Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BP6689

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
04-03-2011
Zaaknummer
14.811023-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een minderjarige verdachte - ondanks zijn weigering mee te werken aan het onderzoek door het Forensisch Consortium Adolescenten (ForCa) - veroordeeld tot de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van 2 jaren voor een poging tot een gewapende overval op een casino in vereniging gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat – gelet op de verklaring van zijn mededader als getuige ter zitting afgelegd en overig belastend bewijsmateriaal – de ontkennende verklaring van verdachte als kennelijk leugenachtig moet worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer: 14/811023-10 (P)

Datum uitspraak : 2 maart 2011

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor kinderstrafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], [postcode en woonplaats],

thans verblijvende in het forensisch behandelcentrum Amsterbaken te Amsterdam.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 februari 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte, mr. N. Assouiki, advocaat te Tilburg, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is, nadat een vordering strekkende tot nadere omschrijving van de tenlastelegging is toegelaten, ten laste gelegd dat

Ten aanzien van feit 1:

hij op of omstreeks 04 januari 2010 in de gemeente Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen:

A. met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van geld en/of (een) goed(eren), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam onderneming], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of

B. met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een amusementshal (casino "[naam casino]") aan de [adres 1] weg te nemen geld en/of (een) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [naam onderneming], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

die amusementshal (casino "[naam casino]") aan [adres 1], is/zijn binnengegaan en/of (vervolgens) (ieder) een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) heeft/hebben gericht op, althans in de richting van die aldaar aanwezige casinomedewerker [slachtoffer 1],

terwijl de uitvoering van voornoemd(e) misdrijf/misdrijven niet is voltooid.

Ten aanzien van feit 2:

hij op of omstreeks 12 februari 2009 in de gemeente Alkmaar

A. met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte

van een of meer geldbedrag(en), in elk geval van enig geldbedrag, geheel of

ten dele toebehorende aan Shell-tankstation "[naam]", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

en/of

B. met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een tankstation, gelegen aan [adres 2], heeft weggenomen een of meer geldbedragen (totaal ongeveer 280 euro), in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan Shell-tankstation "[naam]", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk ad A. en/of ad B. genoemd geweld en/of welke daar genoemde bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat:

verdachte een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die zich achter de kassa bevindende [slachtoffer 2] heeft gericht en/of haar (daarbij) de woorden heeft toegevoegd: "geld, geld" en/of "maak de geldla open, geld, anders schiet ik je kop eraf." althans woorden van soortgelijke aard of strekking;

ten aanzien van feit 3 (parketnummer 811013-10)

hij op of omstreeks 25 februari 2010 in de gemeente Alkmaar (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een veerdrukpistool (met uitneembare houder), zijnde (een) voorwerp(en) dat/die voor wat betreft zijn/hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) en/of met (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Vrijspraak

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte zal derhalve van dit feit worden vrijgesproken.

5. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

Feit 1:

Op 4 januari 2010 omstreeks 18.54 uur heeft een poging tot overval plaatsgevonden op het casino “[naam casino]” aan [adres 1] te Alkmaar. Uit de beelden van de beveiligingscamera’s en de verklaring van een casinomedewerker blijkt dat hierbij twee overvallers betrokken zijn geweest die beiden gebruik maakten van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Beide daders zijn, nadat de casinomedewerker naar boven was gevlucht, zonder buit het casino uitgerend. Verdachte ontkent elke betrokkenheid bij het feit.

De rechtbank zal dienen te beoordelen of verdachte schuldig is aan het (mede)plegen van voornoemde poging tot overval.

Feit 3:

Op 25 februari 2010 wordt verdachte aangehouden door de politie. Bij die aanhouding is de tas die verdachte bij zich had doorzocht. In de tas van verdachte is een veerdrukpistool aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat het pistool van zijn broertje is en dat hij niet wist dat het pistool in de tas zat.

De rechtbank zal dienen te beoordelen of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verboden wapenbezit.

B. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten.

C. Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1:

Verdachte ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan de poging tot overval op het casino “[naam casino]” te Alkmaar op 4 januari 2011. De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat er geen direct bewijs voorhanden is voor betrokkenheid van verdachte bij dit feit. Ten aanzien van het aantreffen van de sweater van verdachte op de vluchtroute van de daders, heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat de verklaring van verdachte dat hij die sweater reeds enige tijd voor het delict is kwijtgeraakt, op waarheid berust, hetgeen zou kunnen betekenen dat een ander dan verdachte de sweater tijdens de poging tot overval heeft gedragen.

Ten aanzien van de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte], die verdachte aanwijst als degene met wie hij het onderhavige feit gepleegd heeft, stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat [medeverdachte], door verdachte als zijn mededader aan te wijzen, mogelijk de echte mededader uit de wind tracht te houden. De raadsvrouw twijfelt derhalve aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte].

Ten aanzien van feit 3:

Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat het veerdrukpistool in de tas zat.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van dit feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

D. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Feit 1: poging tot overval op casino “[naam casino]” te Alkmaar op 4 januari 2010

[aangever] doet namens de benadeelde partij [naam onderneming] aangifte van een poging tot overval op het casino “[naam casino]” aan [adres 1] te Alkmaar op 4 januari 2010. [aangever] verklaart dat hij op 4 januari 2010 omstreeks 19.30 uur wordt gebeld door een medewerker van het casino, [slachtoffer 1], die hem vertelt dat er een poging tot overval heeft plaatsgevonden. [aangever] gaat naar het casino en bekijkt de camerabeelden waarop is te zien dat op 4 januari 2010 omstreeks 18.44 uur twee jongensachtige personen het casino binnen komen lopen. De voorste persoon draagt een zwarte sweater met capuchon die hij over zijn hoofd heeft getrokken en in zijn linkerhand heeft hij een zwartkleurig pistool. De tweede persoon draagt een witte/lichtgrijze sweater met een soort rechthoekig motief met een capuchon welke hij over zijn hoofd heeft. Onder de capuchon draagt hij een zwart petje. In zijn rechterhand heeft hij een zwartkleurig pistool. Beide personen lopen met gestrekte armen met in de hand een pistool gericht op de kassa naar binnen. Vervolgens ziet [aangever] dat [slachtoffer 1] zich omdraait en wegloopt door een deur naar achteren. De beide overvallers lopen door tot aan de kassa waarna ze zich omdraaien en met versnelde pas het pand verlaten. Er is niets weggenomen.

Op 7 januari 2011 verklaart [slachtoffer 1] dat hij op 4 januari 2010 omstreeks 18.45 uur aan het werk was als casinomedewerker in het casino aan de [adres 1] te Alkmaar.

Hij stond achter de kassa en zag ineens twee personen de zaak binnen komen lopen. Hij zag dat ze een muts op hadden en het viel hem op dat ze de bekleding om hun gezicht niet afdeden. Hij zag dat ze met versnelde pas en met een gestrekte arm in zijn richting kwamen lopen. Hij vertrouwde het niet, heeft zich omgedraaid en is naar boven gegaan waar hij de politie heeft gebeld.

Op 4 januari 2010 te 22.00 uur bekijkt verbalisant [verbalisant 1 ], naar aanleiding van de poging tot overval op het casino, de camerabeelden die door beveiligingscamera’s gemaakt zijn in de binnenstad van Alkmaar. Op deze beelden ziet hij dat de verdachten na de poging overval via het Fnidsen naar de Hekelstraat rennen en vervolgens uit beeld verdwijnen. Op een gegeven moment heeft de verdachte met de witte sweater een zwart shirt aan. Verbalisant [verbalisant 1 ] vraagt de collega’s van de nachtdienst of ze kunnen kijken op de vluchtroute of ze kledingstukken aantreffen.

Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] stellen naar aanleiding van de bevindingen van verbalisant [verbalisant 1 ] een onderzoek in en zoeken de vluchtroute van de daders af naar een witte sweater. Verbalisant [verbalisant 2] treft lopend over het Fnidsen en komend vanaf de Hekelstraat bij een doodlopende inham op de grond een witte sweater aan met daarop meerdere afgebeelde schedels. De sweater wordt veiliggesteld en in beslaggenomen.

