Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BO8440

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
31-08-2010
Datum publicatie
23-12-2010
Zaaknummer
14.810052-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewelddadige overval op een Gamma bouwmarkt, waarbij vuurwapens zijn gebruikt. Daarmee zijn 5 personeelsleden bedreigd en is één personeelslid gedwongen de kluis te openen. Daarbij is een aantal van hen vastgebonden met tape. Er is bijna € 14.000,- buitgemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR, ZITTING HOUDENDE TE ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer : 14.810052-10 (P)

Datum uitspraak : 31 augustus 2010

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [straatnaam], [postcode en woonplaats],

thans gedetineerd te PI Noord, gev. De Marwei te Leeuwarden.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

17 augustus 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte, mr. N.C.E.C. Luns, advocaat te Alkmaar, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

hij op of omstreeks 14 januari 2010 in de gemeente Alkmaar tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkel, te weten de [onderneming] (gevestigd aan de [adres 1], aldaar) heeft weggenomen een geldbedrag van (ongeveer) 14.000 euro en/of drie, althans een of meerdere, mobiele telefoon(s) en/of een of twee portemonnee(s), in elk geval enig(e) goed(eren) en/of geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan de [onderneming] en/of een of meerdere medewerker(s) van de [onderneming], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen vijf, althans een of meerdere medewerker(s) van de [onderneming], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- naar de zij-ingang van die winkel is/zijn gegaan en/of daar in donkere kleding en met bivakmutsen die medewerker(s) heeft/hebben opgewacht en/of op het moment dat die medewerker(s) de winkel verliet(en)

-via de zij-ingang- een of meerdere vuurwapen(s) heeft/hebben getoond en/of dat/(een van) die vuurwapen(s) op die medewerker(s) heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden en/of die medewerker(s) toen dreigend een of meermalen heeft/hebben toegevoegd/bevolen: "dit is een overval, nu naar binnen, ga op de grond liggen, maak geen beweging want dan maak ik je dood" en/of (vervolgens) die medewerker(s) heeft/hebben teruggeduwd die winkel in en/of heeft/hebben gedwongen in die winkel op de grond te gaan liggen en/of een aantal van hen de armen/handen op de rug heeft/hebben getaped en/of een van hen vervolgens onder bedreiging van een vuurwapen heeft/hebben gedwongen de in die winkel aanwezige kluis te tonen en/of te openen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overweging ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

Op 14 januari 2010 rond 21.10 uur heeft er een gewapende overval plaatsgevonden op een filiaal van [onderneming] in Alkmaar. Uit de beelden van de overval blijkt dat hierbij vier overvallers betrokken zijn geweest. Daarbij werden de vijf nog aanwezige medewerkers met vuurwapens bedreigd en vastgebonden. De overvallers gingen er vandoor met de inhoud van de kluis en enkele mobiele telefoons. Verdachte heeft bekend de overval te hebben gepleegd en hij heeft verklaard dat hij dat samen met de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] heeft gedaan. Medeverdachte [medeverdachte 4] zou volgens de verklaring van verdachte voorafgaand aan de overval een wapen ter beschikking hebben gesteld.

De rechtbank zal dienen te beoordelen of verdachte schuldig is aan het medeplegen van de overval.

B. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het feit, zoals tenlastegelegd.

C. Standpunt van de verdachte/de verdediging

Verdachte heeft bekend het feit te hebben gepleegd. De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

D. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Op 14 januari 2010 heeft [slachtoffer 1] een getuigenverklaring afgelegd over een gewapende overval die eerder die avond, kort na 21.00 uur had plaatsgevonden bij een filiaal van [onderneming] gevestigd aan de [adres 1] in Alkmaar. De heer [slachtoffer 1] is werkzaam bij [onderneming]. Uit zijn verklaring komt het volgende naar voren:

