Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BO9008

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
31-08-2010
Datum publicatie
27-12-2010
Zaaknummer
14.811005-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een minderjarige verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewelddadige overval op een bouwmarkt, waarbij vuurwapens zijn gebruikt. Daarmee zijn 5 personeelsleden bedreigd en is één personeelslid gedwongen de kluis te openen. Daarbij is een aantal van hen vastgebonden met tape. Er is bijna € 14.000,- buitgemaakt. Voorts heeft verdachte zich samen met een medeverdachte schuldig gemaakt aan de voorbereiding van een overval op een tankstation.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR, ZITTING HOUDENDE TE HAARLEM

Sector straf

Parketnummer : 14.811005-10 (P)

Datum uitspraak : 31 augustus 2010

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor kinderstrafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats en –datum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op [adres en woonplaats]

thans gedetineerd te RIJ de Doggershoek, Den Helder te Den Helder.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

17 augustus 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte, mr. I.E. Leenhouwers, advocaat te Alkmaar, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 14 januari 2010 in de gemeente Alkmaar tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkel, te weten [onderneming 1] (gevestigd aan [adres], aldaar) heeft weggenomen een geldbedrag van (ongeveer) 14.000 euro en/of drie, althans een of meerdere, mobiele telefoon(s) en/of een of twee portemonnee(s), in elk geval enig(e) goed(eren) en/of geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan [onderneming 1] en/of een of meerdere medewerker(s) van de [onderneming 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen vijf, althans een of meerdere medewerker(s) van [onderneming 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- naar de zij-ingang van die winkel is/zijn gegaan en/of daar in donkere kleding en met bivakmutsen die medewerker(s) heeft/hebben opgewacht en/of op het moment dat die medewerker(s) de winkel verliet(en)

-via de zij-ingang- een of meerdere vuurwapen(s) heeft/hebben getoond en/of dat/(een van) die vuurwapen(s) op die medewerker(s) heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden en/of die medewerker(s) toen dreigend een of meermalen heeft/hebben toegevoegd/bevolen: "dit is een overval, nu naar binnen, ga op de grond liggen, maak geen beweging want dan maak ik je dood" en/of (vervolgens) die medewerker(s) heeft/hebben teruggeduwd die winkel in en/of heeft/hebben gedwongen in die winkel op de grond te gaan liggen en/of een aantal van hen de armen/handen op de rug heeft/hebben getaped en/of een van hen vervolgens onder bedreiging van een vuurwapen heeft/hebben gedwongen de in die winkel aanwezige kluis te tonen en/of te openen;

2.

hij op of omstreeks 30 januari 2010 in de gemeente(n) Alkmaar en/of Wormerveer, in elk geval in Nederland, tezamen in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf van diefstal met geweldpleging in vereniging en/of afpersing in vereniging (respectievelijk artikel 312 en/of 317 van het Wetboek van Strafrecht), waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenistraf van acht jaren of meer is gesteld, opzettelijk een voertuig (voor het vervoer van de dader(s) en/of de gestolen goederen) en/of mobiele telefoon bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft hij, verdachte, met zijn mededader over de mobiele telefoon plannen gesmeed om een benzinestation in Wormerveer te overvallen en/of heeft hij zijn mededader uit Alkmaar met voornoemd voertuig opgehaald en/of zijn zij hierna naar de te overvallen benzinestation in Wormerveer gereden en/of hebben zij dit benzinestation vanuit dit voertuig geobserveerd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overweging ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

Ten aanzien van feit 1:

Op 14 januari 2010 rond 21.10 uur heeft er een gewapende overval plaatsgevonden op een filiaal van [onderneming 1] in Alkmaar. Uit de beelden van de overval blijkt dat hierbij vier overvallers betrokken zijn geweest. Daarbij werden de vijf nog aanwezige medewerkers met vuurwapens bedreigd en vastgebonden. De overvallers gingen er vandoor met de inhoud van de kluis en enkele mobiele telefoons. [Medeverdachte 1] heeft bekend de overval te hebben gepleegd en hij heeft verklaard dat hij dat samen met verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] heeft gedaan. [Medeverdachte 4] zou volgens de verklaring van [medeverdachte 1] voorafgaand aan de overval een wapen ter beschikking hebben gesteld. Verdachte ontkent één van de daders te zijn van de overval.

De rechtbank zal dienen te beoordelen of verdachte schuldig is aan het medeplegen van de overval.

Ten aanzien van feit 2:

Volgens het Openbaar Ministerie heeft verdachte, samen met [medeverdachte 2] , voorbereidingen getroffen om op 30 januari 2010 een [onderneming 2] in Wormerveer te overvallen. Verdachte heeft ontkend dat er gesproken is over een overval op [onderneming 2] en hij heeft ontkend dat hij op die bewuste dag samen met [medeverdachte 2] langs het bewuste tankstation is gereden. [Medeverdachte 2] heeft erkend dat er gesproken is over [onderneming 2] en dat hij op die bewuste dag samen met verdachte langs het bewuste tankstation is gereden. Er was daarbij echter geen intentie om [onderneming 2] daadwerkelijk te overvallen.

De vraag die de rechtbank onder meer dient te beantwoorden is of sprake is geweest van een strafbare voorbereiding van medeplegen van diefstal met geweld dan wel afpersing.

B. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van de twee feiten, zoals tenlastegelegd.

C. Standpunt van de verdachte/de verdediging

Ten aanzien van feit 1:

Verdachte ontkent schuldig te zijn. De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de camerabeelden van de [onderneming 1] onrechtmatig zijn verkregen, nu de officier van justitie, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 23 maart 2010, niet zelfstandig de bevoegdheid had deze gegevens te vorderen. Dit onherstelbare vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv zou tot bewijsuitsluiting van die beelden moeten leiden.

De raadsvrouw heeft voorts de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] betwist en een aantal kanttekeningen geplaatst bij de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2].

Daarnaast stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat er ook overigens onvoldoende bewijs is voor de betrokkenheid van verdachte bij dit feit. De raadsvrouw wijst er daarbij op dat het enkele aantreffen van de bontmuts van verdachte in de auto van [medeverdachte 2] onvoldoende is, het onderzoek naar de aangetroffen rugtas en het gebruikte tape niets heeft opgeleverd, terwijl voorts het onderzoek naar de aangetroffen schoensporen niet voor het bewijs kan worden gebruikt nu uit dit onderzoek niet duidelijk is geworden of dit onderzoek de schoen van verdachte betreft. Voorts stelt de raadsvrouw ten aanzien van het telefonisch contact tussen verdachte en [medeverdachte 2] op de avond na de overval vast dat op dat moment niet bekend is wat de locatie is van het bij verdachte in gebruik zijnde telefoonnummer.

Ten aanzien van feit 2:

Verdachte ontkent schuldig te zijn. De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit.

De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat op basis van de observaties en het getapte telefoongesprek niet kan worden bewezen dat verdachte bij [medeverdachte 2] in de auto heeft gezeten op 30 januari 2010.

Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er slechts sprake is van het aanwezig hebben van alledaagse voorwerpen. Nadat er eerder op de dag sprake is geweest van telefoonverkeer gaan verdachten samen in de auto op weg, waarbij ze naar [onderneming 2] gaan en blijkens de observaties binnen één minuut al weer bij de woning van [medeverdachte 2] zijn. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat de misdadige bestemming van de auto en telefoon voor de gemiddelde rechtsgenoot in het oog springt. Onder verwijzing naar jurisprudentie bepleit de raadsvrouw vrijspraak, omdat geen sprake is van een strafbare voorbereiding als bedoeld in artikel 46 Sr.

Meer subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat sprake is van vrijwillige terugtred, als bedoeld in artikel 46b Sr.

D. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Feit 1 overval [onderneming 1] op 14 januari 2010

Camerabeelden – onrechtmatig verkregen bewijs?

De raadsvrouw heeft betoogd dat camerabeelden als gevoelige gegevens dienen te worden beschouwd die vanwege hun aard een indringende inbreuk kunnen maken op de persoonlijke levenssfeer. Het vorderen van deze gegevens kan alleen worden gedaan na voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris. Gelet hierop stelt de verdediging zich op het standpunt dat, nu een dergelijke machtiging niet is afgegeven, de camerabeelden onrechtmatig zijn verkregen en dat deze beelden (en de vruchten daarvan) derhalve niet voor het bewijs gebezigd kunnen worden.

De beoordeling

In het arrest van de Hoge Raad van 23 maart 2010, LJN BK 6331, 08/04524 is de vraag aan de orde welke strafvorderlijke bevoegdheid moet worden aangewend voor het vorderen van (pas)foto's van kaarthouders van een OV-chipkaart. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis heeft de Hoge Raad in die zaak geoordeeld dat gegevens waaruit informatie over het ras van een persoon kan worden afgeleid, zoals een foto van een persoon, zijn aan te merken als bijzondere persoonsgegevens in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens. Deze gevoelige gegevens kunnen naar het oordeel van de Hoge Raad uitsluitend worden gevorderd na voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris op grond van artikel 126nf van het wetboek van Strafvordering (Sv), ook al was het niet de bedoeling privacygevoelige gegevens te verkrijgen.

In de casus van de Hoge Raad ging het om een combinatie van persoonsgegevens en bijbehorende foto’s die zijn gemaakt in het kader van een relatie tussen de instelling en een in beeld gebracht persoon. Deze foto’s zijn gemaakt met als doel identificatie van de in beeld gebrachte persoon tegenover de desbetreffende instelling en niet ten behoeve van opsporingsdoeleinden. Daar hoefde de afgebeelde persoon ook niet van uit te gaan. In dat soort -specifieke- situaties kan de officier van justitie de beelden slechts vorderen met een machtiging van de rechter-commissaris ex artikel 126nf Sv.