Het NFI bemonstert beide manchetten van de aangetroffen en in beslag genomen

sweater . Uit dit onderzoek komt het DNA profiel van een onbekende man. Dit profiel wordt opgeslagen en later blijkt dat het DNA profiel van verdachte [verdachte] overeenkomt met het DNA uit de bemonstering van de sweater .

Op 5 mei 2010 verklaart [medeverdachte] tegenover de politie dat hij op 4 januari 2010 samen met “Mussie” geprobeerd heeft het casino “[naam casino]” te overvallen. Op een foto herkent [medeverdachte] “Mussie” als de verdachte [verdachte]. [medeverdachte] belt [verdachte] op 4 januari 2010 en spreekt af bij de Molen van Piet in Alkmaar. Daar spreken ze af om “iets te gaan pakken” en ze bekijken elkaars wapens. Ze lopen vervolgens door de stad om te kijken waar ze het kunnen gaan doen. [verdachte] is diezelfde middag ook nog alleen weggeweest. Wanneer ze weer bij elkaar zijn komt [medeverdachte] op het idee om het casino “[naam casino]” te overvallen. [medeverdachte] en [verdachte] gaan vervolgens naar binnen met het idee dat de man onder bedreiging van de wapens wel geld zal afgeven. Wanneer ze het casino binnen gaan loopt de man achter de kassa echter weg en rennen [medeverdachte] en [verdachte] vervolgens ook weg. Ze rennen via het Fnidsen en de Hekelstraat naar [naam café]. Volgens [medeverdachte] heeft [verdachte] wanneer hij [naam café] weer verlaat de sweater met de doodshoofdjes niet meer aan.

[medeverdachte] wordt tijdens zijn verhoor bij de politie geconfronteerd met de sweater met doodshoofdjes die is aangetroffen op de vluchtroute en hij herkent de sweater als de sweater die [verdachte] droeg tijdens de poging tot overval. [medeverdachte] verklaart dat de overval zijn idee was maar dat hij [verdachte] nodig had omdat [verdachte] had gezegd dat hij dat soort dingen al vaker gedaan had en in verband met de rugdekking die hij dacht nodig te hebben.

Deze verklaring heeft [medeverdachte] ter terechtzitting van 16 februari 2011, als getuige in de zaak tegen de verdachte [verdachte], herhaald.

Bewijs

De verklaringen van [medeverdachte]

De rechtbank zal de verklaringen van [medeverdachte], afgelegd tegenover de politie en als getuige ter terechtzitting in de zaak tegen verdachte voor het bewijs gebruiken, omdat deze naar het oordeel van de rechtbank betrouwbaar zijn. Daartoe is in de eerste plaats redengevend dat [medeverdachte] in zijn verklaringen mede zichzelf heeft belast. Daarnaast heeft hij gedetailleerd en uitvoerig verklaard over hoe een en ander voorafgaand, tijdens en na afloop van de poging tot overval is gegaan en hij heeft daarover grotendeels consistent verklaard. Voorts heeft de politie de aangevers gehoord, telefoongegevens onderzocht, camerabeelden bekeken, onderzoek gedaan op de vluchtroute van de daders en [medeverdachte] geconfronteerd met hun bevindingen. Dit heeft op verschillende onderdelen ondersteunend bewijsmateriaal opgeleverd.

De witte sweater met de doodshoofdjes.

Tijdens zijn verhoor ter terechtzitting van 16 februari 2011 als getuige in de zaak tegen verdachte heeft [medeverdachte] de verdachte nogmaals aangewezen als zijnde de “Mussie” waarmee hij geprobeerd heeft het casino te overvallen op 4 januari 2010. [medeverdachte] is als getuige ter terechtzitting geconfronteerd met een foto van de sweater met de doodshoofdjes die de politie op de vluchtroute van de daders heeft aangetroffen. [medeverdachte] heeft tegenover de rechtbank verklaard dat de sweater op de foto de sweater is die verdachte die bewuste dag droeg. Voorts heeft [medeverdachte] verklaard dat hij zag dat verdachte, toen hij het [naam café ] verliet, die sweater niet meer aan had, hetgeen wordt ondersteund door de bevindingen van verbalisant [verbalisant 1 ], die de beelden van de poging overval heeft bekeken alsmede de beelden van diverse camera’s in de binnenstad , en door het kort daarna aantreffen van de sweater door verbalisanten in de nabijheid van [naam café].

