Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BP5386

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
17-02-2011
Datum publicatie
22-02-2011
Zaaknummer
14.702771-09
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens artikel 6 WVW 1994. Verwerping verweer ontoerekeningsvatbaarheid wegens dissociatieve stoornis in samenhang met alcoholgebruik.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2011/32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer: 14.702771-09 (P)

Datum uitspraak: 17 februari 2011

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres en woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 februari 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. M.P.J. Appelman, advocaat te Hoorn, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, ten laste gelegd dat

Primair hij op of omstreeks 15 augustus 2009 te Zwaag, gemeente Hoorn, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Oostergouw, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden over genoemde rijbaan,

- met (zeer) hoge snelheid, in ieder geval met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse en/of

- zonder dat de noodzaak van het verkeer het hem, verdachte, gebood, (plotseling) (zeer) hard te remmen en/of

- zijn voertuig niet bij voortduring onder controle te houden, althans niet in staat te zijn de handelingen te verrichten die van hem als bestuurder mochten worden vereist,

waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig, een groenstrook, welke was gelegen tussen de rijstroken van die Oostergouw, is opgereden en vervolgens in aanrijding of botsing is gekomen met (achtereenvolgend) een verkeerszuil en/of een lantaarnpaal, waarna het voertuig in een slip is geraakt en linksomdraaiend tegen een in de groenstrook staande boom tot stilstand is gekomen,

waardoor een inzittende van het door hem, verdachte, bestuurde voertuig, (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten meervoudige onderbeenbreuk (scheen- en kuitbeen), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede of derde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

Subsidiair hij op of omstreeks 15 augustus 2009 te Zwaag, gemeente Hoorn, als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,22 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem/haar voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden;

en/of

hij op of omstreeks 15 augustus 2009 te Zwaag, gemeente Hoorn, als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) daarmee heeft gereden op de weg de Oostergouw,

- met (zeer) hoge snelheid, in ieder geval met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse en/of

- zonder dat de noodzaak van het verkeer het hem, verdachte, gebood, (plotseling) (zeer) hard heeft geremd en/of

- zijn voertuig niet bij voortduring onder controle heeft gehouden, althans niet in staat is geweest de handelingen te verrichten die van hem als bestuurder mochten worden vereist,

waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig, een groenstrook, welke was gelegen tussen de rijstroken van die Oostergouw, is opgereden en vervolgens in aanrijding of botsing is gekomen met (achtereenvolgend) een verkeerszuil en/of een lantaarnpaal, waarna het voertuig in een slip is geraakt en linksomdraaiend tegen een in de groenstrook staande boom tot stilstand is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd althans kon worden gehinderd.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overweging ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

Op 15 augustus 2009 heeft op de Oostergouw te Zwaag in de gemeente Hoorn een verkeersongeval plaatsgevonden. Ter plaatse troffen verbalisanten een personenauto aan die tegen een boom stond. In de personenauto zaten de verdachte als bestuurder en [slachtoffer] als bijrijder. Tijdens het eerste contact tussen de verdachte en verbalisant [verbalisant 1] op 15 augustus 2009 om 03.24 uur, nam verbalisant [verbalisant 1] waar dat de adem van de verdachte rook naar het inwendig gebruik van alcohol en dat hij bloeddoorlopen ogen had.

[slachtoffer] is met een meervoudige onderbeenbreuk overgebracht naar het ziekenhuis. Ook de verdachte is met verwondingen naar het ziekenhuis overgebracht. In het ziekenhuis heeft de verdachte meegewerkt aan een bloedonderzoek. Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut is gebleken dat het alcoholgehalte van het bloed van de verdachte ten tijde van het onderzoek 1,22 milligram ethanol per milliliter bloed betrof.

De verdachte heeft verklaard dat hij op de avond voorafgaand aan het ongeval alcohol heeft gedronken, maar dat hij zich niet kan herinneren wat er kort vooraf het ongeval heeft plaatsgevonden.

De rechtbank zal moeten beoordelen of bewezen kan worden verklaard dat een aan de schuld van verdachte te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waarbij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, dan wel zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Indien de rechtbank tot de slotsom komt dat dit niet het geval is, moet de rechtbank beoordelen of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het rijden onder invloed van alcohol en in gevaar brengen van het verkeer als bedoeld in artikel 5 Wegenverkeerswet 1994.

B. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen door met zeer hoge snelheid, plotseling zeer hard te remmen waardoor de verdachte zijn voertuig niet onder controle kon houden en vervolgens, na een verkeerszuil en een lantaarnpaal te hebben geraakt, tegen een boom tot stilstand te komen. Als gevolg van dit verkeersongeval heeft zijn vriendin, die bij hem in de auto zat, een dubbele beenbreuk opgelopen. De officier van justitie is van mening dat een dubbele beenbreuk naar algemeen spraakgebruik kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Mocht de rechtbank tot een ander oordeel komen, dan stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat gips tot aan de heup leidt tot een tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden. Voorts acht de officier van justitie bewezen dat de verdachte ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol verkeerde.

