Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BO8553

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
27-07-2010
Datum publicatie
23-12-2010
Zaaknummer
14.810151-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Stalking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR, ZITTINGHOUDENDE TE HAARLEM

Sector straf

Parketnummer : 14.810151-10

Datum uitspraak : 27 juli 2010

TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

gedetineerd in PI Noord Holland Noord - HvB Zwaag te Zwaag.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 juli 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, die ertoe strekt dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest, onder de bijzondere voorwaarden:

- dat verdachte zich gedurende zijn proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen, die de verdachte zullen worden gegeven door of namens Palier, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt;

- dat verdachte zal meewerken aan een intake en een ambulante behandeling bij een forensische polikliniek;

- een contactverbod met [slachtoffer];

- een straatverbod voor de [straatnaam] te Den Helder.

Tevens heeft de rechtbank kennis genomen van hetgeen door de verdachte en door

mr. C.M. Peeperkorn, raadsvrouw van de verdachte, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, ten laste gelegd dat

1.

hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 oktober 2009 tot en met 2 april 2010 in de gemeente Den Helder en/of (elders) in Nederland, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], in elk geval van een ander, (telkens) met het oogmerk die [slachtoffer], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte

* die [slachtoffer] (heel) veel, althans meerdere, brieven gestuurd en/of

* die [slachtoffer] (heel) veel, althans meerdere, sms-berichten gestuurd en/of

* (heel) vaak, althans meerdere keren, die [slachtoffer]' voicemail ingesproken en/of

* die [slachtoffer] opgezocht op haar (onderduik)adres en/of

* de woning, waar die [slachtoffer] zich op dat moment bevond, binnen gedrongen en/of

* (daarbij) de (vele) aanmaningen en/of verzoeken van die [slachtoffer] om weg te gaan genegeerd;

2.

hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 december 2009 tot en met 9 maart 2010 in de gemeente Den Helder [slachtoffer] (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend in één of meer sms-berichten de woorden toegevoegd: "Hey lieverd, zou je mij misschien willen bellen, laat me alsjeblieft terug in mijn hart, moppie, anders wordt het mijn dood en dan hoop ik alleen de mijne xxx" en/of "Of wil je ook zo een drama als in zeeland kan zo maar je ziet het" (daarbij doelende op een [recent] dodelijk gezinsdrama in Zierikzee), althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- of schrijffouten voorkomen, worden deze verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. PARTIËLE VRIJSPRAAK

A. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit op het standpunt gesteld dat hoewel [slachtoffer] pas begin maart nadrukkelijk te kennen heeft gegeven al het contact met de verdachte te willen verbreken, objectief gezien uit de wijze van handelen van die [slachtoffer] blijkt, dat zij ook in de daaraan voorafgaande periode, zoals vermeld in de tenlastelegging, geen contact wenste met de verdachte. [slachtoffer] heeft haar intrek genomen in een blijf-van-mijn-lijf-huis en niet gereageerd op de brieven die zij van de verdachte ontving gedurende zijn detentie. Rond eind januari heeft [slachtoffer] al het contact met de verdachte verbroken waardoor zij voor de verdachte onvindbaar was. Begin maart 2010 heeft zij een nieuwe woning in Den Helder betrokken zonder de verdachte hiervan op de hoogte te stellen. Al deze omstandigheden in ogenschouw nemende kan naar het oordeel van de officier van justitie de gehele ten laste gelegde periode wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

B. Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft betoogd dat er in het dossier slechts voldoende bewijs voorhanden is, dat de verdachte zich vanaf 6 maart 2010 schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde feit. Uit een aantal van de door verdachte geschreven brieven kan worden afgeleid dat er wel degelijk een reactie van de zijde van [slachtoffer] op zijn brieven is gekomen. Voorts heeft [slachtoffer], nadat de verdachte was vrijgekomen uit zijn detentie, zelf via vrienden contact opgenomen met de verdachte. Uit het aanvullend proces-verbaal van bevindingen blijkt dat [slachtoffer] in de periode van 7 januari 2010 tot en met 22 januari 2010 de verdachte vervolgens 32 keer heeft gebeld en 36 sms-berichten heeft verstuurd. Voor de verdachte is het aldus onvoldoende duidelijk geweest dat [slachtoffer] geen contact met hem wenste, noch heeft hij dit hoeven begrijpen, aldus de raadsvrouw van de verdachte.

