Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BO8549

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
06-04-2010
Datum publicatie
23-12-2010
Zaaknummer
14-700223-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitkeringsfraude in bestuursrechtelijke fase verschiet niet van kleur naar strafrechtelijk onderzoek.

Geen strijd met de artikelen 8 en 6 EVRM. Matiging straf wegens langdurige inactiviteit gemeente.

Samenhang met heden gepubliceerde zaak onder nummer 14.700224-09

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer : 14/700223-09 (P)

Datum uitspraak : 6 april 2010

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [straat, huisnummer], [postcode, woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 maart 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. N. Hendriksen, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, ten laste gelegd, dat

1.

zij in of omstreeks de periode van 26 februari 1997 tot en met 26 september 2001 in de gemeente Hoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, terwijl aan haar een uitkering krachtens de Algemene bijstandswet en/of de Wet werk en bijstand was toegekend, meermalen, althans eenmaal (telkens) een of meer geschrift(en), te weten:

- een inlichtingenformulier Heronderzoeks (gemeente Hoorn) (d.d. 26-02-1997) en/of

- een persoonlijke verklaring (gemeente Hoorn) (d.d. 28-12-1998) en/of

- een persoonlijke verklaring (gemeente Hoorn) (d.d. 30-11-1999) en/of

- een persoonlijke verklaring (gemeente Hoorn) (d.d. 30-10-2000) en/of

- een persoonlijke verklaring (gemeente Hoorn) (d.d. 26-09-2001)

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,

(telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) valselijk niet, in elk geval niet volledig, op genoemd geschrift vermeld en/of doen vermelden dat zij, verdachte, (tezamen met M. [medeverdachte] en/of een ander) in bezit was/waren van en/of beschikte(n) over en/of gerechtigde(n) was/waren op/van vermogen(sbestanddelen)/-rechten (onroerend goed) en/of inkomsten (huurpenningen) uit vermogen(sbestanddelen)/-rechten (onroerend goed) en/of (telkens) genoemd(e) geschrift(en) ondertekend,

(telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

zij in of omstreeks de periode van 03 oktober 2001 tot en met 01 april 2008 in de gemeente Hoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte], althans alleen, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 65 van de Algemene bijstandswet en/of artikel 17 Wet werk en bijstand, opzettelijk heeft/hebben nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte en/of haar mededader wist(en), althans redelijkerwijze moest(en) vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes en/of haar mededaders of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten (een) (bijstands)uitkering(en) ingevolge de Algemene bijstandswet en/of de Wet werk en bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming,

immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar medeverdachte, toen en daar meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk nagelaten tijdig en/of volledig (de Afdeling Werk en Bijstand van) de gemeente Hoorn op de hoogte te stellen, althans in te lichten, dat zij/hij (mede)bezitter was/waren van en/of (mede)beschikte(n) over en/of gerechtigde(n) was/waren op/van vermogen(sbestanddelen)/-rechten (onroerend goed) en/of inkomsten (huurpenningen) uit vermogen(sbestanddelen)/-rechten (onroerend goed);

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot het kennisnemen van de zaak.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie ter zake van de ten laste gelegde feiten niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Hiertoe heeft hij het volgende aangevoerd.

Ook na kennisneming van het proces-verbaal van 9 februari 2010 met bijlagen, opgemaakt naar aanleiding van een ter zitting van 26 november 2009 gevoerd preliminair verweer, is niet goed te toetsen hoe en wanneer essentiële informatie is verkregen die tot verdenking van verdachte heeft geleid.

Blijkens een aanvraagformulier rechtmatigheidsonderzoek is op 24 april 2002 verzocht in Marokko een onderzoek in te stellen naar het vermogen van de medeverdachte,

[medeverdachte], en van verdachte. Uit dit aanvraagformulier kan worden afgeleid dat reeds in april 2002 sprake was van een strafrechtelijk onderzoek. Het verzoek is immers ingediend door een sociaal rechercheur, terwijl voorts in het formulier melding wordt gemaakt van tegenstrijdigheden in hetgeen de medeverdachte over het bezit van onroerend goed heeft verklaard. Nu verdachte in april 2002 reeds gescheiden was van haar toenmalige echtgenoot, medeverdachte [medeverdachte], terwijl er geen concrete verdenking was dat ook zij onroerend goed op haar naam had staan, is verdachte ten onrechte bij dit strafrechtelijk onderzoek betrokken en is ten onrechte onderzocht of zij in Marokko enig onroerend goed op haar naam had staan.

