Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BQ1172

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
14-04-2011
Datum publicatie
14-04-2011
Zaaknummer
11/805 en 10/2538
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Besluitbegrip. Verweerders hebben terecht gesteld dat hun beslissing om gebruik te gaan maken van de hen gegeven bevoegdheid in artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid,van de Awb. Feitelijke handelingen die zijn verricht in voorbereiding van de te nemen besluiten kunnen niet als een besluit worden aangemerkt. Van een schriftelijke beslissing, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling is geen sprake. Er is geen schriftelijke beslissing voorhanden en voor het aanwenden van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:36 van de Wro is dat ook geen voorwaarde. De beslissing is niet gericht op rechtsgevolg, nu deze enkel betrekking heeft op de voorbereiding van de voorgenomen besluiten bedoeld in artikel 3.36 van de Wro. Eerst van een dergelijk besluit gaat rechtsgevolg uit. De beslissing brengt voorts geen verandering in de rechtsverhouding ter zake van de beslissingsbevoegdheid. De brief van de minister van EZ,L & I van 23 september 2010 aan de Voorzitter van de TK kan om dezelfde reden niet als een besluit worden aangemerkt. Bezwaar van eiser is derhalve terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Om die reden is voorts terecht afgezien van horen. Het beroep is ongegrond. Voor het treffen van enige voorziening bestaat geen aanleiding. Het verzoek wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2011/146 met annotatie van Nijmeijer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummers: 11/508 BESLU en 10/2538 BESLU

Uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen,

eiser,

gemachtigde mr. A. de Snoo,

tegen

de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en

de minister van Infrastructuur en Milieu,

verweerders.

Aan het geding neemt tevens deel de besloten vennootschap Taqa Energy BV,

gemachtigde mr. G.C.W. van der Feltz.

Ontstaan en loop van de zaak

Op 30 september 2010 zijn, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 3.36, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), een zevental ontwerpbesluiten ten behoeve van het project “Gasopslag Bergermeer” door verweerders ter inzage gelegd.

Bij brieven van 12 oktober 2010 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de beslissing van verweerders om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 3.36 van de Wro.

Bij besluit van 9 februari 2011 hebben verweerders het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Bij brief van 2 maart 2011 is tegen dit besluit beroep ingesteld. Het hangende het bezwaar ingediende verzoek om een voorlopige voorziening te treffen is aangemerkt als verzoek om hangende het beroep zo een voorziening te treffen.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van 4 april 2011. Eiser is vertegenwoordigd door A. Hietbrink, wethouder in de gemeente Bergen, en D.E. Minkman, werkzaam bij verweerder als senior juridisch medewerker, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerders zijn vertegenwoordigd door mr. J.J. Kerssemakers, werkzaam bij het ministerie van Infrastructuur en Milieu, en mr. drs. J.H. Brouwer en mr. J.H. Keinemans, beiden werkzaam bij het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Namens

Taqa Energy BV is ter zitting verschenen [naam] bijgestaan door haar gemachtigde.

Motivering

1. Ingevolge artikel 3.36, eerste lid, van de Wro kunnen de projectminister en de minister wie het mede aangaat, indien een bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is een besluit als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onder b, te nemen, niet of niet tijdig overeenkomstig de aanvraag beslist, dan wel een beslissing neemt die naar het oordeel van deze ministers wijziging behoeft, een beslissing nemen. In dat geval treedt dit besluit in de plaats van het besluit van het in eerste instantie bevoegde bestuursorgaan. Indien genoemde ministers voornemens zijn om zelf een beslissing te nemen, dan plegen zij overleg met het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is te beslissen.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2. Ter beantwoording staat de vraag of verweerders terecht het door eiser gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk hebben verklaard. In dat verband dient te worden beoordeeld of de beslissing van verweerders om gebruik te zullen maken van hun bevoegdheid als bedoeld in artikel 3.36 van de Wro een besluit is in de zin van de Awb.

