Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BQ1241

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
14-04-2011
Zaaknummer
106354
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling met drie minderjarigen. De moeder heeft van haar kant verzocht de vader het recht op omgang voor onbepaalde tijd te ontzeggen, waarbij zij zich beroept op een rapport en conclusie van het Expertise Centrum Eergerelateerd Geweld (ECEG). Ook de Raad voor de Kinderbescherming heeft een rapport en advies uitgebracht dat goeddeels is gebaseerd op voormeld rapport van het ECEG. De aan dit rapport ten grondslag liggende risicoanalyse wordt uit veiligheidsoverwegingen niet openbaar gemaakt. De bevindingen waarop de conclusies van het ECEG zijn gebaseerd zijn noch aan de Raad noch aan de rechtbank noch aan de vader kenbaar gemaakt. Hetgeen daaromtrent wel is kenbaar gemaakt is onvoldoende om de validiteit van de conclusies te kunnen beoordelen. Dat brengt mee dat het in strijd is met het in artikel 6 EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces om aan deze conclusie doorslaggevende betekenis toe te kennen. Wel kan aan de omstandigheid dat de conclusie is geformuleerd de betekenis toekomen dat in de onderhavige zaak met behoedzaamheid moet worden geopereerd. De vader wordt in de gelegenheid gesteld de in de beschikking genoemde schriftelijke bewijsstukken te overleggen, waartoe de verdere behandeling van de zaak pro forma wordt aangehouden tot een nader te bepalen datum in januari 2012.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

BB

zaak- en rekestnummer: 106354 / FA RK 08-1022

datum: 19 januari 2011

Beschikking van de meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

[vader],

wonende te [woonplaats],

verzoekende partij,

advocaat: mr. S.H.M. Branger,

tegen:

[moeder],

aanvankelijk wonende te [woonplaats],

gerekwestreerde, tevens verzoekende partij,

advocaat: mr. M. Nurdogan-Ferwerda.

Partijen zullen verder ook worden aangeduid als de vader en de moeder.

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter griffie van deze rechtbank is op 20 november 2008 het verzoekschrift van de vader ingekomen waarin wordt verzocht:

1. te bepalen dat het gezag over de minderjarigen [kind 1], geboren in de gemeente [geboorteplaats] op [geboortedatum], [kind 2], geboren in de gemeente [geboorteplaats] op [geboortedatum] en [kind 3], geboren in de gemeente [geboorteplaats]op [geboortedatum] door beide ouders gezamenlijk wordt uitgeoefend;

2. tussen hem en voornoemde minderjarigen een omgangsregeling vast te stellen.

De moeder heeft daarop een verweerschrift, tevens verzoekschrift, ingediend, strekkende tot afwijzing van de verzoeken van de vader. Voorts heeft de moeder harerzijds de rechtbank verzocht te bepalen dat de omgangsregeling de vader zal worden ontzegd voor onbepaalde tijd dan wel voor een in goede justitie te bepalen duur.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 februari 2009. Daarbij zijn de stukken in handen gesteld van de Raad voor de Kinderbescherming te Alkmaar (verder: de Raad) met het verzoek een onderzoek in te stellen en te adviseren met betrekking tot de vraag of een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen mogelijk en gewenst is en zo ja, welke omgangsregeling het meest in het belang van de minderjarigen is te achten.

De vader heeft bij deze gelegenheid het hierboven onder 1. genoemde verzoek met betrekking tot het gezamenlijk gezag ingetrokken.

Bij de stukken bevindt zich een rapport van de Raad gedateerd 5 november 2009. Daarin wordt geadviseerd om de vader het recht op omgang met de minderjarigen te ontzeggen omdat omgang ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de minderjarigen.

Gelet op de aard van de zaak heeft de rechtbank aanleiding gezien de zaak verder meervoudig te behandelen. De mondelinge behandeling was daartoe bepaald op 10 december 2009. Als gevolg van het feit dat mr. Branger en mevrouw E. Zentveld van de Politie Noord-Holland Noord, district Noord-Kennemerland verhinderd waren bij die gelegenheid aanwezig te zijn, is de mondelinge behandeling voortgezet op 1 april 2010. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat mevrouw Zentveld van de politie Noord-Holland-Noord schriftelijke informatie zal verstrekken aan de rechtbank en de Raad of er bij het Expertise Centrum Eergerelateerd Geweld (verder: ECEG) een protocol bestaat voor de aanpak bij het formuleren van de analyses, alsmede over de tijd die gemoeid is met het opstellen van die analyses. Na ontvangst van die informatie zal de rechtbank bepalen op welke wijze de behandeling van de zaak wordt voortgezet.

