Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BP4347

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
14-02-2011
Zaaknummer
124191 - FA RK 10-1033
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"Beroep tegen opgelegd tijdelijk huisverbod. Eiser heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 19 mei 2010, LJN BM4973 procesbelang. Besluit formeel niet op de juiste wijze tot stand gekomen, omdat de naam van de echtgenote niet is vermeld op het besluit als vereist in artikel 2, vierde lid, van de Wth: vernieting van het besluit met instandlating van de rechtsgevolgen, nu de rechtbank van oordeel is dat het besluit inhoudelijk wel stand kan houden. Veroordeling van verweerder in de proceskosten."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

enkelvoudig

Zaak- en rekestnummer: 124191 / FA RK 10-1033

Datum uitspraak: 19 januari 2011

inzake: [EISER],

wonende te [WOONPLAATS],

gemachtigde mr. P.F.M. Deijkers, advocaat te Enkhuizen

en

[VERWEERDER].

zetelende te [WOONPLAATS],

in welke zaak belanghebbende is: [DE VROUW]

wonende te [WOONPLAATS] (hierna te noemen: de vrouw).

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 23 september 2010 heeft verweerder aan eiser een tijdelijk huisverbod voor de duur van tien dagen opgelegd als bedoeld in de artikelen 1 en 2 van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth).

Namens eiser is op 7 oktober 2010 bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen dit besluit.

Bij fax van 8 november 2011 zijn nadere stukken ingediend.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting op 29 november 2010, alwaar zijn verschenen eiser, bijgestaan door mr. Deijkers voornoemd. Namens verweerder zijn verschenen de heren [HEER 1] en [HEER 2], beiden werkzaam bij de gemeente [WOONPLAATS]. Voorts is verschenen de vrouw.

2 Standpunten van partijen

2.1. Eiser heeft, samengevat, aangevoerd dat de aangegeven signalen zoals opgenomen in de beschikking alleen zijn afgeleid uit de door de vrouw gedane aangiftes. De man acht het zeer merkwaardig dat er wordt overgegaan tot het opleggen van een huisverbod enkel vanwege enkele aangiftes welke door de vrouw zijn gedaan zonder hier onderzoek naar te hebben gedaan of eiser hierin te horen. Eiser ontkent dat de kinderen getuigen zijn geweest van conflicten en ruzies. In het huisverbod is opgenomen dat de man geen contact mag hebben met zijn twee minderjarige kinderen. In de aangifte staat echter aangegeven dat geweld zou hebben plaatsgevonden jegens de vrouw. Zij wordt echter niet vermeld. Tijdens de verhoren door de Hulp Officier van Justitie (HOvJ) werd aangegeven dat de man ook geen contact mocht zoeken met de vrouw, dat het huisverbod ook zou worden opgelegd ten behoeve van de vrouw en dat dit geen effect zou hebben met betrekking tot de omgang met de kinderen. Het huisverbod is niet verlengd, waardoor geconcludeerd kan worden dat er geen grond bestond voor het eerdere opgelegde huisverbod. Indien bij een huisverbod sprake is van kindermishandeling neemt de burgemeester contact op met jeugdzorg. Dit heeft in het onderhavige geval ook plaatsgevonden. De man heeft regelmatig contact gehad met BJZ en de Stichting Huiselijk geweld. Ondanks het huisverbod heeft de man de kinderen twee dagen later meegekregen naar een familiefeest. Eiser acht zich niet schuldig aan welk strafbaar feit ook ten opzichte van de kinderen of zijn vrouw. Blijkens de brief van het Openbaar Ministerie van 15 oktober 2010 is er geen strafvervolging tegen eiser ingesteld.

De man vermoedt dat de vrouw dit alles in gang heeft gezet om te voorkomen dat de man in verband met de echtscheiding naar [WOONPLAATS] zal verhuizen. In dit geval is onvoldoende aangetoond dat de aanwezigheid van de man in de woning enig gevaar opgeleverd zou hebben.

Ter zitting is namens de man voorts aangevoerd dat de man aangifte heeft gedaan tegen de vrouw wegens het doen van valse aangifte.

