Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BP4342

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
14-02-2011
Zaaknummer
124825 / HA RK 10-92
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ8712, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wraking handelsrechter dient niet als verkapt hoger beroep. Ook overigens geen aanwijzingen voor (schijn van) vooringenomenheid. Afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Wrakingskamer

zaaknummer: 124825 / HA RK 10-92

Datum uitspraak : 18 januari 2011

BESLISSING op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, ingediend door:

[VERZOEKER],

wonende te [ADRES],

hierna te noemen: verzoeker,

raadsman mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam.

1 PROCESVERLOOP

De raadsman van verzoeker heeft bij verzoekschrift, ter griffie ingekomen via de fax op 30 november 2010 en via de gewone post op 2 december 2010, op de daarin omschreven gronden de wraking verzocht van [DE RECHTER] (hierna: de rechter) als behandelend rechter in de procedures met de zaak- en rolnummers 117161 HA ZA 10-108 en 120184 HA ZA 10-504.

Nadat het verzoekschrift aan de griffier ter hand is gesteld, is het ter kennis van de rechter gebracht. De rechter heeft op 15 december 2010 schriftelijk gereageerd op het verzoek. In die reactie heeft hij gemotiveerd laten weten niet te berusten in de wraking. De schriftelijke reactie van de rechter is aan de raadsman van verzoeker toegezonden.

Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 4 januari 2011. Verzoeker en diens raadsman zijn daar verschenen. De rechter heeft bericht niet te zullen verschijnen behoudens een daartoe strekkend verzoek van de wrakingskamer.

De raadsman van verzoeker heeft het verzoek aan de hand van een door hem overgelegde pleitnota toegelicht.

Vervolgens heeft de voorzitter de behandeling ter zitting gesloten en bepaald dat de beslissing uiterlijk op 18 januari 2011 zal worden gegeven.

2 GRONDEN VAN HET VERZOEK

De wrakingsgronden hebben betrekking op de behandeling van bovengenoemde zaken door de rechter tijdens de comparitie van partijen op 30 augustus 2010, op hetgeen daarna is voorgevallen, en op de door de rechter op 24 november 2010 gewezen tussenvonnissen (hierna: de vonnissen) in de beide samenhangende zaken tussen verzoeker, respectievelijk als gedaagde en als eiser, en zijn ex-echtgenote.

Inhoudelijk kunnen de wrakingsgronden worden onderscheiden in vijf onderdelen, die hierna zullen worden weergegeven.

Grond 1.

De rechter heeft tijdens de zitting van 30 augustus 2010 gezegd dat in de procedure nog vele stappen moeten worden gezet. Blijkens de vonnissen is geen sprake van 'vele stappen'. Uit die vonnissen blijkt dat verzoeker op subjectieve gronden, willekeurig gemotiveerd, op essentiƫle onderdelen in het ongelijk is gesteld. Die punten zijn in het wrakingsverzoek uitgewerkt als de punten 1a tot en met 1g.

Grond 2.

De rechter heeft ter zitting van 30 augustus 2010 geweigerd om de stukken van het kort geding met zaak- en rolnummer 113781 KG ZA 09-356 toe te voegen aan het dossier.

Grond 3.

De rechter heeft niet geantwoord op een verzoek van de raadsman om een wijziging aan te brengen in het proces-verbaal van de zitting van 30 augustus 2010. Achteraf, bezien in het licht van de vonnissen van 24 november 2010, blijkt dat geenszins sprake is van een omissie of een verschrijving maar van een opzettelijk foutief opgemaakt proces-verbaal.

Grond 4.

Bij dit wrakingsverzoek dient te worden betrokken een eerder ingediend wrakingsverzoek, gericht tegen de rolrechter na een in bovengenoemde zaken genomen beslissing. Weliswaar is dit verzoek bij brief van 11 juni 2010 ingetrokken, maar de gewraakte aanhoudingsbeslissing kan niet anders dan genomen zijn in overleg met de zaaksrechter.

