Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BP4337

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
17-01-2011
Datum publicatie
14-02-2011
Zaaknummer
125939 / HA RK 11-7
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tweede wrakingsverzoek, gericht tegen meervoudige kamer bestuurssector. Geen nieuwe feiten. Niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Wrakingskamer

zaaknummer: 125939 / HA RK 11-7

Datum uitspraak: 17 januari 2011

BESLISSING op het schriftelijk verzoek van:

[VERZOEKER],

wonende [ADRES],

hierna te noemen: verzoeker,

tot wraking van [RECHTER 1], [RECHTER 2] en [RECHTER 3] (hierna te noemen: de rechters) als behandelend rechters van de sector bestuur van deze rechtbank in de zaken met de zaaksnummers 10/23 WOZ, 10/25 WOZ en 10/982 LEGGW.

1 PROCESVERLOOP

Bij faxbrief van 16 januari 2011, daags voorafgaand aan de zitting in bovengenoemde zaken, heeft verzoeker een verzoek gedaan tot wraking van de rechters.

Nadat het verzoek aan de griffier van de wrakingskamer ter hand is gesteld, is het ter kennis van de rechters gebracht. Dezen hebben bij brief van heden laten weten niet in de wraking te zullen berusten. Een afschrift daarvan wordt bij deze beslissing gevoegd.

2 BEOORDELING VAN HET VERZOEK

De wrakingskamer stelt voorop dat dit verzoek een tweede wrakingsverzoek, gericht tegen dezelfde rechters in dezelfde zaken, betreft.

Bij beslissing van 7 december 2010 heeft deze kamer van de rechtbank een op 4 november 2010 ingediend verzoek tot wraking afgewezen.

Het onderhavige wrakingsverzoek betreft blijkens de inleiding van dit verzoek

de schijn van reeds op voorhand een mening klaar hebben (vooringenomenheid) over die rechtsvraag over schijn van partijdigheid. Die schijn van partijdigheid blijkt uit de weigering van eiser's aanbod, van 3 januari 2011, tot formele splitsing van de twee rechtspraakclusters, teneinde alsnog de ene eerder te kunnen behandelen dan de hypothetische andere.

Eiser beroept zich op een nieuw feit sinds de eerste wrakingsuitspraak. Dat nieuwe feit wordt gevormd door de volgende correspondentie: een brief van verzoeker van 3 januari 2011, inhoudende een verzoek tot splitsing van twee rechtsvraagclusters, te weten discriminatie bij het bieden van rechtsbescherming en daarmee samenhangend schijn van partijdigheid enerzijds en de WOZ-zaken anderzijds; een brief van de griffier van deze rechtbank van 11 januari 2011, houdende afwijzing van het gedane verzoek met de mededeling: zowel de formele als ook de materiële vraagstukken in deze beroepszaken zullen op de zitting worden behandeld. Naast de weigering tot splitsing beroept verzoeker zich op specifieke daden van de gewraakte rechters: verplichting om op zitting te verschijnen, weigering om vragen (mede) schriftelijk te stellen.

Naar het oordeel van de wrakingskamer is evident geen sprake van een nieuw feit.

Immers, de wrakingskamer heeft blijkens de beslissing van 7 december 2010 uitdrukkelijk beslist op de gestelde grond dat verzoeker ondanks zijn bezwaren omtrent de bevoegdheid van de rechters is opgeroepen voor een integrale behandeling van de zaken en niet voor een gesplitste procedure omtrent discriminatie, schijn van partijdigheid en bevoegdheid. Ook de oproeping ondanks aanbod tot beantwoording van schriftelijke vragen alsmede de in de oproeping voor de zitting opgenomen standaardtekst, inhoudende een verwijzing naar de gevolgtrekkingen die de rechtbank kan maken bij niet voldoen aan de wettelijke verplichting tot verschijnen, zijn als wrakingsgronden in het eerste verzoek opgenomen.

Het gestelde nieuwe feit bestaat slechts hieruit, dat de rechters in antwoord op een expliciete vraag van verzoeker uitdrukkelijk hebben laten weten onverminderd géén splitsing te zullen aanbrengen in clusters van formele aspecten en materiële aspecten.

Wat betreft de gestelde schijn van vooringenomenheid valt die noodzaak ook niet in te zien. Die stelling is immers door de wrakingskamer reeds afzonderlijk behandeld.

Wat betreft discriminatie in rechtsbescherming en eventuele andere formele aspecten heeft de wrakingskamer in de meergenoemde beslissing reeds beslist, dat de wet niet voorziet in een procedure waaraan verzoeker het recht van splitsing kan ontlenen.

Op grond van het bovenstaande heeft de wrakingskamer, bestaande uit de fungerend voorzitters van de vaste wrakingskamer, mrs. Zijp, Van der Perk en ondergetekende, de zaak de zaak voor afdoening in handen gesteld van de voorzitter van deze kamer.

Immers, bij gebreke van een novum kan verzoeker kennelijk niet worden ontvangen in zijn verzoek. De wrakingskamer verwijst naar punt 4.4. van het wrakingsprotocol van deze rechtbank, overigens ook op dit punt niet afwijkend van het landelijk protocol, dat op de website van deze rechtbank is te vinden:

www. Rechtspraak.nl/Gerechten/Rechtbanken/Alkmaar/Voor juristen/Regelingen.

De nadere onderbouwing van het splitsingsverzoek, zoals bij faxbrief van hedenmiddag door verzoeker gedaan, doet aan het vorenstaande niet af.

De wrakingskamer ziet aanleiding om, onder verwijzing naar het bepaalde in punt 10.1 van het wrakingsprotocol, te bepalen dat een volgend verzoek van soortgelijke aard en strekking niet in behandeling zal worden genomen.

3 BESLISSING

De voorzitter van de wrakingskamer:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek.

Bepaalt dat een volgend verzoek van soortgelijke aard en strekking niet in behandeling zal worden genomen.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.H.B. Littooy, voorzitter van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Huisman als griffier,

en uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 17 januari 2011.

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open