In de onderhavige zaak dient de vraag te worden beantwoord of de politie gebruik heeft mogen maken van de camerabeelden van [onderneming 1], zonder machtiging van de rechter-commissaris ex artikel 126nf Sv.

De rechtbank stelt vast dat op 14 januari 2010 een gewapende overval heeft plaatsgevonden op een filiaal van [onderneming] te Alkmaar, waarbij een groot geldbedrag is buitgemaakt. De in [onderneming 1] aanwezige beveiligingscamera’s hebben opnamen gemaakt ten tijde van de overval. De officier van justitie heeft de beelden gevorderd op de voet van artikel 126nd/ud Sv. De politie heeft de beelden veiliggesteld en gebruikt tijdens het opsporingsonderzoek.

De rechtbank is van oordeel dat onderhavige casus wezenlijk verschilt van die in genoemd arrest van de Hoge Raad. Het gaat niet om camerabeelden die door de afgebeelde persoon aan [onderneming 1] waren toevertrouwd in verband met identificatie in het kader van een abonnement of een andersoortige relatie met een instelling, maar om een beeldopname van een beveiligingscamera in een publieke ruimte waarvan de aanwezigheid in winkels een feit van algemene bekendheid is. De beelden betreffen een weergave van hetgeen zich afspeelt in die publieke ruimte. Een ieder die zich daar bevindt weet of kan redelijkerwijs weten dat hij of zij gefilmd kan worden en met welk doel er wordt gefilmd. Bovendien worden er geen namen gekoppeld aan de personen die in beeld gebracht worden. Het achterliggende doel van het maken van dergelijke camerabeelden is immers beveiliging teneinde deze, indien nodig te gebruiken ten behoeve van opsporing en vervolging.

Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de camerabeelden van de beveiligingscamera’s van [onderneming 1] zonder machtiging van de rechter-commissaris op de voet van artikel 126nd/ud Sv konden worden gevorderd door de opsporingsambtenaren, dan wel - bij vrijwillige verstrekking van de camerabeelden - zonder vordering konden worden gebruikt.

De camerabeelden kunnen derhalve voor het bewijs gebruikt worden.

De overval

Op 14 januari 2010 heeft [benadeelde partij 1] een getuigenverklaring afgelegd over een gewapende overval die eerder die avond, kort na 21.00 uur had plaatsgevonden bij een filiaal van [onderneming 1] gevestigd aan [adres] in Alkmaar. [Benadeelde partij 1] is werkzaam bij [onderneming 1]. Uit zijn verklaring komt het volgende naar voren:

De zaak was zojuist gesloten en de laatst aanwezige medewerkers hadden zich verzameld bij de personeelsingang om - zoals voorgeschreven - gezamenlijk het pand te verlaten. Naast getuige [benadeelde partij 1] waren [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] aanwezig. Op het moment dat de deur werd geopend en de eerste medewerker naar buiten stapte zag [benadeelde partij 1] dat die werd aangevallen door een persoon met een donkere bivakmuts. Direct daarna kwam er een tweede persoon met zwarte bivakmuts op [benadeelde partij 1] af en zag hij een zilver- of witgoudkleurig pistool in de hand van deze persoon. Op hetzelfde moment kwamen vanachter de tweede persoon nog een derde en vierde persoon aangerend. De tweede persoon richtte het pistool op het gezicht van [benadeelde partij 1] en hij zei: “Naar binnen! Liggen!” en “Liggen, anders schiet ik!”. [Benadeelde partij 1] ging op zijn buik liggen en zijn polsen werden op zijn rug vastgemaakt met duct tape. Uit de broekzak van [benadeelde partij 1] werd zijn mobiele telefoon weggenomen. Tegen [benadeelde partij 5] werd gezegd dat hij op moest staan en de kluis moest openmaken. [Benadeelde partij 1] heeft steeds één naam horen noemen. Die werd heel vaak genoemd. Dat was: [“naam”].

Op 14 januari 2010 en op 11 februari 2010 heeft [benadeelde partij 5] een getuigenverklaring afgelegd over deze overval. [Benadeelde partij 5] is assistent-bedrijfsleider bij [onderneming 1]. Uit zijn verklaring komt het volgende naar voren:

De winkel was gesloten en hij wilde samen met het andere personeel het pand verlaten. [Benadeelde partij 4] had de deur geopend en [benadeelde partij 5] was het alarm aan het instellen. [Benadeelde partij 5] werd na het instellen van het alarm achteruit geduwd door de anderen en zag in een flits een donkere jas, een bivakmuts en een zwart pistool. [Benadeelde partij 5] werd gedwongen op de grond te gaan liggen en moest vervolgens onder bedreiging van een vuurwapen het alarm weer uitschakelen.

Er werd geroepen: “we moeten naar de kluis, snel” en [benadeelde partij 5] moest meelopen met twee mannen, waarvan er één een zilverkleurig pistool bij zich had. Er werd hem toegevoegd: “een verkeerde beweging en we schieten je dood”. [Benadeelde partij 5] is met de mannen naar de kluis gegaan en heeft de kluis geopend. Een van de mannen heeft eerst al het papiergeld gepakt en in een zwarte rugtas gestopt, waarna hij om méér riep . [Benadeelde partij 5] gaf aan dat er alleen nog rollen muntgeld waren, die vervolgens ook door een van de verdachten in de zwarte rugtas werden gestopt. Daarna werd [benadeelde partij 5] weer meegenomen door de man met het zilverkleurige wapen. [Benadeelde partij 5] zag zijn collega’s op de grond liggen en hij zag dat ze door een persoon werden vastgebonden met duct tape, terwijl een andere persoon daarbij stond met een vuurwapen. [Benadeelde partij 5] hoorde dat er om mobiele telefoons en portemonnees werd gevraagd door één van de onbekende personen. Hij moest zijn mobiele telefoon en zijn portemonnee afgeven. In de portemonnee zat geen geld en die is door de overvallers achtergelaten.

[Benadeelde partij 5] geeft aan dat er in zijn beleving vier mannen waren. Er waren twee daders bij hem in de kluisruimte en twee daders bij zijn collega’s. [Benadeelde partij 5] werd daarna gedwongen zo snel mogelijk mee te rennen naar het magazijn om de deur daarvan open te maken. [Benadeelde partij 5] pakte de sleutel bij de heftruck en haalde het slot van de deur. [Benadeelde partij 5] zei tegen de overvallers dat de deur middels een knop omhoog kon, waarna de deur ongeveer een meter werd geopend. Een van de mannen zei: “We zijn nog tien minuten buiten, niet bewegen anders schieten we je dood”, waarna ze het pand verlieten door onder de deur door te gaan. [Benadeelde partij 5] hoorde vervolgens portieren van een auto dicht slaan en een auto met hoog toerental wegrijden. Op het moment dat hij met zijn handen op de rug vastgebonden op de grond lag, zag hij een zilverkleurige auto langsrijden.

[Benadeelde partij 3] heeft op 14 januari 2010 een getuigenverklaring over de overval afgelegd waaruit het volgende naar voren komt :

[Benadeelde partij 3] verklaart dat hij omstreeks 21.05 uur samen met vier collega’s bij de dienstuitgang stond. Collega [benadeelde partij 4] opende de deur. [Benadeelde partij 3] zag vervolgens drie personen, in het zwart gekleed en met bivakmutsen op, naar binnen stormen. [Benadeelde partij 3] zag dat zijn collega [benadeelde partij 4] opzij werd geduwd. De personen riepen “ga liggen!” en [benadeelde partij 3] zag dat zijn collega’s op de grond gingen liggen en ging toen zelf ook liggen. [Benadeelde partij 3] zag dat twee personen vuurwapens in hun handen hadden, één zilverkleurig wapen en één zwart pistool. De vuurwapens waren op [benadeelde partij 3] gericht. [Benadeelde partij 3] deed zijn handen op z’n rug en deze werden vast getapet. Hij hoorde de personen tegen elkaar schreeuwen dat ze telefoons moesten innemen.

Op 15 februari 2010 heeft [benadeelde partij 3] een nadere verklaring afgelegd , waarin hij aangeeft dat er vier overvallers waren, waarvan er één in de kluisruimte was.

[Benadeelde partij 2] heeft op 14 januari 2010 een getuigenverklaring over de overval afgelegd waaruit het volgende naar voren komt : [benadeelde partij 2] wilde met haar vier collega’s het pand verlaten via de personeelsingang aan de zijkant. [Benadeelde partij 2] voelde dat ze werd teruggeduwd. Ze zag een persoon, geheel in het zwart gekleed en met een zwarte bivakmuts op, binnen komen. Ze zag dat hij haar collega naar binnen duwde. Vervolgens zag zij nog drie mannen binnen komen. Ook deze mannen waren in het zwart gekleed en droegen bivakmutsen. Er werd geroepen: “ga liggen, ga liggen!”

De bedrijfsleider, [benadeelde partij 5], is naar het kantoor gegaan nadat er om de kluissleutel werd geroepen. Zeker twee personen bleven bij [benadeelde partij 2] en haar andere collega’s.

Er werd om telefoons gevraagd. [Benadeelde partij 2] moest haar handen op de rug doen en deze werden vervolgens vast getapet.

In een aanvullende verklaring op 11 februari 2010 heeft [benadeelde partij 2] aangegeven, dat haar man met de auto op haar stond te wachten bij de personeelsingang.

Tot slot heeft ook [benadeelde partij 4] op 14 januari 2010 als getuige een verklaring afgelegd over de overval.

