Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:2388

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
22-05-2015
Zaaknummer
AWB-10_1398
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wob-verzoek – bestuurlijke aangelegenheid – geen toestemming voor de rechtbank om kennis te nemen van stukken

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 10/1398 WOB

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

[eiser],

wonende te[woonplaats],

eiser,

tegen

Bureau Jeugdzorg Noord-Holland,

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 7 januari 2010 heeft verweerder negatief beslist op een verzoek van eiser op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om toezending van stukken. Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 29 april 2010 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 27 mei 2010, door de rechtbank ontvangen op 4 juni 2010, beroep ingesteld.

Bij tussenbeslissing van 11 november 2010 heeft de rechtbank, onder toepassing van het derde lid van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht ( Awb), bepaald dat de kennisneming van de gedingstukken, toegezonden bij brief van 1 oktober 2010, uitsluitend is toegestaan aan de rechtbank. Bij brief van 22 januari 2010 heeft eiser de toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb geweigerd. Bij brief van 23 november 2010 heeft de rechtbank voornoemde gedingstukken teruggestuurd naar verweerder.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van 31 maart 2011, waar eiser is verschenen in persoon. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. D.Th.G. Thuijs.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

Motivering

1.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder bestuurlijke aangelegenheid: een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt.

2.

Bij brief van 15 december 2009 heeft eiser aan verweerder verzocht hem te doen toekomen het rapport, alsmede de daarbij behorende brief, toelichting en andere bijlagen die zijn opgemaakt in het kader van een second opinion opgesteld of verstuurd naar verweerder, AMK of een andere overheidsorganisatie.

Bij brief van 23 december 2009 heeft eiser aan verweerder verzocht hem de gegevens te verstrekken welke door verweerder zijn verkregen op grond van de Gestructureerde Checklist (CGT) en het Licht Instrument Risicotaxatie Kindermishandeling (LIRIK).

3.

Bij besluit van 7 januari 2010 heeft verweerder geweigerd om de door eiser verzochte stukken aan hem te verstrekken. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat geen sprake is van een bestuurlijke aangelegenheid, nu het gaat om een verzoek om informatie betreffende een cliëntdossier. Dit valt niet onder de strekking van de Wob.

4.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd de door hem verzochte stukken te verstrekken. Eiser heeft hiertoe gesteld dat het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) onder verantwoordelijkheid van verweerder valt. Nu de door hem opgevraagde gegevens verband houden met een onderzoek door het AMK vormen ze een bestuurlijke aangelegenheid.

5.

In artikel 1, aanhef en onder b, van de Wob is bepaald dat er sprake is van een bestuurlijke aangelegenheid als het een aangelegenheid betreft, die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding ervan. Deze wettelijke begripsomschrijving moet worden gelezen in samenhang met het doel van de wet, te weten burgers in de gelegenheid stellen besluitvormingsprocessen te doorzien. Door deze brede doelstelling moet het begrip ‘bestuurlijke aangelegenheid’ ruim worden opgevat (zie ook de Memorie van Toelichting Kamerstukken II, 19 859, nr. 3, p. 25). Het begrip heeft betrekking op het openbaar bestuur in al zijn facetten, zodat de enkele aanwezigheid van een verband met een bestuurlijke aangelegenheid reeds voldoende is. Ook de informatie waarom wordt gevraagd moet bestuurlijk van aard zijn. Dit is het geval wanneer de gevraagde gegevens zien op een onderdeel van de publieke taak van het betreffende bestuursorgaan. (Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 21 januari 2009 en 6 mei 2004 gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-Nummers BH0453 en AO8873).

6.

De rechtbank is van oordeel dat de door eiser verzochte informatie betrekking heeft op een bestuurlijke aangelegenheid. Hiertoe wordt overwogen dat de verzochte informatie verband houdt met een door het AMK uitgevoerd onderzoek. De uitkomsten van dit onderzoek vormen de grondslag van de besluiten van verweerder, in casu om geen maatregelen (zoals ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing) te treffen. Bij het treffen van maatregelen of het besluit hiertoe niet over te gaan, treedt verweerder, gelet op de haar ingevolge de Wet op de jeugdzorg toebedeelde taken op als bestuursorgaan. De gevraagde gegevens zien derhalve op een onderdeel van de publieke taak van verweerder.

7.

Nu is vast komen te staan dat er sprake is van een bestuurlijke aangelegenheid dient te worden beoordeeld of verweerder terecht heeft geweigerd de door eiser verzochte documenten openbaar te maken. Om dit te kunnen vaststellen heeft de rechtbank verweerder verzocht deze documenten aan haar toe te zenden, teneinde zich een oordeel te kunnen vormen over de aan de weigering ten grondslag gelegde wettelijke grondslag. Verweerder heeft aan dat verzoek voldaan en de inzending vergezeld doen gaan van de mededeling dat slechts de rechtbank kennis zal mogen nemen van de bij brief van 1 oktober 2010 toegezonden stukken. Door de rechtbank is – in een andere samenstelling – bij tussenbeslissing van 11 november 2010 geoordeeld dat de beperking in de kennisneming van de bij brief van 1 oktober 2010 toegezonden stukken, gerechtvaardigd is.

8.

Door de weigering van eiser de rechtbank toestemming te verlenen om van de hiervoor bedoelde stukken kennis te nemen, heeft eiser de rechtbank de mogelijkheid ontnomen de rechtmatigheid van het besluit te beoordelen. In beginsel zijn de gevolgen van een dergelijke weigering voor risico van eiser (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 4 augustus 2004 en 12 juli 2004, gepubliceerd op www. Rechtspraak.nl onder LJ-Nummers AQ6010 en AQ9839). Eiser heeft geen argumenten aangevoerd die de rechtbank aanleiding te geven van dit beginsel af te wijken.

9.

Het voorgaande betekent dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. De overige door eiser aangevoerde gronden van beroep behoeven derhalve geen bespreking meer.

10.

Bij deze beslissing is er geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. de Feijter, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C. van Steenoven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2011 te Alkmaar.

griffier rechter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschriften verzonden: