Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BP2267

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
23-09-2010
Datum publicatie
27-01-2011
Zaaknummer
10/1700 en 10/1701
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BQ6833, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De gestelde psychiatrische diagnose "misbruik van alcohol in ruime zin"wordt niet gedragen door het onderzoeksrapport.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummers: 10/1700 BESLU en 10/1701 BESLU

Uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde mr. G.J.M. van Spanje,

tegen

de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen,

verweerster.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 9 maart 2010 heeft verweerster het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard, aangezien verzoeker niet (meer) voldoet aan de eisen van geschiktheid.

Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 15 juni 2010 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Bij brief van 26 juli 2010 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen dit laatste besluit. Tevens heeft verzoeker bij separate brief van dezelfde datum de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende opschorting van het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 september 2010. Verzoeker is hier in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerster is ter zitting vertegenwoordigd door mr. drs. M.M. Kleijbeuker.

Motivering

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek een voorlopige voorziening te treffen de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Aangezien alle voor een beslissing relevante feiten en omstandigheden naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geding aan de orde zijn geweest meent de voorzieningenrechter dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter zal dan ook gebruik maken van de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid die is vereist voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijke mededeling aan het CBR, onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, van de Wvw 1994 besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat de betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid. Dit onderzoek wordt door een deskundige uitgevoerd.

Ingevolge artikel 134, eerste lid, van de Wvw 1994 stelt het CBR zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek vast.

Ingevolge het tweede lid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

Ingevolge het derde lid deelt het CBR, indien het voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren, dit mede aan de houder, onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen.

Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde (lees: tweede) lid, van de Wvw 1994, indien de uitslag van het onderzoek of de onderzoeken inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

In artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 is bepaald dat de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In die bijlage is in paragraaf 8.8, “misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)”, bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring op basis van een specialistisch rapport geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

3. Verzoeker is op 7 juni 2009 aangehouden, waarbij een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd van 1030 ?g/l. Hieraan is het vermoeden ontleend dat verzoeker niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van motorrijtuigen. Bij besluit van 30 juni 2009 is aan verzoeker een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd. Verzoeker is op 11 januari 2010 onderzocht door psychiater dr. N. van Loenen (hierna: Van Loenen). Uit het onderzoeksrapport blijkt dat de psychiatrische diagnose misbruik van alcohol is gesteld. Op basis van de uitkomst van het onderzoek heeft verweerster zich bij besluit van 9 maart 2010 op het standpunt gesteld dat verzoeker niet voldoet aan de eisen van geschiktheid. Verweerster heeft verzoekers rijbewijs ongeldig verklaard voor alle categorieën met ingang van 16 maart 2010.

4. Verzoeker kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Verzoeker heeft

– samengevat – gesteld dat de psychiatrische rapportage gebreken vertoont, zodat verweerster daarop niet haar oordeel had mogen baseren.

Voorts heeft verzoeker gesteld dat uit de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en laboratoriumgeneeskunde, aangaande de geschiktheid van CDT analysemethoden ten behoeve van onderzoek naar chronisch overmatig alcoholgebruik (hierna: de Richtlijn) volgt dat de afkapgrens %CDT bij 2,8 ligt. Een %CDT van 2,6 is daarom geen aanwijzing voor alcoholgebruik. De conclusie van Van Loenen dat de %CDT van 2,6 bij verzoeker een aanwijzing zou zijn voor alcoholmisbruik is volgens verzoeker in strijd met de Richtlijn. Ten slotte is aan verzoeker geen inzage-, correctie- en blokkeringsrecht verleend, waardoor verweerster in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gehandeld.

5. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 22 juli 2009, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJ-nummer BJ3386) bestaat in het geval als het onderhavige slechts aanleiding om de ongeldigverklaring van het rijbewijs niet in stand te laten indien de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.

6. Het rapport van Van Loenen omvat de resultaten van een anamnese, een lichamelijk onderzoek, een specieel psychiatrisch onderzoek, een laboratoriumonderzoek en een psychiatrisch onderzoek aan de hand van de zogeheten DSM-IV-TR-criteria.