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de raadsvrouw dat de sweater mogelijk is gedragen door een ander dan verdachte nu uit het onderzoek door het NFI is gebleken dat slechts één DNA profiel is aangetroffen op de sweater welk profiel overeenkomt met het DNA profiel van verdachte. Er is naast het DNA profiel van verdachte geen ander DNA profiel of een zogenaamd mengprofiel op de sweater aangetroffen wat er eventueel op zou kunnen duiden dat ook een ander dan verdachte de sweater heeft gedragen.

De verklaring van verdachte

Verdachte heeft bij de politie tijdens zijn vijfde verhoor , alsmede ter terechtzitting, verklaard dat hij op 4 januari 2010 ’s rond 13.30 uur naar Heemskerk is gegaan en vervolgens naar Amsterdam. Hij is gebleven bij zijn verklaring dat hij op 4 januari 2010 tussen 13.30 uur en 21.30 uur niet in Alkmaar is geweest en dus niet betrokken is bij de poging tot overval van het casino.

Naar aanleiding van deze verklaring van verdachte heeft de politie een onderzoek ingesteld naar de printlijstgegevens van de eerder opgevraagde historische verkeersgegevens van de gsm van verdachte met telefoonnummer [mobielnummer] op 4 januari 2010. Uit dit onderzoek blijkt dat het telefoonnummer van verdachte op 4 januari 2010 tussen 13.30 uur en 21.30 uur niet uit de omgeving van Alkmaar is geweest en zeker niet in de omgeving van Amsterdam of Heemskerk is geweest.

Verdachte verklaart tegenover de politie in zijn tweede verhoor op 14 april 2010 op pagina 124 op de vraag of hij zijn telefoon wel eens uitleent: “Nee, nee”.

De rechtbank is van oordeel dat uit voorgaande blijkt dat de verdachte kennelijk leugenachtig verklaart over zijn doen en laten ten tijde van de overval.

Nu voorts uit het voorgaande blijkt dat de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, een en ander zoals hierna weergegeven in de bewezenverklaring.

Feit 3: voorhanden hebben van een veerdrukpistool op 25 februari 2010

Op 25 februari 2010 worden, naar aanleiding van een melding dat drie mannen zich verdacht ophouden bij een complex aan het Tuinderspad te Alkmaar, door verbalisanten drie personen aangehouden, die voldoen aan het opgegeven signalement. Een van deze personen blijkt verdachte te zijn . Verbalisant [verbalisant 4] vraagt of hij in de tas van verdachte mag kijken en treft na verkregen toestemming daarin onder een stapel kleren een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan.

Het wapen dat is aangetroffen in de tas van verdachte wordt onderzocht op 26 februari 2010 en het blijkt te gaan om een zwart veerdrukpistool met uitneembare houder en het kan worden aangemerkt als een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie 1 onder 7 van de Wet wapens en munitie, verbodsartikel 13 Wwm.

Verdachte verklaart in eerste instantie tegenover de politie dat de desbetreffende rugtas van hem is, dat het wapen van zijn broertje is en dat hij niet wist dat het wapen in die tas zat. Meteen daarna verklaart hij dat niet alleen het wapen van zijn broertje is maar ook de tas waarin het wapen is aangetroffen. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij het wapen niet heeft gezien toen hij zijn sportkleding in de tas deed omdat het wapen in een apart vak zat. Uit eerdergenoemd proces-verbaal van bevindingen blijkt echter dat de verbalisant het wapen niet aantreft in een apart vak maar in de tas onder de kleding van verdachte.

[medeverdachte] is als getuige op de terechtzitting geconfronteerd met een foto van het wapen dat in de tas van verdachte is aangetroffen en heeft verklaard dat het lijkt op het wapen dat verdachte bij zich had toen hij en verdachte op 4 januari 2010 poogden het casino aan [adres 1] te Alkmaar te overvallen.

Voor de strafbaarheid van het onder 3 ten laste gelegde voorhanden hebben van een wapen is vereist dat verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van dat wapen.