3. Verweerders hebben op 30 september 2010 de volgende ontwerpbesluiten ter inzage gelegd:

a. een bouwvergunning voor het gedeeltelijk veranderen van een bestaande gaswinlocatie;

b. een bouwvergunning voor een stroom-inkoopstation;

c. een bouwvergunning voor een tijdelijke booruitrusting en faciliteiten (zoals een geluidsscherm, keten en containers);

d. een bouwvergunning voor een tijdelijke portiersunit;

e. een lichte bouwvergunning voor tijdelijke (verblijfs) keten (mobiele verblijfs- dan wel opslagruimten;

f. een tijdelijke ontheffing op grond van artikel 3.22 Wro voor een portiersunit en (verblijfs)keten;

g. vergunningen op grond van 5.24, eerste lid, Algemene Plaatselijke Verordening Bergen 2009 (hierna: APV), 2.11, eerste lid, APV, 2.12, eerste lid, APV; ontheffingen op grond van 2.10, derde lid, APV, 5.33, vijfde lid, APV, 4.6, tweede lid, APV.

Naast deze (en andere) ontwerpbesluiten zijn met ingang van bovengenoemde datum ook het ontwerp-rijksinpassingsplan en de Milieu-effectrapportage (MER) ter inzage gelegd.

4. Ten aanzien van de (voorbereiding van de) besluiten die betrekking hebben op het project “Gasopslag Bergermeer” is bepaald dat het wenselijk is dat de voorbereiding en de bekendmaking van de te nemen besluiten worden gecoördineerd, als bedoeld in artikel 3.35 van de Wro. Bij toepassing van deze zogeheten rijkscoördinatietregeling is op de voorbereiding van de voor het project benodigde besluiten de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 van de Awb) van toepassing. Nu ook het rijksinpassingsplan deel uitmaakt van de gecoördineerde besluitvorming, staat gelet op het bepaalde in artikel 8.2, eerste lid, onder e, van de Wro tegen de – nog te nemen – besluiten beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerders zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat de in overweging 2 genoemde beslissing niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Vooropgesteld wordt dat – hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is – het opstellen en ter inzage leggen van de zeven ontwerpbesluiten feitelijke handelingen zijn en derhalve niet zijn aan te merken als een besluit in de zin van de Awb. Een schriftelijke beslissing, waaruit blijkt van enig besluit van verweerders, is niet voorhanden. Van een schriftelijke beslissing, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling is dus geen sprake. Voor het kunnen aanwenden van de in artikel 3.36 van de Wro aangeduide bevoegdheid is, gelet op het bepaalde in dit artikel, een zodanig besluit ook geen voorwaarde. De bevoegdheid vloeit immers rechtstreeks uit de wet voort. De beslissing is niet gericht op rechtsgevolg, nu deze beslissing slechts betrekking heeft op de voorbereiding van de voorgenomen besluiten, zoals is geregeld in artikel 3.36 van de Wro. Eerst van het besluit dat in de plaats treedt van het besluit van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan gaat een rechtsgevolg uit. Eiser kan ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat het rechtsgevolg waarop de beslissing is gericht een wijziging van de rechtsverhouding ter zake van de beslissingsbevoegdheid behelst. Artikel 3.36 van de Wro verbindt dit gevolg ook niet aan verweerders beslissing, noch is dit rechtsgevolg beoogd.

De brief van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 23 september 2010 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, waarin is aangegeven dat hij – met het oog op de weigering van eiser om de voor het project gasopslag Bergermeer benodigde besluiten aan te leveren – samen met de minister van Infrastructuur en Milieu gebruik zal gaan maken van de mogelijkheid om de bevoegdheid van de gemeente Bergen ten aanzien van deze besluiten over te nemen op grond van artikel 3.36 van de Wro, kan om dezelfde reden niet als een besluit in de zin van de Awb worden aangemerkt.

6. Gelet op het bepaalde in artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, onder a van de Awb, stond tegen de beslissing van verweerders geen bezwaar open. Het bezwaar van eiser is door verweerders dan ook terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Bij die beslissing is, gelet op het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb terecht van horen afgezien.

7. Het beroep is ongegrond. Voor het treffen van enige voorlopige voorziening bestaat geen aanleiding. Het verzoek zal worden afgewezen.

8. Bij deze beslissing is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzitter, mr. drs. W.P. van der Haak, en mr. W.A. Swildens, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2011 te Alkmaar.

griffier voorzitter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.