Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BO9272

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
27-07-2010
Datum publicatie
29-12-2010
Zaaknummer
14.810321-09 + 19.620920-07 (tul) + 19.830.207-08 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bedreiging van twee medewerkers van een Forensisch Psychiatrische Afdeling. Ondanks slechte prognose legt de rechtbank wel de maatregel TBS met dwangverpleging op. Geen strijd met artikel 5 van het EVRM

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR, ZITTINGHOUDENDE TE HAARLEM

Sector straf

Parketnummer : 14.810321-09 + 19.620920-07 (tul) + 19.830207-08 (tul) (P)

Datum uitspraak : 27 juli 2010

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [postcode en woonplaats], [straatnaam en huisnummer],

thans gedetineerd te Maastricht, PPC te Maastricht.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 juli 2010.

Verdachte is niet in persoon verschenen, maar heeft zich ter terechtzitting laten verdedigen door mr. Vogel voornoemd, die heeft verklaard daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van de verdachte, mr. J.H.S. Vogel, advocaat te Alkmaar naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

hij op of omstreeks 24 augustus 2009 in de gemeente Heiloo een persoon, genaamd [slachtoffer 1], en/of een persoon, genaamd [slachtoffer 2], (werkzaam bij de Forensisch Psychiatrische Afdeling van de GGZ Noord-Holland Noord in Heiloo) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, althans met gijzeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, op die perso(o)n(en), die zich in verdachtes (onmiddellijke) nabijheid bevond(en), gericht en/of gericht gehouden, althans die perso(o)n(en) dat mes, althans dat scherpe en/of puntige voorwerp, getoond en/of voorgehouden en/of (daarbij) die perso(o)n(en) dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga iemand neersteken of iemand gijzelen" en/of "Ik snij je strot door" en/of "Als ik nu niet weg mag, dan gijzel ik iemand", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overweging ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

Op 25 augustus 2009 is door twee personen, genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], beiden werkzaam bij de Forensisch Psychiatrische Afdeling (verder te noemen: FPA) te Heiloo, aangifte gedaan van bedreiging, gepleegd op 24 augustus 2009 door de in de FPA als patiënt verblijvende [verdachte].

Op 26 augustus 2009 is de verdachte in de separeercel in de FPA te Heiloo door de politie gehoord. Ten overstaan van de politieambtenaar bekent de verdachte een medewerkster van de FPA met een mes te hebben bedreigd. Verdachte verklaart voorts dat hij een medewerkster heeft belet om een ruimte te verlaten door de deur dicht te duwen en dat hij daarbij tegen die medewerkster heeft gezegd: “ik wil je naar buiten gijzelen, zodat ik hier wegkan”.

Diezelfde dag is de verdachte door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, gehoord. Ten overstaan van voornoemde rechter-commissaris verklaart de verdachte dat het klopt dat hij medewerkers van de FPA met een mes heeft bedreigd. Tegenover de rechter-commissaris erkent verdachte ook dat hij tegen een van de medewerksters heeft gezegd: “ik snij je strot door”.

Op 9 juni 2009 heeft aangeefster [slachtoffer 1] bij voornoemde rechter-commissaris een verklaring afgelegd.

De rechtbank dient te beoordelen of, gelet op de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op 24 augustus 2009, kan worden vastgesteld of de verdachte opzettelijk dreigend een mes heeft vastgehad en daarmee heeft gedreigd die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven dan wel te gijzelen. Indien de rechtbank concludeert dat dit het geval is, zal de rechtbank moeten ingaan op de vraag welke sanctie passend en geboden is.

B. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte op 24 augustus 2009 [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met gijzeling. De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte de in de tenlastelegging opgenomen woorden heeft geuit.

C. Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte stelt zich zakelijk weergegeven op het standpunt dat de beoordeling van het strafbare feit niet het grootste probleem is in deze zaak, maar meer de vraag welke strafmodaliteit passend en geboden is.

D. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Op 24 augustus 2009 verblijft de verdachte als patiënt in de FPA te Heiloo, alwaar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] respectievelijk als forensisch psychiatrisch werker en verpleegkundige werkzaam zijn. Op 24 augustus 2009 bevindt [slachtoffer 2] zich samen met de verdachte in een gespreksruimte. De verdachte geeft aan weg te willen van de FPA. Wanneer de verdachte te kennen wordt gegeven dat hij dit de volgende dag met zijn behandelaar dient te bespreken, zegt de verdachte dat als hij niet weg mag, hij iemand zal gijzelen. Hierop beëindigt [slachtoffer 2] het gesprek. Zij loopt de gespreksruimte uit, richting het kantoor. Op dat moment hoort zij de verdachte zeggen: “druk je pieper maar niet in, want ik ga jou gijzelen”. Als [slachtoffer 2] achterom kijkt, ziet zij dat de verdachte een broodmes in zijn handen vasthoudt en op haar af komt. [slachtoffer 2] rent naar de deur van het kantoor en zoekt haar sleutels om die deur open te maken. Op dat moment staat de verdachte al naast haar. Hij houdt het broodmes op haar lichaam gericht en zet zijn voet tegen de deur waardoor deze niet open kan.De deur wordt vervolgens opengeduwd door collega’s achter de deur. [slachtoffer 2] heeft zich door deze situatie zeer bedreigd gevoeld.

Na het verlaten van de gesprekruimte loopt de verdachte met het mes in zijn handen achter [slachtoffer 2] aan. Zij loopt het kantoor in, waarna [slachtoffer 1] in de deuropening van het kantoor gaat staan. De verdachte gaat vervolgens met het mes dreigend voor zich uit op een meter afstand van [slachtoffer 1] staan. Hij houdt de punt van het mes daarbij gericht op [slachtoffer 1]. Hij kijkt haar aan en zegt tegen haar: “Ik snij je strot door”. [slachtoffer 1] heeft deze situatie eveneens als bedreigend ervaren.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 24 augustus 2009 [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met gijzeling.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 24 augustus 2009 in de gemeente Heiloo, [slachtoffer 1], (werkzaam bij de Forensisch Psychiatrische Afdeling van de GGZ Noord-Holland Noord in Heiloo) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en [slachtoffer 2], (werkzaam bij de Forensisch Psychiatrische Afdeling van de GGZ Noord-Holland Noord in Heiloo) heeft bedreigd met gijzeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes op die personen, die zich in verdachtes onmiddellijke nabijheid bevonden, gericht en gericht gehouden, en daarbij [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik snij je strot door" en [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Als ik nu niet weg mag, dan gijzel ik iemand", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

en

Bedreiging met gijzeling

7. De strafbaarheid van de verdachte

In opdracht van de officier van justitie hebben I. Matthaei, psychiater en J.P.M. van der Leeuw, klinisch psycholoog beiden een pro justitia rapportage omtrent de verdachte uitgebracht, respectievelijk gedateerd 4 november 2009 en 11 februari 2010.

Ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte wordt in deze rapportages het volgende geconcludeerd, zakelijk weergegeven:

Bij de verdachte is sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, te omschrijven als een borderline en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Ten tijde van het ten laste gelegde was deze gebrekkige ontwikkeling eveneens aanwezig. Gezien deze problematiek kan de verdachte zijn wil niet volledig in vrijheid bepalen. Ondanks de aanwezigheid van deze stoornissen heeft de verdachte echter wel inzicht gehad in het strafbare van zijn gedrag. Op grond van het voorgaande dient de verdachte voor het ten laste gelegde – indien bewezen – verminderd toerekeningsvatbaar geacht te worden.

De rechtbank verenigt zich met deze conclusies en is van oordeel dat de bewezen verklaarde strafbare feiten slechts in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

De verdachte is wel strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte volledig uitsluit.

