Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BQ2545

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
26-04-2011
Datum publicatie
26-04-2011
Zaaknummer
14/810006-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen straatroof

Ontkennende verdachte

gevangenisstraf 12 maanden waarvan 6 voorwaardelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer : 14/810006-11 (P) en 14/810150-08(tul)

Datum uitspraak : 26 april 2011

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

(verdachte),

geboren te (geboorteplaats) (land) op [geboortedatum),

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres (straatnaam), (postcode en woonplaats),

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Noord-Holland Noord – Huis van Bewaring Schutterswei te Alkmaar.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 april 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte, mr. I.E. Leenhouwers, advocaat te Alkmaar, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

hij op of omstreeks 24 november 2010 te Den Burg, gemeente Texel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op de openbare weg de (straatnaam 1), althans op een openbare weg, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een Bjorn Borg pet en/of een LG mobiele telefoon en/of een portemonnee, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (slachtoffer), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die (slachtoffer), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van

het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of één van zijn mededader(s)

* die (slachtoffer) heeft/hebben aangesproken en/of

* dicht om/bij die (slachtoffer) is/zijn komen staan en/of

* aan de broekzak van die (slachtoffer) heeft/hebben gevoeld en/of

* één maal (met kracht) die (slachtoffer) een kopstoot heeft/hebben gegeven en/of

* één maal (met kracht) in een vinger van die (slachtoffer) heeft/hebben gebeten en/of

* die (slachtoffer) (met kracht) bij diens hals/nek heeft/hebben vastgegrepen en/of

* de keel van die (slachtoffer) (met kracht) heeft/hebben dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden en/of

* hoorbaar voor die (slachtoffer) dreigend heeft/hebben geroepen/gezegd: "Kan hij niet in de achterbak", althans woorden van een dergelijke dreigende aard of strekking en/of

* één maal (met kracht) tegen de fiets van die (slachtoffer) heeft/hebben geschopt en/of

* (wederom) één maal (met kracht) die (slachtoffer) een kopstoot heeft/hebben gegeven.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

Op 24 november 2010 heeft (slachtoffer) aangifte gedaan van een beroving met geweld, gepleegd in Den Burg op Texel. Hij heeft verklaard dat hij in de vroege ochtend van genoemde dag op de fiets onderweg naar huis was toen hij werd aangehouden door twee donkere mannen. Deze mannen hebben hem vervolgens beroofd van zijn portemonnee, zijn mobiele telefoon en zijn pet. Hierbij hebben de mannen geweld gebruikt. Even tevoren is op de door hem genoemde plek toevalligerwijze tweemaal politie ter plaatse geweest. Een van de politieagenten heeft daar twee donkere mannen zien staan en met één van hen nog even gesproken. Ook hebben beide verbalisanten een auto zien staan waarin twee blanke mannen zaten. Deze blanke mannen was een van beide verbalisanten ambtshalve bekend. Naar aanleiding van de aangifte van (slachtoffer) is een onderzoek gestart. Via de mannen in de auto is de politie bij de verdachte en de medeverdachte terecht gekomen. De verdachte heeft verklaard wel rond die tijd ter plaatse te zijn geweest, maar niet van een beroving af te weten.

De rechtbank zal moeten beoordelen of het aan verdachte ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

B. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. De officier van justitie baseert zich daarbij op volgende bewijsmiddelen:

- de aangifte;

- de verklaring van getuige (getuige 1);

- de verklaring van getuige (getuige 2);

- het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten (verbalisant 1) en (verbalisant 2);

- de geneeskundige verklaring betreffende het letsel van de aangever.

Ook baseert de officier van justitie zich op de verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachte (medeverdachte). De officier van justitie acht deze verklaringen kennelijk leugenachtig .

C. Standpunt van de verdachte/de verdediging

Primair heeft de verdediging vrijspraak bepleit van het aan de verdachte ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsvrouw onder meer betoogd dat de getuige (getuige 1) wisselend heeft verklaard. Om die reden acht de raadsvrouw de verklaringen van (getuige 1) onvoldoende betrouwbaar om voor het bewijs te gebruiken.

D. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

a. De aangifte

Op 24 november 2010 heeft (slachtoffer) aangifte gedaan van een beroving die rond 00.50 uur die nacht heeft plaatsgevonden op de (straatnaam 1) in Den Burg. Hij heeft verklaard dat hij op de fiets op weg was naar huis. Ter hoogte van (winkel) zag hij op het parkeerterrein twee donkere mannen bij de glasbak staan. Verder zag hij midden op het parkeerterrein een grijze auto staan waarin twee blanke mannen zaten. Een van de donkere mannen ging voor zijn fiets staan zodat hij niet door kon rijden. De andere donkere man kwam ernaast staan. De mannen vroegen hem om sigaretten en kwamen vlak bij hem te staan. Een van de mannen betastte de kleding van de aangever. Toen de aangever zei dat hij daar niet van gediend was, gaf de andere man hem een kopstoot. Vervolgens is de aangever in zijn vinger gebeten. Een van de mannen heeft hem bij zijn keel gepakt, waardoor de aangever geen lucht meer kreeg. De andere man haalde vervolgens de portemonnee en de mobiele telefoon uit de broekzakken van de aangever. Ook werd de pet van de aangever van zijn hoofd gepakt. Vervolgens is er nog tegen de fiets van de aangever getrapt en kreeg hij nog een kopstoot. Daarop heeft de aangever zijn portemonnee uit de handen van een van zijn belagers getrokken, is op zijn fiets gesprongen en weggereden.

Uit de geneeskundige verklaring van 29 november 2010 is gebleken dat (slachtoffer) aan de rechterhand twee oppervlakkige bijtafdrukken had en een haematoom, links aan het kaakgewricht.

b. De aanwezigheid ter plaatse van de politie kort voor de beroving

Op 24 november 2010 om 01.10 uur kregen de verbalisanten (verbalisant 2) en (verbalisant 1) de melding dat er kort tevoren een beroving had plaatsgevonden op de (straatnaam 1) in Den Burg. Het slachtoffer was inmiddels thuis. Het toeval wilde dat beide verbalisanten, onafhankelijk van elkaar, kort voor de beroving ter plaatse waren geweest. Verbalisant (verbalisant 1) reed omstreeks 00.40 uur over het parkeerterrein van (winkel) aan de (straatnaam 1). In het midden van het parkeerterrein zag zij een grijze personenauto staan van het merk Suzuki met het kenteken [kenteken]. Bij de Suzuki stonden twee personen met de rug naar haar toe. Een van de personen droeg een paarskleurige lange gewatteerde jas met een capuchon met bontkraag. De andere persoon was donker gekleed. In de Suzuki zag zij twee blanke personen zitten.

Verbalisant (verbalisant 2) reed omstreeks 00.45 uur over het parkeerterrein van [winkel]. Hij zag midden op het parkeerterrein een grijze personenauto, merk Suzuki, met kenteken [kenteken]. De portieren van de personenauto stonden open en bij de auto stonden vier personen. De verbalisant herkende ambtshalve twee van de personen, te weten (getuige 2) en (getuige 1). (getuige 2) en (getuige 1) zijn blank. Verder zag hij twee donkergekleurde personen. Deze herkende hij niet. Een van de donkere mannen droeg een paarskleurige gewatteerde jas en had een capuchon over zijn hoofd. De andere donkere man droeg een petje. (verbalisant 2) is naar de mannen toegereden en heeft hen aangesproken. Een van de donkere mannen heeft hem een hand gegeven en zich voorgesteld als “[bijnaam verdachte]”. Vervolgens is hij doorgereden.

c. De getuigen

Naar aanleiding van de aangifte en gegeven het feit dat verbalisant (verbalisant 2) ongeveer 10 minuten voor de beroving de genoemde vier mannen op het parkeerterrein bij een grijze Suzuki had zien staan, zijn de verbalisanten naar de hen bekende verblijfplaats van (getuige 1) gereden. Voor de deur van de woning stond de grijze Suzuki met kenteken [kenteken] die de verbalisanten eerder op het parkeerterrein bij [winkel] hadden gezien. Desgevraagd heeft (getuige 1) verklaard dat hij een van de twee donkere mannen kende als (roepnaam medeverdachte) en dat deze woont aan de (straatnaam 2). De andere man kende hij als (bijnaam verdachte) en verder wist hij niet veel van hem. Het was de verbalisant (verbalisant 1) ambtshalve bekend dat een man met de naam (medeverdachte) woont op de het adres (straatnaam 2) te Den Burg.