2.2. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat aan het besluit, kort weergegeven, ten grondslag is gelegd dat een gevaar of een ernstig vermoeden van een gevaar bestond als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wth en dat de omstandigheden van het geval het opleggen van een huisverbod noodzakelijk maakten. Uit de verschillende aangiftes en het proces-verbaal van 23 september 2010 komt het beeld naar voren van een verstoorde relatie welke gepaard ging met steeds meer ruzies, intimidaties, bedreigingen en geweld. Verweerder heeft uit het verhaal de conclusie getrokken dat het huiselijk geweld op 13 en 23 september 2010 een 'hoogtepunt" hebben gevormd en dat de vrouw op dat moment zo bang is geweest dat ingrijpen daadwerkelijk nodig was. De politie die op 23 september 2010 ter plaatse was heeft in het proces-verbaal aangegeven dat eiser niet voor rede vatbaar was en de politie geen gelegenheid bood om hem aan te spreken. Ook ging hij na zijn aanhouding niet vrijwillig mee en was versterking nodig. De risicotaxatie (hierna: RiGH) vermeldt al deze zaken, benoemt de belangrijkste signalen, zoals opgenomen in de beschikking, en na een belangenafweging is het huisverbod opgelegd. Uit het feit dat het huisverbod niet is verlengd kan volgens verweerder niet worden opgemaakt dat het om die reden onterecht is opgelegd. Een verlenging was in dit geval niet noodzakelijk. Het huisverbod is op juiste gronden opgelegd en heeft geleid tot een zinvolle afkoelingsperiode zoals de wet beoogt, aldus verweerder.

3 Overwegingen

3.1. Allereerst dient te worden beoordeeld of eiser nog procesbelang heeft bij deze procedure, nu de periode waarvoor het huisverbod is opgelegd is verstreken.

Met overneming van de overwegingen van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 19 mei 2010, gepubliceerd onder LJ-nummer BM4973, is de rechtbank van oordeel dat de rechter alleen dan tot het beoordelen van rechtsvragen is geroepen als dat van betekenis is voor het geschil met betrekking tot het besluit van verweerder. Daarbij geldt dat het doel dat eiser voor ogen staat, met het ingestelde rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis moet zijn. Hoewel het huisverbod inmiddels is geëindigd, heeft eiser nog een rechtens te beschermen belang bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit tot het opleggen van deze maatregel. Daarbij is redengevend dat een huisverbod, gelet op de gronden waarop dit wordt opgelegd, een publiekelijke afwijzing van het gedrag van de uithuisgeplaatste impliceert. Gelet hierop is tot op zekere hoogte aannemelijk dat eiser als gevolg van het hem opgelegde huisverbod in zijn eer en goede naam is geschaad. Naar het oordeel van de rechtbank kan het resultaat dat eiser nastreeft, te weten vernietiging van het bestreden besluit, om die reden voor hem van meer dan principiële betekenis zijn. Eiser kan derhalve in zijn beroep worden ontvangen.

3.2. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of het besluit formeel op juiste wijze tot stand is gekomen en aldus in stand kan blijven.

Artikel 2, vierde lid, van de Wth bepaalt dat het huisverbod in ieder geval bevat:

a. een omschrijving van de plaats en de duur waarvoor het huisverbod geldt;

b. de feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van het huisverbod en;

c. de namen van de personen ten aanzien van wie het huisverbod om contact op te nemen geldt.

In het besluit is naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte de naam van de vrouw niet vermeld, nu uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat dit wel had gemoeten. Verweerder heeft ter zitting erkend dat het inderdaad formeel niet juist is geweest om haar naam niet te vermelden. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit wegens schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet in stand kan blijven. De rechtbank zal dit besluit - met gegrondverklaring van het beroep - vernietigen.

3.3. De rechtbank zal hierna, om (zo mogelijk) tot een definitieve beslissing over het geschil tussen partijen te komen, beoordelen of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven. Daartoe bestaat aanleiding indien het besluit inhoudelijk juist is en de beoordeling tot dezelfde uitkomst leidt.