De zaak was zojuist gesloten en de laatst aanwezige medewerkers hadden zich verzameld bij de personeelsingang om - zoals voorgeschreven - gezamenlijk het pand te verlaten. Naast getuige [slachtoffer 1] waren [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] aanwezig. Op het moment dat de deur werd geopend en de eerste medewerker naar buiten stapte zag [slachtoffer 1] dat die werd aangevallen door een persoon met een donkere bivakmuts. Direct daarna kwam er een tweede persoon met zwarte bivakmuts op [slachtoffer 1] af en zag hij een zilver- of witgoudkleurig pistool in de hand van deze persoon. Op hetzelfde moment kwamen vanachter de tweede persoon nog een derde en vierde persoon aangerend. De tweede persoon richtte het pistool op het gezicht van [slachtoffer 1] en hij zei: “Naar binnen! Liggen!” en “Liggen, anders schiet ik!”. [slachtoffer 1] ging op zijn buik liggen en zijn polsen werden op zijn rug vastgemaakt met duct tape. Uit de broekzak van [slachtoffer 1] werd zijn mobiele telefoon weggenomen. Tegen [slachtoffer 5] werd gezegd dat hij op moest staan en de kluis moest openmaken. [slachtoffer 1] heeft steeds één naam horen noemen. Die werd heel vaak genoemd. Dat was: [bijnaam].

Op 14 januari 2010 en op 11 februari 2010 heeft [slachtoffer 5] een getuigenverklaring afgelegd over deze overval. [slachtoffer 5] is assistent-bedrijfsleider bij [onderneming]. Uit zijn verklaring komt het volgende naar voren:

De winkel was gesloten en hij wilde samen met het andere personeel het pand verlaten. [slachtoffer 4] had de deur geopend en [slachtoffer 5] was het alarm aan het instellen. [slachtoffer 5] werd na het instellen van het alarm achteruit geduwd door de anderen en zag in een flits een donkere jas, een bivakmuts en een zwart pistool. [slachtoffer 5] werd gedwongen op de grond te gaan liggen en moest vervolgens onder bedreiging van een vuurwapen het alarm weer uitschakelen.

Er werd geroepen: “we moeten naar de kluis, snel” en [slachtoffer 5] moest meelopen met twee mannen, waarvan er één een zilverkleurig pistool bij zich had. Er werd hem toegevoegd: “een verkeerde beweging en we schieten je dood”. [slachtoffer 5] is met de mannen naar de kluis gegaan en heeft de kluis geopend. Een van de mannen heeft eerst al het papiergeld gepakt en in een zwarte rugtas gestopt, waarna hij om méér riep . [slachtoffer 5] gaf aan dat er alleen nog rollen muntgeld waren, die vervolgens ook door een van de verdachten in de zwarte rugtas werden gestopt. Daarna werd [slachtoffer 5] weer meegenomen door de man met het zilverkleurige wapen. [slachtoffer 5] zag zijn collega’s op de grond liggen en hij zag dat ze door een persoon werden vastgebonden met duct tape, terwijl een andere persoon daarbij stond met een vuurwapen. [slachtoffer 5] hoorde dat er om mobiele telefoons en portemonnees werd gevraagd door één van de onbekende personen. Hij moest zijn mobiele telefoon en zijn portemonnee afgeven. In de portemonnee zat geen geld en die is door de overvallers achtergelaten.

[slachtoffer 5] geeft aan dat er in zijn beleving vier mannen waren. Er waren twee daders bij hem in de kluisruimte en twee daders bij zijn collega’s. [slachtoffer 5] werd daarna gedwongen zo snel mogelijk mee te rennen naar het magazijn om de deur daarvan open te maken. [slachtoffer 5] pakte de sleutel bij de heftruck en haalde het slot van de deur. [slachtoffer 5] zei tegen de overvallers dat de deur middels een knop omhoog kon, waarna de deur ongeveer een meter werd geopend. Een van de mannen zei: “We zijn nog tien minuten buiten, niet bewegen anders schieten we je dood”, waarna ze het pand verlieten door onder de deur door te gaan. [slachtoffer 5] hoorde vervolgens portieren van een auto dicht slaan en een auto met hoog toerental wegrijden. Op het moment dat hij met zijn handen op de rug vastgebonden op de grond lag, zag hij een zilverkleurige auto langsrijden.

[slachtoffer 3] heeft op 14 januari 2010 een getuigenverklaring over de overval afgelegd waaruit het volgende naar voren komt :

[slachtoffer 3] verklaart dat hij omstreeks 21.05 uur samen met vier collega’s bij de dienstuitgang stond. Collega [slachtoffer 4] opende de deur. [slachtoffer 3] zag vervolgens drie personen, in het zwart gekleed en met bivakmutsen op, naar binnen stormen. [slachtoffer 3] zag dat zijn collega [slachtoffer 4] opzij werd geduwd. De personen riepen “ga liggen!” en [slachtoffer 3] zag dat zijn collega’s op de grond gingen liggen en ging toen zelf ook liggen. [slachtoffer 3] zag dat twee personen vuurwapens in hun handen hadden, één zilverkleurig wapen en één zwart pistool. De vuurwapens waren op [slachtoffer 3] gericht. [slachtoffer 3] deed zijn handen op z’n rug en deze werden vast getapet. Hij hoorde de personen tegen elkaar schreeuwen dat ze telefoons moesten innemen.