Voorts is sprake van strijd met artikel 8 EVRM, nu blijkens een brief van de Attaché voor Sociale Zaken van 15 mei 2003 door medewerkers van het Bureau voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te [plaatsnaam] buurtonderzoek is verricht, naar het hebben van bezit of vermogen van verdachte en de medeverdachte. Zonder enige aanleiding is derhalve een grove inbreuk op de privacy van verdachte gemaakt. Ook indien dit onderzoek zou hebben plaatsgevonden in het kader van een rechtmatigheids-onderzoek, zou dit onrechtmatig optreden doorwerken in de strafzaak.

Ten slotte is ook artikel 6 EVRM geschonden. Immers, reeds in 2003 was er een meer dan substantiële verdenking dat verdachte onroerend goed op haar naam had staan. Toch werd van haar verlangd dat zij jarenlang formulieren invulde waarin zij moest aangeven of er wijzigingen waren opgetreden in haar persoonlijke situatie, zonder dat zij werd gewezen op haar recht om zichzelf niet te incrimineren. Ook dit is aan te merken als een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering, zodat het openbaar ministerie ook om deze reden niet kan worden ontvangen in de vervolging.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van de verweren van de verdediging. Hij stelt daartoe dat in april 2002 geen sprake was van een opsporingsonderzoek, maar van een bestuursrechtelijk traject. Een gemeente heeft immers een zelfstandige bevoegdheid om de rechtmatigheid van de door haar verstrekte uitkeringen te onderzoeken. De wijze waarop een dergelijk onderzoek in het buitenland wordt uitgevoerd is aan de autoriteiten van dat bewuste land. Er was alle aanleiding om ook verdachte in het onderzoek te betrekken, nu zij naar Marokkaans recht nog met de medeverdachte was gehuwd. Het strafrechtelijk onderzoek is eerst op 6 mei 2008 begonnen. Van strijd met artikel 6 EVRM is geen sprake.

De rechtbank overweegt het volgende.

Verdachte heeft tot 1 april 2008 een uitkering ABW/WWB-uitkering ontvangen van de gemeente Hoorn. Met betrekking tot de ex-echtgenoot van verdachte is bij de Gemeentelijke Sociale Dienst op enig moment onduidelijkheid ontstaan over het bezit van onroerende zaken in Marokko. Toen zich in 2002 de mogelijkheid voordeed om de rechtmatigheid van het voortduren van de uitkering te toetsen door middel van het verkrijgen van informatie in Marokko heeft de gemeente Hoorn daarvan gebruik gemaakt. Uit de bijlagen bij het aanvullende proces-verbaal van 9 februari 2010 blijkt, dat aanvragen voor een dergelijk onderzoek worden gecoördineerd door een daartoe in het leven geroepen bureau buitenland, gevestigd bij de sociale recherche van de gemeente Den Bosch, terwijl ook in de gemeente Hoorn de coördinatie was gelegd in handen van de sociale recherche.

De rechtbank is van oordeel dat het enkele gegeven van de – kennelijk door pragmatische overwegingen ingegeven – coördinerende rol van de sociale recherche niet maakt dat het – bestuursrechtelijke – onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering van kleur verschiet en dient te worden aangemerkt als een strafrechtelijk onderzoek.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek zich ook mocht richten op verdachte. Nu onderzoek werd gedaan naar tegenstrijdigheden in de opgave van onroerend goed door de medeverdachte, acht de rechtbank het niet onrechtmatig dat tevens onderzoek is gedaan naar het bezit van onroerende zaken van zijn gewezen echtgenote. Van de medeverdachte was immers bekend dat hij nog voor de ontbinding van het huwelijk onroerende zaken in zijn bezit had, terwijl niet bekend was of en zo ja, op welke wijze deze aan diens vermogen waren onttrokken. Denkbaar was derhalve, dat verdachte daarvan voordeel kon hebben genoten in de vorm van toename van vermogen.

