Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BO8550

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
06-04-2010
Datum publicatie
23-12-2010
Zaaknummer
14.700224-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitkeringsfraude. Samenhang met heden gepubliceerde zaak onder nummer 14.700223-09

Geen gemeenschap van goederen. Vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer : 14/700224-09 (P)

Datum uitspraak : 6 april 2010

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [straat, huisnummer], [postcode, woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 maart 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. M.P.J. Appelman, advocaat te Purmerend, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, ten laste gelegd, dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 07 oktober 1998 tot en met 2 oktober 2001 in de gemeente Hoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

terwijl aan hem een uitkering krachtens de Algemene bijstandswet en/of de Wet werk en bijstand was toegekend,

meermalen, althans eenmaal (telkens) een of meer geschrift(en), te weten:

een inlichtingenformulier Heronderzoek (gemeente Hoorn) (d.d. 07-10-1998) en/of

een persoonlijke verklaring (gemeente Hoorn) (d.d. 28-12-1998) en/of

een persoonlijke verklaring (gemeente Hoorn) (d.d. 30-11-1999) en/of

een persoonlijke verklaring (gemeente Hoorn) (d.d. 30-10-2000) en/of

een persoonlijke verklaring (gemeente Hoorn) (d.d. 26-09-2001),

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) valselijk niet, in elk geval niet volledig, op genoemd(e) geschrift(en) vermeld en/of doen vermelden dat hij, verdachte, (tezamen met [medeverdachte] en/of een ander) in bezit was/waren van en/of beschikte(n) over en/of gerechtigde(n) was/waren op/van vermogen(sbestanddelen)/-rechten (onroerend goed en/of een personenauto) en/of inkomsten (huurpenningen) uit vermogen(sbestanddelen)/-rechten (onroerend goed) en/of (telkens) genoemd(e) geschrift(en) ondertekend,(telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

hij in of omstreeks de periode van 03 oktober 2001 tot en met 01 april 2008 in de gemeente Hoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte], althans alleen, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 65 van de Algemene bijstandswet en/of artikel 17 Wet werk en bijstand, opzettelijk heeft/hebben nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte en/of zijn mededader wist(en), althans redelijkerwijze moest(en) vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes en/of zijn mededaders of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten (een) (bijstands)uitkering(en) ingevolge de Algemene bijstandswet en/of de Wet werk en bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte, toen en daar meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk nagelaten tijdig en/of volledig (de Afdeling Werk en Bijstand van) de gemeente Hoorn op de hoogte te stellen, althans in te lichten, dat hij/zij (mede)bezitter was/waren van en/of (mede)beschikte(n) over en/of gerechtigde(n) was/waren op/van vermogen(sbestanddelen)/-rechten (onroerend goed en/of een [personen]auto) en/of inkomsten (huurpenningen) uit vermogen(sbestanddelen)/-rechten (onroerend goed);

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot het kennisnemen van de zaak.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie ter zake van de ten laste gelegde feiten niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd.

Weliswaar is niet precies duidelijk is geworden wanneer de verdenking jegens verdachte is ontstaan, dat hij de rechtmatigheidsformulieren mogelijk in strijd met de waarheid heeft ingevuld, maar dat als ijkpunt 29 december 2000 heeft te gelden, aangezien hij toen heeft aangegeven niet over onroerend goed te beschikken, ofschoon dat eerder wel het geval was. Op dat moment was reeds sprake van een criminal charge als bedoeld in artikel 6 EVRM. Ruim acht jaar later wordt vervolgens een dagvaarding uitgebracht, hetgeen een dermate extreme termijnoverschrijding is dat dit tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te leiden.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat de onderhavige vervolging, na een dusdanig lange tijd, in strijd is te achten met het beginsel van een redelijke belangenafweging Het openbaar ministerie had nimmer tot vervolging mogen overgaan.

.

Tot slot heeft de raadsman zich aangesloten bij het door de raadsman van de medeverdachte gevoerde verweer dat sprake is van strijd met artikel 8 EVRM, nu er in Marokko een buurtonderzoek is gehouden. Daarnaast is sprake van strijd met artikel 6 EVRM, nu de gemeente heeft nagelaten verdachte erop te wijzen dat hij zichzelf niet hoefde te belasten, maar in tegendeel jarenlang is doorgegaan met het toezenden van rechtmatigheidsformulieren aan de verdachte.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bestreden dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Pas op 6 mei 2008 zijn de resultaten van het bestuursrechtelijke onderzoek in Marokko in handen gesteld van de sociale recherche en is een strafrechtelijk onderzoek gestart. De termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM, is gaan lopen op het moment dat verdachte kennis kreeg van het tegen hem ingestelde strafrechtelijk onderzoek, derhalve op 2 december 2008, zijnde de datum waarop verdachte als zodanig is gehoord.. Op 31 maart 2009 werd aan verdachte een dagvaarding betekend om te verschijnen ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer te Alkmaar op 6 mei 2009, ruimschoots binnen de termijn van twee jaren.