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden ten aanzien van de tas, het aantreffen in die tas van het wapen, alsmede de omstandigheid dat is komen vast te staan dat verdachte zich een aantal weken voor de aanhouding schuldig heeft gemaakt aan de poging tot een gewapende overval waarbij hij, volgens de verklaring van zijn mededader, gebruik heeft gemaakt van een soortgelijk wapen, is komen vast te staan dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van het wapen in de tas.

De rechtbank het onder 3 ten laste gelegde derhalve wettig en overtuigend bewezen, een en ander zoals hierna weergegeven in de bewezenverklaring.

E. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 3 ten laste heeft begaan, met dien verstande dat:

Ten aanzien van feit 1:

hij op 4 januari 2010 in de gemeente Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van geld, toebehorende aan [naam onderneming], de amusementshal, casino "[naam casino]", aan [adres 1], is binnengegaan en dat vervolgens ieder een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gericht op de aldaar aanwezige casinomedewerker [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van voornoemd misdrijf niet is voltooid.

Ten aanzien van feit 3:

hij op 25 februari 2010 in de gemeente Alkmaar een wapen van categorie I onder 7°, te weten een veerdrukpistool, met uitneembare houder, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Blijkens het rapport van het Forensisch Consortium Adolescenten (ForCa) van 14 december 2010 kan, vanwege de weigering van verdachte om mee te werken aan het onderzoek, geen uitspraak worden gedaan over de (mate van) toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Verdachte is derhalve strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De oplegging van de maatregel

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er bij verdachte, gelet op het rapport van het ForCa van 14 december 2010 sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis waarvoor een langdurige behandeling noodzakelijk is. De officier van justitie acht langdurige behandeling in een gestructureerd kader noodzakelijk omdat een dergelijke behandeling binnen een gesloten setting de enige oplossing is om een verandering in het gedrag van verdachte te bewerkstelligen. De behandeling kan niet anders plaatsvinden dan in het kader van de maatregel van Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen voor de duur van twee jaar. Naar het oordeel van de officier van justitie is aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van de maatregel voldaan, waarbij de officier van justitie benadrukt dat oplegging van de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot de maatregel Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen voor de duur van twee.

Standpunt van de verdachte/de verdediging

De raadsvrouw heeft zich in haar pleidooi verzet tegen oplegging van de door de officier van justitie geëiste maatregel, nu deze als ultimum remedium dient te gelden en verdachte mogelijk ook in een ambulant kader behandeld kan worden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

Bij de bepaling van de duur en de vorm van de maatregel heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Op 4 januari 2010 heeft verdachte samen met een ander gepoogd het casino “[naam casino]” te Alkmaar te overvallen. Verdachte en zijn mededader zijn, ieder met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de hand, het casino binnengegaan. Vooraf hadden zij hun gezichten bedekt door middel van capuchons en petjes om herkenning te voorkomen. Toen de casinomedewerker de twee overvallers op zich af zag komen, is hij weggerend waarna ook de beide daders het casino hebben verlaten. Daarnaast is verdachte enkele weken later aangetroffen door de politie met een wapen dat sterke gelijkenis vertoont met het wapen waarmee hij getracht heeft het casino te overvallen.

De rechtbank rekent verdachte zwaar aan dat hij puur uit materiële overwegingen heeft gehandeld en op dat moment niet heeft stilgestaan bij de angst die hij, samen met zijn mededader, teweeg bracht bij de medewerker van het casino. Uit de stukken blijkt dat deze medewerker al meerdere keren een soortgelijke situatie heeft meegemaakt en dat hij sinds het onderhavige feit overspannen thuis zit.

Delicten als het onderhavige zijn zeer ernstige feiten. De ervaring leert dat slachtoffers van berovingen zoals verdachte en zijn mededader zich hadden voorgenomen, daarvan langdurig ernstige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Dergelijke feiten veroorzaken bovendien gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam staand uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 12 januari 2011 waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld in verband met het medeplegen van vernieling.

- Het psychologisch rapport gedateerd 16 juni 2010, uitgebracht door D. Breuker, gezondheidszorg- en forensisch psycholoog.