Blijkens het proces-verbaal van 9 april 2010 wordt er door de door mevrouw Zentveld verstrekte informatie geen duidelijkheid verschaft omtrent de onderliggende gronden voor de conclusies van het ECEG. De stukken zijn (wederom) in handen gesteld van de Raad met het verzoek te rapporteren en te adviseren omtrent de vraag of er bij de moeder sprake is van zodanige traumatisering dat dit een contra-indicatie zou vormen voor omgang tussen de vader en de minderjarigen, alsmede omtrent de vraag welke concrete gronden er zijn aan te geven ter onderbouwing van de stelling dat er sprake is van een vermeende dreiging van eergerelateerd geweld en een kans op ontvoering van de minderjarigen.

Bij brief van 2 juni 2010 heeft de Raad meegedeeld geen mogelijkheid te zien de door de rechtbank gestelde onderzoeksvragen te beantwoorden.

In het proces-verbaal van 1 juli 2010 is de vader in de gelegenheid gesteld schriftelijke bewijsstukken in het geding te brengen ter weerlegging van de conclusies van het ECEG, op basis van welke conclusies de Raad zijn advies van 5 november 2009 heeft geformuleerd, evenals zijn in de brief van 2 juni 2010 geformuleerde zienswijze.

Blijkens een proces-verbaal van 9 november 2010, is de behandeling pro forma nader aangehouden tot 2 december 2010. Op dat moment waren nog geen bewijsstukken in het geding gebracht. Bij brief van 1 december 2010 heeft de vader verzocht om door middel van het doen horen van getuigen het door mevrouw Zentveld van hem apert onjuist geschetste beeld te wijzigen en te nuanceren.

DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

Partijen hebben een samenlevingsrelatie gehad van 1997 tot 2005. Uit die relatie zijn de minderjarigen geboren. De vader heeft de minderjarigen erkend. De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over de minderjarigen.

Het verzoek van de vader dat hij met de moeder gezamenlijk zal worden belast met het gezag over de minderjarigen behoeft, gelet op voormelde intrekking, geen verdere bespreking.

Tussen partijen is nog in geschil de door de vader verzochte omgangsregeling tussen hem en de minderjarigen, alsmede het verzoek van de moeder de vader de omgangsregeling voor onbepaalde tijd te ontzeggen.

De vader voert als grond voor het verzoek aan dat hij en de minderjarigen recht hebben op omgang met elkaar. Vanaf het verbreken van de samenleving tot 14 oktober 2008 heeft er tussen de vader en de minderjarigen regelmatig omgang plaatsgevonden. Naar aanleiding van een incident op 14 oktober 2008 heeft de moeder op 15 oktober 2008 met de minderjarigen de woning verlaten. Zij verblijft sindsdien op een voor de vader geheim adres. De vader bestrijdt de stelling van de moeder dat er sprake is van structureel huiselijk geweld, mishandeling van de moeder, kans op ontvoering van de minderjarigen en risico dat de moeder het slachtoffer zou kunnen worden van eergerelateerd geweld.

Namens de moeder is als haar standpunt het volgende naar voren gebracht. De vader is diverse malen veroordeeld voor mishandeling en (huiselijke) geweldpleging. De minderjarigen zijn getuige geweest van het huiselijk geweld. De politie heeft na haar vertrek uit de woning aan de hulpverlening bericht concrete aanwijzingen te hebben dat de vader voornemens is haar om het leven te brengen. Gelet op deze dreiging van eergerelateerd geweld is door het ECEG een risicoanalyse gemaakt van de onderhavige situatie. De conclusie van die analyse luidt dat ernstig rekening moet worden gehouden met ontvoering van de minderjarigen en of (dreiging met) mishandeling dan wel het doden van de moeder door of in opdracht van de vader. Hoewel de risicoanalyse uit veiligheidsoverwegingen niet openbaar wordt gemaakt, heeft mevrouw Zentveld, de politieambtenaar met wie de moeder zich dienaangaande heeft verstaan, aangegeven dat uit deze analyse blijkt dat er een aantal significante risicofactoren aanwezig zijn, die tot de conclusie leiden dat de moeder gevaar loopt en haar verblijfplaats niet bekend mag worden. Daarbij wordt gerefereerd aan de moord op [], de dochter van de zuster van de vader, die is gedood door de neef van de vader, de omstandigheid dat de vader onberekenbaar is geworden als gevolg van een combinatie van drugs en alcohol, eerder geweld heeft gebruikt, contact wil met zijn kinderen en heeft gezegd dat hij iemand in zijn omgeving moet vermoorden. Daarnaast is er een risico dat de vader de minderjarigen zal ontvoeren naar [].

