Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BQ1258

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
14-04-2011
Zaaknummer
119908
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek nihilstelling kinderalimentatie in verband met WSNP.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

BB

zaak- en rekestnummer: 119908 / FA RK 10-437

datum: 23 maart 2011

Beschikking van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

[man],

wonende te [woonplaats],

verzoekende partij,

advocaat: mr. M.S. Gerson,

tegen:

[vrouw],

wonende te [woonplaats],

gerekwestreerde,

advocaat mr. R.M.I. Banning.

Partijen zullen verder ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter griffie van deze rechtbank is op 17 mei 2010 een verzoekschrift van de man ingekomen, waarin wordt verzocht de bij beschikking van deze rechtbank van 24 april 2008 vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de destijds minderjarige [zoon], geboren in de gemeente [geboorteplaats] op [geboortedatum] (verder: de zoon) en de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw op nihil te stellen met ingang van 5 september 2008, althans te stellen op een door de rechtbank te bepalen bedrag en ingangsdatum.

De vrouw heeft daarop een verweerschrift ingediend, strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring, althans afwijzing van het verzoek, althans de uitkering tot haar levensonderhoud met ingang van 14 december 2009 voor de duur van de schuldsanering op nihil te stellen.

De zoon is opgeroepen voor een gesprek met de rechter, maar is niet verschenen. Bij de stukken bevindt zich een e-mail bericht, waarin de zoon aangeeft dat hij niet ter zitting zal verschijnen.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 januari 2011, alwaar zijn verschenen de man, bijgestaan door mr. Gerson, de vrouw, bijgestaan door mr. Banning.

DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

Deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 april 2008 tussen partijen, op 6 december 1985 in de gemeente Amsterdam gehuwd, echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 5 september 2008. Voor zover hier van belang is in deze beschikking voorts bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon € 350,-- per maand aan de vrouw zal betalen, alsmede € 1.000,-- bruto per maand als uitkering tot levensonderhoud van de vrouw, alles met ingang van 5 september 2008.

De man voert als grond voor het verzoek aan dat de bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet wegens wijziging in de draagkracht. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij het volgende aangevoerd. Gelet op de leeftijd van de zoon en het feit dat de zoon in eigen kosten van levensonderhoud voorziet is de man thans niet meer gehouden deze bijdrage te voldoen. Hij heeft nimmer aan zijn betalingsverplichting voldaan omdat hij daartoe niet in staat was. Buiten zijn schuld om, door onder meer de recessie en het vertrek van zijn compagnon in 2008, was hij niet meer in staat de gebruikelijke omzet te genereren binnen zijn onderneming. Hierdoor was hij niet meer in staat aan zijn lopende verplichtingen, waaronder de alimentatie, te voldoen. Op 14 december 2009 is door de rechtbank Amsterdam de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Hij heeft derhalve geen draagkracht om alimentatie te betalen. Hoewel er behoedzaam moet worden omgegaan met een verzoek met terugwerkende kracht, wordt opgemerkt dat de bedragen nog niet door de vrouw en de zoon zijn opgesoupeerd, omdat zij de verschuldigde bijdragen vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking niet van de man hebben ontvangen.

Ter bestrijding van het standpunt van de man heeft de vrouw het volgende aangevoerd. Nu de man tegen de beschikking van 24 april 2008 geen hoger beroep heeft ingesteld, is deze beschikking onaantastbaar. De man heeft het aan zichzelf te wijten dat zijn bedrijf failliet is verklaard en hij in de WSNP terecht is gekomen. De door hem daarvoor aangevoerde gronden zijn onjuist, omdat zijn compagnon al in 2006 is vertrokken en de recessie pas begon nadat de man het bedrijf al geruime tijd aan het verwaarlozen was. Het bedrijf werd min of meer gerund door de oudste zoon van partijen. Door de man is niet aangetoond dat in het vrij te laten bedrag geen rekening is gehouden met zijn verplichting tot betaling van alimentatie aan de vrouw. Hoewel de man niet of nauwelijks heeft betaald, heeft de vrouw al die tijd wel degelijk behoefte gehad aan de bijdragen van de man. Begin 2009 heeft zij het LBIO ingeschakeld. In reactie daarop heeft de man twee maal € 350,-- betaald, waarna de betalingen weer werden stopgezet. Daarna heeft het LBIO wederom getracht de inning, vanaf de zomer 2009 ook die van de partneralimentatie, over te nemen. Dit heeft echter geen resultaat gehad. Zij heeft er belang bij dat hetgeen in de beschikking van 24 april 2008 is bepaald in stand blijft, daar zij op grond van deze beschikking een vordering heeft op de man. Wellicht wordt bij het einde van de WSNP alsnog een deel van haar vordering uitbetaald door de bewindvoerder.

Uit de stukken en de mondelinge behandeling zijn de volgende relevante feiten en omstandigheden gebleken.

Op de man is blijkens het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 december 2009 de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing.