Op een later tijdstip is (getuige 1) uitvoerig als getuige gehoord. Deze verklaring van (getuige 1) is moeizaam tot stand gekomen en hij heeft gevraagd of zijn bevestiging van de identiteit van de verdachte (verdachte) uit zijn verklaring kon worden gehaald.

De getuige heeft verklaard dat hij aan het eind van de avond van 23 november 2010 met zijn Suzuki op het parkeerterrein van (winkel) aanwezig was. Bij hem waren (getuige 2), (roepnaam medeverdachte) en (bijnaam verdachte). Zij stonden hier al enige tijd toen er een politieman langs reed die hen aansprak. Terwijl de getuige in de auto zat, zag hij een fietser. (roepnaam medeverdachte) en (bijnaam verdachte) stonden bij de fietser. De getuige heeft (bijnaam verdachte) aan de fietser zien trekken. Tevens heeft hij gezien dat (bijnaam verdachte) de fietser in een soort wurggreep heeft genomen. Hij begreep dat ze de mobiele telefoon van de fietser hadden afgepakt toen hij de mobiele telefoon, een LG, later in de auto zag in de hand van (bijnaam verdachte). De jongens waren dronken. Hij heeft ook gezien dat een witte pet van het hoofd van de fietser werd geslagen en dat de fietser zonder pet is weggereden. Aan het eind van het verhoor heeft (getuige 1) verklaard dat, waar hij heeft gesproken over (bijnaam verdachte) hij de hem bekende (verdachte), heeft bedoeld. Later zijn (verdachte), (roepnaam medeverdachte) en (getuige 2) bij hem in de auto gestapt. Vervolgens heeft hij (getuige 2) en (verdachte) afgezet en heeft hij (roepnaam medeverdachte) naar zijn woning aan de (straatnaam 2) gebracht.

(getuige 2) is ook als getuige gehoord. Hij heeft verklaard dat hij samen met (getuige 1) en twee andere jongens op de betreffende avond wat zat te drinken in de auto op het parkeerterrein bij (winkel). Hij heeft verklaard dat op een gegeven moment de andere jongens zijn uitgestapt. Vervolgens kwam er een fietser aangereden. De getuige heeft die andere jongens met de fietser zien praten. De getuige wil de namen van de andere jongens niet noemen. Na de mededeling van de verbalisanten, inhoudende dat zijn medeverdachte de namen van (roepnaam medeverdachte) en (verdachte) heeft genoemd, heeft de getuige geantwoord dat hij niet weet wie welke rol had. Hij wist alleen dat ze samen waren.

d. De verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte (medeverdachte)

Nadat de verbalisanten die nacht bij (getuige 1) zijn geweest zijn ze naar de woning van de medeverdachte (medeverdachte) gegaan, aan de (straatnaam 2) in Den Burg. Ze zijn daar om 01.45 uur aangekomen. In de woning van (medeverdachte) zag verbalisant (verbalisant 1) een paars gekleurde gewatteerde jas met bontkraag liggen. Vervolgens is (medeverdachte) een aantal malen verhoord. In het verhoor van 24 november 2010 heeft (medeverdachte) verklaard dat de paarse jas in zijn woning van hem is. Op de vraag in wiens gezelschap (medeverdachte) was op het moment dat hij eerder die nacht door de politie werd aangesproken, heeft (medeverdachte) geantwoord: [verdachte], [getuige 2] en [getuige 1]. Zij waren met de auto van [getuige 1]. In zijn verklaring van 25 november 2010 heeft (medeverdachte) verklaard dat hij al twee kwartier bij (winkel) stond alvorens de politie langskwam. De verdachte is pas op een later tijdstip aangehouden en vervolgens verhoord. In zijn verklaring van 3 januari 2011 heeft de verdachte verklaard dat hij in november 2010 op Texel is geweest en dat hij die nacht veel gedronken had en dat hij is aangesproken door de politie.

