend niet houdt aan de gestelde voorwaarden. Ook Transferium heeft te kennen gegeven dat het maximaal haalbare wat betreft behandeling en begeleiding is bereikt en dat er geen andere mogelijkheid bestaat dan verdachte te plaatsen in een gesloten jeugdinstelling.

Gelet op het voorgaande is de officier van justitie van mening dat de oplegging van een PIJ geboden is en derhalve de vordering na voorwaardelijke veroordeling dient te worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte stelt zich op het standpunt dat twee deugdelijke rapportages van gedragsdeskundigen die betrekking hebben op onderhavige zaak ontbreken. Naar de mening van verdachte bestaan de antwoorden van de psycholoog, drs. M.H. Keppel, op de aanvullende vragen van de raadsvrouw slechts uit knip- en plakwerk uit eerdere rapportages. Voorts is verdachte van mening dat hij onjuist wordt geciteerd door drs. Keppel.

Daarnaast voert de raadsvrouw aan dat wat de psychiater, dr. Vreugdenhil, schrijft in haar e-mailbericht van 23 maart 2011 gericht aan de officier van justitie, slechts is gebaseerd op informatie die zij van drs. Keppel heeft ontvangen en niet is gebaseerd op haar eigen bevindingen.

De raadsvrouw is van mening dat de oplegging van een dergelijke zware maatregel als een PIJ slechts gerechtvaardigd is, indien deze beslissing is gegrond op twee deugdelijke rapportages van gedragsdeskundigen. Nu deze niet voorhanden zijn, verzoekt de raadsvrouw de rechtbank primair de behandeling op de terechtzitting aan te houden teneinde de gedragsdeskundigen nader onderzoek te laten verrichten en daarover te laten rapporteren. Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat de vordering van de officier van justitie dient te worden afgewezen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is om over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 12 oktober 2010 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 12 oktober 2010 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering gegrond, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit. Daarom behoort in beginsel de gevorderde tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde maatregel te worden gelast.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat, gelet op de oplegging van de (nieuwe) maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor jeugdigen in verband met de onderhavige strafbare feiten, het belang de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde maatregel voor de oude feiten te gelasten ontvalt. Daarom zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie afwijzen.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 77a, 77g, 77s, 77gg, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11. Beslissing

De rechtbank:

• Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

• Verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

• Beveelt de plaatsing van verdachte in een inrichting voor jeugdigen.

• Wijst af de vordering van de officier van justitie strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij voormeld vonnis van de meervoudige kamer voor kinderstrafzaken te Haarlem van 27 september 2010 in de zaak met parketnummer 15.761278-09 voorwaardelijk opgelegde maatregel.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Westdorp, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. S.M. Jongkind-Jonker en mr. L.J. Saarloos, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.J. Ros, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 april 2011.