Gelet op het voorgaande is de officier van justitie van mening dat het onder primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard.

C. Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard dat de verdachte onder invloed van alcohol een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor zijn vriendin letsel heeft opgelopen. De raadsman is van mening dat niet vast is komen te staan dat de verdachte roekeloos maar hoogstens onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden. De raadsman wijst in dit verband op een uitspraak van de rechtbank Almelo van 26 maart 2003 met LJN-nummer BH8065.

Voorts heeft de raadsman het verweer gevoerd dat de verdachte ten tijde van het ongeluk leed aan een dissociatieve stoornis. Daartoe voert de raadsman aan dat de verdachte heeft verklaard dat hij sinds het overlijden van zijn vriend tengevolge van een verkeersongeluk depressief is geweest, en hij dat die avond ook was. Voorts zou de dissociatieve toestand blijken uit het feit dat de verdachte zich sinds het moment dat hij in de auto stapte niets meer van de rit en het ongeluk herinnert. Dat verdachte op dat moment aan deze dissociatieve stoornis leed zou eveneens worden ondersteund door psychiater de heer Van Loenen, die (blijkens het rapport van de reclassering) heeft verklaard dat de verdachte ten tijde van het ongeluk mogelijk leed aan een dissociatieve stoornis, een en ander in het kader van stress in combinatie met alcohol. Gelet op het voorgaande acht de raadsman het zeer aannemelijk dat zijn cliënt ten tijde van het delict verkeerde in een dissociatieve toestand. Daarom verzoekt de raadsman de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging omdat hem het verkeersongeval niet kan worden toegerekend.

De officier van justitie heeft naar aanleiding van het verweer van de raadsman het volgende opgemerkt.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat uit de stukken in het dossier onvoldoende is gebleken dat de verdachte geen enkel verwijt kan worden gemaakt. De officier van justitie voert daartoe aan dat er geen medische onderbouwing voor de aanname van de dissociatieve stoornis voorhanden is. De opmerking van psychiater Van Loenen in samenhang met de verklaring van de verdachte dat hij zich niet kan herinneren wat er voorafgaand aan en tijdens het ongeval heeft plaatsgevonden, is naar de mening van de officier van justitie onvoldoende om te komen tot de vaststelling dat de verdachte het verkeersongeval niet kan worden toegerekend.

D. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994

De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij op 15 augustus 2009 samen met zijn vriendin thuis kwam na het uitgaan en dat hij zijn fiets in de schuur heeft gezet. Het eerstvolgende dat de verdachte zich kan herinneren is dat hij wakker werd in de auto op de bestuurdersstoel en dat zijn vriendin, genaamd [slachtoffer], op de bijrijdersstoel naast hem zat. De auto stond op dat moment tegen een boom aan.

[slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat de verdachte, nadat zij thuiskwamen van het uitgaan, in de auto is gestapt, dat zij uiteindelijk naast hem in de auto heeft plaatsgenomen en ze zijn weggereden.

Uit voorgaande verklaringen leidt de rechtbank af dat de verdachte op 15 augustus 2009 als bestuurder van een Nissan over de Oostergouw te Zwaag, gemeente Hoorn, heeft gereden.

Nu zowel de verdachte als [slachtoffer] geen herinnering hebben aan de toedracht van het ongeval, zal de rechtbank uitgaan van de hieronder door de deskundigen in het proces-verbaal Opname en interpretatie plaats ongeval beschreven toedracht van het ongeval.

Op 15 augustus 2009 rijdt de verdachte als bestuurder van een Nissan over de Oostergouw te Zwaag, gemeente Hoorn. In de auto zit als bijrijder de vriendin van de verdachte, genaamd [slachtoffer]. Rijdende over de Oostergouw passeert de verdachte met hoge snelheid de Dorpsstraat en besluit dan, zonder dat van enige noodzaak daartoe is gebleken, te remmen. De verdachte remt zodanig hard af dat zijn voorwielen hierbij blokkeren. De banden om de voorwielen laten door het blokkeren een aftekening achter op de rijbaan. Nadat er over een grote afstand blokkerend was geremd laat de verdachte de rem weer los. De aftekening op de rijbaan eindigt hier. Kort na het loslaten van de rem botst de bestuurder met de voorzijde van de Nissan tegen het bord dat een verplichte rijrichting aangeeft. Na de botsing met het bord, botst de verdachte eveneens met de voorzijde van zijn auto tegen een lantaarnpaal. Ten gevolge van de botsing met de lantaarnpaal komt het voertuig in een slip. Na een slip van ongeveer 25 meter, waarbij het voertuig linksom gedraaid is, botst het voertuig met de rechterzijde tegen een boom.