- Het tweede perspectiefplan gedateerd 12 juli 2010 uitgebracht door M. de Jonge van R.I.J. de Doggershoek.

- het klinisch multidisciplinair onderzoek van het ForCa, gedateerd 14 december 2010, opgemaakt en ondertekend door T.Smits, Gz-psycholoog en A. Krabbendam, kinder- en jeugdpsychiater.

- Het adviesrapport van Bureau Jeugdzorg d.d. 17 januari 2011, uitgebracht door M. Bilars van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, afdeling jeugdreclassering.

- het strafadvies van de Raad voor de Kinderbescherming, gedateerd 7 februari 2011.

Het rapport van het ForCa houdt onder meer het volgende in:

Verdachte lijdt aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Vanaf veertienjarige leeftijd heeft hij politiecontacten en hij is veroordeeld. Daarnaast is er sprake van oneerlijkheid (liegen), een onvermogen om vooruit te plannen en er is sprake van prikkelbaarheid en agressiviteit. Verder is er sprake van een constante onverantwoordelijkheid. Tot slot is er sprake van een gedragsstoornis, beginnend in de adolescentie (in ieder geval voor het vijftiende jaar). Verder is er cognitief gezien sprake van gemiddelde handelingsgerichte capaciteiten en zwakbegaafde verbale capaciteiten. Vanuit het onderzoek komen geen eenduidige aanwijzingen naar voren die duiden op een ontwikkelingsstoornis (ASS) of een andere psychiatrische stoornis in engere zin. Echter, omdat verdachte zich niet heeft laten onderzoeken gedurende de observatieperiode kan dit niet met zekerheid uitgesloten worden.

In het algemeen kan er gesteld worden dat er bij verdachte sprake is van een zorgelijke ontwikkeling. Vanaf jonge leeftijd worden er gedragproblemen gerapporteerd. Verdachte heeft in het verleden crimineel gedrag vertoond en heeft voorwaarden die zijn opgelegd geschonden. Dossierinformatie doet sterk vermoeden dat er sprake is manipulatie, het zoeken van sensatie, pathologisch liegen en onverantwoordelijk gedrag. Tot slot lijkt er sprake te zijn van een gebrek aan berouw en een gebrek aan emotionele diepgang. Deze factoren kunnen in zijn algemeenheid bijdragen aan verhoging van het recidiverisico.

Verdachte heeft tijdens zijn ambulante behandeling en begeleiding onvoldoende motivatie tot verandering getoond. Ook zijn ouders hebben zich wisselend ingezet en lijken nu niet achter een behandeladvies te staan. Er zijn zorgen rondom het probleembesef en –inzicht van de ouders en de mate waarin zij toezicht en grenzen kunnen bieden aan hun zoon.

Op sociaal- en maatschappelijk gebied zijn er aanwijzingen dat verdachte onvoldoende is ingebed. Zo disfunctioneert hij op het gebied van school en werk en heeft hij een financiële schuld.

Om de ontwikkeling gunstig te beïnvloeden wordt het nodig geacht dat verdachte een traject aangeboden krijgt waar hem voldoende (externe) structuur wordt geboden en waar de gewetensontwikkeling wordt gestimuleerd. Een antisociale persoonlijkheidsstoornis vergt een langdurige behandeling door gespecialiseerde behandelaren. Er dient aan de agressieregulatie te worden gewerkt. Ook dient er meer zicht te komen op de gewetensontwikkeling en de sociaal-emotionele ontwikkeling van verdachte, evenals op zijn motivering en overwegingen omtrent zijn gedrag. Verder dient er nader onderzoek plaats te vinden om de aanwezigheid van een eventuele ontwikkelingsstoornis vast te stellen of uit te sluiten.

