Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BO9756

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
04-01-2011
Zaaknummer
14.810155-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tweemaal poging tot doodslag bewezen. gepleegd gedurende één voortdurende heftige gemoedsbeweging. Daarom tweemaal vrijspraak voor poging tot moord. Verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar. Ontslag van rechtsvervolging. Terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer: 14.810155-10 (P)

Datum uitspraak: 4 januari 2011

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], gemeente [gemeente], op [geboortedatum] 1972,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres 3],

[woonplaats],

thans gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) te Amsterdam.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

21 december 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van de verdachte, mr. H. Teunisse, advocaat te Den Helder, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 7 april 2010 te Wieringerwerf, gemeente Wieringermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), voornoemde [slachtoffer 1] (meermalen) met kracht met een (gekarteld) broodmes en/of een vleesmes, althans een of meer scherpe en/of puntige voorwerp(en) in de nek en/of de hals en/of het hoofd en/of de borst en/of de armen en/of de handen en/of elders in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 7 april 2010 te Wieringerwerf, gemeente Wieringermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), voornoemde [slachtoffer 2] (meermalen) met kracht met een (gekarteld) broodmes en/of een vleesmes, althans een of meer scherpe en/of puntige voorwerp(en) in de nek en/of de hals en/of het gezicht en/of het hoofd en/of de (linker-schouder/bovenarm en/of elders in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

Op 7 april 2010 omstreeks 11.00 uur heeft een steekpartij plaatsgevonden in een woning aan [adres 1] te Wieringerwerf. Deze woning is eigendom van ’s Heerenloo, een instelling voor huisvesting van geestelijk gehandicapten. In Wieringerwerf bezit deze instelling drie woningen, te weten aan [adres 1,2 en 3], met elk vier bewoners. De verdachte heeft op 7 april 2010, na een gesprek aan [adres 3] met zijn bewindvoerder en een medewerker van de stichting MEE, een mes gepakt en is naar [adres 1] gelopen. Daar was op dat moment één begeleidster aanwezig, te weten mevrouw [slachtoffer 1], alsmede een moeder van één van de bewoners, te weten mevrouw [slachtoffer 2], en ten slotte een vijftal bewoners. De verdachte is deze woning binnen gegaan en heeft met het mes gestoken. Mevrouw [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] zijn nadien door de inmiddels gewaarschuwde politieagenten gewond aangetroffen. De verdachte is kort daarna aangehouden in zijn slaapkamer in de woning aan [adres 3].

De rechtbank dient allereerst te beoordelen of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een of meerdere malen poging tot moord dan wel poging tot doodslag.

B. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich ten aanzien van beide feiten op het standpunt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord. De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, nu hij met een broodmes in zijn hand naar [adres 1] is gelopen en om te voorkomen dat hij door vingerafdrukken herkend zou worden, zijn rechter handschoen heeft aangetrokken. Nadat hij binnen was gekomen, heeft hij direct mevrouw [slachtoffer 2] met dat mes gestoken en toen mevrouw [slachtoffer 1] daar tussen sprong, werd zij door hem met het mes gestoken. Nadat mevrouw [slachtoffer 1] erin was geslaagd de verdachte het mes af te pakken, is hij weggegaan en is hij vervolgens met een tweede mes teruggekomen. Hij is toen opnieuw op beide vrouwen gaan insteken. Uit deze gang van zaken kan volgens de officier van justitie worden afgeleid dat het steken van de beide vrouwen niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging of een opwelling maar dat de verdachte het besluit heeft genomen om, zoals hij zelf tegen de politie heeft gezegd, “die gekke begeleiders” te vermoorden. In de tijd tussen het nemen van dat besluit en de daadwerkelijke uitvoering is hij in de gelegenheid geweest om over de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

C. Standpunt van de verdachte/de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de verdachte in beide gevallen vrijgesproken dient te worden van poging tot moord, nu bij de verdachte geen sprake is geweest van een plan of van enige vorm van kalm en rustig beraad. Gelet op zijn stoornissen en zijn beperkte geestelijke vermogens is de verdachte daartoe niet in staat. Er is bij de verdachte sprake geweest van één doorlopende heftige gemoedstoestand.

De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag.

D. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van beide feiten

Op 7 april 2010 omstreeks 11.07 uur komt bij de regionale meldkamer van de politie te Alkmaar de telefonische melding binnen dat op [adres 1] te Wieringerwerf een steekpartij heeft plaatsgevonden. Enige minuten later komen verbalisanten ter plaatse. Zij worden door omwonenden geïnformeerd dat er op [adres 1] twee gewonde vrouwen zijn, die zijn neergestoken, en dat de verdachte zich op [adres 3] zou bevinden. De verbalisanten betreden de woning aan de [adres 1] waar zij in hal van de woning alsmede in de woonkamer en keuken diverse bloedspetters waarnemen op de vloer en muren. In de woning worden de twee slachtoffers aangetroffen, te weten mevrouw [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2]. Zij worden per ambulance vervoerd naar het ziekenhuis. Volgens een aanwezige ambulanceverpleegkundige worden bij mevrouw [slachtoffer 1] twaalf messteken en bij mevrouw [slachtoffer 2] zeven geconstateerd.

Vier andere verbalisanten hebben zich na de melding begeven naar de woning aan [adres 3] en hebben daar de verdachte aangehouden in zijn slaapkamer. De verdachte heeft desgevraagd verklaard dat het mes in de onderste lade van zijn kledingkast lag. De verbalisanten hebben aldaar op aanwijzing van verdachte een keukenmes van Ikea aangetroffen met een lengte van ongeveer 30 centimeter en met een zwart handvat. Dit mes is in beslag genomen.

Op 7 april 2010 heeft onder leiding van de rechter-commissaris een doorzoeking van de woningen aan [adres 1,2 en 3] plaatsgevonden. In het aanrechtkastje van de keuken in [adres 1] is een tweede mes gevonden en in beslag genomen.

Door de politie werd op aanwijzing van een medewerker van ’s Heerenloo op 9 april 2010 een zwarte handschoen aangetroffen, onder de wasbak in de slaapkamer van de verdachte. Deze handschoen was besmeurd met bloed. Ook deze handschoen is in beslag genomen.

In het dossier bevinden zich foto’s van de inbeslaggenomen goederen, waaronder het gekartelde broodmes met blauw handvat (foto 17) en een foto van het vleesmes met zwart handvat (foto 20).

Op 12 april 2010 heeft mevrouw [slachtoffer 1] aangifte gedaan van het voorval op

7 april 2010. Zij heeft onder meer verklaard dat de verdachte die dag via de achterdeur de woning binnenkwam aan de [adres 1] met een zwarte motorhandschoen aan en met een mes in zijn hand. Hij liep naar mevrouw [slachtoffer 2] die op een stoel zat en begon op haar in te steken, als gevolg waarvan mevrouw [slachtoffer 2] met stoel en al omviel. Mevrouw [slachtoffer 1] zag bloed op het hoofd van mevrouw [slachtoffer 2]. Vervolgens is zij er tussen gesprongen en begon de verdachte op haar in te steken. Zij werd door de verdachte gestoken, eerst in het hoofd, maar zij slaagde er in het mes van hem af te pakken. Het betrof een broodmes met gekartelde rand. De verdachte verdween daarop en mevrouw [slachtoffer 1] is 112 gaan bellen. Kort daarna is de verdachte teruggekomen met een groot vleesmes in zijn hand. Hij is direct op mevrouw [slachtoffer 1] afgelopen, die nog stond te bellen, en hij is op haar in gaan steken. Zij heeft de steken geprobeerd af te weren met haar handen als gevolg waarvan haar pink bijna is afgesneden door de verdachte.

Mevrouw [slachtoffer 1] is in het ziekenhuis behandeld aan haar verwondingen. Uit de geneeskundige verklaring van de chirurg dr. J.G.H. van den Brand blijkt onder meer dat mevrouw [slachtoffer 1] meerdere steekwonden had, met name aan de linkerzijde van haar lichaam, in de hals, borstkas en aan de linkerarm. Aan de linkerzijde (de rechtbank leest:) van de hals bevond zich een snijwond van circa 20 cm, een steekwond aan de linkerbiceps en een steekwond vlak boven het linkersleutelbeen. De steekwonden waren ongeveer 5 tot 6 cm diep, ook in de hals. Bij exploratie van de steekwond in de hals bleek een doorsnijding van de vena jugularis externa op het punt waar deze uittreedt uit de thorax. Deze is overhecht. De schade had naar het oordeel van de chirurg vele malen ernstiger kunnen zijn omdat op alle plaatsen waar is gestoken vitale organen en structuren aan de oppervlakte liggen. Het letsel aan de hand heeft waarschijnlijk levenslange invaliditeit tot gevolg. Er was zeer uitgebreid spier/pees/zenuwletsel van de linkerhand. Bij de pink was tevens het bot doorsneden. Ieder van de (naar de rechtbank begrijpt:) diepe steekwonden in hals en thorax lijkt potentieel levensbedreigend te zijn geweest.