Op 15 februari 2010 heeft [slachtoffer 3] een nadere verklaring afgelegd , waarin hij aangeeft dat er vier overvallers waren, waarvan er één in de kluisruimte was.

[slachtoffer 2] heeft op 14 januari 2010 een getuigenverklaring over de overval afgelegd waaruit het volgende naar voren komt : [slachtoffer 2] wilde met haar vier collega’s het pand verlaten via de personeelsingang aan de zijkant. [slachtoffer 2] voelde dat ze werd teruggeduwd. Ze zag een persoon, geheel in het zwart gekleed en met een zwarte bivakmuts op, binnen komen. Ze zag dat hij haar collega naar binnen duwde. Vervolgens zag zij nog drie mannen binnen komen. Ook deze mannen waren in het zwart gekleed en droegen bivakmutsen. Er werd geroepen: “ga liggen, ga liggen!”

De bedrijfsleider, [slachtoffer 5], is naar het kantoor gegaan nadat er om de kluissleutel werd geroepen. Zeker twee personen bleven bij [slachtoffer 2] en haar andere collega’s.

Er werd om telefoons gevraagd. [slachtoffer 2] moest haar handen op de rug doen en deze werden vervolgens vast getapet.

In een aanvullende verklaring op 11 februari 2010 heeft [slachtoffer 2] aangegeven, dat haar man met de auto op haar stond te wachten bij de personeelsingang.

Tot slot heeft ook [slachtoffer 4] op 14 januari 2010 als getuige een verklaring afgelegd over de overval.

[slachtoffer 4] verklaart dat de personeelsleden van [onderneming] omstreeks 21.10 uur in de gang achter de personeelsingang stonden om gezamenlijk het pand te verlaten.

Hij opende de deur en stapte naar buiten. Op dat moment zag hij een pistool in zijn gezichtsveld. Tegelijkertijd hoorde hij meerdere mannenstemmen roepen: “dit is een overval, nu naar binnen, ga op de grond liggen, maak geen beweging want dan maak ik je dood”. Hij werd vervolgens vastgepakt en naar binnen geduwd en voelde daarbij iets in zijn rug prikken, waarschijnlijk het pistool. Binnen is hij op de grond gaan liggen, evenals zijn collega’s. [slachtoffer 4] hoorde dat er meerdere malen aan [slachtoffer 5] werd gevraagd waar de kluis was. Ondertussen werd er door een andere overvaller tegen [slachtoffer 4] en het overige personeel geschreeuwd “niet bewegen, anders maak ik je dood”. De telefoon en portemonnee van [slachtoffer 4] werden uit zijn kleding gehaald door één van de overvallers. Ondertussen hoorde hij dat twee mannen met [slachtoffer 5] naar de kluis meeliepen. De armen van [slachtoffer 4] werden op zijn rug aan elkaar vast getapet. Hij hoorde een van de overvallers tegen een ander roepen: “[bijnaam, bijnaam], kom”.

Op 18 januari 2010 heeft [naam] namens [onderneming] Alkmaar aangifte gedaan van de overval op 14 januari 2010. Uit de aangifte en de daarbij gevoegde bijlagen (kasopmaak en kluistelling) blijkt dat er ongeveer 14.000 euro uit de kluis is weggenomen.

Op 2 februari 2010 is verdachte aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de overval op [onderneming] in Alkmaar op 14 januari 2010. Tijdens het derde verhoor op 16 februari 2010 heeft verdachte bekend dat hij samen met [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] de overval op [onderneming] heeft gepleegd. [medeverdachte 4] heeft een bij de overval gebruikt wapen geleverd.

Deze verklaring heeft hij tijdens latere verhoren en bij de rechter-commissaris als getuige in de zaak tegen de medeverdachten herhaald.