Grond 5.

De rechtbank heeft bij haar oordeel ten aanzien van de verdeling tot uitgangspunt genomen, dat beide partijen willen dat de waarde van de boedelbestanddelen eerlijk, zo mogelijk bij helfte, wordt verdeeld. Dit uitgangspunt is echter niet voor de gehele boedel gevolgd, met name niet voor de alimentatie en de pensioenverevening.

3 BEOORDELING VAN HET VERZOEK

De wrakingskamer stelt het volgende voorop. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Uitgangspunt daarbij is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking indien, afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak, de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met de uiterlijke schijn van vooringenomenheid.

Daarnaast stelt de wrakingskamer voorop, dat een wrakingsincident geen verkapt rechtsmiddel is tegen de verzoeker onwelgevallige beslissingen van de zittingsrechter.

Daartoe dient immers het rechtsmiddel van hoger beroep. Dergelijke onwelgevallige beslissingen kunnen volgens vaste jurisprudentie slechts onder de hierboven omschreven bijzondere omstandigheden een grond voor wraking opleveren. De wrakingskamer verwijst naar een arrest van het gerechtshof Arnhem van 24 november 2010, gepubliceerd onder LJN-nummer BO5131.

De wrakingskamer overweegt omtrent de wrakingsgronden als volgt.

Omtrent grond 1.

De door verzoeker aangehaalde uitspraak van de rechter tijdens de comparitie, inhoudende dat nog vele stappen moeten worden gezet, beschouwt de wrakingskamer als een voorlopig standpunt dat de rechter naar vaste jurisprudentie niet bindt.

Overigens blijkt uit de vonnissen dat thans inderdaad meerdere stappen moeten worden gezet om tot waardering van vermogensbestanddelen te komen.

De gronden, uitgewerkt onder de punten 1a tot en met 1g, zien op - de motivering van - beslissingen die zich, desgewenst, lenen voor toetsing in hoger beroep.

Ten overvloede neemt de wrakingskamer nog het volgende in aanmerking.

Wat betreft de onder punt 1a genoemde eenzijdigheid van overgelegde correspondentie is het aan partijen om desverlangd voorafgaande aan de comparitie stukken over te leggen, terwijl het aan de rechter is om te beslissen over de toelaatbaarheid van stukken die niet binnen de in het rolreglement gestelde termijn zijn toegezonden.

Wat betreft punt 1b tekent de wrakingskamer aan, dat de vaststelling van vaststaande feiten en omstandigheden aan de zaaksrechter is voorbehouden.

Onder punt 1c verwijt verzoeker de rechter dat deze ten onrechte onderbouwing verlangt van het door verzoeker gestelde wilsgebrek door geestelijke stoornis, terwijl in een procedure tot onderbewindstelling van verzoeker de door de wederpartij gestelde ontoerekeningsvatbaarheid reeds door de kantonrechter was erkend.

De wrakingskamer stelt vast dat de feitelijke grondslag van dit verwijt onjuist is. Het beperkte vermogensbewind is immers niet gevraagd en evenmin toegewezen op grond van de destijds in een strafzaak vastgestelde verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De punten 1d tot en met 1g zien op gestelde motiveringsgebreken in de vonnissen. De wrakingskamer constateert, dat in de vonnissen niet is gemotiveerd op grond waarvan is voorbijgegaan aan het namens verzoeker gedane specifieke bewijsaanbod, zoals gedaan onder punt 14 van de pleitnotitie van mr. Van Zundert. Die constatering ten aanzien van punt 1e leidt niet tot een andere slotsom dan dat het verzoeker vrijstaat hiertegen te zijner tijd in hoger beroep een grief te richten.

Omtrent grond 2.

De rechter heeft in zijn schriftelijke reactie aangegeven, dat aan zijn beslissing ten grondslag ligt het uitgangspunt dat het procesdossier wordt gevormd door processtukken die door partijen worden overgelegd.