Daarnaast is door de GGD geconstateerd dat mevrouw [slachtoffer 1] een klaplong, een breuk van het middenhandsbeentje en psychische klachten had.

Het letsel van mevrouw [slachtoffer 1] is deels op foto’s vastgelegd.

Op 14 april 2010 heeft mevrouw [slachtoffer 2] aangifte gedaan van het incident op

7 april 2010. Zij was op bezoek bij haar zoon die bewoner is van [adres 1]. Zij heeft onder meer verklaard dat de verdachte de eerste keer door de achterdeur van de woning is binnengekomen met een gekarteld broodmes in zijn hand. Zij heeft gezien dat de verdachte begon in te steken en te hakken op mevrouw [slachtoffer 1]. Daarna is de verdachte weggegaan en teruggekomen met een zogenaamd vleesmes. Zij heeft geprobeerd dat mes af te pakken als gevolg waarvan zij snijwonden heeft opgelopen aan haar handen. Zij is twee keer geraakt in haar linker schouder en in haar nek.

Mevrouw [slachtoffer 2] is in het ziekenhuis behandeld aan haar verwondingen. Uit de geneeskundige verklaring blijkt onder meer dat zij ter hoogte van haar jukbeen een streepvormige beschadiging had, aan de achterzijde van de nek een klieving van de huid, aan de linkerschouder twee klievingen van respectievelijk 4 en 1,5 cm en aan de handen diverse snijwonden. Daarnaast was er sprake van psychische problematiek.

In het dossier bevinden zich foto’s met betrekking tot het letsel bij mevrouw [slachtoffer 2].

De getuige mevrouw [getuige] heeft verklaard dat zij op 7 april 2010 aanwezig was op [adres 1] om de haren te knippen van de bewoners. Zij zag dat de verdachte via de achterdeur binnen kwam met een groot mes in zijn rechterhand. Hij droeg ook een soort werkhandschoen. De verdachte rende direct op mevrouw [slachtoffer 2] af en begon op haar in te steken. Ze zag ook dat mevrouw [slachtoffer 2] achterover viel. Mevrouw [slachtoffer 1] is er vervolgens tussen gesprongen en heeft de verdachte van mevrouw [slachtoffer 2] afgehaald. Mevrouw [getuige] zag vervolgens dat mevrouw [slachtoffer 1] door de verdachte in haar hals geraakt werd met het mes en dat zij hevig begon te bloeden. De verdachte bleef insteken op mevrouw [slachtoffer 1] maar deze heeft desondanks het mes van de verdachte afgepakt. De verdachte is weggegaan maar daarna teruggekomen met een mes en heeft weer op mevrouw [slachtoffer 1] ingestoken.

De verdachte heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] dood te maken door haar te steken met een mes, omdat het hem allemaal teveel werd.