In Marokko is het verzoek om inlichtingen in handen gesteld van de Nederlandse ambassade. Uit een brief van de ambassade van 15 mei 2003 kan worden afgeleid dat één medewerker van de ambassade informatie heeft ingewonnen in de buurt van de woning waarvan de medeverdachte zelf had aangegeven dat hij hiervan eigenaar was. Hieruit kwam naar voren dat de medeverdachte nog een woning zou bezitten, aan de [straatnaam]. Vervolgens is nadere informatie ingewonnen bij het kadaster te [plaats] en het Conservation Fonciére te [plaats]. Eerst op grond van deze nadere informatie werd duidelijk dat de aan de [straatnaam] gelegen woning zich bevond op grondnummer [nummer],,welke ten name bleek te zijn gesteld van verdachte.

In voorkomende gevallen kan het houden van een buurtonderzoek strijd opleveren met artikel 8 EVRM. Dat kan onder meer het geval zijn indien het buurtonderzoek een grootschalig of stelselmatig karakter draagt en/of indien daarmee een min of meer volledig beeld wordt verkregen van bepaalde aspecten van het privé-leven van verdachte. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de brief van 15 mei 2003 daartoe geen aanwijzingen bevat. Overigens is de enige informatie die betrekking op het privé-leven van cliënt heeft, te weten de informatie over de tenaamstelling van de grond en de bijbehorende woning, niet uit het buurtonderzoek, maar uit onderzoek bij het kadaster en het Conservation Fonciére verkregen. Van schending van artikel 8 EVRM is dan ook geen sprake.

Ten aanzien van mogelijk handelen in strijd met artikel 6 EVRM overweegt de rechtbank als volgt.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het toezenden van de formulieren door de gemeente lang nadat bekend was geworden dat verdachte onroerend goed op haar naam had staan, er niet toe heeft geleid dat zij zichzelf in de onderhavige strafzaak heeft belast. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking.

Het eerste ten laste gelegde feit, de valsheid in geschrift, ziet op een periode gelegen voor 15 mei 2003, toen derhalve nog niet uit het rechtmatigheidsonderzoek was gebleken dat verdachte een onroerende zaak op haar naam had staan.

Het tweede ten laste gelegde feit betreft niet het valselijk invullen van de rechtmatigheidsformulieren, maar het verwijt dat verdachte heeft nagelaten uit zichzelf relevante inlichtingen te verstrekken. Voor een bewezenverklaring van dit feit is de onjuiste invulling van rechtmatigheidsformulieren derhalve niet vereist. Verdachte had immers ook op andere wijze de benodigde inlichtingen kunnen en moeten verschaffen.

Hieraan doet niet af dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is geweest van een onwenselijk lange periode van inactiviteit van de zijde van de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Hoorn waardoor, hoewel men de beschikking had over voor de voortzetting van de uitkering relevante informatie, geen stappen zijn ondernomen om de eventuele financiële gevolgen voor de gemeente en nadien voor verdachte te beperken. Als gevolg van deze inactiviteit is de periode waarover het strafrechtelijke verwijt wordt gemaakt, aanzienlijk, met meerdere jaren, verlengd. De rechtbank zal hierop terugkomen bij de motivering van de strafoplegging.

Gelet op het vorenstaande verwerpt de rechtbank de verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsmotivering

A. De vaststaande feiten

Aan verdachte is in de periode van 13 mei 1991 tot en met 31 maart 2008 door de Afdeling Werk en Bijstand van de gemeente Hoorn een uitkering ABW/WWB verstrekt. Ter controle op de rechtmatigheid van deze uitkering ontvangt verdachte maandelijks een Persoonlijke verklaring en periodiek een zogenaamd heronderzoeksformulier met daarop diverse vragen over de persoonlijke omstandigheden, waaronder vragen over mogelijke werkzaamheden, inkomsten, woonsituatie en vermogen. Na beantwoording van de vragen dient verdachte deze na datering en ondertekening in te leveren bij de Afdeling Werk en Bijstand Hoorn.