e. Het oordeel van de rechtbank

Tijdpad

Verbalisant (verbalisant 1) heeft op 24 november 2010 rond 00.45 uur op het parkeerterrein bij (winkel) een grijze Suzuki met daarin twee blanke mannen gezien. Naast de auto zag zij nog twee mannen staan. Verbalisant (verbalisant 2) was die nacht omstreeks 00.50 uur ter plaatse. Hij zag eveneens de grijze Suzuki staan en herkende de twee blanke mannen als (getuige 2) en (getuige 1) en zag tevens twee donkergekleurde mannen staan. Hij heeft de mannen aangesproken. Zowel (verbalisant 1) als (verbalisant 2) hebben verklaard dat één van de donkere mannen een paarse gewatteerde jas droeg. De medeverdachte (medeverdachte) heeft verklaard dat hij in het bezit is van een paarse gewatteerde jas. De aangever heeft verklaard dat de beroving omstreeks 00.50 uur heeft plaatsgevonden. Dat tijdstip is vijf minuten nadat verbalisant (verbalisant 2) ter plaatse is geweest. Daarop is de aangever naar huis gefietst en heeft de politie gebeld. De meldkamer heeft de melding om 01.10 uur aan de verbalisanten (verbalisant 2) en (verbalisant 1) doorgegeven.

De hierboven opgenomen bewijsmiddelen laten, in samenhang met dit zeer korte tijdsverloop tussen de waarneming van verbalisant (verbalisant 2) en het door de aangever genoemde tijdstip, naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte voor een andere conclusie dan dat de verdachte en zijn medeverdachte (medeverdachte) op het tijdstip van de beroving op de plaats van het delict zijn geweest.

De rechtbank is op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar betoog ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige (getuige 1). Uit zijn verklaringen komt naar voren dat (getuige 1) ongewild getuige is geweest van een gebeurtenis waarbij hij liever niet betrokken was geraakt. Dat de getuige zich, evenals de getuige (getuige 2), terughoudend heeft getoond in het afleggen van een verklaring doet aan de geloofwaardigheid van de verklaringen niet af en vormt voor de rechtbank evenmin aanleiding aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van (getuige 1) te twijfelen.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 24 november 2010 te Den Burg, gemeente Texel, tezamen en in

vereniging met een ander, op de openbare weg de (straatnaam 1), met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een Björn Borg pet en een LG

mobiele telefoon en een portemonnee, toebehorende aan (slachtoffer), welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die (slachtoffer), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en

gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededader

* dicht bij die (slachtoffer) zijn komen staan en

* aan de broekzak van die (slachtoffer) hebben gevoeld en

* met kracht die (slachtoffer) een kopstoot hebben gegeven en

* in een vinger van die (slachtoffer) hebben gebeten en

* die (slachtoffer) met kracht bij diens hals hebben vastgegrepen en

* de keel van die (slachtoffer) met kracht hebben dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden en

* tegen de fiets van die (slachtoffer) hebben geschopt en

* wederom met kracht die (slachtoffer) een kopstoot hebben gegeven.

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden met aftrek van de periode die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

De officier van justitie heeft zich, ondanks het andersluidende advies van Palier forensische en intensieve zorg zoals hieronder weergegeven, op het standpunt gesteld dat aan de verdachte een verplicht reclasseringstoezicht met bijzondere voorwaarden dient te worden opgelegd. Het eerder aan de verdachte opgelegde reclasseringstoezicht is, buiten de schuld van de verdachte, niet van de grond gekomen. Tevens heeft de verdachte op de terechtzitting verklaard wel bereid te zijn mee te werken aan een reclasseringstoezicht. Ook met het oog op de voorkoming van recidive acht de officier van justitie reclasseringstoezicht geboden.