Met betrekking tot de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank zal het verzoek van de man, voor zover dit strekt tot wijziging van de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de zoon met ingang van een datum gelegen vóór de datum waarop de man is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afwijzen, nu de man met de enkele overlegging van het financiële verslag over de jaren 2007, 2008 en 2009 onvoldoende heeft aangetoond dat hij tot 14 december 2009 geen draagkracht had. Bovendien had het op de weg van de man gelegen op een eerder tijdstip een verzoek in te dienen tot wijziging van de onderhoudsbijdrage.

Vast staat dat de zoon reeds jongmeerderjarig was op het moment dat de man is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Ook staat vast dat de zoon met ingang van 15 januari 2011 bij de man woont.

Tot 1 juli 2010 was het uitgangspunt dat bij een alimentatieplichtige die is opgenomen in de wettelijke schuldsaneringsregeling geen draagkracht kan worden aangenomen tot betaling van een onderhoudsbijdrage uit het vrij te laten bedrag.

Met ingang van 1 juli 2010 is de regeling van kracht dat, in het geval een onderhoudsplichtige ouder is toegelaten tot de schuldsanering, er van kan worden uitgegaan dat het VTLB (vrij te laten bedrag) van die ouder is, dan wel zal worden verhoogd met de bij rechterlijke uitspraak of overeenkomst vastgestelde kinderalimentatie, zij het per kind tot een maximum van het bedrag dat recht geeft op de persoonsgebonden aftrek als gevolg van de bijdrage in de onderhoudskosten van een kind van (in 2010) € 136,-- per maand.

De onderhoudsverplichting van de man ten opzichte van de zoon zal met ingang van 14 december 2009 tot 1 juli 2010 op nihil worden gesteld. In verband met de omstandigheid dat de zoon jongmeerderjarig is en niet is gebleken dat de man geen recht kan doen gelden op persoonsgebonden aftrek, is de rechtbank, mede gelet op hetgeen hierboven is overwogen, van oordeel dat de onderhoudsverplichting van de man tegenover de zoon met ingang van 1 juli 2010 tot 15 januari 2011 dient te worden gesteld op € 136,-- per maand.

Voor zover de zoon niet meer bij de man woonachtig zal zijn nadat de schuldsaneringsregeling is beëindigd en de zoon de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt, herleeft de betalingsverplichting zoals deze bij de beschikking van deze rechtbank van 24 april 2008 is vastgesteld. Daarbij overweegt de rechtbank, wellicht ten overvloede, nog dat de wettelijke onderhoudsverplichting van de man ten opzichte van de zoon in ieder geval eindigt op 25 mei 2012, nu de zoon op deze datum 21 jaar wordt.

Met betrekking tot de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw overweegt de rechtbank als volgt.

Uitgangspunt is dat bij een alimentatieplichtige die is opgenomen in de wettelijke schuldsaneringsregeling geen draagkracht kan worden aangenomen tot betaling van een onderhoudsbijdrage uit het vrij te laten inkomen.

Nu in het kader van de schuldsanering reeds is geoordeeld dat de schulden niet lichtvaardig zijn aangegaan, althans niet zodanig lichtvaardig dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling om die reden is geweigerd, zal de onderhoudsverplichting van de man tegenover de vrouw voor de duur van deze regeling op nihil worden gesteld.

De betalingsverplichting zoals deze bij de beschikking van deze rechtbank van 24 april 2008 is vastgesteld herleeft op de dag dat de schuldsanering wordt beëindigd.

DE BESLISSING

De rechtbank:

Wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 24 april 2008 aldus dat de daarbij vastgestelde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 14 december 2009 nader wordt bepaald op nihil gedurende de looptijd van de schuldsanering.

Wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 24 april 2008 voorts aldus dat de daarbij vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon met ingang van 14 december 2009 tot 1 juli 2010 nader wordt vastgesteld op nihil en vanaf 1 juli 2010 tot 15 januari 2011 nader wordt vastgesteld op € 136,-- per maand en vanaf 15 januari 2011, voor de periode dat de zoon bij de man woonachtig is en de zoon de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt, nader wordt vastgesteld op nihil gedurende de looptijd van de schuldsanering.

Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Friedberg, lid van gemelde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 maart 2011 in tegenwoordigheid van A.M. Bergen, griffier.

U kunt tegen deze beschikking in hoger beroep gaan bij het Gerechtshof te Amsterdam. U kunt dit hoger beroep instellen binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.

Het beroep moet namens u worden ingesteld door een advocaat. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. In plaats van een door de aanvrager van rechtsbijstand over te leggen verklaring van de burgemeester over zijn inkomen en vermogen kan er nu worden volstaan met het opgeven van het sofinummer, op basis waarvan de Raad informatie inwint bij de belastingdienst. In civiele zaken waarin zonder advocaat wordt geprocedeerd geldt dat aan de griffie in plaats van een verklaring van de burgemeester een verklaring van de raad (opgesteld op basis van de door de belastingdienst verstrekte gegevens) wordt overgelegd. Afhankelijk van die draagkracht wordt een zogenaamde toevoeging verstrekt onder oplegging van een eigen bijdrage. Die bijdrage is afhankelijk van de hoogte van de draagkracht.

Als de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, dan geldt de beschikking al wel, zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.