8. De oplegging van de maatregel

A. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, uitgaande van een bewezenverklaring van het ten laste gelegde, de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege gevorderd. Zij heeft hierbij verwezen naar de over de verdachte opgemaakte rapporten van I. Matthaei, psychiater, en van J.P.M. van der Leeuw, klinisch psycholoog, waarin de oplegging van deze maatregel wordt geadviseerd. Naast de maatregel acht de officier van justitie het niet opportuun een straf te vorderen.

B. Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – indien tot een bewezenverklaring wordt gekomen – bepleit dat de oplegging van een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege een te zwaar middel is. De raadsman voert daartoe aan dat uit de rapportages en uit hetgeen door de deskundigen ter terechtzitting naar voren is gebracht, volgt dat de terbeschikkingstelling slechts zal dienen ter beveiliging van de maatschappij en dat een verbetering van de psychische gesteldheid van de verdachte niet waarschijnlijk is. Een longstay-plaatsing doemt dan op. Dit zou betekenen dat er sprake is van een vrijheidsbeneming die geen enkel perspectief biedt op een mogelijk einde en daarmee in strijd komt met artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, aldus de raadsman van de verdachte. De raadsman is van oordeel dat in relatie tot het gepleegde feit een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege niet proportioneel is. De raadsman stelt zich op het standpunt dat een plaatsing in een forensisch psychiatrische kliniek de weg is die met betrekking tot de strafoplegging moet worden gevolgd.

C. Oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt, alsmede op de persoon van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit de rapportages en de daarop ter terechtzitting door de deskundigen gegeven toelichting, acht de rechtbank na te noemen beslissing passend en geboden.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en een bedreiging met gijzeling. De feiten zijn begaan tegen (verplegend) personeel van de FPA te Heiloo, waar de verdachte op dat moment verbleef. De verdachte heeft de door hem geuite bedreigingen ook kracht bijgezet door een mes te richten en gericht te houden op de personeelsleden in kwestie. Uit de verklaringen van beide aangeefsters komt naar voren dat de verdachte ten tijde van de bedreigingen zeer opgefokt en agressief was. Aangeefsters, die in hun beroepsuitoefening ongetwijfeld vaker te maken zullen hebben met agressieve patiënten, zijn van de door verdachte gepleegde bedreiging zeer geschrokken en hebben er ook aangifte van gedaan.

De rechtbank houdt bij haar beslissing rekening met de omstandigheid dat de bewezen verklaarde feiten slechts in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

De verdachte is zoals blijkt uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 augustus 2009 al eerder wegens soortgelijke delicten veroordeeld, onder andere tot een gedeeltelijk onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte zijn de volgende rapportages opgemaakt:

- een reclasseringsadvies d.d. 13 november 2009, opgesteld door N.E. Halma, als reclasseringswerker werkzaam bij Reclassering Nederland;

- een psychiatrische rapportage d.d. 4 november 2009, opgesteld door I. Matthaei, psychiater en vast gerechtelijk deskundige;

- een psychologische rapportage d.d. 11 februari 2010, opgesteld door J.P.M. van der Leeuw, klinisch psycholoog en vast gerechtelijk deskundige.

Het psychiatrische rapport d.d. 4 november 2009 houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Betrokkene verzet zich als gevolg van de aanwezige borderline persoonlijkheidsstoornis en omdat hij nauwelijks tot niet in staat is zich te hechten, tegen een verblijf in een setting waar regels worden gesteld. In het verleden is het verzet van betrokkene meerdere malen geëscaleerd in agressief, strafbaar gedrag. Dit gedrag is niet alleen uit de borderline persoonlijkheidsstoornis voortgevloeid maar ook gefaciliteerd dan wel versterkt door de eveneens aanwezige antisociale persoonlijkheidsstoornis.