Op een door verdachte ondertekend formulier heronderzoek, gedateerd 26 februari 1997 maakt zij geen melding van vermogen in de vorm van onroerend goed in Marokko en van huuropbrengsten. Ook de door verdachte in de gemeente Hoorn ondertekende persoonlijke verklaringen, gedateerd 28 december 1998 , 30 november 1999 , 30 oktober 2000 en 26 september 2001 maken geen melding van een op haar naam gestelde onroerende zaak in Marokko en evenmin van huuropbrengsten.

Uit een op verzoek van de gemeente Hoorn door de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden te [plaatsnaam] uitgevoerd onderzoek is komen vast te staan dat sedert 17 februari 1989 een stuk grond op naam van verdachte is gesteld, op welke grond op enig moment een appartementencomplex is gebouwd. Door een beëdigd taxateur, de heer [naam], is in mei 2003 een taxatierapport uitgebracht. Hij schat de waarde van het onroerend goed op ca 156.000 euro. In 1989 wordt de waarde geschat op 98.000 euro . Blijkens een huurcontract tussen [naam], gemachtigde van mevrouw [verdachte], en het Ministerie van Gezondheid, wordt dit gebouw sedert 1 oktober 2001 verhuurd voor een bedrag van 17.000 Dirham per maand, te betalen op naam van de heer [naam] voornoemd.

Verdachte verklaart op 2 december 2008 tegenover verhorende ambtenaren van de Sociale Recherche Noord-Holland Noord dat de eerdergenoemde maandelijkse Persoonlijke Verklaringen zijn ingevuld door één van haar dochters en door verdachte zelf ondertekend. Ook herkent verdachte haar handtekening onder de ingevulde periodieke inlichtingenformulieren.

Ter terechtzitting verklaart verdachte dat het appartementencomplex eigendom is van haar zwager, [naam], en zuster. Het heeft in de ten laste gelegde periode op haar naam gestaan in verband met een belastingconstructie ten behoeve van haar zuster en zwager. De huuropbrengsten zijn ook betaald aan haar zuster en zwager. Verdachte verklaart voorts geen onroerend eigendom te hebben bezeten in Marokko en ook geen huur te hebben ontvangen. Zij verklaart de formulieren op de pagina’s 118 en volgende te herkennen en deze formulieren alle te hebben voorzien van haar handtekening.

Het heronderzoeksformulier d.d. 26 februari 1997 heeft zij mogelijk ingevuld samen met [naam], waarbij gebruik werd gemaakt van een tolkentelefoon. Zij herkent haar handtekening onder het formulier.

B. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het openbaar ministerie acht de beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Verdachte wist dat er onroerend goed op haar naam stond en dat er huurpenningen werden betaald. Dat heeft ze niet opgegeven, ook niet in de periode van 3 oktober 2001 tot en met 1 april 2008.

C. Het standpunt van de verdachte, de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

Verdachte heeft nimmer het oogmerk gehad om de Nederlandse overheid te benadelen en heeft evenmin welbewust de formulieren bestemd voor het behouden van haar uitkering valselijk opgemaakt. Verdachte vulde niet zelf de formulieren in. Deze werden door haar kinderen voor haar ingevuld en zij probeerden hun moeder duidelijk te maken welke informatie zij diende te verschaffen. Het is mogelijk dat zij hen niet goed heeft begrepen.

Voorts wordt op de formulieren telkens gevraagd of er zich wijzigingen in de situatie hebben voorgedaan die de uitkering kunnen beïnvloeden. Nu zich in de situatie vanaf 1989 met betrekking tot onroerend goed geen wijzigingen hebben voorgedaan was verdachte gerechtvaardigd in haar vertrouwen dat zij de gewraakte formulieren op correcte wijze deed invullen. Van intellectuele valsheid was geen sprake.