Naar het oordeel van de rechtbank bieden de feiten en omstandigheden zoals deze uit de stukken en het verhandelde ter zitting zijn gebleken en in onderlinge samenhang bezien voldoende feitelijke grondslag voor het oordeel dat de aanwezigheid van eiser in de woning een ernstig vermoeden van ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van de medebewoners, in dit geval de vrouw en de kinderen. De door verweerder genoemde risicofactoren rechtvaardigen deze conclusie. De door de vrouw bij de politie geschetste situatie over de wijze van samenwoning duidt op een duurzaam ernstig verstoorde relatie. De enkele ontkenning van de man leidt niet tot een ander oordeel. Evenmin als de grief dat de informatie uit een enkele bron, de vrouw, komt. Onderdelen van de verklaringen van de vrouw worden gestaafd door de politie, zoals de constatering in het proces-verbaal van bevindingen van de politie ter plaatse op 23 september 2010 dat de vrouw letsel in het gezicht had opgelopen. De man was niet voor rede vatbaar, gaf de politie geen gelegenheid hem aan te spreken en verzette zich vervolgens tegen zijn aanhouding. De rechtbank is van oordeel dat de politie niet ten onrechte heeft mogen menen te moeten ingrijpen in de bestaande situatie waarbij de vrouw vreesde voor haar veiligheid. Dat de man, hierin gesteund door de vrouw, van mening is dat hij nooit een bedreiging voor de kinderen is geweest maakt het voorgaande niet anders. Wanneer de veiligheid van één van de ouders, op welke wijze dan ook, in gevaar is, volgt daar direct uit dat de veiligheid van de kinderen die in de woning aanwezig zijn, in gevaar is. Dit gevaar schuilt dan wellicht niet in een fysieke bedreiging naar de kinderen, maar het aanwezig zijn in de woning en/of bijwonen van ernstige escalaties tussen ouders is wel degelijk een bedreiging voor de geestelijke en emotionele ontwikkeling van kinderen.

De man heeft na de aanhouding acuut medische klachten gekregen waarvoor een korte ziekenhuisopname nodig was. Dit is een schokkende en vervelende ervaring voor de man geweest. Dit maakt echter niet dat het tijdelijk huisverbod ten onrechte zou zijn opgelegd. Verweerder dient alvorens over te gaan tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod een belangenafweging te maken en daarbij alle van belang zijnde omstandigheden mee te wegen. Gelet op de feitelijke omstandigheden heeft verweerder in het onderhavige geval aan het belang van veiligheid van de vrouw en de kinderen in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen dan aan het belang van eiser bij een ongestoord gebruik van de woning. Dit mede gelet op het doel van de wet, te weten acute dreiging het hoofd te bieden en hulpverlening op gang te brengen. Daarbij is in de toelichting bijzondere aandacht gegeven aan de negatieve effecten op kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld.

De rechtbank kan de man niet volgen in zijn stelling dat nu het tijdelijk huisverbod niet is verlengd er geen grond bestond voor het opleggen van het tijdelijk huisverbod. De opzet, bedoeling en strekking van de Wth maken mogelijk dat er na 10 dagen een nieuw beoordelingsmoment ontstaat, zoals blijkt uit artikel 9 van de Wth op grond waarvan het mogelijk is voor de burgemeester om een tijdelijk huisverbod te verlengen.

Dit vereist een nieuwe belangenafweging, waarbij met name het op gang komen van hulpverlening een mee te wegen criterium vormt. Indien die belangenafweging leidt tot de beslissing om níet te verlengen maakt dit niet dat het eerdere besluit om een tijdelijk huisverbod op te leggen ongegrond is.

Ter zitting is gebleken dat partijen thans gescheiden leven en een echtscheidingsprocedure zijn gestart. De man heeft een eigen woning, zodat de samenwoning is beëindigd. Op verzoek van de man is de omgangsregeling gewijzigd. De hulpverlening aan de zijde van de vrouw is inmiddels met behulp van de Stichting Huiselijk Geweld op gang gekomen. Ook voor de kinderen. De vrouw heeft begeleiding van een psycholoog. De man heeft contact met de Crisisdienst. Er is nog geen verdere hulpverlening voor hem op gang gekomen, omdat de man voor hulpverlening in verband met het werk van de vrouw in de jeugdzorg naar [WOONPLAATS] moet uitwijken. De man stelt dit niet te kunnen bekostigen. De Crisisdienst heeft de man toegezegd een oplossing te zullen zoeken.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het inhoudelijke besluit om een tijdelijk huisverbod op te leggen dan ook stand kan houden. De rechtbank zal de rechtsgevolgen van het bestreden besluit daarom met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand laten. Verweerder hoeft dus geen nieuw besluit te nemen.

Ten aanzien van het verzoek om een proceskostenveroordeling overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op [EURO] 874,- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt [EURO] 437,-).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eiser redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van [EURO] 874,00, te betalen aan eiser;

- wijst de gemeente Enkhuizen aan als de rechtspersoon die de proceskosten aan eiser dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 19 januari 2011 door mr. W.C. Oosterbroek, rechter, in tegenwoordigheid van H.M. Zonneveld, griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.