[Benadeelde partij 4] verklaart dat de personeelsleden van [onderneming 1] omstreeks 21.10 uur in de gang achter de personeelsingang stonden om gezamenlijk het pand te verlaten. Hij opende de deur en stapte naar buiten. Op dat moment zag hij een pistool in zijn gezichtsveld. Tegelijkertijd hoorde hij meerdere mannenstemmen roepen: “dit is een overval, nu naar binnen, ga op de grond liggen, maak geen beweging want dan maak ik je dood”. Hij werd vervolgens vastgepakt en naar binnen geduwd en voelde daarbij iets in zijn rug prikken, waarschijnlijk het pistool. Binnen is hij op de grond gaan liggen, evenals zijn collega’s. [Benadeelde partij 4] hoorde dat er meerdere malen aan [benadeelde partij 5] werd gevraagd waar de kluis was. Ondertussen werd er door een andere overvaller tegen [benadeelde partij 4] en het overige personeel geschreeuwd “niet bewegen, anders maak ik je dood”. De telefoon en portemonnee van [benadeelde partij 4] werden uit zijn kleding gehaald door één van de overvallers. Ondertussen hoorde hij dat twee mannen met [benadeelde partij 5] naar de kluis meeliepen. De armen van [benadeelde partij 4] werden op zijn rug aan elkaar vast getapet. Hij hoorde een van de overvallers tegen een ander roepen: [“naam], [naam], kom”.

Op 18 januari 2010 heeft [naam] namens [onderneming 1] aangifte gedaan van de overval op 14 januari 2010. Uit de aangifte en de daarbij gevoegde bijlagen (kasopmaak en kluistelling) blijkt dat er ongeveer 14.000 euro uit de kluis is weggenomen.

Op 2 februari 2010 is [medeverdachte 1] aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de overval op [onderneming 1] in Alkmaar op 14 januari 2010. Tijdens het derde verhoor op 16 februari 2010 heeft [medeverdachte 1] bekend dat hij samen met [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] de overval op [onderneming 1] heeft gepleegd. [Medeverdachte 4] heeft een bij de overval gebruikt wapen geleverd.

Deze verklaring heeft hij tijdens latere verhoren en bij de rechter-commissaris als getuige in de zaak tegen de medeverdachten herhaald.

Bewijs

De verklaringen van [medeverdachte 1]

De rechtbank zal de hierna te noemen verklaringen van [medeverdachte 1] voor het bewijs gebruiken, omdat deze naar het oordeel van de rechtbank betrouwbaar zijn. Daartoe is in de eerste plaats redengevend dat [medeverdachte 1] in zijn verklaringen mede zichzelf heeft belast. Daarnaast heeft hij gedetailleerd en uitvoerig verklaard over hoe een en ander voorafgaand, tijdens en na afloop van de overval is gegaan en hij heeft daarover grotendeels consistent verklaard. Daarnaast heeft de politie de aangevers en andere getuigen gehoord, telefoongegevens onderzocht, huiszoekingen bij de verdachten gedaan, camerabeelden bekeken en [medeverdachte 1] bevraagd aan de hand van opnames van de beveiligingscamera’s van [onderneming 1]. Dit heeft op verschillende onderdelen ondersteunend bewijsmateriaal opgeleverd.

In zijn derde verhoor verklaart [medeverdachte 1] dat hij op 14 januari 2010 met verdachte en [medeverdachte 3] bij snackbar [naam] in Alkmaar stond. [Medeverdachte 2] kwam daar ook naar toe, samen met [medeverdachte 4]. [Medeverdachte 4] heeft het wapen, ‘een alarmpistooltje’ aan [medeverdachte 2] gegeven en daarna zijn verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in de auto van [medeverdachte 2], een Renault, naar [onderneming 1] gereden. [Medeverdachte 1] verklaart dat ze aan de zijkant van [onderneming 1] zijn gaan staan, om te wachten tot het personeel na sluitingstijd naar buiten zou komen. [Medeverdachte 1] schat dat het rond 21.05/21.10 uur was. Verdachte en [medeverdachte 2] stonden drie à vier meter voor [medeverdachte 1] en zij hadden het wapen bij zich. Op het moment dat de deur openging, renden [medeverdachte 2] en verdachte naar de deur. [Medeverdachte 1] zag dat [medeverdachte 2] een personeelslid van [onderneming 1] pakte en hoorde hem schreeuwen: “Dit is een overval”. Verdachte en [medeverdachte 2] duwden de personeelsleden die vooraan liepen terug naar binnen. [Medeverdachte 1] ging vervolgens samen met [medeverdachte 3] ook naar binnen. [Medeverdachte 1] verklaart dat er volgens hem vijf personeelsleden aanwezig waren, die allemaal in het kleine gangetje bij de in/uitgang stonden. [Medeverdachte 2] en verdachte schreeuwden dat ze op de grond moesten gaan liggen. [Medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] hebben de personeelsleden vervolgens met de handen op de rug vastgebonden met tape. [Medeverdachte 3] heeft een paar telefoons uit de zakken van personeelsleden gehaald. [Medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] bleven in het gangetje, terwijl [medeverdachte 2] en verdachte met de chef naar de kluis gingen. [Medeverdachte 1] geeft aan dat hij ze vervolgens niet meer kon zien. Wel heeft hij verdachte horen schreeuwen: “Ik wil meer papier zien”, waarop de chef zei dat dit alles was wat er in de kluis zat. [Medeverdachte 1] hoorde de chef vervolgens zeggen dat er ook nog geld in de kassalades zat, waarna verdachte vroeg om de kassalades in de tas te legen. Verdachte had een zwarte rugtas meegenomen. [Medeverdachte 2] en verdachte kwamen weer terug naar de gang, met de chef. [Medeverdachte 1] geeft aan dat hij vervolgens op een tv scherm zag dat er buiten een auto stond te wachten, kennelijk om iemand op te halen. [Medeverdachte 2] vroeg aan de chef hoe zij via een andere weg naar buiten konden en de chef zei dat het via het magazijn kon. Samen met de chef zijn ze toen naar het magazijn gerend. De roldeuren waren op slot. De chef pakte de sleutel uit een heftruck en heeft het slot opengedaan, waarna [medeverdachte 1] op de knop heeft gedrukt om de deur te openen. [Medeverdachte 2] bleef nog even achter om de chef vast te binden. De auto stond gelijk naast het magazijn, 6 à 7 meter verder. Ze zijn vervolgens langs het kanaal in de richting van Akersloot gereden. In Akersloot is er van auto gewisseld en zijn ze in de auto van de vader van [medeverdachte 1] verder gegaan richting Wormerveer. Op een parkeerterrein in Wormerveer is het geld verdeeld. [Medeverdachte 1] geeft aan dat hij denkt dat de buit zo rond de 12.000 euro is geweest, omdat ieder rond de 3000 euro heeft gekregen. Verdachte heeft de verdeling gemaakt. Verdachte heeft twee mobiele telefoons weggegooid en de derde telefoon aan [medeverdachte 1] gegeven. [Medeverdachte 1] verklaart dat hij een week voor de overval drie zwarte bivakmutsen heeft gekocht, samen met [medeverdachte 3]. Verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] droegen een zwarte bivakmuts. [Medeverdachte 2] droeg geen bivakmuts.

Deze verklaring van [medeverdachte 1] omtrent de gang van zaken tijdens de overval komt overeen met hetgeen voornoemde getuigen/aangevers hebben verklaard en wordt voorts ondersteund door de bevindingen van [verbalisant 1], die de beelden van de overval van de verschillende beveiligingscamera’s in [onderneming 1] heeft bekeken.

In zijn vijfde verhoor verklaart [medeverdachte 1] dat ze voorafgaand aan de overval hadden afgesproken bij snackbar [naam]. [Medeverdachte 4] kwam samen met [medeverdachte 2], in de auto van medeverdachte 2]. [Medeverdachte 1] verklaart dat ze met z’n vijven waren, want [medeverdachte 4] was er ook bij. [Medeverdachte 4] was op de hoogte dat ze een overval gingen plegen op [onderneming 1]. [Medeverdachte 4] heeft het wapen bij de snackbar aan [medeverdachte 2] gegeven en zei hem dat hij het wel die avond terug wilde hebben. [Medeverdachte 4] vroeg in totaal 4000 euro in ruil voor het wapen. Dat vonden de anderen teveel. Alle vier hebben ze een rol met twee euro muntstukken gegeven. In totaal heeft [medeverdachte 4] 200 euro gekregen. [Medeverdachte 2] heeft dat de dag na de overval aan [medeverdachte 4] gegeven.

Mededaders

[Medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de overval samen met [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] heeft gepleegd. De verklaring van [medeverdachte 1] wordt op dit punt door verschillende hierna te noemen bewijsmiddelen ondersteund.

[Getuige 3] heeft op 29 januari 2010 verklaard dat hij van [medeverdachte 2] zelf heeft gehoord dat [onderneming1] door [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en nog twee Turken is beroofd. Hij heeft van [medeverdachte 2] gehoord dat ze drieduizend euro per persoon buit hadden. Verder verklaart [getuige 3] dat hij samen met zijn neef [medeverdachte 4] in de auto zat op de avond van de overval en dat zij in de buurt van [onderneming 1] hebben gereden. [Getuige 3] verklaart dat het wapen van [medeverdachte 4] is uitgeleend en dat [medeverdachte 2] of één van de anderen het heeft gebruikt. Tot slot weet [getuige 3] nog te vertellen dat ze met de Renault cabrio van [medeverdachte 2] waren en dat de Renault bij de roldeuren was geparkeerd. Hij denkt dat er vijf [onderneming 1] medewerkers werden vastgebonden, terwijl de manager de kluis moest openen.