Voorts is de officier van justitie weliswaar van mening dat het opsporingsonderzoek voortvarender kunnen worden aangepakt, maar dat dit nog niet betekent dat de aanpak zodanig is geweest dat er grenzen zijn overschreden. Het is niet aan de verdachte om te bepalen wanneer een opsporingsonderzoek aanvangt. Er is geen sprake van vervolging in strijd met de wet of met beginselen van een goede procesorde.

Tot slot heeft de officier van justitie betoogd dat noch het buurtonderzoek, noch het blijven toezenden van formulieren is aan te merken als strijdig met het EVRM.

De rechtbank overweegt het volgende.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM niet reeds op 29 december 2000 een aanvang heeft genomen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat uit vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld HR 17 juni 2008, LJN:BD2578) volgt, dat de redelijke termijn eerst begint te lopen op het moment waarop vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem terzake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. In het onderhavige geval is eerst op 6 mei 2008 een strafrechtelijk onderzoek gestart en is verdachte op 2 december 2008 voor de eerste maal gehoord op de verdenking van sociale zekerheidsfraude. Op laatstgenoemde datum is verdachte derhalve voor het eerst geconfronteerd met een handeling van een overheidsorgaan waaruit bleek van een verdenking van een strafbaar feit, zodat op dat moment de redelijke termijn een aanvang heeft genomen. Van overschrijding van de redelijke termijn is derhalve geen sprake.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat het toezenden van de formulieren door de gemeente, lang nadat bekend was geworden dat de medeverdachte onroerend goed op haar naam had staan, er niet toe heeft geleid dat verdachte zichzelf in de onderhavige strafzaak heeft belast. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. Het eerste ten laste gelegde feit, de valsheid in geschrift, ziet op een periode gelegen voor 15 mei 2003, toen derhalve nog niet uit het rechtmatigheidsonderzoek was gebleken dat de medeverdachte een onroerende zaak op haar naam had staan.

Het tweede ten laste gelegde feit betreft niet het valselijk invullen van de rechtmatigheidsformulieren, maar het verwijt dat verdachte heeft nagelaten uit zichzelf relevante inlichtingen te verstrekken. Voor een bewezenverklaring van dit feit is de onjuiste invulling van rechtmatigheidsformulieren derhalve niet vereist.

Hieraan doet niet af dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is geweest van een onwenselijk lange periode van inactiviteit van de zijde van de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Hoorn, waardoor, hoewel men de beschikking had over voor de voortzetting van de uitkering relevante informatie, geen stappen zijn ondernomen om de eventuele financiële gevolgen voor de gemeente en nadien voor verdachte te beperken. Als gevolg van deze inactiviteit is de periode waarover het strafrechtelijke verwijt wordt gemaakt, aanzienlijk, met meerdere jaren, verlengd.

Dit gegeven is relevant indien de rechtbank tot strafoplegging komt.

De rechtbank verwerpt het verweer dat aan de vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie een onjuiste belangenafweging ten grondslag ligt, nu dit onvoldoende is onderbouwd.

De rechtbank verwerpt tevens het verweer dat het gehouden buurtonderzoek schending van artikel 8 EVRM oplevert. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende. Uit een brief van de Nederlandse ambassade van 15 mei 2003 kan worden afgeleid dat naar aanleiding van een verzoek om inlichtingen van de zijde van de gemeente Hoorn onderzoek is verricht. Dit onderzoek bestond hieruit, dat één medewerker van de ambassade informatie heeft ingewonnen in de buurt van de woning waarvan verdachte zelf had aangegeven dat hij hiervan eigenaar was. Hieruit kwam naar voren dat verdachte nog een woning zou bezitten, aan de [straatnaam]. Vervolgens is nadere informatie ingewonnen bij het kadaster te [plaats] en het Conservation Fonciére te [plaats]. Eerst op grond van deze nadere informatie werd duidelijk dat de aan de [straatnaam] gelegen woning zich bevond op grondnummer [nummer], welke ten name bleek te zijn gesteld van de medeverdachte.

In voorkomende gevallen kan het houden van een buurtonderzoek strijd opleveren met artikel 8 EVRM. Dat kan onder meer het geval zijn indien het buurtonderzoek een grootschalig of stelselmatig karakter draagt en/of indien daarmee een min of meer volledig beeld wordt verkregen van bepaalde aspecten van het privé-leven van verdachte. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de brief van 15 mei 2003 daartoe geen aanwijzingen bevat.

Gelet op het vorenstaande verwerpt de rechtbank de verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Vrijspraak

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten. Naar de mening van de officier van justitie kan verdachte aanspraak maken op het op naam van zijn gewezen echtgenote gestelde vermogen, nu zij naar Marokkaans recht nog altijd met elkaar zijn gehuwd. Om die reden had hij dit op moeten geven aan de Sociale Dienst. De perioden dat verdachte zijn personenauto niet heeft opgegeven vallen buiten het onder feit 1. ten laste gelegde, zodat verdachte van dit onderdeel dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 2 kan het verzwijgen van de personenauto wel bewezen worden verklaard.