De Raad heeft de rechtbank geadviseerd de vader het recht op omgang met de minderjarigen te ontzeggen. De Raad baseert het advies, naast informatie van het Centrum Internationale Kinderontvoering, op de conclusies van het ECEG. Zonder dat de Raad kennis heeft kunnen nemen van de analyse die ten grondslag ligt aan deze conclusies, gaat de Raad er van uit dat die conclusies betrouwbaar en onderbouwd zijn. Het ECEG heeft in opdracht van het politiekorps Noord-Holland-Noord de analyse opgesteld. Die stukken zijn niet geschikt voor inzage en zouden verkeerd geïnterpreteerd kunnen worden. Omdat het in het onderzoek gaat over de basisveiligheid van de minderjarigen, zijn er, naast een telefonisch gesprek met de vader en de moeder en contact met mevrouw Zentveld, geen andere informanten benaderd. De Raad meent dat de gesprekken met de ouders niets hebben veranderd aan de feiten die er liggen. De conclusies van het ECEG maken duidelijk dat de basisveiligheid van de minderjarigen niet gegarandeerd kan worden als zij contact met de vader zouden hebben. Omgang met de vader zou voor de minderjarigen ernstig nadeel opleveren voor hun geestelijke of lichamelijke ontwikkeling. Ook anderszins is omgang in strijd met de zwaarwegende belangen van de minderjarigen, omdat contact met de vader veel spanningen zal opleveren bij de minderjarigen. Dit vormt een bedreiging voor hun sociaal emotionele ontwikkeling en daarnaast is er de dreiging van ontvoering door de vader. De veiligheid van de moeder en de minderjarigen kan op dit moment alleen gegarandeerd worden door geen contact te hebben met de vader.

De Raad heeft aan een en ander bij brief van 2 juni 2010 nog toegevoegd dat omgang onder de huidige omstandigheden voor de kinderen belastend is. Zij zijn getuige geweest van huiselijk geweld tussen ouders, de persoon van de vader roept spanning en stress op bij moeder en voorts is de verblijfplaats van de kinderen geheim voor vader. Omgang tussen de kinderen en vader doet onder deze omstandigheden een onevenredig groot appèl op het loyaliteitsgevoel van de kinderen hetgeen de Raad niet hun belang acht. Tevens zal het geheim moeten houden van hun verblijfplaats voor vader, de kinderen beletten om een onbekommerd contact met hem te hebben. Gelet op de jonge leeftijd van de kinderen mag dat ook niet van hen verwacht worden. Los van het feit dat de Raad niet de expertise in huis heeft om de mate van traumatisering van moeder vast te stellen kan op grond van de huidige informatie wel het volgende gezegd worden. Moeder is slachtoffer geweest van huiselijk geweld en haar leefwereld is langere tijd onveilig geweest. Dit zal naar verwachting een weerslag hebben gegeven op haar psychisch welbevinden en in het verlengde daarvan, haar functioneren als opvoeder. Zolang vader appèl doet op een omgangsregeling zal dit nadelige effecten hebben op de beleving van moeder en naar verwachting haar verwerkingsproces schaden. Voorts dient te worden meegewogen dat de kinderen gebaat zijn bij een veilige en stabiele opvoedomgeving en dat zij in hoge mate afhankelijk zijn van deze moeder c.q. opvoeder.

De vader wijst er op dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van de onderliggende stukken en zich tegen de daarop gebaseerde conclusies dus niet kan verweren. Hij acht dit in strijd met zijn recht op een eerlijk proces.

De rechtbank overweegt als volgt.

De beoordeling van het verzoek van de vader en het verzoek van de moeder dient te geschieden aan de hand van het bepaalde in artikel 377a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd met ingang van 1 maart 2009 als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding en de Wet tot wijziging van enige bepalingen van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot geregistreerd partnerschap, de geslachtsnaam en het verkrijgen van gezamenlijk gezag.