Slechts het formulier van 26 februari 1997, waarin is aangegeven dat er geen onroerend goed in bezit is in het buitenland, is onjuist.Dit formulier is vermoedelijk ingevuld door de maatschappelijk werkster, mevrouw [naam]. Zij is de Marokkaanse taal niet machtig. Niet duidelijk is of cliënte op enig moment heeft geweten welke informatie op het formulier werd aangevinkt en waarvoor zij tekende.

Het onder 2. ten laste gelegde kan evenmin worden bewezen. Niet is komen vast te staan dat cliënte opzettelijk valse informatie heeft verschaft waarmee zij niet aan haar informatieverplichting zou hebben voldaan. De valse informatie lijkt te zijn verstrekt door mevrouw [naam]. Nu niet duidelijk is in hoeverre zij cliënte heeft kunnen duidelijk maken welke informatie zou worden verstrekt kan niet worden beoordeeld in hoeverre cliënte inzicht heeft gehad in deze informatie. Cliënt mocht vertrouwen op de kunde van mevrouw [naam] om het formulier op correcte wijze in te vullen.

Al hetgeen door cliënte na de ontdekking van het op haar naam staande onroerend goed is aangegeven is onrechtmatig verkregen en mag niet meewerken aan het bewijs. Wat na 2003 is ingevuld moet worden uitgesloten van het bewijs.

D. Beoordeling van de tenlastelegging

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde op na te noemen wijze heeft begaan.

Dat verdachte mogelijk geen voordeel uit de onroerende zaak heeft genoten en mogelijk evenmin het oogmerk heeft gehad om de Nederlandse Staat te benadelen staat niet aan een bewezenverklaring in de weg. Dit laat immers onverlet dat verdachte op de haar toegezonden formulieren nimmer heeft vermeld dat een onroerende zaak, een stuk grond met een appartementencomplex, op haar naam stond en dat dat appartementencomplex werd verhuurd. Evenmin heeft zij dit uit eigen beweging gemeld. De rechtbank is van oordeel dat dit informatie betrof waarvan voor verdachte onmiskenbaar duidelijk moest zijn dat dit van belang was voor de vaststelling van het recht op uitkering, te meer nu op het heronderzoeksformulier van 26 februari 1997 expliciet naar de aanwezigheid van onroerende zaken is gevraagd.

De omstandigheid dat verdachte door haar gebrekkige kennis van de Nederlandse taal en haar onvermogen om te lezen en schrijven niet de strekking van de aan haar gestelde vragen heeft kunnen begrijpen, staat evenmin aan bewezenverklaring in de weg.

Verdachte heeft, door het aanvragen en aan zich laten verstrekken van een uitkering, zelf de verantwoordelijkheid aanvaard om aan de daarbij bepaalde voorschriften te voldoen. Van haar had derhalve mogen worden verwacht dat zij zich van adequate hulp zou voorzien, zowel bij het invullen van de verschillende formulieren als bij het achterhalen van de vraag welke informatie aan een uitkeringsinstantie dient te worden verstrekt. Daarnaast heeft verdachte door het ondertekenen van de formulieren te kennen gegeven in te staan voor de juistheid van de inhoud daarvan.

E. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij in de periode van 26 februari 1997 tot en met 26 september 2001 in de gemeente Hoorn, terwijl aan haar een uitkering krachtens de Algemene bijstandswet en de Wet werk en bijstand was toegekend, geschriften, te weten:

- een inlichtingenformulier Heronderzoek (gemeente Hoorn) (d.d. 26-02-1997) en

- een persoonlijke verklaring (gemeente Hoorn) (d.d. 28-12-1998) en

- een persoonlijke verklaring (gemeente Hoorn) (d.d. 30-11-1999) en

- een persoonlijke verklaring (gemeente Hoorn) (d.d. 30-10-2000) en

- een persoonlijke verklaring (gemeente Hoorn) (d.d. 26-09-2001)