Voorts heeft de raadsvrouw betoogd dat [slachtoffer] eind januari haar telefoon heeft uitgezet en een nieuw telefoonnummer heeft genomen. Dit nieuwe telefoonnummer heeft de verdachte eerst op 6 maart 2010 gekregen. In de periode van 22 januari 2010 tot 6 maart 2010 heeft er derhalve feitelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] plaatsgevonden, omdat de telefoontjes en sms-berichten van de verdachte haar in die periode niet hebben bereikt. Pas op 6 maart 2010 is verdachte weer in contact met [slachtoffer] geraakt door langs te gaan bij haar woning in Den Helder. Eerst toen heeft [slachtoffer] te kennen gegeven dat zij geen contact meer met de verdachte wilde. De raadsvrouw is daarom van mening dat verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken voor de periode van 3 oktober 2009 tot en met 5 maart 2010.

C. Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] gedurende de detentie van de verdachte nimmer te kennen heeft gegeven dat zij niet gediend was van zijn brieven. Na de detentie van de verdachte, eind december 2009, tot eind januari 2010 heeft [slachtoffer] om haar moverende redenen zelf veelvuldig contact opgenomen met de verdachte. Daarna heeft zij een ander telefoonnummer genomen, waarbij zij overigens blijkens haar verklaring bij de politie niet tegen de verdachte heeft gezegd dat zij het contact met hem wilde verbreken. De rechtbank is van oordeel dat verdachte tot eind januari 2010 niet heeft hoeven begrijpen dat [slachtoffer] geen contact meer met hem wenste. Derhalve oordeelt de rechtbank dat niet kan worden bewezen dat de verdachte in die periode wederrechtelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer].

Voorts onderschrijft de rechtbank het standpunt van de raadsvrouw dat [slachtoffer] van eind januari 2010 tot en met 5 maart 2010 geen kennis heeft genomen van de pogingen van de verdachte om in contact met haar te geraken en er derhalve in die periode feitelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] heeft plaatsgevonden.

De rechtbank zal de verdachte gelet op het voorgaande vrijspreken van het ten laste gelegde onder feit 1 voor zover het de periode betreft van 3 oktober 2009 tot en met 5 maart 2010.

4. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

1.

hij op tijdstippen in de periode van 6 maart 2010 tot en met 2 april 2010 in Nederland, telkens wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], telkens met het oogmerk die [slachtoffer], te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft verdachte

* die [slachtoffer] heel veel sms-berichten gestuurd en

* meerdere keren die [slachtoffer]' voicemail ingesproken en

* die [slachtoffer] opgezocht op haar adres en

* de woning, waar die [slachtoffer] zich op dat moment bevond, binnen gedrongen en

* daarbij de vele aanmaningen en verzoeken van die [slachtoffer] om weg te gaan genegeerd;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 7 maart 2010 tot en met 9 maart 2010 in de gemeente Den Helder [slachtoffer] telkens heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte telkens opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend in sms-berichten de woorden toegevoegd: "Hey lieverd, zou je mij misschien willen bellen, laat me alsjeblieft terug in mijn hart, moppie, anders wordt het mijn dood en dan hoop ik alleen de mijne xxx" en "Of wil je ook zo een drama als in zeeland kan zo maar je ziet het" (daarbij doelende op een [recent] dodelijk gezinsdrama in Zierikzee).

5. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

6. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Belaging

Ten aanzien van feit 2:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

7. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8. MOTIVERING VAN DE STRAF

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

De verdachte heeft [slachtoffer] gedurende bijna een maand lastiggevallen, onder meer door haar veelvuldig te bellen, door haar voicemail-berichten en een groot aantal sms-berichten te sturen alsmede door haar op te zoeken in haar woning en – terwijl de verdachte zag dat zij bang voor hem was – haar woning ondanks haar vele verzoeken niet te verlaten. [slachtoffer] heeft van deze inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer veel hinder en overlast ondervonden. Ook voor de zoon van de verdachte, die bij zijn moeder, mevr. [slachtoffer], woont, is het gedrag van de verdachte, mede gelet op de voorgeschiedenis, ongetwijfeld zeer belastend geweest.

Daarnaast heeft [slachtoffer] zich zeer bedreigd gevoeld door de sms-berichten van de verdachte waarin hij onder andere refereert aan een familiedrama in Zierikzee. Het uiten van dergelijke bedreigende woorden veroorzaakt onrust en gevoelens van onveiligheid bij [slachtoffer].

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, gedateerd 6 april 2010, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld ter zake een geweldsdelict. Ook bij dit delict was [slachtoffer] het slachtoffer.

- Het naar aanleiding van een eerdere strafzaak (parketnummer 01-845389-09) d.d. 10 november 2009 omtrent de verdachte door klinisch psycholoog drs. S.J.J. Steketee uitgebrachte rapport.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 7 juli 2010 van M.M. de Geus, als reclasseringswerker verbonden aan Palier.