De verdachte heeft op 21 december 2010 ter terechtzitting verklaard dat hij boos was naar aanleiding van het gesprek dat hij die ochtend had met zijn bewindvoerder en een medewerker van MEE. Hij was bang dat ze aan zijn geld zouden komen. Die boosheid liep na hun vertrek steeds meer op, als gevolg waarvan hij een mes heeft gepakt in zijn woning en naar nummer [adres 1] is gelopen. Hij heeft een motorhandschoen aangedaan om vingerafdrukken te voorkomen. Hij is de woning op nummer [adres 1] via de achterdeur binnengegaan en is gaan insteken op een begeleidster, te weten de door de verdachte in de zittingszaal herkende benadeelde partij, zijnde mevrouw [slachtoffer 1]. Zijn boosheid was gericht op de twee personen met wie hij het gesprek had gevoerd, maar zij waren inmiddels vertrokken. Mevrouw [slachtoffer 2] kende hij niet en mevrouw [slachtoffer 1] was een begeleidster met wie hij wel overweg kon. Beiden hadden de pech dat zij op dat moment aanwezig waren, aldus de verdachte. Hij heeft mevrouw [slachtoffer 1] tenminste twee keer gestoken in borst en schouder. Nadat mevrouw [slachtoffer 1] hem het mes had afgenomen is hij teruggegaan naar zijn woning op nummer [adres 3] en heeft hij een ander mes gepakt. Hij was nog steeds boos en is toen teruggelopen naar nummer [adres 1] en weer naar binnen gegaan. Hij heeft geen concrete herinnering aan het steken van een andere vrouw dan bedoelde begeleidster en evenmin aan het gebruik van het tweede mes. Hij weet wel dat hij tijdens zijn aanwezigheid in de woning op nummer [adres 1] tureluurs was in zijn hoofd en niet heeft nagedacht.

De beoordeling

Gelet op de korte, goeddeels overlappende, tijdspanne waarin de feiten zich hebben afgespeeld bezigt de rechtbank de bewijsmiddelen, behoudens die met betrekking tot de opgelopen letsels, met betrekking tot beide feiten.

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 7 april 2010 heeft gepoogd mevrouw [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] van het leven te beroven.

De kracht van de messteken blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de hierboven genoemde medische verklaringen. Het opzet op de dood kan genoegzaam worden afgeleid uit het feitelijk handelen van de verdachte en, ten aanzien van mevrouw [slachtoffer 1], tevens uit de verklaring van de verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris.

Vervolgens is de vraag aan de orde of de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Daarbij is van belang of de verdachte de tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat er gelegenheid was tot nadenken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De rechtbank kan de officier van justitie volgen in het betoog dat er voldoende tijdsverloop is geweest voor de verdachte tussen het pakken van het eerste mes enerzijds en het steken daarmee, laat staan het steken met het tweede mes, anderzijds. Daarnaast heeft de verdachte blijkens het aantrekken van de handschoen gedacht, zij het niet diep doordacht, aan mogelijke consequenties.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank echter van oordeel dat alle handelingen van de verdachte, ten opzichte van zowel mevrouw [slachtoffer 1] als mevrouw [slachtoffer 2], gedurende één voortdurende heftige gemoedsbeweging zijn gepleegd. De verdachte, bij wie volgens de bevindingen van de beide hierna te noemen gedrags-deskundigen de kans op een agressieve impulsdoorbraak in situaties van overvraging zeer groot is, heeft tijdens het bezoek van zijn bewindvoerder en een medewerker van de Stichting MEE ervaren dat hij de controle verloor over zijn leefsituatie. Gedurende een tijdspanne van ongeveer een half uur na het vertrek van bovenbedoelde personen is de verdachte steeds bozer geworden totdat hij – blijkens zijn verklaring ter zitting – het niet meer hield en hij wild en woest werd. Hij heeft voldoende nagedacht om een mes en een handschoen te pakken maar daarna werd hij tureluurs in het hoofd en dacht niet meer na.

De rechtbank deelt niet het standpunt van de raadsman, inhoudende dat de verdachte gelet op zijn beperkingen niet in staat geacht moet worden om zich rekenschap te geven. Wel acht de rechtbank van belang of voor de verdachte in de heftige gemoedstoestand na diens impulsdoorbraak daadwerkelijk en effectief voldoende gelegenheid heeft bestaan om na te denken en zich rekenschap te geven van de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval.

Hij heeft vele malen gestoken in een zodanige gemoedsbeweging dat hij zich slechts een van beide aangeefsters als zijn slachtoffers kan herinneren. Die geweldshandelingen hebben een moment van onderbreking gekend, te weten het moment waarop het eerste mes de verdachte was afgepakt en hij een tweede mes is gaan halen. Dit gegeven doet echter aan het oordeel van de rechtbank niet af, nu meergenoemde heftige gemoeds-toestand tijdens die onderbreking heeft voortgeduurd. Dat blijkt immers uit het gegeven, dat de verdachte zich juist de gebeurtenissen na het afpakken van het eerste mes nauwelijks kan herinneren.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat er bij de verdachte geen sprake is van handelen met voorbedachte raad.