Over de snelheid waarmee verdachte heeft gereden overweegt de rechtbank als volgt. De verdachte heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren wat zich voor het ongeval heeft afgespeeld, zo ook niet met welke snelheid hij reed. Om de door de verdachte gereden snelheid ten tijde van het ongeval nader vast te stellen, sluit de rechtbank aan bij de berekening die in het proces-verbaal Opname en interpretatie plaats ongeval is gemaakt naar aanleiding van een aantal remproeven met een vrijwel identieke auto en met in achtneming van de hierboven bedoelde op het wegdek aangetroffen remsporen. De rechtbank concludeert dat de verdachte ten tijde van het ongeval met een snelheid gelegen tussen de 95 en 127 kilometer per uur heeft gereden.

Op grond van de hierboven weergegeven bevindingen acht de rechtbank bewezen dat verdachte de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur fors heeft overschreden.

Uit de verklaring van de verdachte op de terechtzitting en uit het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut blijkt dat de verdachte ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol verkeerde. Het resultaat van het bloedonderzoek is dat het alcoholgehalte van het bloed van de verdachte – die beginnend bestuurder is – ten tijde van het onderzoek 1,22 milligram ethanol per milliliter bloed betrof.

Voor bewezenverklaring van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 moet worden vastgesteld dat de verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden met als gevolg dat iemand is gedood, zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat. Het juridische begrip “schuld” in het kader van de Wegenverkeerswet houdt in dat voor strafbaarheid minimaal sprake moet zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen. Wanneer sprake is van gedragingen met een hogere graad van verwijtbaarheid, kan dit worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig en/of onoplettend handelen en in zeer ernstige gevallen als roekeloos rijgedrag.

In deze zaak moet worden beoordeeld of het verkeersgedrag van de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, zeer onvoorzichtig of roekeloos is geweest. Bij die beoordeling gaat het om het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de omstandigheden van het geval. Gelet op het voorgaande is vast komen te staan dat de verdachte, toen hij de auto bestuurde, onder invloed was van ruim meer dan de maximaal toegestane hoeveelheid alcohol. Ook staat vast dat de verdachte met een veel te hoge snelheid heeft gereden. De rechtbank oordeelt dat op basis van deze gegevens dat er sprake is van zeer onvoorzichtig rijgedrag.

De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de door de raadsman genoemde uitspraak van de Rechtbank Almelo, waarbij de rechtbank in die – overigens vergelijkbare – zaak tot eenzelfde oordeel kwam.

Beroep op ontoerekeningsvatbaarheid

De raadsman heeft het verweer gevoerd dat de verdachte het verkeersongeval niet kan worden toegerekend, omdat hij ten tijde van het ten laste gelegde leed aan een dissociatieve stoornis. De raadsman verbindt hieraan de conclusie dat verdachte moet worden ontslagen van rechtsvervolging. De rechtbank merkt op dat het aannemen van de ontoerekeningsvatbaarheid op grond van de dissociatieve toestand bij het misdrijf van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 zou moeten leiden tot een vrijspraak, aangezien dan niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte te wijten is.

De rechtbank constateert dat blijkens het rapport van de Reclassering Nederland van 1 april 2010, de psychiater de heer N. van Loenen in een door hem in het kader van de vorderingsprocedure ex artikel 130-134 van de Wegenverkeerswet 1994 opgemaakt medisch rapport (waar de rechtbank niet over beschikt) zou hebben opgemerkt dat er “mogelijk sprake was van een korte dissociatieve stoornis, een en ander in het kader van stress in combinatie met alcohol.” Voor zover er een korte dissociatieve stoornis heeft gespeeld, is deze dus kennelijk naar het oordeel van Van Loenen veroorzaakt door de inname van alcohol en was deze niet opgetreden als de verdachte geen alcohol had gebruikt. Uit het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat de verdachte zichzelf verwijtbaar in deze toestand heeft gebracht. De vraag of de verdachte geweten of begrepen moet hebben dat het nuttigen van alcohol tot deze stoornis zou kunnen leiden is niet relevant, nu een mogelijk beroep op het ontbreken van die kennis niet kan leiden tot ontoerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank overweegt overigens dat niet aannemelijk is geworden dat bij de verdachte sprake is geweest van een dissociatieve stoornis als gevolg waarvan de verdachte niet meer bewust heeft kunnen handelen. Er zijn geen medische gegevens voorhanden die de stelling van de raadsman onderbouwen. Voorts is uit hetgeen de verdachte op de terechtzitting heeft verklaard niet gebleken dat de verdachte zich op enig moment na het ongeval juist vanwege deze dissociatieve stoornis nader heeft laten onderzoeken, afgezien van het ondergaan van de MRI scans direct na het ongeluk, het verplichte onderzoek bij het CBR en de consulten bij de psychiater.