Uit de anamnese heeft Van Loenen de conclusie getrokken dat er aanwijzingen zijn voor alcoholmisbruik. Dit is gebaseerd op het feit dat verzoeker werd aangehouden met een zeer hoog ademalcoholgehalte en verzoeker zich desondanks in staat voelde om te rijden. Er is daarom volgens Van Loenen sprake van een forse tolerantie. Bovendien lijkt verzoeker zijn alcoholgebruik wat te bagatelliseren. In het rapport staat dat verzoeker zijn alcoholgebruik mogelijk bagatelliseert.

Voorts heeft Van Loenen naar aanleiding van de zogenoemde CAGE-vragen gesteld dat er aanwijzingen zijn voor alcoholmisbruik. Ook het %CDT van 2,6 is volgens van Loenen een aanwijzing voor alcoholmisbruik, aangezien het niet in overeenstemming is met de anamnese, waarin verzoeker heeft verklaard gestopt te zijn met het drinken van alcohol.

Uit de DSM-IV-TR-classificatie blijkt volgens Van Loenen eveneens dat er misbruik is van alcohol.

Van Loenen heeft in de samenvatting van het rapport gesteld dat de diagnose misbruik van alcohol dient te worden gesteld volgens de criteria van de DSM-IV-TR. Daarbij heeft hij gesteld dat de bloedchemiewaarde duidelijk verhoogd is en niet in overeenstemming is met de anamnese waarbij verzoeker heeft opgemerkt dat hij na de aanhouding gestopt is met het gebruik van alcohol in het algemeen.

7. Verweerster heeft in het verweerschrift en ter zitting gesteld dat het criterium voortdurend gebruik van alcohol door Van Loenen onvoldoende is onderbouwd. Hierom heeft verweerster besloten om dit criterium niet aan het bestreden besluit ten grondslag te leggen, waardoor geen diagnose conform de DSM-IV-TR-classificatie kon worden gesteld. Dit doet naar de mening van verweerster niet af aan de gestelde diagnose, nu Van Loenen tevens de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik heeft gesteld en deze diagnose wel voldoende is onderbouwd. Voorts is ter zitting aangegeven dat de CAGE-vragen geen aanleiding zijn voor misbruik van alcohol, aangezien er maar één van de vragen door verzoeker positief is beantwoord. Ten slotte heeft verweerster ter zitting toegegeven dat de motivering voor het bagatelliseren van het alcoholgebruik moeizaam is.

8. Gelet op het voorgaande stelt de voorzieningenrechter vast dat de door Van Loenen gestelde psychiatrische diagnose ‘misbruik van alcohol in ruime zin’ in feite uitsluitend berust op een %CTD van 2,6 en een forse tolerantie voor alcohol.

9. Blijkens de Richtlijn liggen de normaalwaarden bij de N-Latex CDT-methode van Siemens – die bij verzoeker is toegepast – tussen de 1,3 en 2,3 %CDT. Daarbij ligt het zogenoemde afkappunt op 2,8 %CDT. Binnen de normaalwaarden vallen, blijkens de Richtlijn, 95% van de analyseresultaten, verkregen bij onderzoek van een geselecteerde “normale” gezonde bevolkingsgroep. Het afkappunt is de getalsmatige uitslag, vanaf waar met 95% zekerheid gesteld mag worden dat de uitslag niet bij de normale verdeling behoort. Verzoeker valt met zijn %CDT van 2,6 weliswaar niet binnen de normaalwaarden, maar doordat hij onder de afkapgrens valt, kan niet met (95%) zekerheid gesteld worden dat hij niet bij de normale verdeling behoort. Er moet dus van worden uitgegaan dat verzoeker behoort tot de normale verdeling.

De conclusie van Van Loenen dat het %CDT van 2,6, gelet op de anamnese, een aanwijzing is voor alcoholmisbruik kan de voorzieningenrechter niet volgen. Ten eerste heeft verzoeker stellig betwist dat hij is gestopt met het drinken van alcohol na zijn aanhouding en dat hij dat tijdens het psychiatrisch onderzoek zou hebben verklaard. Ten tweede blijkt uit de Richtlijn niet dat de “normale” gezonde bevolkingsgroep in het geheel geen alcohol nuttigt, zodat een %CDT van 2,6 niet per se hoeft te duiden op alcoholmisbruik.

10. Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat er ongerijmdheden voorkomen in het rapport. Zo staat onder 3.2.1 (alcoholtolerantie) dat verzoeker in het jaar voor de aanhouding na ongeveer vier eenheden effect voelde van alcohol en geen verminderd effect ervoer bij voortgezet gebruik van dezelfde hoeveelheid alcohol. In 10.1.1 staat vervolgens een ‘ja’ bij de vraag of er sprake is van een duidelijk verminderd effect bij voortgezet gebruik van dezelfde hoeveelheid alcohol. Als onderbouwing is aangegeven dat verzoeker pas na vier eenheden alcohol effect voelt. Verweerster heeft gesteld dat de keurend arts op grond van zijn bevindingen en zijn specialistische kennis tot dit oordeel heeft kunnen komen. De voorzieningenrechter heeft hiervoor echter geen toereikende onderbouwing kunnen lezen in het rapport. De herhaling van de stelling van verzoeker dat hij pas na vier eenheden effect ervaart, is daartoe onvoldoende. Voorts staat in het rapport dat verzoeker heeft aangegeven alcohol te hebben gedronken zonder speciale reden, terwijl verzoeker steeds heeft verklaard, hetgeen niet betwist is door verweerster, dat hij op een festival aanwezig was en daar aan het kamperen was.

11. Ten slotte stelt de voorzieningenrechter vast dat de overige bloedwaarden van verzoeker binnen de normaalwaarden zijn vastgesteld. Zoals in de hierboven genoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juli 2009 valt te lezen zijn in ieder geval relevante, ondersteunende elementen nodig voor de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin. Zoals hierboven reeds is overwogen, ontbreken die in het geval van verzoeker.

12. Al het bovenstaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de gestelde psychiatrische diagnose ‘misbruik van alcohol in ruime zin’ niet wordt gedragen door het rapport. Dit betekent dat verweerster zich niet op dit rapport heeft mogen baseren. Gelet hierop hoeven de overige door verzoeker aangedragen gronden niet te worden beoordeeld.

13. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Het beroep zal gegrond worden verklaard. Verweerster zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar van verzoeker dienen te nemen. Nu het bestreden besluit geen stand kan houden, ziet de voorzieningenrechter tevens aanleiding om bij wijze van voorlopige voorziening het primaire besluit van verweerster van 9 maart 2010, dat immers ook strekt tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van verzoeker, te schorsen tot en met zes weken nadat het nieuw te nemen besluit op bezwaar aan verzoeker is verzonden. Concreet betekent dit dat de ongeldigverklaring van verzoekers rijbewijs door verweerster in ieder geval tot die tijd komt te vervallen.

14. Bij deze beslissing is er aanleiding verweerster te veroordelen in de kosten die verzoeker voor de behandeling van zijn beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft de voorzieningenrechter de kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.311,00. Hierbij heeft de voorzieningenrechter zowel voor het opstellen van het beroepschrift en voor opstellen van het verzoekschrift, alsmede voor het verschijnen ter zitting één punt toegekend en het gewicht van de zaak aangemerkt als gemiddeld. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen, dient het griffierecht voor zowel de hoofdzaak als voor het onderhavige verzoek aan verzoeker te worden vergoed.

Beslissing

De voorzieningenrechter

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van verweerster van 15 juni 2010;

- draagt verweerster op om een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van

verzoeker met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat het (primaire) besluit van 9 maart 2010 wordt geschorst tot zes weken nadat het nieuw te nemen besluit op bezwaar aan verzoeker is verzonden;

- veroordeelt verweerster in de aan de zijde van verzoeker redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van € 1.311,00;

- bepaalt dat de betaling van € 1.311,00 dient te worden gedaan aan verzoeker;

- draagt verweerster op aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ad. € 300,00 (2 x €150,00) te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. W.P. van der Haak, voor¬zieningen¬rechter, in

tegen¬woordig¬heid van mr. M.H. Affourtit-Kramer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2010 te Alkmaar.

griffier voorzieningenrechter

Tegen de uitspraak op het beroep kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerster hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uit-spraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Tegen de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening kan geen hoger beroep worden ingesteld.