Ook deze wrakingsgrond betreft een verzoeker onwelgevallige beslissing. Ten overvloede merkt de wrakingskamer op dat dit uitgangspunt haar juist voorkomt.

Omtrent grond 3.

Uit de procesdossiers en het onderzoek ter zitting blijkt het volgende.

De raadsman heeft bij brief van 3 september 2010 verzocht enkele wijzigingen aan te brengen in het proces-verbaal van de zitting van 30 augustus 2010. De wederpartij heeft daarop laten weten hiertegen geen bezwaar te hebben. Bij ontstentenis van de rechter gedurende een langere periode heeft de griffier de correspondentie aangehecht aan het proces-verbaal van de comparitie. Hiervan is geen bericht verzonden aan partijen.

Wegens uitblijven van een reactie van de zijde van de rechtbank heeft de raadsman zijn verzoek herhaald bij brief van 24 september 2010. Dit schrijven is zonder beantwoording gevoegd in de procesdossiers.

De tegen deze gang van zaken gerichte klacht is naar het oordeel van de wrakingskamer terecht. Immers, ongeacht langere afwezigheid van de rechter dient op verzoeken als hier bedoeld een reactie van de zijde van de rechtbank te volgen. Ook de rechter heeft dit in zijn schriftelijke reactie aangegeven.

Dit oordeel leidt echter niet tot de slotsom dat sprake zou zijn van - de schijn van - vooringenomenheid, nu immers uit de aantekeningen van de griffier en uit de schriftelijke reactie van 15 december 2010 blijkt dat de rechter het verzoek tot wijziging van het proces-verbaal voorafgaand aan de indiening van het wrakingsverzoek niet onder ogen heeft gehad.

Omtrent grond 4.

Het eerder door verzoeker ingediende wrakingsverzoek was gericht tegen een beslissing van een andere rechter. De rechter heeft in zijn schriftelijke reactie aangegeven dat hij destijds niet betrokken is geweest bij de bestreden beslissing van de rolrechter. Verzoeker heeft zijn standpunt, inhoudende dat het niet anders kan dan dat de zaaksrechter bij de beslissing van de rolrechter is betrokken, niet nader toegelicht.

Deze grond faalt dan ook reeds bij gebreke van onderbouwing.

Omtrent grond 5

De vijfde grond ziet op de categorie van onwelgevallige beslissingen als bovenbedoeld.

Daargelaten dat de wrakingskamer niet inziet op grond waarvan de intentie van gelijke verdeling van boedelbestanddelen zich moet uitstrekken tot alimentatiebeslissingen, leent ook deze grond zich niet voor een nadere beoordeling door de wrakingskamer.

3 CONCLUSIE

Het vorenstaande leidt de wrakingskamer tot de conclusie dat het verzoek tot wraking als ongegrond moet worden afgewezen. Naar het oordeel van de wrakingskamer leveren de door en namens verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, niet een uitzonderlijke omstandigheid op die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor subjectieve vooringenomenheid van de rechter. Er zijn geen aanwijzingen aannemelijk geworden waaruit zou kunnen volgen dat de rechter zijn beslissingen heeft gegeven op grond van persoonlijke, jegens verzoeker of zijn zaak vooringenomen, opvattingen. Evenmin vormen deze een toereikende grondslag voor de slotsom dat een bij verzoeker bestaande vrees voor onpartijdigheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is. Het verzoek tot wraking moet daarom worden afgewezen.

4 BESLISSING

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking van de rechter af;

- bepaalt dat de behandeling van de onderliggende zaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek, en beveelt dat die zaak daartoe in handen wordt gesteld van de voorzitter van de Sector Civiel van deze rechtbank.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. M.F.G.H. Beckers en mr. P.J. Jansen, leden van de wrakingskamer,

in tegenwoordigheid van mr. J.A. Huisman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 januari 2011.

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.