Partiële vrijspraak feit 1 en feit 2

De verdachte zal derhalve worden vrijgesproken van de onder feit 1 en onder feit 2 impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 7 april 2010 te Wieringerwerf, gemeente Wieringermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet, voornoemde [slachtoffer 1] meermalen met kracht met een gekarteld broodmes en/of een vleesmes in de nek en de hals en het hoofd en de borst en de armen en de handen heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 7 april 2010 te Wieringerwerf, gemeente Wieringermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet, voornoemde [slachtoffer 2] meermalen met een gekarteld broodmes en/of een vleesmes in de nek en de hals en het gezicht en de linkerschouder en elders in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1 en feit 2

Telkens: poging tot doodslag

7. De strafbaarheid van de verdachte

De rechtbank overweegt omtrent de strafbaarheid van de verdachte het volgende.

De psychiatrisch deskundige E.A. Beld heeft de verdachte onderzocht en is, blijkens zijn rapport van 15 november 2010, tot de conclusie gekomen dat de verdachte lijdt aan een combinatie van een autisme spectrum stoornis en lichte zwakzinnigheid, welke stoornissen beide zijn aan te merken als ontwikkelingsstoornissen. Deze stoornissen waren ten tijde van het plegen van het delict aanwezig en hebben daar in grote mate aan bijgedragen. De ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde zodanig dat dat daaruit kan worden verklaard. Betrokkene is begin 2010 naar een beschermde woonvoorziening verhuisd omdat zijn moeder in verband met haar gezondheid naar een verzorgingstehuis moest. Dit heeft bij betrokkene veel spanningen teweeggebracht. Thuis werd hij volledig verzorgd door moeder en had hij een vaste structuur en gewoonten. Na de verhuizing werd de structuur anders en voelde hij zich onder druk gezet om zijn geldzaken uit handen te geven. Deze opeenstapeling van onverwachte en door betrokkene als onaangenaam ervaren gebeurtenissen hebben gemaakt dat hij steeds bozer werd. Betrokkene werd door zijn omgeving volledig overvraagd. Bij de stoornissen hoort dat de wijze waarop stressvolle situaties het hoofd geboden kan worden, sterk is achtergebleven. Op het moment dat betrokkene in een stressvolle situatie was gekomen was hij volstrekt onvoldoende in staat om de spanning en boosheid te hanteren. Een agressieve impuls vanuit de opgekropte boosheid volgde hieruit.

De psychiater adviseert de rechtbank de verdachte met betrekking tot het ten laste gelegde als volledig ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

De verdachte is ook onderzocht door mevrouw D. Breuker, gezondheidszorg- en forensisch psycholoog. In haar rapport van 9 november 2010 concludeert de deskundige dat bij de verdachte sprake is van een ontwikkelingsstoornis in de zin van een autistische stoornis en van een verstandelijke beperking op het niveau van lichte zwakzinnigheid. Daarnaast heeft hij een neurologische aandoening door de aanwezigheid van epilepsie, wat mede van invloed kan zijn op het cognitief functioneren in de zin van problemen met de aandacht en het geheugen. Vanuit de stoornissen bestaan er grote problemen in de impulscontrole en agressieregulatie onder toenemende stress. Het algeheel functioneren ligt op het niveau van kinderen tussen de 2 en 4 jaar. Betrokkene gaf blijk van veel stress, cognitieve verwardheid, onbegrip, paniek en ontreddering in reactie op drastische veranderingen in zijn leven en het kwijtraken van vertrouwde gedragspatronen in de periode voorafgaand aan het ten laste gelegde. Uit het onderzoek blijkt verder dat het ten laste gelegde niet een planmatige actie maar eerder een impulsieve reactie is geweest op overvraging vanuit de omgeving bij tegelijkertijd een onvermogen om hiermee om te gaan. Er bestaat een primair verband tussen de stoornissen en het plegen van het ten laste gelegde. De psychologisch deskundige geeft de rechtbank in overweging om betrokkene als volledig ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank verenigt zich met de hierboven omschreven conclusies van de deskundigen ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte en maakt deze tot de hare.