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,

telkens valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens valselijk niet op genoemd geschrift vermeld en/of doen vermelden dat zij, verdachte, in bezit was van vermogensbestanddelen (onroerend goed) en/of inkomsten (huurpenningen) uit vermogensbestanddelen (onroerend goed) en telkens genoemde geschriften ondertekend,

telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

zij in de periode van 3 oktober 2001 tot en met 1 april 2008 in de gemeente Hoorn, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 65 van de Algemene bijstandswet en/of artikel 17 Wet werk en bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking, te weten een bijstandsuitkering ingevolge de Algemene bijstandswet en de Wet werk en bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking, immers heeft zij, verdachte, toen en daar opzettelijk nagelaten tijdig en volledig de Afdeling Werk en Bijstand van de gemeente Hoorn op de hoogte te stellen, dat zij bezitter was van vermogensbestanddelen (onroerend goed) en/of inkomsten (huurpenningen) uit vermogensbestanddelen (onroerend goed).

5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1.

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2.

In strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl zij wist dat de gegevens van belang waren voor de vaststelling van haar recht op een verstrekking dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

7. De strafoplegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank verdachte zal veroordelen tot gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van enige straf of maatregel. Verdachte kampt al lange tijd met psychische problemen en is daardoor arbeidsongeschikt. Haar uitkering is al jaren gereduceerd in verband met een opgelegde strafkorting. Er is geen sprake van geldelijk voordeel en bovendien vordert de gemeente Hoorn dat verdachte € 144.000 euro zal terug betalen wegens ten onrechte ontvangen uitkering.

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte heeft gedurende een aantal jaren in Marokko een stuk grond met opstal, zijnde een appartementencomplex, op haar naam gehad. Dit heeft zij niet opgegeven aan de sociale dienst. Verdachte heeft door zo te handelen misbruik gemaakt van het sociale zekerheidsstelsel. Zij heeft, door voor de beoordeling van haar recht op een uitkering cruciale informatie achterwege te laten, het vertrouwen waarop het stelsel van sociale voorzieningen in Nederland is gebaseerd, geschaad. Bovendien heeft zij hiermee de controle op de rechtmatigheid van de aan haar verleende uitkering onmogelijk gemaakt. Dat verdachte naar eigen zeggen met de tenaamstelling van de onroerende zaak niet zichzelf maar haar zuster heeft bevoordeeld, doet daaraan niet af. Door de verzwijging van dit gegeven heeft immers die beoordeling juist niet plaatsgevonden.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 8 oktober 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor enig strafbaar feit tot straf is veroordeeld

De rechtbank betrekt bij haar oordeel de omstandigheid dat de gemeente Hoorn een bedrag van € 144.000,00 terugvordert van verdachte en zij bovendien nog tot heden gekort wordt op haar uitkering.

De rechtbank is, gelet op de ernst van het feit van oordeel dat de straf, zoals door de

officier van justitie is gevorderd, uitgaande van de hoogte van het benadelingsbedrag,

in beginsel passend en geboden is.

De rechtbank ziet evenwel in de eerder besproken inactiviteit van de zijde van de gemeente, waardoor het benadelingsbedrag jarenlang is blijven oplopen, aanleiding om de gevorderde straf te matigen op de wijze zoals hierna zal worden weergegeven.

Het standpunt van de verdediging, inhoudende dat verdachte in het geheel niet in staat zal zijn werkzaamheden in het kader van een op te leggen taakstraf te verrichten acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 225 en 227b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. Beslissing

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van vier maanden.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een taakstraf voor de duur van 120 uren.

Beveelt voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht dat in plaats van de taakstraf vervangende hechtenis wordt toegepast, welke vervangende hechtenis wordt vastgesteld op 60 dagen.

Bepaalt, dat deze taakstraf bestaat uit een werkstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.C. Haverkate, voorzitter,

mr. P.H.B. Littooy en mr. E.M. Devis, rechters,

in tegenwoordigheid van W. Veenstra, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 april 2010.