Op 31 januari 2010 heeft [getuige 3] verklaard dat de [medeverdachte 3] die hij eerder noemde, [medeverdachte 3] heet. Dat heeft [medeverdachte 2] tegen hem gezegd. Ook de informatie die hij noemde over de medewerkers had hij van [medeverdachte 2] gehoord. Tot slot verklaart [getuige 3] dat zijn neef [medeverdachte 4] op de avond van de overval is gebeld met de mededeling dat [onderneming 1] was gelukt. Het was vermoedelijk [medeverdachte 2] die belde.

Op 8 februari 2010 verklaart [getuige 3] hierover dat zijn neef [medeverdachte 4] gebeld werd, omdat hij hen het wapen had geleend. [Getuige 3] heeft van zijn neef gehoord dat ze zeiden: we zijn klaar met [onderneming 1], we komen vanavond je alarmpistool inleveren. [Getuige 3] had eerder op de dag van de overval al van zijn neef gehoord dat [medeverdachte 2] een overval op [onderneming 1] wilde plegen. [Medeverdachte 4] zei tegen hem dat ze naar binnen zouden gaan. [Medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en nog twee zouden naar [onderneming 1] gaan.

Ook [getuige 4] heeft op 8 februari 2010 bij de politie verklaard dat hij van [medeverdachte 2] heeft gehoord dat hij [onderneming 1] had overvallen. [Medeverdachte 2] had gezegd dat ze met z’n vieren waren en drieënhalf duizend euro per persoon hadden.

[Getuige 4] heeft voorts verklaard dat hij ongeveer drie dagen na de overval op [onderneming 1] van [getuige 3] hoorde dat het pistool van [medeverdachte 4] was uitgeleend en gebruikt bij de overval op [onderneming 1].

Voorts heeft [getuige 1] details over de overval aan de politie verteld. Op 3 februari 2010 heeft [getuige 1] bij de politie verklaard dat hij van [medeverdachte 4] en [verdachte] heeft gehoord dat ze samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] een overval op [onderneming 1] hadden gepleegd. [Medeverdachte 1] had hem na afloop gebeld om te zeggen dat het was gelukt. Ze hadden met een pistool of pistolen de overval gezet en ze hadden iets van 3000 euro per persoon .

Op 4 februari 2010 legt [getuige 1] nog een verklaring af bij de politie waarin hij veel details over de overval op [onderneming 1] geeft die hij van [verdachte] dan wel [medeverdachte 1] heeft gehoord. Zo verklaart [getuige 1] dat het personeel op de grond moest liggen en dat [verdachte] en [medeverdachte 2] met een medewerker naar de kluis zijn gegaan. Er zat zowel papiergeld als losgeld in de kluis. [Medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] bleven bij de medewerkers en zij zagen dat er buiten een auto kwam aanrijden, of al stil stond. Ze dachten dat één van de medewerkers opgehaald zou worden. Toen ze dat zagen zijn ze via de andere kant gevlucht naar de auto van [medeverdachte 2]. Ze zijn langs het kanaal naar Akersloot gereden en volgens [medeverdachte1] zijn ze daar van auto gewisseld. [Verdachte] heeft tegen [getuige 1] verteld dat hij het geld uitgedeeld had. [Verdachte] had gezegd dat ze drieduizend euro per persoon hadden en veel losgeld. [Medeverdachte 1] heeft verteld dat het personeel van [onderneming 1] hun telefoons uit hun zakken moest halen. Van [medeverdachte 1] heeft hij gehoord dat zijn rozeachtige telefoon van één van de medewerkers van [onderneming 1] is. [Getuige 3] had eerder op de dag van de overval al van zijn neef gehoord dat [medeverdachte 2] een overval op [onderneming 1] wilde plegen.

De verklaringen van [medeverdachte 1], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 1] vinden voorts ondersteuning in de navolgende bewijsmiddelen.

- [Medeverdachte 1] heeft op 22 januari 2010 één van de gestolen telefoons in gebruik. [Medeverdachte 1] heeft hier overigens over verklaard dat hij die telefoon op enig moment na de overval van [verdachte] heeft gekregen.

- De auto van [medeverdachte 2] is gebruikt bij de overval, hetgeen wordt ondersteund door de camerabeelden van [onderneming 1] en de beelden van camera’s buiten [onderneming 1] op het industrieterrein. Op deze beelden is te zien dat een lichtgrijze Renault, met als laatste cijfer van het kenteken een [cijfer], direct voorafgaand aan- en onmiddellijk na afloop van de overval in de nabijheid van [onderneming 1] heeft gereden. [Medeverdachte 2] is eigenaar van een lichtgrijze Renault met [kenteken]. Daarnaast is de auto van [getuige 3] omstreeks 21.02 uur op de beelden te zien, met daarin twee personen, hetgeen overeenkomt met de verklaring van [getuige 3] dat hij op de avond van de overval samen met zijn neef [medeverdachte 4] in de buurt van [onderneming 1] heeft rondgereden.

- Het telefoonnummer van [medeverdachte 2] maakt op de avond van 14 januari 2010 achtereenvolgens gebruik van zendmasten in de volgende plaatsen: 18.37 uur Wormer; 18.50 uur Assendelft; 19.03 uur Alkmaar; 19.04 uur Alkmaar; 19.23 uur Alkmaar; 21.21 uur Akersloot; 21.22 uur Akersloot; 21.54 uur Wormer. Dit komt overeen met de verklaring van [medeverdachte 1] ten aanzien van de door hen afgelegde route na de overval, inhoudende dat in Akersloot van auto gewisseld werd. Verder blijkt uit de telefoongegevens van het bij [medeverdachte 2] in gebruik zijnde telefoonnummer dat dat nummer op 14 januari 2010 om 18.37 uur, 19.03 uur en 19.23 uur heeft gebeld met een telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte 3]. Om 19.04 uur en om 21.54 uur - op 14 januari 2010 - is er met het telefoonnummer van [medeverdachte 2] gebeld met het nummer in gebruik bij [medeverdachte 4]. De verklaring van [getuige 3] dat zijn neef [medeverdachte 4] na afloop van de overval is gebeld (vermoedelijk door [medeverdachte 2]) wordt hiermee naar het oordeel van de rechtbank ondersteund. Tot slot blijkt uit onderzoek van de printlijsten van [medeverdachte 2] dat op 14 januari 2010 om 22.49 uur, gedurende 36 seconden, en om 22.56 uur, gedurende 15 seconden, contact is geweest met het bij [medeverdachte 1] in gebruik zijnde telefoonnummer. Om 22.49 uur is gedurende 22 seconden contact geweest met het bij verdachte in gebruik zijnde nummer.

- Tijdens huiszoekingen zijn onder een aantal verdachten verschillende kledingstukken in beslag genomen en onderzocht. In de woning van [medeverdachte 2] is een groene jas in beslag genomen, die in de kledingkast in de slaapkamer van [medeverdachte 2] hing. In de auto van [medeverdachte 2] is een bontmuts met flappen gevonden. In de woning waar [medeverdachte 1] verbleef is in zijn slaapkamer een zwart Adidas trainingspak aangetroffen en in beslag genomen.

[Verbalisant 1] heeft de in beslag genomen kleding vergeleken met de kleding van de overvallers zoals zichtbaar op de camerabeelden van de overval op [onderneming 1]. Zijn conclusie is dat de groene jas, de bontmuts met flappen en de trainingsbroek met witte zijstrepen zeer sterk overeenkomen met kledingstukken door de overvallers gedragen tijdens de overval.

[Medeverdachte 1] heeft op 23 maart 2010 verklaard dat [medeverdachte 2] een groene jas droeg tijdens de overval. Geconfronteerd met de in beslag genomen groene jas geeft [medeverdachte 1] aan dat hij 100% zeker weet dat dit de jas van [medeverdachte 2] is, gelet op de zakken op de borst en de rafels aan de jas. Zelf droeg [medeverdachte 1] tijdens de overval een zwarte trainingsbroek met witte strepen aan de zijkant, dezelfde als de door de politie in beslag genomen broek. Aan [medeverdachte 1] wordt een foto getoond van de in beslag genomen bontmuts met flappen. [Medeverdachte 1] verklaart dat deze van verdachte is, maar dat [medeverdachte 3] de muts tijdens de overval droeg. [Medeverdachte 3] vroeg om die muts bij de auto van [medeverdachte 2]. De vader van verdachte heeft verklaard – nadat hij met de muts is geconfronteerd – dat dit de muts is van zijn zoon Voorts heeft verdachte verklaard dat hij de muts aan [medeverdachte 3] heeft uitgeleend.

Conclusie van de rechtbank

De rechtbank concludeert naar aanleiding van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen dat verdachte één van de vier overvallers is geweest die op 14 januari 2010 een [onderneming 1] in Alkmaar hebben overvallen. Voorts is de rechtbank van oordeel, gelet op de hiervoor omschreven feitelijke gang van zaken, dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de vier overvallers en dat er derhalve sprake is van medeplegen.

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde, een en ander zoals hierna weergegeven in de bewezenverklaring, wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard.

Feit 2 voorbereiding overval [onderneming 2] op 30 januari 2010

Binnen het onderzoek 10Heuvel werden gesprekken gevoerd via het [telefoonnummer 1] opgenomen en uitgeluisterd. Dit telefoonnummer is in gebruik bij: [medeverdachte 2], [adres en woonplaats]. Ook werden gesprekken gevoerd via het [telefoonnummer 2] opgenomen en uitgeluisterd. Dit telefoonnummer is in gebruik bij: [verdachte], [adres en woonplaats].