De kans dat betrokkene in herhaling van het plegen van strafbare feiten zal vervallen, is erg groot zoals het verleden ook heeft uitgewezen. Zowel ambulant als klinisch is er tot op heden geen enkel gunstig behandelingsresultaat bereikt. Betrokkene zal zich, zoals ook uit het onderhavige ten laste gelegde is gebleken, blijven verzetten tegen een verblijf in een kliniek en daarbij het vertonen van agressief gedrag niet schuwen. Niet alleen de kans op een delictrecidive maar ook de kans op een toenemende escalatie van het strafbare gedrag wordt dan ook door een gedwongen klinische behandeling vergroot.

Tbs met voorwaarden is zinloos omdat betrokkene zich ook dan aan de voorwaarden zal onttrekken. Tbs met verpleging van overheidswege zal alleen beveiliging van de maatschappij tot doel dienen en geen verbetering van de psychische stoornis teweeg brengen.

Ter terechtzitting is door I. Matthaei deze rapportage – zakelijk weergegeven – als volgt toegelicht:

In zijn vroege jeugd heeft betrokkene zich niet kunnen hechten aan een ouderfiguur, waardoor er sprake geweest van een onveilige hechting. Tot op heden kampt betrokkene met de gevolgen daarvan. Ook ten tijde van de verschillende opnames in inrichtingen heeft dit een rol gespeeld. Als je wordt opgenomen is het van belang dat je je kunt hechten aan het verplegend en behandelend personeel in een inrichting. Voor betrokkene brengt dit gevoelens van angst met zich mee, wat resulteert in het overschrijden van regels .Een GGZ instelling kan dit moeilijk hanteren, hetgeen ertoe leidt dat betrokkene wordt overgeplaatst. Voor betrokkene betekent dat in feite wederom een afwijzing.

Door de antisociale persoonlijkheidsstoornis uit hij zijn emoties, die hij vanuit zijn borderlinestoornis niet kan beheersen, op criminele wijze. Gelet op zijn ernstige stoornis, zullen er zich – waar betrokkene ook zal worden geplaatst – problemen blijven voordoen met betrekking tot het conformeren aan regels.

Uit de voorgeschiedenis blijkt dat tot op heden geen enkele behandeling een positief effect heeft gehad. Ook een plaatsing in een tbs-instelling zal mijns inziens moeizaam verlopen. Een alternatief acht ik echter niet voorhanden. Ik sluit niet uit dat de verdachte op een longstay afdeling zal eindigen. Daarbij wil ik overigens opmerken dat er ook een kans bestaat dat betrokkene goed reageert op plaatsing op een dergelijke afdeling.

Wanneer op oudere leeftijd eventueel de scherpe kantjes van zijn stoornis zullen afzwakken, is terugkeer in de samenleving dan wellicht niet uitgesloten.

Het is juist dat de mederapporteur, de heer Van der Leeuw, en ik overleg hebben gehad en dat wij gezamenlijk tot het advies van TBS met dwangverpleging zijn gekomen.

Het psychologische rapport d.d. 11 februari 2010 houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Het recidiverisico is torenhoog. Het ontbreekt betrokkene geheel aan eigen innerlijke structuur die als kompas zou kunnen dienen voor zijn gedrag. De levensloop laat zien dat betrokkene niet op zelfstandige wijze kan gedijen en hij moet door voortdurend extern ingrijpen enigszins op het reguliere pad worden gehouden. Zodra de strenge en sturende hand ontbreekt, leeft betrokkene het leven van een ongeleid projectiel.

Het recidiverisico is niet alleen groot voor soortgelijke feiten. De hardhandige interventies die betrokkene in het (behandel)gareel moesten houden evenals de vele recente overplaatsingen, wijzen op ernstig gewelddadig gedrag. Hieruit is af te leiden dat de ontregeling van betrokkene toeneemt en hand in hand gaat met toenemend agressief optreden zijnerzijds. In lijn hiermee is de kans op daadwerkelijke gewelddadige feiten steeds groter.

