Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BP5613

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
04-11-2010
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
122119
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wbp - afwijzing verzoek tot verwijdering persoonsgegevens uit incidentenregister en IVR.

Uitgangspunt Protocol incidentenwaarschuwingssysteem financiële instellingen.

Belang ING prevaleert, nu de benadeling vaststaat en de verwijzingsgegevens uitsluitend bestemd zijn voor de eigen organisatie van ING. [Verzoeker] kan nog terecht bij andere financiële instellingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

LK/AM

zaak- en rekestnummer: 122119 / HA RK 10-54

datum: 4 november 2010

Beschikking van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. B. Blom te Amsterdam,

tegen:

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

gemachtigde: mr. M. Schoor te Amsterdam.

Verzoeker zal in het hiernavolgende worden aangeduid als Verzoeker, verweerster als ING.

1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 11 augustus 2010 is ter griffie het verzoekschrift ingekomen, hiertoe strekkende dat de rechtbank - op de voet van artikel 46 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) - ING veroordeelt alle op Verzoeker betrekking hebbende gegevens te verwijderen uit het incidentenregister.

1.2 Op 23 september 2010 heeft naar aanleiding van het verzoekschrift een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten (nader) hebben doen toelichten. Namens ING zijn pleitaantekeningen overgelegd.

1.3 De rechtbank heeft ten slotte uitspraak bepaald op 4 november 2010.

2. DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

2.1 Verzoeker heeft - kort en zakelijk weergegeven - aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat ING zijn gegevens ten onrechte in haar incidentenregister heeft opgenomen. Aan dit register zijn een intern en een extern verwijzingsregister gekoppeld (IVR en EVR).

2.2 ING heeft bij brief van 10 juni 2010 aan Verzoeker laten weten dat zij zijn gegevens in het incidentenregister heeft opgenomen omdat sprake is geweest van een bijschrijving op zijn bankrekening vanaf een rekening waarvan de houder geen opdracht heeft gegeven. Op diezelfde dag zijn er met de bankpas van Verzoeker drie transacties verricht, waarbij een deel van het bijgeschreven bedrag van de rekening is opgenomen.ING heeft in haar brief van 10 juni 2010 aangegeven dat het voor bankieren benodigde vertrouwen ernstig is geschaad en heeft de relatie met Verzoeker beëindigd.

2.3 Verzoeker betwist dat hij op de hoogte was van de frauduleuze overboeking op zijn rekening, en dat hij de opnametransacties heeft verricht of door een derde heeft laten verrichten. Het enkele feit dat het een derde is gelukt om achter een bij een pas behorende pincode te komen, betekent niet dat de houder van de pas onzorgvuldig is geweest. Daar ING herhaaldelijk afwijzend heeft gereageerd op het verzoek de registratie te verwijderen, wordt de rechtbank verzocht ING daartoe te veroordelen.

2.4 ING betoogt dat haar handelwijze getoetst dient te worden aan de bepalingen van het Protocol "Incidentenwaarschuwingssysteem financiële instellingen" (verder: het Protocol), nu het Protocol voldoende waarborgen biedt voor een rechtmatige verwerking van persoonsgegevens, hetgeen ook is vastgesteld door het Gerechtshof Amsterdam in haar arrest van 18 januari 2007 (LJN BA5933).

3. DE BEOORDELING VAN DE ZAAK

3.1 Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is gebleken dat ING de persoonsgegevens van Verzoeker uitsluitend heeft opgenomen in het Intern Verwijzingsregister (IVR/IVA) en niet in het Extern Verwijzingsregister (EVR/EVA), zodat de rechtbank dient te beoordelen of deze melding in het IVR terecht door ING wordt gehandhaafd.

3.2 Op de verwerking van persoonsgegevens is de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) van toepassing. Op grond van artikel 8 sub f Wbp dient bij het verwerken van persoonsgegevens een afweging te worden gemaakt tussen het gerechtvaardigde belang van - in casu - ING om de gegevens te verwerken en het belang en de fundamentele rechten en vrijheden van Verzoeker. ING heeft bij haar besluit de voorwaarden van het Protocol in acht genomen. Blijkens de preambule van het Protocol is het Protocol een toelichting op de aanmelding van het incidentenregister bij het College bescherming Persooonsgegevens. De doelstelling van het incidentenregister is het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector. De rechtbank is met ING van oordeel dat het Protocol kan worden beschouwd als een regeling die voldoende waarborgen biedt voor een rechtmatige verwerking van persoonsgegevens zoals de Wbp die voorschrijft, zodat het Protocol als uitgangspunt zal gelden bij de beoordeling van het onderhavige geschil.