Op 30 januari 2010, te 08.02.05 uur, 11.16.21 uur en 11.16.53 uur, vond tussen bovenvermelde twee telefoonnummers SMS verkeer plaats met de navolgende letterlijke teksten:

SMS uit vanaf [telefoonnummer 1] naar [telefoonnummer 2]:

Vandaag torrie

SMS in naar [telefoonnummer 1] van [telefoonnummer 2]:

Waar hoelaat met wie

SMS uit van [telefoonnummer 1] naar [telefoonnummer 2]:

Regel [medeverdachte 1] ..ik bel je ltr

Op 30 januari 2010, te 13.01.41 uur, vond tussen bovenvermelde telefoonnummers SMS verkeer plaats met de navolgende letterlijke tekst:

SMS in vanaf het [telefoonnummer 2] naar het [telefoonnummer 1]:

Broer bel me eve voor info dan

Bovenvermeld SMS bericht werd op 30 januari 2010, te 13.28.46 uur, gevolgd door een gesprek tussen beide telefoonnummers met onder meer de navolgende letterlijk uitgewerkte tekst (gesprek in Turks door tolk vertaald):

[v]: [verdachte]

[m2]: [medeverdachte 2]

[…]

[v]: ‘Ja. Is de dinges de dinges?

[m2]: ‘Er is hier bij ons een plek/locatie.., ouwe, we moeten niet over de telefoon praten... maar... ehh.. het is... ehh.. ge... GEGARANDEERD...’

[v]: ‘Om hoelaat’?

[m2]: ‘Het gaat vanavond om negen uur dicht’

[v]: ‘Om negen uur’?

[m2]: ‘Ja’

[v]: ‘Ja... ehh... [naam] is nu if buiten of zo, ik weet niet’

[m2]: ‘Ja’?

[v]: ‘Nummero 16... hij gaat ook met een chick, weet je’?

[m2]: ‘Echt waar’?

[v]: ‘Daarom, hij gaat rond een uur of zes of zo’

[m2]: ‘Kijk maar ‘s even ouwe’

[v]: ‘Ja, is goed. Heb jij de dingens..’? (meervoud)

[m2]: ‘Wat’?

[v]: ‘WAPEN en zo’

[m2]: ‘Er is geen WAPEN ouwe.. .ehh... ding is al genoeg, joch... ehh.. MES’

[v]: ‘Maaree. . .wat voor een dinges is het dan’?

[m2]: ‘Benzinestation’

[v]: ‘Ohhh’

[m2]: ‘Gelijk achter mijn huis’

[v]: ‘Ookay’

[m2]: ‘Ok? Ik zal... zeg jij het maar even.., ik zal jou.. ehh.. of ik,,,’

[v]: ‘Ik zal het even aan [naam] vragen.., en zo..’

[m2]: ‘Laat me weten, he’!

[v]: ‘Ja, is goed’

[m2]: ‘Ok’?

[v]: ‘Doei’

C: ‘Is goed man, doei’.

EINDE GESPREK.

Uit onderzoek van de politie via Google maps en ANWB routeplanner bleek dat op een afstand van 381 meter van [adres en woonplaats] (woning [medeverdachte 2]) tank/benzinestation [onderneming 2] is gevestigd op [vestigingsadres en plaatsnaam]. Het daaropvolgende dichtstbijzijnde tankstation van de woning van [medeverdachte 2] was gelegen op een afstand van 2,3 kilometer.

Op 30 januari 2010 te 14.59.22 uur, 15.28.19 uur, 15.29.03, 15.38.33 uur, 15.39.18 uur, 15.47.47 uur, 15.48.31 uur, 15.49.53 uur, 15.50.34 uur, 15.51 .46 uur en 15.52.21 uur, vond tussen beide telefoonnummers SMS verkeer plaats waarin onder andere afspraken werden gemaakt en werd besproken of er een derde persoon mee moet.

SMS uit van [telefoonnummer 1] naar het [telefoonnummer 2]:

Jij en ik 2 mans

SMS in naar het [telefoonnummer 1] van het [telefoonnummer 2]:

Kan broer

SMS uit van het [telefoonnummer 1] naar het [telefoonnummer 2]:

Als je wil

Uitgaand SMS bericht van het [telefoonnummer 2] naar het [telefoonnummer 1], in het Turks, vertaald door een tolk:

Benzinlige girecezmi of onlar cikinca mi dalacaz

Gaan we het benzinestation binnen of vallen we binnen als zij er uit komen.

Uitgaand SMS van het [telefoonnummer 1] naar het [telefoonnummer 2], in het Turks, vertaald door een tolk:

Girecez.

We gaan naar binnen.

Uitgaand SMS bericht van het [telefoonnummer 2] naar het [telefoonnummer 1].

Broer ordan cok cikarmi ki?

Broer, komt daar dan wel veel uit?

SMS uit van het [telefoonnummer 1] naar het [telefoonnummer 2].

Ja man. .als je nog iemand heb perfect

SMS in van het [telefoonnummer 1] naar het [telefoonnummer 2]:

K wil sowieso niet met die ayi (=lul) weetje en [naam] kan Niet

SMS uit van het [telefoonnummer 1] naar het [telefoonnummer 2]:

Wie kan meer. .yuksel mis

SMS in van het [telefoonnummer 2] naar het [telefoonnummer 1]:

K weet niet ouwe

SMS uit van het [telefoonnummer 1] naar het [telefoonnummer 2]:

Laat maar weten voor 6

SMS in van het [telefoonnummer 2] naar het [telefoonnummer 1]:

Broer k ga nu na werk man k wil wel met je komen ouwe geen probleem

Na voorgaande berichten vond tussen beide telefoonnummers SMS verkeer plaats waarvan de inhoud ging over het ophalen van verdachte en de manier waarop dat zou gaan.

Dit betroffen SMS berichten van 30 januari 2010, te 15.55.38 uur, 15.56.12 uur, 16.18.01 uur, 16.19.11 uur, 16.19.45 uur, 16.20.21 uur, 16.20.37 uur, 18.59.28 uur, 19.04.20 uur, 19.04.45 uur, 19.06.40 uur, 19.06.24 uur, 19.45.24 uur, 19.58.37 uur, 19.59.28 uur en 20.24.39 uur.

Op 30 januari 2010, te 21.11.36 uur, vond een gesprek plaats tussen het bij verdachte in gebruik zijnde [telefoonnummer 2] en het [telefoonnummer 3] in het Turks, vertaald door een tolk.

De rechtbank concludeert op basis van de hierna aan te halen verklaring van [medeverdachte 1] en de bevindingen van de politie dat hij de NN man is in het gesprek, waarvan de letterlijke inhoud luidt:

[m2]: [medeverdachte 2]

[v]: [verdachte]

N: NN-Man

NN-Man zegt dat hij richting Alkmaar rijdt.

[verdachte] zegt ‘ik rij ook richting Alkmaar’.

NN-Man vraagt waar [verdachte] is; [verdachte] antwoordt ‘Wormerveer’.

Ze hebben ze het over een meisje, waar NN-Man om zeven naar toe zou gaan; hij was in de moskee en het werd laat.

NN-Man vraagt hoe laat [verdachte] terug is;

[verdachte] zegt ‘ik ben onderweg; bijna’.

[verdachte] vraagt wat NN-Man bij [onderneming 3] deed;

NN-Man vraagt hoe [verdachte] dat weet.

[verdachte] lacht.

NN-Man vraagt met wie [verdachte] was;

[verdachte] zegt met [medeverdachte 2];

NN-Man vraagt ‘nog steeds met [medeverdachte 2]’?

[verdachte] zegt ‘ja met [medeverdachte 2], [naam]’.

NN-Man dacht dat [verdachte] aan het werken was.

[verdachte] zegt dat hij om zeven uur klaar was en dat hij daarna NN-Man een SMS heeft gestuurd.

NN-Man vraagt weer hoe laat [verdachte] terug is;

[verdachte] zegt ‘ik ben onderweg’

vervolgens:

N: ‘Maarruh... wat zegt [medeverdachte 2] over ‘die ding’...’?

[v]: ‘Over wat’?

N: ‘Over wat jij ge-sms’t had’

[v]: ‘Ehh... Ja... ehhh.... we zou het zojuist gaan doen, maarruh, de man was daar, weet je, de eigenaar; later zeiden we, laat maar zitten’.

N: ‘Ja maarr, wat... wat voor een dingetje was dat’?

[v]: ‘Pompstation joch’!

N: ‘Tchuu... NTV (ws.: jullie zijn gaan schijten)’

[v]: ‘He’?

N: ‘Wat wil je daar uithalen’?

[v]: ‘Hij zegt, “daar heb je zo... net zoals [onderneming 1]”, vriend.

N: ‘Ahh, rot op man.... ‘t is niks’

[v]: ‘Jaa... hij zegt “morgen gaan we eentje klaar maken (=klaren/doen)”

N: ‘Nee, ik ga niet.., ik ga niet... ehhh.. ik ga gewoon woensdag, verder niet, ik ben niet meer... ehh.. klaar”

[v]: ‘Ohh... is goed, man... maar goed, hoe laat ben jij ongeveer...’

N: ‘Als je wilt doen, doe maar, weet je, maar ik ga niet ehh...’

[v]: ‘Nee... ehh.. jaa.. ehh... ik weet het niet., ik weet het dus niet’

N: ‘Als ik jou was, zou ik ook niet NTV (zitten?) hoor’

[v]: ‘Ja, ik weet het... ehh.. jaa... ik ga kijken/zal het wel (aan-)zien’

N: ‘Wacht effe... wacht wacht, wacht’

Stite

[v]: ‘Heyy’?