De rechtbank acht de verdachte niet strafbaar. Het bewezen verklaarde kan de verdachte wegens ziekelijke stoornis van de geestvermogens niet worden toegerekend. De verdachte dient ter zake daarvan dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

8. Motivering van de op te leggen maatregel

A. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte zal worden opgelegd de onvoorwaardelijke terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

B. Standpunt van de verdachte/de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat aan de verdachte de maatregel als bedoeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

C. Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen maatregel bepaald op grond van de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op twee willekeurige slachtoffers, door hen meerdere keren te steken met een mes. Mevrouw [slachtoffer 1] heeft ernstig letsel opgelopen. Zij is meerdere keren geopereerd en heeft plastische chirurgie nodig gehad voor haar pink die nagenoeg was afgesneden. Mevrouw [slachtoffer 2] heeft door haar val rugletsel opgelopen waaraan zij is geopereerd. Daarnaast heeft zij een blijvend litteken op haar rechterwang als gevolg van een messteek. Beide slachtoffers hebben diverse snijwonden op het lichaam en aan de handen waarvan de littekens resteren en hen blijvend herinneren aan de gebeurtenis.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

8 april 2010 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen;

- de bovengenoemde rapportage van de psychiater E.A. Beld, onder meer inhoudende dat betrokkene alleen kan functioneren indien hij in een voorspelbare en zorgende omgeving verblijft. Te overwegen valt – nu betrokken nooit eerder met justitie in aanraking is geweest en geen gewelddadige of criminele voorgeschiedenis heeft – aan de verdachte de maatregel van artikel 37 Wetboek van Strafrecht op te leggen en de verdachte op te nemen in een instelling die gespecialiseerd is in deze problematiek, bij voorkeur Hoeve Boschoord. Nu de kans echter groot is dat betrokkene na verloop van de maatregel weer terecht komt in een vergelijkbare voorziening als waar hij het delict heeft gepleegd, kan als ultimum remedium worden gedacht aan de maatregel van TBS met dwangverpleging. Dit is ingrijpend voor de betrokkene met zijn blanco justitiële voorgeschiedenis, maar de veiligheidsaspecten zijn in een langdurig traject beter gegarandeerd. In het licht van een verhoogde kans op herhaling van een vergelijkbaar delict door een agressieve impulsdoorbraak bij overvraging vanuit zijn omgeving, verdient een advies voor TBS met dwangverpleging de voorkeur.

- de bovengenoemde rapportage van de psycholoog D. Breuker die eveneens de alternatieven afweegt van oplegging van de maatregel TBS met dwangverpleging dan wel de maatregel van artikel 37 Wetboek van Strafrecht. Gezien de grote kans op herhaling en de ernstige problematiek met blijvende en grote sociaal-emotionele en verstandelijke beperkingen adviseert zij vanuit een gevaars- en beheersingsafweging tot behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Anderzijds benadrukt zij de wenselijkheid vanuit hulpverleningsoogpunt om betrokkene zo snel mogelijk op een geschikte en veilige woonplek te plaatsen, zoals Hoeve Boschoord. De voorkeur van deze deskundige gaat uit naar de laatstgenoemde maatregel vanwege de afwezigheid van eerdere gewelddadige incidenten bij de betrokkene. Zij is van oordeel dat stabilisering van de problematiek bij de betrokkene ook kan plaatsvinden in het kader van een artikel 37 maatregel bij Hoeve Boschoord. Op langere termijn kan het gevaars- en beheersrisico met een rechterlijke machtiging worden gewaarborgd. Het recidivegevaar is vooral gelegen in de aan- of afwezigheid van een voor betrokkene vertrouwde en daarmee veilige woon- en werkomgeving, aldus deze deskundige;

- de verblijfsrapportage over de verdachte van Singel PPC Amsterdam betreffende de observatieperiode mei tot en met oktober 2010;

- het over de verdachte uitgebrachte advies gedateerd 20 december 2010, opgesteld door J. Straus, als reclasseringswerker bij Reclassering Nederland.

De rechtbank is, op grond van het vorenstaande, van oordeel dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling dient te worden opgelegd.

De rechtbank kan de door de gedragsdeskundigen kennelijk als lastig beschouwde afweging tussen twee alternatief genoemde maatregelen goed volgen. Vooropgesteld zij dat de verdachte gebaat is bij een gestructureerde en voorspelbare leefomgeving.

De verdachte heeft feitelijk 37 jaar lang probleemloos kunnen functioneren in een zodanige veilige woonomgeving en – eveneens vele jaren – in een zodanige werkomgeving. De beoordeling van de op te leggen maatregel dient echter te geschieden vanuit het feitelijk gegeven dat die situatie voor verdachte is veranderd, met ernstige gevolgen voor hemzelf en voor anderen.

De maatregel van artikel 37 van het Wetboek van strafrecht bergt het risico in zich dat de verdachte na verloop van de maatregel weer in een soortgelijke instelling terecht komt als waar het delict plaatsvond. Daarbij komt het volgende. De verdachte is tijdens zijn voorarrest voor observatie geplaatst op de Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) te Heiloo. Blijkens de brief van de divisie forensische psychiatrie te Heiloo van 8 juli 2010 was deze plaatsing niet geschikt op grond van zijn verstandelijke beperkt functioneren en de wijze waarop hij zich in de kliniek heeft gepresenteerd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de maatregel van artikel 37 Wetboek van Strafrecht op grond van het bovenstaande geen passende maatregel.

Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling is voldaan, nu de door de verdachte begane feiten misdrijven zijn, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist.

De rechtbank zal voorts bevelen, dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd, nu de algemene veiligheid van personen die verpleging eist, één en ander overeenkomstig het in genoemde rapportages uitgebrachte advies.

De rechtbank adviseert in dit kader dat de verdachte overeenkomstig het advies van bovengenoemde gedragsdeskundigen zal worden verpleegd in Hoeve Boschoord, opdat de verdachte – zo spoedig mogelijk – zal worden opgenomen in een passende omgeving.

9. Vordering van de benadeelde partij(en)

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 10.156,00,- wegens schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het schadeveroorzakende feit. Dit bedrag bestaat uit € 10.000,- wegens immateriële schade en € 156,00 wegens materiële schade, te weten de kosten van de daggeldvergoeding voor haar verblijf in het ziekenhuis.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vordering in haar geheel kan worden toegewezen. De raadsman heeft bepleit tot niet ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in de vordering, nu de benadeelde partij naast de verdachte ook de instelling ’s Heerenloo, onder wiens verantwoordelijkheid de verdachte viel, aansprakelijk kan stellen voor de door haar geleden materiële en immateriële schade.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zodanige eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in de strafzaak.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek Bewezenverklaring onder 1. bewezen verklaarde strafbare feit, door de handeling van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag kan de vordering worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het schadeveroorzakende feit, te weten 7 april 2010.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de uitspraak moet maken.

10.Schadevergoeding als maatregel

De benadeelde partij heeft verzocht om aan de verdachte ter zake van haar vordering ook de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Ook de officier van justitie heeft gevorderd dat deze maatregel wordt opgelegd.

De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel niet opleggen omdat als wettelijke voorwaarde voor de oplegging van deze maatregel geldt dat de verdachte wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld. Daarvan is in deze zaak geen sprake, nu de verdachte, zoals uit de inhoud van dit vonnis blijkt, zal worden ontslagen van rechtsvervolging.

11.Beslag

De in deze rubriek en in de rubriek Beslissing gebruikte nummers verwijzen naar de

door de officier van justitie overgelegde lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank is van oordeel, dat de volgende inbeslaggenomen voorwerpen:

1. 1.00 STK Mes Kl: Blauw, broodmes

3. 1.00 STK Handschoen Kl:Zwart

(brommerhandschoenen)

4. 1.00 STK Mes Kl: Zwart Ikea Keuken

verbeurd verklaard dienen te worden.

2. 1.00 STK Mes Kl: Zwart, vleesmes

dient te worden teruggeven aan de rechthebbende: ‘s Heerenloo.

12.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 37a, 37b, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

13. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders onder 1 en 2 is ten laste gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde niet strafbaar.

Ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging.

Gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte.

Beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Gelast de teruggave aan ‘s Heerenloo van:

1 vleesmes, kleur zwart,

Verklaart verbeurd:

1 broodmes, kleur blauw en 1 mes, kleur zwart, Ikea keuken en een zwarte handschoen.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 10.156,00 (tienduizend honderdzesenvijftig euro) als schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 april 2010.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. De tot op heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.A.M. van Dijk, voorzitter,

mr. P.H.B. Littooy en mr. E.K. Veldhuijzen van Zanten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.M. ten Bos, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 januari 2011.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.