Dit rapport bevat onder meer de navolgende conclusie:

Betrokkene is sinds zijn laatste detentie zonder vaste woon- of verblijfplaats; heeft geen uitkering aangevraagd en is niet gekomen tot een relevante arbeidssituatie. Er is sprake van financiële problemen. Sinds kort heeft hij echter de relatie met zijn ouders, op hun initiatief, hersteld en heeft hij van hen hulp aangeboden gekregen onder andere voor huisvesting na zijn detentie. Uit de Pro Justitia rapportage van 2009 blijkt dat bij betrokkene sprake is van overmatige achterdocht, weinig zicht op andermans grenzen en een lacunaire gewetensontwikkeling. Er is geen diagnose persoonlijkheidsstoornis, wel antisociale en borderline trekken. De heer [verdachte] heeft een rigide denktrant, is impulsief, heeft een beperkte agressieregulatie en reflectievermogen en een weinig realistisch toekomstbeeld. Behandeling voor deze problematiek lijkt noodzakelijk. De door de GGZ in 2009 voorgestelde, klinische behandeling vindt de heer [verdachte] niet nodig. Wel zegt hij nu bereid te zijn een ambulante behandeling te volgen voor zijn agressieproblematiek. Drang lijkt gezien bovenstaande echter noodzakelijk om een nog op te stellen plan van aanpak tot uitvoering te brengen.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke vrijheidsstraf op haar plaats is. Bij het bepalen van de duur van het onvoorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat zij ten aanzien van feit 1 tot een andere bewezenverklaring komt dan door de officier van justitie bij het formuleren van de strafeis tot uitgangspunt is genomen. Het voorwaardelijk deel van de straf zal de rechtbank op vijf maanden vaststellen, teneinde aldus te benadrukken dat het van groot belang wordt geacht dat de verdachte meewerkt aan het door de reclassering uit te oefenen toezicht en aan de noodzakelijk geachte (ambulante) behandeling. De rechtbank zal niet, zoals door de officier van justitie gevorderd, een proeftijd bepalen van drie jaar, maar deze proeftijd stellen op 2 jaren.

9. BENADEELDE PARTIJ

De benadeelde partij [slachtoffer], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 2.692,- wegens materiële en immateriële schade die verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

De vordering tot vergoeding van de geleden materiële schade acht de rechtbank vatbaar voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij heeft een bedrag van

€ 192,- gevorderd aan materiële schade. De benadeelde partij heeft deze vordering in het voegingsformulier als volgt onderbouwd. In maart 2010 heeft benadeelde een AWARE-systeem aangeschaft. Per maand betaalt de benadeelde hiervoor een bedrag van € 48,-. De rechtbank is van oordeel dat , slechts een bedrag van € 48,- toewijsbaar is, gelet op de bewezen verklaarde periode en feiten

De vordering tot vergoeding van de geleden immateriële schade acht de rechtbank eveneens vatbaar voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij heeft een bedrag van € 2.500,- gevorderd aan immateriële schade en deze vordering in het voegingsformulier nader toegelicht. De rechtbank is op grond van de thans aanwezige onderbouwing van oordeel dat de immateriële schade in ieder geval kan worden vastgesteld op een bedrag van € 500,00.

Naar het oordeel van de rechtbank is het overige gedeelte van de vordering niet van zo eenvoudige aard dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10. SCHADEVERGOEDING ALS MAATREGEL

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens het slachtoffer [slachtoffer] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feiten is toegebracht aan de benadeelde.

De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van het verschuldigde bedrag, heft de opgelegde verplichting niet op.

11. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

De beslissing berust op genoemde artikelen zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12. BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 5 (vijf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen, die de veroordeelde zullen worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in andere bijzondere voorwaarden. Daartoe moet de veroordeelde zich binnen 5 dagen volgend op zijn invrijheidstelling melden bij de bureaudienst van de GGZ reclassering Novadic Kentron, Dr. Poletlaan 74-76, 5626 NC Eindhoven. Hierna moet hij zich gedurende zijn proeftijd blijven melden zo frequent als de toezichthouder nodig acht;

- dat de veroordeelde zal meewerken aan een intake en een eventueel daaruit voortvloeiende ambulante behandeling bij de forensische polikliniek “De Omslag” van de Woenselse Poort te Eindhoven, dan wel een soortgelijke instelling;

- dat veroordeelde gedurende de proeftijd op generlei wijze, middellijk noch onmiddellijk, contact zal zoeken met [slachtoffer];

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden op de [straatnaam] te Den Helder.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 548,- (vijfhonderdachtenveertig euro) als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] te betalen een som geld ten bedrage van € 548,-, (vijfhonderdachtenveertig euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 (tien) dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M. Devis, voorzitter,

mr. S.M. Jongkind-Jonker en mr. H.E.C. de Wit, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.J. Ros, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 juli 2010.