Lid 1 van genoemd artikel bepaalt dat het kind recht heeft op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Artikel 1:377a lid 2 BW bepaalt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang ontzegt. In artikel 1:377a lid 3 BW worden de ontzeggingsgronden genoemd.

De rechtbank stelt vast dat het advies van de Raad goeddeels is gebaseerd op de hiervoor weergegeven conclusies van het ECEG. De bevindingen waarop die conclusies zijn gebaseerd zijn noch aan de Raad noch aan de rechtbank en aan de vader kenbaar gemaakt. Hetgeen daaromtrent wel is kenbaar gemaakt is onvoldoende om de validiteit van de conclusies te kunnen beoordelen. Dat brengt mee dat het in strijd is met het in artikel 6 EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces om aan deze conclusie doorslaggevende betekenis toe te kennen. Wel kan aan de omstandigheid dat deze conclusie is geformuleerd de betekenis toekomen dat in de onderhavige zaak met behoedzaamheid moet worden geopereerd.

Nadat de vader al ruim de tijd heeft gehad om schriftelijk bewijs te vergaren is de zaak op zijn verzoek vijf additionele maanden aangehouden. De moeder heeft aangedrongen op een beslissing, omdat de voortdurende onzekerheid een weerslag heeft op haar gezondheid. De vader heeft vervolgens laten weten dat hij getuigen wil doen horen.

De rechtbank acht het in feite onmogelijk en in ieder geval in strijd met zwaarwegende processuele belangen van de vader dat nu een definitieve beslissing wordt genomen. De rechtbank acht het echter ook in strijd met een goede procesorde dat nu overgegaan wordt tot het horen van getuigen met de daaruit voor de moeder voortvloeiende belasting. Voor die weg had de man immers ook al in april 2010 kunnen kiezen.

Teneinde de moeder en de minderjarigen rust te gunnen, is de rechtbank in de gegeven omstandigheden van oordeel dat een definitieve beslissing, zowel ten aanzien van het verzoek van de vader als ten aanzien van het verzoek van de moeder, voor de duur van een jaar dient te worden aangehouden. Dat biedt de duidelijkheid dat er in ieder geval het komend jaar niet wordt toegewerkt naar contact tussen vader en de kinderen.

De vader kan de tijd gebruiken om de personen die hij als getuige wil doen horen schriftelijke verklaringen te laten opstellen. De raadslieden zouden met elkaar kunnen afspreken dat zij aan de hand van die verklaringen en een reactie daarop namens de moeder het ECEG gezamenlijk verzoeken om een geactualiseerde risicoanalyse te vervaardigen. Daarbij verdient mede aantekening dat de houdbaarheid van zodanige analyses in de tijd beperkt moet worden geacht. De rechtbank wijst er op dat de risicoanalyse bij ommekomst van de schorsing drie jaar oud zal zijn. De betekenis van de daarop gebaseerde conclusies moet na dat tijdsverloop sterk worden gerelativeerd.

Voor zover de moeder erop uit is de ontzegging van de omgang te doen baseren op haar mentale gezondheidstoestand en/of het vermogen van de kinderen om die omgang aan te gaan, wordt opgemerkt dat het op haar weg ligt om (een begin van) bewijs van die aanwezigheid van een of meer van deze beletselen in het geding te brengen. De hiervoor vermelde opvatting van de Raad doet, mede gelet op het summiere onderzoek dat de Raad heeft uitgevoerd, onvoldoende recht aan het grote belang dat kinderen een op de werkelijkheid gebaseerd beeld van hun vader ontwikkelen. Indien de eerwraakaspecten in deze zaak worden weggedacht blijft immers over het beeld van een vader die zich aan huiselijk geweld tegen de moeder heeft schuldig gemaakt. Dat is, ook voor de Raad, in het algemeen onvoldoende grond om omgang niet in het belang van de kinderen te achten.

DE BESLISSING

De rechtbank:

Alvorens verder te beslissen:

Stelt de vader in de gelegenheid schriftelijke bewijsstukken te overleggen zoals hierboven is overwogen.

Houdt iedere verdere behandeling PRO FORMA aan tot een nader te bepalen datum in januari 2012, in afwachting van voormelde bewijsstukken van de vader en de reactie daarop van de moeder.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H. Schotman, voorzitter, tevens kinderrechter, A.S. van Leeuwen en A.S. Friedberg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 januari 2011, in tegenwoordigheid van A.M. Bergen, griffier.