Stilte

N: ‘Ja’?

[v]: ‘Wat wou ik zeggen... ehh... tot hoe laat ben je met die chick’?

N: ‘Ik ben er net... ik ga ehh.. ze moet ehh... kwart over tien weg of zo’

[v]: ‘Kwart over tien’?

N: ‘Ja’

[v]: ‘Is goed... bel me dan op... ik ben over tien of zo’

N: ‘Kom jullie nu terug naar Alkmaar met [medeverdachte 2] of niet’?

[v]: ‘Ja met [medeverdachte 2]... ik weet niet of je nog blijft’

N: ‘Zijn jullie alleen met z’n tweetjes’?

[v]: ‘Ja... we zijn nu bijna... we zijn nu op A9’

N: ‘Geef ‘s [medeverdachte 2] even’

[Medeverdachte 2] komt aan de telefoon:

[m2]: ‘[naam]’?

N: ‘[naam]’

[m2]: ‘Wat ben je aan het doen, joch’?

N: ‘Niks ouwe’

[m2]: ‘Ik ook niks hahaha’

[…]

Ze moeten allebei lachen

[m2]: ‘Wat ben je aan het doen, joch’?

N: ‘Hey maar Turk, luister ‘s even’

[m2]: ‘Jow’

N: ‘Wou je gaan ZEPPEN vandaag’?

[m2]: ‘We gi... ik ging net even kijken Turk, maar, de eigenaar daarvan was er... en... het is de achterkant van mijn huis, je weet het toch’?

N: ‘Ja, ja, ik weet wie je bedoelt’

[m2]: ‘Die man eh... altijd ehh... vast en zeker ehh.. er is een knop, joch’

N: ‘Echt waar’?

[m2]: ‘Echt waar! Je weet toch... we moeten niet ehh dat risico nemen’

Op 30 januari 2010 heeft een observatieteam de volgende waarnemingen gedaan :

Omstreeks 20.05 uur kwam [medeverdachte 2] uit de woning [adres en woonplaats], en stapte in de Renault [kenteken]. Hierna reed deze auto weg.

Omstreeks 20.23 stopte de Renault [kenteken] op [adres] te Alkmaar. Kort hierna vervolgde deze auto zijn weg.

Omstreeks 20.24 uur zag een verbalisant dat er twee mannen in de Renault [kenteken] zaten, te weten: [medeverdachte 2] en een voor hem, verbalisant, onbekend persoon.

Omstreeks 20.42 uur zagen verbalisanten dat van de Renault [kenteken], ter hoogte van het tankstation [onderneming 2], gevestigd op [vestigingsadres en plaatsnaam], de remlichten gingen branden.

Omstreeks 20.43 uur werd de Renault [kenteken] geparkeerd op [adres] te Wormerveer.

Omstreeks 20.48 uur ging [medeverdachte] binnen in de woning [adres en woonplaats]. Omstreeks 20.49 uur zag een verbalisant dat de onbekende man in de Renault [kenteken] zat.

Omstreeks 20.50 uur liep [medeverdachte 2] over [adres] te Wormerveer in de richting van de Renault [kenteken] en omstreeks 20.51 uur stapte [medeverdachte 2] in als bestuurder in de Renault [kenteken].

Omstreeks 20.54 uur reed de Renault [kenteken] weg.

Omstreeks 21.25 uur zag een verbalisant dat de Renault [kenteken] stopte op [adres] te Alkmaar. Vervolgens zag hij dat de onbekende persoon uitstapte en perceel [nr] binnen ging.

Op maandag 1 februari 2010 werd door de politie contact gezocht met de eigenaar van tankstation [onderneming 2], gevestigd [vestigingsadres en plaatsnaam]. De eigenaar deelde mee dat op 30 januari 2010 een meisje van 20 jaar achter de balie van het tankstation stond en dat hij als eigenaar omstreeks 20.45 uur op de zaak was gekomen. Uit veiligheidsoverwegingen is het gebruikelijk dat hij of iemand anders kort voor sluitingstijd ook in de zaak aanwezig is. De eigenaar heeft desgevraagd verklaard dat in het pand twee losse kluizen staan.

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte 2] hem [‘naam’] noemt.

Voorts heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij na de overval op de [onderneming 1] een SMS kreeg van [medeverdachte 2] met de tekst “Vandaag torrie”. Hij werd vervolgens gebeld door verdachte. Verdachte vertelde hem dat het om een overval op een tankstation bij [medeverdachte 2] in de buurt ging. [Medeverdachte 2] had tegen verdachte gezegd dat de eigenaar een kluis in het tankstation zou hebben. [Medeverdachte 1] had die avond een afspraak met een meisje. Hij wilde niet mee.

[Medeverdachte 2] heeft verklaard dat het klopt dat hij gebruik maakt van [telefoonnummer 1] en op 30 januari 2010 heeft hij inderdaad een SMS verstuurd met de inhoud: “vandaag torrie” naar verdachte en naar [‘naam’]. [Medeverdachte 2] heeft voorts verklaard dat hij die dag meerdere SMS-jes naar verdachte heeft gestuurd en verdachte ook aan de telefoon heeft gehad. [Medeverdachte 2] heeft per SMS met verdachte afgesproken en heeft hem in zijn Renault opgehaald in Alkmaar. [Medeverdachte 1] ging niet mee omdat hij bij een vriendin was. Vervolgens zijn zij teruggereden naar Wormerveer. Na een korte stop bij zijn huis zijn ze weer naar Alkmaar gereden. Over [onderneming 2] is gesproken op het moment dat zij er langs reden.

De rechtbank concludeert op basis van de verklaring van [medeverdachte 1] (onder meer inhoudende dat hij verdachte aan de telefoon had toen hij bij een meisje was), in samenhang met de inhoud van het afgeluisterde telefoongesprek, waaruit blijkt dat verdachte en [medeverdachte 2] bij elkaar zijn en in de richting van Alkmaar rijden en de omstandigheid dat het observatieteam ziet dat de passagier die bij [medeverdachte 2] in de auto heeft gezeten bij de woning van verdachte naar binnen gaat, dat verdachte degene is die bij [medeverdachte 2] in de auto zat op de avond van 30 januari 2010.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het plegen van voorbereidingshandelingen is vereist dat kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk voorwerpen bestemd tot het begaan van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, voorhanden heeft. Derhalve zal moeten worden bewezen dat de voorwerpen die de verdachte en zijn medeverdachte voorhanden hadden ‘bestemd zijn tot het begaan van een dergelijk misdrijf’. Krachtens geldende jurisprudentie is daarbij van belang dat de voorwerpen afzonderlijk dan wel gezamenlijk naar hun uiterlijke verschijningsvorm dienstig konden zijn voor het misdadige doel dat de verdachte voor ogen stond (HR 20 februari 2007, LJN AZ0213, NbSr 2007, 125). Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, is derhalve niet van belang dat de bij de verdachte aangetroffen voorwerpen normale gebruiksvoorwerpen zijn. Immers dienen de voorwerpen in hun gezamenlijkheid en naar hun uiterlijke verschijningsvorm te worden beoordeeld, waarbij ook niet geabstraheerd mag worden van het doel dat de verdachte met deze voorwerpen voor ogen had. Bij oordelen aangaande het bewijs van dat doel spelen in beginsel alle feiten en omstandigheden van het geval een rol.

Vorenstaande in acht nemende, stelt de rechtbank uit de hiervoor weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

[Medeverdachte 2] heeft in de vroege ochtend een SMS verstuurd aan verdachte met de inhoud “vandaag torrie”. Zowel bij de politie als de rechtbank is genoegzaam bekend dat “torrie” in straattaal “overval” kan betekenen. Als [medeverdachte 2] later op de dag verdachte aan de telefoon heeft, zegt hij dat ze er eigenlijk niet aan de telefoon over moeten praten, maar dat het om een benzinestation gaat vlak achter zijn huis. Als verdachte vraagt hoe laat, antwoordt [medeverdachte 2] dat het om negen uur dicht gaat. [medeverdachte 2] zegt verder dat er geen wapen nodig is, een mes is genoeg. Verdachte vraagt nog of ze het benzinestation binnen gaan, of naar binnen vallen als zij er uit komen. Nadat er gedurende de hele dag telefonisch contact wordt onderhouden over het hoe en wat van de ‘afspraak’ later op de dag, haalt [medeverdachte 2] verdachte vanuit Wormerveer met de auto op in Alkmaar, om vervolgens onmiddellijk weer terug te keren naar Wormerveer. Ter hoogte van het benzinestation aan [vestigingsadres en plaatsnaam] ziet het observatieteam dat de remlichten van de auto oplichten.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de combinatie en onderlinge samenhang van de hiervoor vermelde SMS-berichten, de inhoud en context van de afgeluisterde telefoongesprekken en het waargenomen gedrag van de verdachten (die kennelijk geen ander doel hadden met het heen en weer rijden tussen Wormerveer en Alkmaar) worden afgeleid dat verdachte en zijn [medeverdachte 2] het voornemen hebben gehad om een diefstal met (bedreiging van) geweld, dan wel afpersing te plegen. Het bewijs dat zodanig voornemen bij de verdachten aanwezig was, wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 1], dat hij door [medeverdachte 2] en verdachte per SMS en per telefoongesprek werd benaderd om mee te doen. Verdachte heeft daarbij gezegd dat het om een overval ging op een tankstation bij [medeverdachte 2] in de buurt, waarvan [medeverdachte 2] bovendien wist dat er een kluis stond.