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman en acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden.

Zwaar lichamelijk letsel

Als gevolg van het verkeersongeval heeft [slachtoffer] een meervoudige onderbeenbreuk, te weten een breuk in haar scheen- en kuitbeen, bekomen. De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat een meervoudige onderbeenbreuk naar algemeen spraakgebruik kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Primair hij op 15 augustus 2009 te Zwaag, gemeente Hoorn, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de Oostergouw, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig te rijden over genoemde rijbaan,

- met zeer hoge snelheid en

- zonder dat de noodzaak van het verkeer het hem, verdachte, gebood, plotseling zeer hard te remmen en

- zijn voertuig niet bij voortduring onder controle te houden,

waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig, een groenstrook, welke was gelegen tussen de rijstroken van die Oostergouw, is opgereden en vervolgens in aanrijding is gekomen met (achtereenvolgend) een verkeerszuil en een lantaarnpaal, waarna het voertuig in een slip is geraakt en linksomdraaiend tegen een in de groenstrook staande boom tot stilstand is gekomen,

waardoor een inzittende van het door hem, verdachte, bestuurde voertuig, genaamd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten meervoudige onderbeenbreuk (scheen- en kuitbeen), werd toegebracht,

terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994.

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid,aanhef en onderdeel b, van deze wet.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – uitgaande van een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde – gevorderd dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden met aftrek, waarvan een gedeelte dat gelijk is aan de duur dat het rijbewijs van de verdachte reeds is ingevorderd onvoorwaardelijk, en het overige gedeelte voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 2 jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens volledige ontoerekenings-vatbaarheid. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren en een geheel voorwaardelijke werkstraf op te leggen. Meer subsidiair, indien de rechtbank de verdachte volledig toerekeningsvatbaar acht, heeft de raadsman aangevoerd dat een lichte werkstraf, gelet op de blanco documentatie van de verdachte, passend is.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft door zeer onvoorzichtig te rijden zich schuldig gemaakt aan een verkeersongeval, ten gevolge waarvan een persoon zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. De verdachte moet ernstig worden aangerekend dat hij zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van de veiligheid van zijn inzittende onvoldoende in acht heeft genomen. Verdachte heeft veel te hard gereden en verkeerde onder invloed van alcohol. Daarmee heeft de verdachte ook eventuele andere weggebruikers in gevaar gebracht. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank rekening met het volgende. Uit het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, gedateerd 7 januari 2011, blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van enig misdrijf is veroordeeld.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het eerdergenoemde reclasseringsrapport van M. Carduck. Uit dit rapport blijkt dat onder meer dat kort voor het ongeval een goede vriend van de verdachte was overleden. Dit heeft een zware impact op de verdachte gehad en geleid tot psychische problemen, waarvoor hij in behandeling is geweest bij een GZ-psycholoog. De verdachte heeft tot slot te kennen gegeven sinds het verkeersongeval geen alcohol meer te drinken.

Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de overige hierboven door de rechtbank omschreven omstandigheden en de ernst van het bewezen verklaarde is de rechtbank – met de officier van justitie – van oordeel dat een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, behoort te worden opgelegd, een en ander op de wijze zoals hierna in de rubriek BESLISSING zal worden aangegeven.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat als bijkomende straf een gedeeltelijke voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen dient te worden opgelegd. Gelet op de ernst en de aard van het bewezen verklaarde, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een onvoorwaardelijk deel dat gelijk is aan de duur dat het rijbewijs van de verdachte al is ingevorderd, zoals door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijk deel van zeven maanden meer recht doet aan de ernst van het feit.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. Beslissing

De rechtbank:

• Verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders primair ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

• Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren.

Beveelt voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht dat in plaats van de taakstraf vervangende hechtenis wordt toegepast, welke vervangende hechtenis wordt vastgesteld op 60 (zestig) dagen.

Bepaalt, dat deze taakstraf bestaat uit een werkstraf.

• Ontzegt de verdachte wegens het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat een gedeelte van deze straf, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde vóór het tijdstip waarop de ontzegging van de rijbevoegdheid ingaat, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere ontzeg¬ging van de rijbevoegd¬heid in mindering is ge¬bracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. van der Perk, voorzitter,

mr. E.K. Veldhuijzen van Zanten en mr. R.A. Kok, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.J. Ros, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 februari 2011.