Standpunt van de verdachte/de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft subsidiair betoogd dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf gematigd dient te worden, gezien de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de gebruikelijk opgelegde straffen voor dergelijke delicten. Voorts heeft de raadsvrouw verklaard zich te kunnen vinden in het door de officier van justitie gevorderde op te leggen toezicht aan de verdachte. Ook de verdachte heeft op de terechtzitting zich bereid verklaard mee te werken aan reclasseringstoezicht.

Oordeel van de rechtbank

De verdachte heeft zich met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan een gewelddadige beroving op de openbare weg. Op het nietsvermoedende slachtoffer werd op grove wijze geweld toegepast, terwijl hij werd beroofd. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van een dergelijk delict dit veelal als traumatisch ervaren en hiervan nog lang de psychische gevolgen kunnen ondervinden. Tevens maken dergelijke geweldsmisdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde en veroorzaken gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

De rechtbank heeft rekening gehouden met het Uittreksel Justitiële Documentatie gedateerd 4 januari 2011. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake geweldsdelicten is veroordeeld. Daarnaast liep de verdachte nog in een proeftijd van een voorwaardelijk opgelegde straf ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde feit.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapportage, gedateerd 10 maart 2011 en opgesteld door L. Kok, als reclasseringsmedewerker werkzaam bij Palier forensische en intensieve zorg. Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van de “Wijziging Advies voor rechtszitting” dat op 10 maart 2011 is ontvangen door de rechtbank.

Aanvankelijk heeft Palier geadviseerd de verdachte een verplicht toezicht op te leggen. Tevens achtte de reclassering de volgende gedragsinterventies geboden:

- het volgen van de leefstijltraining kort;

- het volgen van een behandeling bij stichting MEE, of een soortgelijke instantie;

- verblijven in Exodus, of een soortgelijke instantie.

Uit de Wijziging Advies voor rechtszitting blijkt dat de verdachte is afgewezen voor een begeleid wonen traject binnen Exodus. Naar aanleiding hiervan is nu een klinisch traject geïndiceerd. De verdachte heeft aangegeven hieraan niet te willen meewerken. Palier heeft het advies daarop gewijzigd in die zin dat thans wordt geadviseerd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

De rechtbank zal de officier van justitie, mede gehoord de raadsvrouw en de verdachte, volgen in haar vordering tot het opleggen van een verplicht toezicht door Palier aan de verdachte op de wijze zoals eerder geadviseerd. De rechtbank neemt daarbij ook in beschouwing dat een vorig opgelegd toezicht buiten toedoen van de verdachte niet van de grond is gekomen door het achterwege blijven van een kennisgeving hiervan.

9. Vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie vordert dat de rechtbank zal gelasten dat de bij vonnis van deze rechtbank van 15 juli 2008 in de zaak met parketnummer 14.810150-08 aan de verdachte opgelegde straf voor zover voorwaardelijk opgelegd, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd, op grond van het feit dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit.

De raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf in de vorm van een werkstraf.

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is om over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 2 augustus 2010 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 2 augustus 2010 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering gegrond, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit.

Daarom behoort in beginsel de gevorderde tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde straf te worden gelast.

De rechtbank acht termen aanwezig in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van gevangenisstraf voor de duur van 50 (vijftig) dagen te geven een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, te gelasten een en ander op de wijze zoals hierna in de rubriek BESLISSING zal worden aangegeven.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11. Beslissing

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

Stelt als algemene voorwaarde dat:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen, die de veroordeelde zullen worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt, ook indien dit inhoudt het volgen van de leefstijltraining kort en het volgen van een behandeling bij stichting MEE, of een soortgelijke instantie.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Gelast in de zaak met parketnummer 14.810150-08, in plaats van de bij vonnis van de rechtbank te Alkmaar d.d. 15 juli 2008 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf in de vorm van een taakstraf, en wel een werkstraf, voor de duur van 100 (honderd) uren.

Bepaalt dat, indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, in plaats van de taakstraf vervangende hechtenis wordt toegepast, welke vervangende hechtenis wordt vastgesteld op 50 (vijftig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. A.S. van Leeuwen en mr. G.A.M. van Dijk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 april 2011.