Naar het oordeel van de rechtbank waren de auto van de [medeverdachte 2], alsmede de mobiele telefoon, gelet op het gebruik dat daarvan is gemaakt op 30 januari 2010, kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van een overval op een tankstation in Wormerveer. [Medeverdachte 2] is immers per auto naar Alkmaar gereden om verdachte op te halen. Samen zijn zij teruggereden naar Wormerveer. Bij het benzinestation hebben zij vastgesteld dat de eigenaar van het station – tegen de verwachting in – aanwezig was en dat de geplande overval daarom niet door kon gaan. Toen heeft [medeverdachte 2] verdachte teruggebracht naar huis. Naar het oordeel van de rechtbank kan - gelet op het voorgaande - in het onderhavige geval worden aangenomen dat de misdadige bestemming van - op zichzelf alledaagse - voorwerpen als een auto en een mobiele telefoon, vast staat.

Op grond van het vorenstaande en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich tezamen met zijn [medeverdachte 2] schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een personenauto en een mobiele telefoon ter voorbereiding van het voorgenomen misdrijf om een tankstation te overvallen, zoals dat onder 2 is ten laste gelegd.

Vrijwillige terugtred (artikel 46b Sr)

De raadsvrouw heeft namens verdachte betoogd dat sprake is van vrijwillige terugtred.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 46b Sr bepaalt dat poging of voorbereiding niet bestaat indien het misdrijf niet is voltooid tengevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er in ieder geval sprake is van een externe - niet van de wil van verdachte afhankelijke - omstandigheid waardoor verdachte en zijn medeverdachte van de voorgenomen overval hebben afgezien, te weten de onverwachte aanwezigheid van de eigenaar van het tankstation. De raadsvrouw heeft gelijk als zij zegt dat er daarnaast ook sprake kan zijn van een interne omstandigheid waardoor wordt afgezien van het voorgenomen misdrijf. Nu verdachte echter heeft ontkend überhaupt bij [medeverdachte 2] in de auto hebben gezeten op 30 januari 2010 behoeft dit verweer naar het oordeel van de rechtbank geen nadere bespreking.

De vrijwillige terugtred is door de wetgever als een exceptie geformuleerd. Bij een beroep op een uitzonderingsgrond ligt het in de rede dat de verdachte controleerbare feiten aanvoert ter onderbouwing van zijn stelling, waarmee de aanwezigheid van vrijwillige terugtred aannemelijk wordt gemaakt.

Vast is komen te staan dat de voorbereiding, zoals hiervoor bewezen verklaard, is voltooid. Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat verdachte ten tijde van de voorbereidingshandelingen op enig moment er blijk van heeft gegeven het plan niet te willen uitvoeren. Nu de verdediging voorts geen objectief controleerbare feiten heeft aangevoerd die het verweer ondersteunen, is de rechtbank van oordeel dat de vrijwillige terugtred niet aannemelijk is geworden.

De rechtbank verwerpt derhalve het beroep op vrijwillige terugtred.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 14 januari 2010 in de gemeente Alkmaar tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een winkel, te weten [onderneming 1] (gevestigd aan [adres]) heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 14.000 euro toebehorende aan de [onderneming 1] en drie mobiele telefoons en een portemonnee toebehorende aan medewerkers van de [onderneming 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen vijf medewerkers van [onderneming 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededaders

- naar de zij-ingang van die winkel zijn gegaan en daar in donkere kleding en met bivakmutsen die medewerkers hebben opgewacht en op het moment dat die medewerkers de winkel verlieten

-via de zij-ingang- een vuurwapen hebben getoond en vuurwapens op die medewerkers hebben gericht en gericht gehouden en die medewerkers toen dreigend hebben toegevoegd/bevolen: "dit is een overval, nu naar binnen, ga op de grond liggen, maak geen beweging want dan maak ik je dood" en die medewerkers hebben teruggeduwd die winkel in en hebben gedwongen in die winkel op de grond te gaan liggen en een aantal van hen de armen/handen op de rug hebben getapet en een van hen vervolgens onder bedreiging van een vuurwapen hebben gedwongen de in die winkel aanwezige kluis te tonen en te openen;

2.

hij op 30 januari 2010 in Nederland, tezamen in vereniging met een ander, ter voorbereiding van het misdrijf van diefstal met geweldpleging in vereniging en/of afpersing in vereniging (respectievelijk artikel 312 en/of 317 van het Wetboek van Strafrecht), waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, opzettelijk een voertuig (voor het vervoer van de daders en/of de gestolen goederen) en een mobiele telefoon bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad en heeft hij, verdachte, met zijn mededader over de mobiele telefoon plannen gesmeed om een benzinestation in Wormerveer te overvallen en zijn zij hierna naar de te overvallen benzinestation in Wormerveer gereden en hebben zij dit benzinestation vanuit voornoemd voertuig geobserveerd.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van voorbereiding van

diefstal, voorafgegaan of vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit door twee of meer personen wordt gepleegd

en/of

medeplegen van voorbereiding van afpersing;

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank verdachte zal veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank - subsidiair - verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit en voorts geen leidinggevende rol bij de overval op [onderneming 1] heeft gehad. Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze in na te noemen persoonlijkheidsonderzoek en voorlichtingsrapportage naar voren komen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Op 14 januari 2010 heeft verdachte zich, samen met drie anderen, schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een filiaal van [onderneming 1] in Alkmaar. Na sluitingstijd, omstreeks 21.10 uur, wilden de laatste vijf medewerkers het filiaal via de personeelsingang verlaten. Plotseling werden zij geconfronteerd met een viertal jonge mannen met bivakmutsen. Onder bedreiging van vuurwapens werden de medewerkers terug naar binnen gedwongen. Onder bedreiging van een vuurwapen moesten zij op de grond gaan liggen en werden zij vastgebonden. Eén van hen werd onder bedreiging van een vuurwapen gedwongen de kluis te openen. De overvallers hebben door gebruikmaking van geweld en onder uiting van ernstige bedreigingen een groot geldbedrag en mobiele telefoons van enkele medewerkers gestolen.

Verdachte was op 30 januari 2010 van plan om wederom een tankstation te overvallen. Samen met zijn mededader heeft verdachte het misdrijf voorbereid door een personenauto en een mobiele telefoon voorhanden te hebben die bestemd waren tot het plegen van een gewapende overval op een tankstation. Verdachte en zijn mededader hebben via de telefoon plannen gesmeed en zijn samen met de auto van medeverdachte naar [onderneming 2] gegaan waar de overval plaats zou moeten vinden. Dat de voorbereiding van de overval niet in een poging of een voltooide overval is uitgemond, is slechts te danken aan het feit dat naast de door de verdachten verwachte jonge medewerkster, ook de eigenaar van het tankstation aanwezig bleek te zijn, waardoor zij het risico niet wilden nemen en zijn doorgereden.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij puur uit materiële overwegingen heeft gehandeld en kennelijk tot op heden volstrekt niet stil staat bij de angst die hij, al dan niet samen met anderen, teweeg heeft gebracht bij de slachtoffers van de overval. Dat blijkt te meer uit het feit dat verdachte na de overval op [onderneming 1] opnieuw een gewapende overval aan het plannen was.

Gewapende roofovervallen zijn zeer ernstige feiten. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke berovingen daarvan langdurig ernstige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Dergelijke feiten veroorzaken bovendien gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 2 februari 2010, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

- het over de verdachte uitgebrachte rapport raadsonderzoek strafzaken gedateerd

4 februari 2010 van A. Metselaar, als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad voor

de Kinderbescherming.

- het over de verdachte uitgebrachte briefrapport en plan van aanpak, gedateerd 12

maart 2010 van S. Hamchi, als jeugdreclasseerder verbonden aan Bureau Jeugdzorg Noord-Holland.

- het over de verdachte uitgebrachte psychologisch rapport gedateerd 17 mei 2010,

van drs. J.P.M. van der Leeuw, klinisch psycholoog / psychotherapeut.

- het over de verdachte uitgebrachte rapport adviesrapportage Jeugdreclassering,

gedateerd 12 augustus 2010, van S. Hamchi voornoemd en het strafadvies, gedateerd 13 augustus 2010 van P.A. de Groot, als casusregisseur verbonden aan de Raad voor de Kinderbescherming.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit het oogpunt van vergelding een langdurige (deels voorwaardelijke) jeugddetentie de enige passende sanctie is. In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank laten meewegen dat uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 februari 2010 ten name van verdachte blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Voorts weegt mee dat verdachte ten tijde van het plegen van de delicten zeventien jaar oud was, waardoor het minderjarigenstrafrecht van toepassing is. Onder het minderjarigenstrafrecht is de maximale duur van de aan verdachte op te leggen jeugddetentie 24 maanden. In dit licht ziet de rechtbank aanleiding de op te leggen straf te matigen ten opzichte van de eis van de officier van justitie.

Alles afwegende acht de rechtbank een jeugddetentie voor de duur voor achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend en geboden. De jeugdreclassering heeft, in het adviesrapport en ter terechtzitting bij monde van mevrouw S. Hamchi, aangegeven dat het door de ontkennende houding van verdachte moeilijk zal worden om invulling te geven aan een eventuele verplichte begeleiding van verdachte.

De rechtbank ziet om die reden geen meerwaarde in het opleggen van een bijzondere voorwaarde met de inhoud dat verdachte zich zal moeten houden aan de aanwijzingen die hem worden gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg.