Vanuit het dossier blijkt dat hulp in het gezin tot nu toe niet het gewenste effect heeft gehad. De begeleiding vanuit Stichting MEE en de (naar de rechtbank begrijpt:) opdracht Hulp en Steun hebben tot nu toe geen resultaat gesorteerd. Intensieve hulpverlening in een ambulant kader is bij verdachte niet van de grond gekomen vanwege onvoldoende medewerking van verdachte en de ouders. Door de gebrekkige motivatie van verdachte en ouders, het feit dat de ouders onvoldoende toezicht hebben op verdachte en gelet op de zorgelijke ontwikkeling van verdachte wordt geen intensieve ambulante behandeling geadviseerd. Geadviseerd wordt de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen aan verdachte op te leggen. Deze maatregel wordt gezien als een laatste optie om de negatieve ontwikkeling van verdachte te keren.

De rechtbank kan zich vinden in de inhoud en de conclusie van het rapport van het ForCa.

Ter terechtzitting van 16 februari 2011 heeft de deskundige T. Smits nogmaals bevestigd dat er, gelet op de wijze waarop de hulpverlening in het verleden is verlopen, weinig vertrouwen is in een ambulante behandeling van verdachte. De maatregel is nodig om verdachte te kunnen bijsturen en bijbuigen. In een gesloten setting kan verdachte constant geconfronteerd worden met zijn eigen gedrag. Buiten de inrichting kan hij zich daaraan onttrekken.

Blijkens voornoemde rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg zijn ook zij de mening toegedaan dat verdachte behandeld moet worden in het kader van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

De rechtbank stelt vast dat het onder 1 bewezen verklaarde feit een misdrijf is waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Op grond van hetgeen in het rapport van het ForCa en het adviesrapport van Bureau Jeugdzorg is vermeld en gelet op hetgeen de deskundige T. Smits ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eisen.

Gelet op de zeer zorgelijke ontwikkeling van verdachte, de bij hem geconstateerde antisociale persoonlijkheidsstoornis en de omstandigheid dat ambulante hulpverlening in het verleden blijkbaar niet goed van de grond is gekomen door de gebrekkige motivatie van verdachte en zijn ouders, is de rechtbank van oordeel dat onder de huidige omstandigheden het opleggen van deze maatregel aan verdachte het meest in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling moet worden geacht.

9. De vordering van de benadeelde partij (feit 1)

De benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [adres], [postcode en woonplaats], heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 445,16 wegens schade die de verdachte met zijn mededader aan de benadeelde partij heeft toegebracht. Voorts wordt de wettelijke rente over dit bedrag gevorderd.

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen omdat zij vrijspraak heeft bepleit ter zake van feit 1 en subsidiair heeft zij aangevoerd dat de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering nu uit de door de benadeelde partij overgelegde nota van het Zilveren Kruis/ Achmea blijkt dat de schade reeds is ontstaan een aantal maanden voordat de poging overval plaatsvond en nu er geen andere stukken zijn overgelegd die helderheid verschaffen ten aanzien van het gevorderde bedrag.

De rechtbank leidt uit de door de benadeelde partij overgelegde nota van het Zilveren Kruis/Achmea af dat hij in therapie is geweest bij de GGZ Noord-Holland-Noord van 17 september 2009 tot en met 20 april 2010. De kosten van deze therapie bedroegen

€ 496,00.

De benadeelde partij vordert thans een bedrag van € 445,16 dat door de verzekering niet is vergoed in verband met eigen bijdrage/eigen risico.

Uit de nota blijkt dat de therapie is gestart op 17 september 2009, ruim drie maanden voordat het onder 1 bewezen verklaarde feit plaatsvond. Uit het strafdossier blijkt dat de benadeelde partij op 7 januari 2010 bij de politie heeft verklaard meerdere malen getuige/slachtoffer te zijn geweest van een soortgelijk incident.

Onder deze omstandigheden kan, naar het oordeel van de rechtbank, niet gesteld worden dat de therapie en de daaruit voortvloeiende vordering het directe gevolg zijn van de gedragingen van verdachte en zijn mededader.

Nu het rechtstreeks verband tussen de geleden schade en het onder 1 bewezen verklaarde feit niet is aangetoond, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 77a, 77g, 77s, 77gg, 45, 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11.Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Legt aan de verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van twee jaar.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Westdorp, voorzitter en tevens kinderrechter,

mr. M.E. Francke en mr. E.J.M. Tuijp, rechters,

in tegenwoordigheid van M. Woudman, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 maart 2011.

Mr. Tuijp is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.