Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BQ1141

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
13-04-2011
Zaaknummer
121098 - FA RK 10-611
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

rechtbank begrijpt dat de informele rechtsingang, die in artikel 1:377g BW is gecreƫerd voor de minderjarige van twaalf jaar of ouder, eveneens open staat voor de minderjarige die een beslissing wenst op de voet van artikel 1:253a BW. Verzoek van de minderjarige betreffende de wijziging van zijn hoofdverblijfplaats wordt toegewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377g
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2011/99 met annotatie van P. Vlaardingerbroek
FJR 2011/66
EB 2012/7

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

DW

zaak- en rekestnummer: 121098 / FA RK 10-611

datum: 16 februari 2011

Beschikking van de meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

In de zaak van:

[minderjarige] (verder:[het kind]),

geboren op[geboortedatum] in de gemeente Alkmaar.

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter griffie van deze rechtbank is op 2 juli 2010 een brief van het minderjarige [het kind] ingekomen, waarin hij (kort gezegd) verzoekt om zijn hoofdverblijfplaats bij zijn vader vast te stellen.

De rechtbank heeft bij beschikking, gegeven op 14 juli 2010, mr. I.H. van Lingen-Schuur benoemd tot bijzondere curator over het minderjarige[het kind].

Mr. I.H. van Lingen-Schuur heeft bij brief van 24 augustus 2010 een tussentijds verslag, in haar hoedanigheid van bijzondere curator, uitgebracht.

De rechtbank heeft de zaak pro forma aangehouden tot 30 december 2010 voor uitlating mr. I.H. van Lingen-Schuur aangaande de definitieve verblijfplaats van [het kind].

Bij brief van 17 januari 2011 heeft mr.P.P.J.L. Appelman namens de moeder van [het kind], mevrouw [moeder], meegedeeld dat zij zich neerlegt bij het verzoek van [het kind].

Mr. I.H. van Lingen-Schuur heeft de rechtbank bij faxbericht van 20 januari 2011 meegedeeld dat [het kind] nog steeds bij zijn vader, de heer [vader], woont. Zij verzoekt de hoofdverblijfplaats van [het kind] bij zijn vader vast te stellen.

DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

Deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 oktober 2007 tussen de ouders van [het kind] de echtscheiding uitgesproken. Daarbij is, voor zover hier van belang, bepaald dat [het kind] zijn gewone verblijfplaats bij zijn moeder zal hebben.

[het kind] heeft in een brief aan de Kinderrechter meegedeeld dat hij liever bij zijn vader wil wonen.

De door de rechtbank bij beschikking van 14 juli 2010 benoemde bijzondere curator heeft de wens van[het kind] bevestigd en voorts meegedeeld dat de ouders van [het kind] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, die heeft plaatsgevonden in het kader van een door de moeder van [het kind] aangespannen Kort Geding, hebben afgesproken dat [het kind] tot aan de kerstvakantie bij zijn vader zal blijven wonen.

Mr. I.H. van Lingen-Schuur heeft de rechtbank bij telefaxbericht van 20 januari 2011 verzocht de hoofdverblijfplaats van [het kind] definitief bij zijn vader vast te stellen. Uit de door mr. P.P.J.L. Appelman, namens de moeder, aan de rechtbank gezonden brief, gedateerd 17 januari 2011, blijkt dat de moeder zich neerlegt bij het verzoek van [het kind]

De behandelend rechter heeft de zaak vervolgens voor beraadslaging verwezen naar de meervoudige kamer.

De rechtbank acht het verzoek om vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [het kind] bij zijn vader ontvankelijk en overweegt daartoe als volgt.

In artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt artikel 1:377g BW van overeenkomstige toepassing verklaard. De rechtbank begrijpt dit aldus dat de informele rechtsingang, die in artikel 1:377g BW is gecreƫerd voor de minderjarige van twaalf jaar of ouder, eveneens open staat voor de minderjarige die een beslissing wenst op de voet van artikel 1:253a BW. Aldus kan de minderjarige aan de rechter kenbaar maken dat hij prijs stelt op een ambtshalve beslissing ten aanzien van een regeling omtrent de uitoefening van het ouderlijk gezag als bedoeld in artikel 1:253a, tweede lid, BW. Uit onderdeel b van deze bepaling volgt dat een regeling omtrent de uitoefening van het ouderlijk gezag ook kan omvatten de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. Artikel 1:253a BW is ingrijpend gewijzigd met de inwerkingtreding van de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige echtscheiding op 1 maart 2009.

Nu artikel 1:377g BW slechts verwijst naar regelingen betreffende omgang en/of de informatie- en consultatieplicht, rijst de vraag of bij de wijziging van artikel 1:253a BW beoogd is om de informele rechtsingang ook open te stellen voor verzoeken van een minderjarige aan de rechter om ambtshalve te beslissen over (wijziging van) de hoofdverblijfplaats van de minderjarige. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Uit de Memorie van Toelichting bij de Wet voortgezet ouderschap en zorgvuldige echtscheiding valt niet af te leiden dat beoogd is om beslissingen rond het hoofdverblijf van de minderjarige uit te zonderen van de informele rechtsingang. Een dergelijk uitzondering zou zich ook slecht verdragen met de mogelijkheid die een minderjarige heeft om zijn wensen omtrent een omgangs- (met een niet gezaghebbende ouder) dan wel een zorg- en opvoedingsregeling (met een gezaghebbende ouder) via de informele rechtsingang aan de rechter kenbaar te maken. Niet valt in te zien dat een minderjarige wel invloed zou mogen uitoefenen op bijvoorbeeld een in het kader van een dergelijke regeling overeengekomen co-ouderschap, maar geen initiatief zou mogen nemen tot het uitlokken van een beslissing over de plaats waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Het niet openstellen van de informele rechtsingang ten aanzien van een beslissing over de hoofdverblijfplaats zou zich bovendien slecht verdragen met de uitleg die de Hoge Raad in zijn uitspraak van 4 april 2008 (LJN nummer BC 2241) geeft aan 1:251a, vierde lid, BW. In zijn uitspraak stelt de Hoge Raad de informele rechtsingang van de minderjarige op grond van laatstgenoemde bepaling ook open voor de minderjarige van twaalf jaar of ouder (of de minderjarige van jonger dan twaalf jaar die in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen) die na een echtscheiding een wijziging van de gezamenlijke gezagsuitoefening naar een eenhoofdige gezagsuitoefening wenst te bewerkstelligen. Zou de informele rechtsingang niet ten aanzien van een beslissing over de hoofdverblijfplaats gelden, dan zou een minderjarige de rechter slechts via het verderstrekkende verzoek tot vaststelling van het eenhoofdig gezag (bij de ouder bij wie hij zijn hoofdverblijfplaats wenst te hebben) tot een oordeel kunnen bewegen omtrent de door hem verlangde wijziging van zijn hoofdverblijfplaats. De rechtbank acht dit niet wenselijk in een geval als het onderhavige waar de minderjarige zich niet verzet tegen de gezamenlijke uitoefening van het gezag door zijn vader en moeder, maar wel problemen heeft met de bij de echtscheidingsbeschikking van 4 oktober 2007 vastgestelde verblijfplaats.

Gelet op de overeenstemming die [het kind] en zijn ouders inmiddels hebben bereikt, zal de rechtbank, onder wijziging van de beschikking van 4 oktober 2007 van deze rechtbank, bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [het kind] bij zijn vader zal zijn, nu dit in het belang van de minderjarige is.

DE BESLISSING

De rechtbank:

Wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 4 oktober 2007 en bepaalt dat

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] in de gemeente Alkmaar, zijn hoofdverblijfplaats bij zijn vader, de heer[vader]zal hebben.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.G.H. Beckers, mr. M.M. van Weely en mr. A.S. van Leeuwen leden van gemelde kamer, tevens kinderrechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag, 16 februari 2011, in tegenwoordigheid van D.J. Witsen, griffier.