De raadsman heeft vrijspraak van beide feiten bepleit, nu tussen verdachte en de medeverdachte nimmer sprake is geweest van gemeenschap van goederen. Dat de medeverdachte bepaalde zaken niet heeft opgegeven valt verdachte derhalve niet toe te rekenen. Met de officier van justitie is de raadsman ten aanzien van feit 1 oordeel dat de personenauto buiten de ten laste gelegde periode op naam van verdachte stond. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman geconstateerd dat verdachte de gemeente nimmer heeft benadeeld, zodat hij ook om die reden behoort te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

De rechtbank overweegt het volgende.

In december 1970 is verdachte in Marokko in het huwelijk getreden met de medeverdachte, [medeverdachte]. Dit huwelijk is op [datum] in Nederland ontbonden. In Marokko is het huwelijk niet ontbonden .

Aan verdachte is in de periode van 4 september 1996 tot en met 31 maart 2008 door de Afdeling Werk en Bijstand van de gemeente Hoorn een uitkering ABW/WWB verstrekt. Ter controle op de rechtmatigheid van deze uitkering ontvangt verdachte maandelijks een Persoonlijke verklaring en periodiek een zogenaamd heronderzoeksformulier met daarop diverse vragen over zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder vragen over mogelijke werkzaamheden, inkomsten, woonsituatie en vermogen. Na beantwoording van de vragen dient verdachte deze na datering en ondertekening in te leveren bij de Afdeling Werk en Bijstand Hoorn .

Op 15 mei 2003 wordt door de Nederlandse Ambassade via Bureau buitenland te ’s-Hertogenbosch aan de gemeentelijke Sociale Dienst te Hoorn bericht dat een onroerende zaak, gelegen aan de [straatnaam] te [plaats] ten name van de medeverdachte is gesteld, dat de waarde wordt getaxeerd op 1.622.000 Dirham en er sprake is van een huuropbrengst van genoemd pand, ingaande 1 oktober 2001, van 17.000 Dirham per maand .

Uit de stukken komt voorts naar voren dat in de periode van 14 mei 2002 tot en met 24 april 2008 viermaal in kortdurende periodes, variërend van zes weken tot bijna een jaar, een personenauto, voorzien van het [kenteken], op naam van verdachte staat geregistreerd .

[dochter verdachte], dochter van verdachte, verklaart over deze auto dat zij deze samen met haar broers en zussen heeft gekocht .

Ter terechtzitting verklaart verdachte dat de auto niet zijn eigendom was, maar toebehoorde aan zijn kinderen, die de auto om verzekeringstechnische redenen af en toe op zijn naam zetten. Verdachte verklaart voorts dat hij gebruik van de auto mocht maken.

Verdachte wordt - kort gezegd - verweten, dat hij de aanwezigheid van voornoemde onroerende zaak en voornoemde personenauto ten onrechte niet heeft opgegeven aan de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Hoorn.

Wat betreft de onroerende zaak stelt de rechtbank het volgende voorop.

Verdachte en de medeverdachte zijn in 1970 in Marokko met elkaar in het huwelijk getreden. Beiden hebben de Marokkaanse nationaliteit. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat op het huwelijk van verdachte het naar Nederlands recht gebruikelijke huwelijksgoederenregime, gemeenschap van goederen, van toepassing was dan wel op enig moment van toepassing is geworden. Ook overigens is geen bewijsmiddel voorhanden waaruit blijkt van enige aanspraak van verdachte op de op naam van de medeverdachte staande vermogensbestanddelen. Aan verdachte kan derhalve niet worden verweten dat hij deze vermogensbestanddelen niet heeft opgegeven aan de gemeente Hoorn.

Ten aanzien van de personenauto overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat het enkele gegeven, dat het kenteken van een personenauto enige malen op naam van verdachte heeft gestaan, onvoldoende is voor de slotsom dat hij als de eigenaar van die auto kan worden aangemerkt. Verdachte ontkent dat hij de eigenaar was en zijn verklaring wordt ondersteund door de verklaring van een van zijn dochters. Er is geen bewijsmiddel voorhanden waaruit blijkt dat verdachte in weerwil van zijn verklaring en die van zijn dochter wel degelijk als eigenaar kan worden aangemerkt. De omstandigheid dat ook verdachte meermalen, met name in de zomerperiode, gebruik heeft gemaakt van de auto, is niet aan te merken als een gegeven waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het van belang was voor de vaststelling van verdachtes recht op uitkering.

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd.

De verdachte moet daarom worden vrijgesproken.

5. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.C. Haverkate, voorzitter,

mr. P.H.B. Littooy en mr. E.M. Devis, rechters,

in tegenwoordigheid van W. Veenstra, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 april 2010.