9. Vordering van de benadeelde partijen

9.1 Namens de [onderneming 1], gevestigd aan [adres en plaatsnaam], heeft de [gemachtigde], vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 3.757,97 wegens materiële schade die de verdachte met zijn mededaders aan hem heeft toegebracht. Voorts wordt de wettelijke rente over dit bedrag gevorderd.

De gevorderde materiële schade bestaat uit:

- € 1.821,88 exclusief btw betreffende de inzet van [onderneming 3] in verband met hulpverlening en consult naar aanleiding van het onder 1 bewezenverklaarde;

- € 1.789,84 exclusief btw terzake extra beveiliging direct na het onder 1 bewezenverklaarde, in de periode van 15 januari 2010 – 29 januari 2010;

- € 146,25 exclusief btw terzake een tijdelijke ‘leenrecorder’ ter vervanging van de camera’s die in verband met het onder 1 bewezenverklaarde aan de politie zijn afgegeven,

zijnde in totaal een bedrag van € 3.757,97.

De gevorderde bedragen zijn onderbouwd met facturen die als bijlagen aan het zogenoemde voegingsformulier benadeelde in het strafproces zijn gehecht.

Uit onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Gelet op het voorgaande is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek bewezenverklaring bewezen verklaarde strafbare feit onder 1. door de handelingen van de verdachte -ook al zijn andere daders daarbij betrokken- rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van in totaal € 3.757,97, zodat de vordering tot dat bedrag kan worden toegewezen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, zijnde 14 januari 2010.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De verdachte is niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door de mededaders aan de benadeelde partij is voldaan.

9.2 De [benadeelde partij 5], woonplaats kiezende aan [adres en woonplaats], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 125,- wegens materiële schade en een vergoeding wegens immateriële schade, waarvan in deze procedure een bedrag van € 2.200,- wordt gevraagd. Voorts wordt de wettelijke rente over beide bedragen gevorderd.

Uit onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

De gevorderde materiële schade bestaat uit de kosten van een mobiele telefoon die is weggenomen tijdens het onder 1. bewezenverklaarde. Mede gelet op het overgelegde prijzenoverzicht van soortgelijke telefoons, kan de rechtbank de geleden schade van de gestolen telefoon naar redelijkheid begroten op het gevorderde bedrag van € 125,-.

De immateriële schade kan naar het oordeel van de rechtbank op grond van de thans beschikbare onderbouwing worden begroot op minst genomen het gevorderde bedrag van € 2.200,00.

Gelet op het voorgaande is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek Bewezenverklaring onder 1. bewezen verklaarde strafbare feit door de handelingen van de verdachte -ook al zijn andere daders daarbij betrokken- rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van (€ 125,- + € 2.200,- =) in totaal

€ 2.325,- zodat de vordering tot dat bedrag kan worden toegewezen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, zijnde 14 januari 2010.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De verdachte is niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door de mededaders aan de benadeelde partij is voldaan.

9.3 De [benadeelde partij 3], wonende aan [adres en woonplaats], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding wegens immateriële schade, waarvan in deze procedure een bedrag van € 2.000,- wordt gevraagd. Voorts wordt de wettelijke rente over dit bedrag gevorderd.

Uit onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Gelet op het voorgaande is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek Bewezenverklaring onder 1. bewezen verklaarde strafbare feit door de handelingen van de verdachte -ook al zijn andere daders daarbij betrokken- rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag dat op grond van de thans beschikbare onderbouwing van de geleden immateriële schade kan worden begroot op minst genomen een bedrag van € 2.000,00, zodat de vordering tot dat bedrag kan worden toegewezen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, zijnde 14 januari 2010.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De verdachte is niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door de mededaders aan de benadeelde partij is voldaan.

9.4 De [benadeelde partij 2], wonende aan [adres en woonplaats], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 126,92 wegens materiële schade en een vergoeding wegens immateriële schade, waarvan in deze procedure een bedrag van € 2.000,- wordt gevraagd. Voorts wordt de wettelijke rente over beide bedragen gevorderd.

Uit onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde immateriële schade van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Gelet op het voorgaande is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek Bewezenverklaring onder 1. bewezen verklaarde strafbare feit door de handelingen van de verdachte -ook al zijn andere daders daarbij betrokken- rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag dat op grond van de thans beschikbare onderbouwing van de geleden immateriële schade kan worden begroot op minst genomen een bedrag van € 2.000,00, zodat de vordering tot dat bedrag kan worden toegewezen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, zijnde 14 januari 2010.

Ten aanzien van de materiele schade overweegt de rechtbank als volgt.

De benadeelde partij heeft zich laten onderzoeken in verband met lichamelijke klachten als gevolg van de onder 1. bewezenverklaarde overval. De gevorderde materiële schade betreft de kosten van het zogenoemde eigen risico van haar Zorgverzekering 2010. Nu het kalenderjaar 2010 echter nog niet is verstreken en derhalve niet kan worden vastgesteld of er dit jaar nog meer kosten – die niet aan dit strafbare feit zijn gerelateerd – zullen worden gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat dit deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De verdachte is niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door de mededaders aan de benadeelde partij is voldaan.

9.5 De [benadeelde partij 4], wonende aan [adres en woonplaats], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding wegens immateriële schade, waarvan in deze procedure een bedrag van

€ 2.000,- wordt gevraagd. Voorts wordt de wettelijke rente dit bedrag gevorderd.

Uit onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Gelet op het voorgaande is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek Bewezenverklaring onder 1. bewezen verklaarde strafbare feit door de handelingen van de verdachte -ook al zijn andere daders daarbij betrokken- rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag dat op grond van de thans beschikbare onderbouwing van de geleden immateriële schade kan worden begroot op minst genomen een bedrag van € 2.000,00, zodat de vordering tot dat bedrag kan worden toegewezen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, zijnde 14 januari 2010.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De verdachte is niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door de mededaders aan de benadeelde partij is voldaan.

9.6 De [benadeelde partij 1], wonende aan [adres en woonplaats], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 66,- wegens materiële schade en een vergoeding wegens immateriële schade, waarvan in deze procedure een bedrag van € 2.000,- wordt gevraagd. Voorts wordt de wettelijke rente over beide bedragen gevorderd.

Uit onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde immateriële schade van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Gelet op het voorgaande is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek Bewezenverklaring onder 1. bewezen verklaarde strafbare feit door de handelingen van de verdachte -ook al zijn andere daders daarbij betrokken- rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag dat op grond van de thans beschikbare onderbouwing van de geleden immateriële schade kan worden begroot op minst genomen een bedrag van € 2.000,00, zodat de vordering tot dat bedrag kan worden toegewezen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, zijnde 14 januari 2010.

Ten aanzien van de materiele schade overweegt de rechtbank als volgt.

De gevorderde materiële schade bestaat uit de kosten van een jas die tijdens de onder 1. bewezenverklaarde overval kapot zou zijn gegaan. Nu dit voorval niet is opgenomen in de aangifte dan wel in enig ander proces-verbaal, is de rechtbank van oordeel dat dit deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De verdachte is niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door de mededaders aan de benadeelde partij is voldaan.

10. Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregelen besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 1. bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht aan de benadeelden.

De toepassing van jeugddetentie, bij gebreke van voldoening van de verschuldigde bedragen, heft de opgelegde verplichtingen niet op.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 46, 47, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12. Beslissing

De rechtbank:

? Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

? Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders tenlaste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

? Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

? Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

? Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een jeugddetentie voor de tijd van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

? Wijst toe de vordering van de [onderneming 1]

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 3.757,97 (drieduizend zevenhonderdzevenenvijftig euro en zevenennegentig eurocent) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het schade veroorzakende feit, zijnde 14 januari 2010.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededader zijn voldaan.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [onderneming 1] te betalen een som geld ten bedrage van € 3.757,97 (drieduizend zevenhonderdzevenenvijftig euro en zevenennegentig eurocent) als schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het schade veroorzakende feit, zijnde 14 januari 2010, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 9 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

? Wijst toe de vordering van de [benadeelde partij 5].

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 2.325,00 (tweeduizend driehonderdvijfentwintig euro) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het schade veroorzakende feit, zijnde 14 januari 2010.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededaders zijn voldaan.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 5] te betalen een som geld ten bedrage van € 2.325,00 (tweeduizend driehonderdvijfentwintig euro) als schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het schade veroorzakende feit, zijnde 14 januari 2010, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 6 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

? Wijst toe de vordering van de [benadeelde partij 3].

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het schade veroorzakende feit, zijnde 14 januari 2010.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededaders zijn voldaan.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3] te betalen een som geld ten bedrage van

€ 2.000,00 (tweeduizend euro) als schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het schade veroorzakende feit, zijnde 14 januari 2010, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 6 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

? Wijst toe de vordering van de [benadeelde partij 2], tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het schade veroorzakende feit, zijnde 14 januari 2010.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededaders zijn voldaan.

Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] te betalen een som geld ten bedrage van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het schade veroorzakende feit, zijnde 14 januari 2010, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 6 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

? Wijst toe de vordering van de [benadeelde partij 4].

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het schade veroorzakende feit, zijnde 14 januari 2010.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededaders zijn voldaan.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 4] te betalen een som geld ten bedrage van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het schade veroorzakende feit, zijnde 14 januari 2010, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 6 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

? Wijst toe de vordering van de [benadeelde partij 1] tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op € nihil.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededaders zijn voldaan.

Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] te betalen een som geld ten bedrage van € 2.000,00 (tweeduizend euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 6 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Y.M.I. Greuter-Vreeburg, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. M.E. Francke en mr. G.D.M. Hoedemaker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.M. Schouten, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 augustus 2010.

Mr. Greuter-Vreeburg is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.