Voor daadwerkelijke verandering dan wel voor inperking van de negatieve gevolgen van het gedrag van betrokkene is een langdurige, intensieve, klinische, forensisch psychiatrische behandeling binnen een gedwongen kader nodig. Alleen een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging kan tegemoet komen aan de vereiste duur en intensiteit van behandeling en het niveau van beveiliging. Elke vorm van behandeling van betrokkene binnen het kader van voorwaarden is een gepasseerd station.

Betrokkene zal zich conform de geschilderde problematiek zeker aanvankelijk ernstig verzetten tegen gedwongen behandeling, omdat dwang nu eenmaal zeer nare associaties bij betrokkene oproept. Dit kan echter geen reden zijn om het dwangmiddel niet toe te passen. De problematiek van betrokkene kan slechts tot één conclusie leiden en dat is dat betrokkene dwingend van buitenaf structuur opgelegd dient te krijgen omdat die nu ten enenmale volledig ontbreekt bij betrokkene, wat de grondoorzaak is van zijn ontreddering en ontregeling met delictgedrag als gevolg.

Ter terechtzitting is door J.P.M. van der Leeuw deze rapportage – zakelijk weergegeven – als volgt toegelicht:

Er zijn sterk voorspellende factoren aanwezig die wijzen op toekomstig gewelddadig gedrag. Echter, dit is een voorspellende uitspraak. Bij betrokkene is er sprake van een zeldzaam ernstige vorm van een borderline stoornis. Alleen een terbeschikkingstelling met dwangverpleging kan middels een langdurige, stabiele en vertrouwde omgeving vastigheid terugbrengen in het leven van betrokkene.

De rechtbank kan zich, mede gelet op de ter terechtzitting gegeven toelichtingen, vinden in de conclusies en adviezen van de deskundigen en neemt deze over.

De rechtbank is, op grond van het vorenstaande, van oordeel dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling dient te worden opgelegd.

Aan de wettelijke vereisten daartoe is voldaan, nu de bewezen verklaarde feiten door de wetgever zijn aangemerkt als misdrijven ten aanzien waarvan oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling mogelijk is en de algemene veiligheid van personen de oplegging van die maatregel eist.

De rechtbank zal voorts bevelen, dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd, nu de algemene veiligheid van personen die verpleging eist.

De rechtbank is van oordeel dat naast de oplegging van bovengenoemde maatregel – gelet op de persoonlijkheid van de verdachte en de omstandigheden waaronder het ten laste gelegde is begaan – de oplegging van een straf niet aangewezen is.

9. Vordering tot tenuitvoerlegging

Vordering na voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 19.620920-07:

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat de bij vonnis van de Politierechter te Assen d.d. 21 december 2007 in de zaak met parketnummer 19.620920-07 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf alsnog zal worden ten uitvoer gelegd, op grond van het feit dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 16 januari 2008 aan de veroordeelde toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 5 januari 2008 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 19.830207-08:

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat de bij vonnis van de Meervoudige Strafkamer van de Rechtbank Assen d.d. 23 januari 2009 in de zaak met parketnummer 19.830207-08 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf eveneens zal worden ten uitvoer gelegd, op grond van het feit dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 16 februari 2009 aan de veroordeelde toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 7 februari 2009 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gerekwireerd tot afwijzing van beide vorderingen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is om over de vorderingen te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat beide vorderingen dienen te worden afgewezen. Gelet op de maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd acht de rechtbank het niet opportuun de tenuitvoerlegging te gelasten van de voorwaardelijke gevangenisstraffen.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 37a, 37b, en 285 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Ziet af van het opleggen van een straf.

Gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte.

Beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Wijst af de vordering van de officier van justitie strekkende tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de Politierechter te Assen gedateerd 21 december 2007 in de zaak met parketnummer 19.620920-07.

Wijst af de vordering van de officier van justitie strekkende tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de Meervoudige Strafkamer van de Rechtbank Assen gedateerd 23 januari 2009 in de zaak met parketnummer 19.830207-08.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.M. Jongkind-Jonker, voorzitter,

mr. H.E.C. de Wit en mr. E.M. Devis, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.J. Ros, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 juli 2010.