3.3 ING heeft bij de mondelinge behandeling aangegeven dat op 18 mei 2010 een bedrag van euro 4.995,- op de rekening van Verzoeker is bijgeschreven en dat dit bedrag afkomstig is van een rekening waarvan de houders geen opdracht hebben gegeven tot deze overboeking. Verder voert zij aan dat in Holland Casino een persoon is aangehouden met een zestal bankpassen op zak, waaronder de pas van Verzoeker.

De overige pashouders hebben later verklaard te zijn geronseld in ruil voor geld om hun pas en pincode af te staan. ING heeft, zo betoogt zij, een redelijk vermoeden van het plegen van strafbare gedragingen door Verzoeker en is daarom van mening dat zij conform het bepaalde in artikel 5.2 van het Protocol gerechtigd is Verzoeker in het IVR op te nemen. Gezien het feit dat Verzoeker niet in het EVR is opgenomen, staat het hem vrij bij andere financiële instellingen zaken te doen en is de plaatsing niet onredelijk bezwarend, aldus ING.

3.4 Blijkens artikel 5.2 van het protocol kunnen in het intern verwijzingsregister gegevens worden opgenomen van personen die een risico vormen voor de (organisatie van) ING. In dat kader noemt het Protocol als criterium voor opname in het IVR onder meer dat er sprake is van (een redelijk vermoeden van) opzettelijke benadeling van de deelnemer, oneigenlijk gebruik van producten, diensten en voorzieningen en/of een poging daartoe. Nu vaststaat dat Verzoeker begunstigde is geworden van een frauduleuze overboeking op zijn bankrekening en een deel van het overgeboekte bedrag dezelfde dag nog is opgenomen met gebruikmaking van de juiste pincode, bestond er naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanleiding voor ING om aan te nemen dat er sprake was van een risico voor haar organisatie. ING had derhalve een gerechtvaardigd belang om de persoonsgegevens van Verzoeker te verwerken en op te nemen in het incidentenregister.

3.5 Tegenover het gerechtvaardigde belang van ING staat het recht van Verzoeker op bescherming van zijn belangen. Verzoeker heeft in dat verband aangegeven dat hij zich ten onrechte beknot voelt, nu hij geen gebruik meer kan maken van zijn rekening en hij in de toekomst bij het aangaan van een hypotheek eveneens zal zijn beknot in zijn mogelijkheden.

3.6 De rechtbank is van oordeel dat bij de afweging tussen het gerechtvaardigde belang van ING om een bedreiging voor de integriteit van haar organisatie af te wenden en het recht op bescherming van de belangen van Verzoeker, het belang van ING dient te prevaleren. Vaststaat immers dat ING is benadeeld door handelingen die zijn verricht met gebruikmaking van de bankrekening en bankpas van Verzoeker. Daarbij kan in het midden worden gelaten wat het aandeel van Verzoeker daarin is geweest. Bij voormelde afweging laat de rechtbank tevens meewegen dat de persoonsgegevens van Verzoeker niet zijn opgenomen in het EVR, maar slechts in het IVR, zodat de verwijzingsgegevens uitsluitend bestemd zijn voor (de eigen organisatie van) ING. Het staat Verzoeker nog altijd vrij om bij andere financiële instellingen zaken te doen. Bovendien heeft ING desgevraagd laten weten dat zij in beginsel de maximale termijn van acht jaar hanteert voordat de gegevens uit het IVR worden verwijderd, maar dat de mogelijkheid bestaat om deze termijn te verkorten nadat daartoe een schriftelijk verzoek is ingediend.

3.7 Gelet op het vorenstaande zal het verzoek worden afgewezen.

4. DE BESLISSING

De rechtbank:

4.1 Wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. A.E. Merkus en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 4 november 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.