Bewijs

De verklaringen van verdachte

De rechtbank zal de hierna te noemen verklaringen van verdachte voor het bewijs gebruiken, omdat deze naar het oordeel van de rechtbank betrouwbaar zijn. Daartoe is in de eerste plaats redengevend dat verdachte in zijn verklaringen mede zichzelf heeft belast. Daarnaast heeft hij gedetailleerd en uitvoerig verklaard over hoe een en ander voorafgaand, tijdens en na afloop van de overval is gegaan en hij heeft daarover grotendeels consistent verklaard. Daarnaast heeft de politie de aangevers en andere getuigen gehoord, telefoongegevens onderzocht, huiszoekingen bij de verdachten gedaan, camerabeelden bekeken en verdachte bevraagd aan de hand van opnames van de beveiligingscamera’s van [onderneming]. Dit heeft op verschillende onderdelen ondersteunend bewijsmateriaal opgeleverd.

In zijn derde verhoor verklaart verdachte dat hij op 14 januari 2010 met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] bij snackbar [naam] in Alkmaar stond. [medeverdachte 1] kwam daar ook naar toe, samen met [medeverdachte 4]. [medeverdachte 4] heeft het wapen, ‘een alarmpistooltje’ aan [medeverdachte 1] gegeven en daarna zijn verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in de auto van [medeverdachte 1], een Renault Cabrio, naar [onderneming] gereden. Verdachte verklaart dat ze aan de zijkant van [onderneming] zijn gaan staan, om te wachten tot het personeel na sluitingstijd naar buiten zou komen. Verdachte schat dat het rond 21.05/21.10 uur was. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] stonden drie à vier meter voor verdachte en zij hadden het wapen bij zich.

Op het moment dat de deur openging, renden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar de deur. Verdachte zag dat [medeverdachte 1] een personeelslid van [onderneming] pakte en hoorde hem schreeuwen: “Dit is een overval”. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] duwden de personeelsleden die vooraan liepen terug naar binnen. Verdachte ging vervolgens samen met [medeverdachte 3] ook naar binnen. Verdachte verklaart dat er volgens hem vijf personeelsleden aanwezig waren, die allemaal in het kleine gangetje bij de in/uitgang stonden. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] schreeuwden dat ze op de grond moesten gaan liggen. Verdachte en [medeverdachte 3] hebben de personeelsleden vervolgens met de handen op de rug vastgebonden met tape. [medeverdachte 3] heeft een paar telefoons uit de zakken van personeelsleden gehaald. Verdachte en [medeverdachte 3] bleven in het gangetje, terwijl [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met de chef naar de kluis gingen. Verdachte geeft aan dat hij ze vervolgens niet meer kon zien. Wel heeft hij [medeverdachte 2] horen schreeuwen: “Ik wil meer papier zien”, waarop de chef zei dat dit alles was wat er in de kluis zat. Verdachte hoorde de chef vervolgens zeggen dat er ook nog geld in de kassalades zat, waarna [medeverdachte 2] vroeg om de kassalades in de tas te legen. [medeverdachte 2] had een zwarte rugtas meegenomen. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] kwamen weer terug naar de gang, met de chef. Verdachte geeft aan dat hij vervolgens op een tv scherm zag dat er buiten een auto stond te wachten, kennelijk om iemand op te halen. [medeverdachte 1] vroeg aan de chef hoe zij via een andere weg naar buiten konden en de chef zei dat het via het magazijn kon. Samen met de chef zijn ze toen naar het magazijn gerend. De roldeuren waren op slot. De chef pakte de sleutel uit een heftruck en heeft het slot opengedaan, waarna verdachte op de knop heeft gedrukt om de deur te openen. [medeverdachte 1] bleef nog even achter om de chef vast te binden. De auto stond gelijk naast het magazijn, 6 à 7 meter verder. Ze zijn vervolgens langs het kanaal in de richting van Akersloot gereden. In Akersloot is er van auto gewisseld en zijn ze in de auto van de vader van [verdachte] verder gegaan richting Wormerveer. Op een parkeerterrein in Wormerveer is het geld verdeeld. Verdachte geeft aan dat hij denkt dat de buit zo rond de 12.000 euro is geweest, omdat ieder rond de 3000 euro heeft gekregen. [medeverdachte 2] heeft de verdeling gemaakt. [medeverdachte 2] heeft twee mobiele telefoons weggegooid en de derde telefoon aan verdachte gegeven. Verdachte verklaart dat hij een week voor de overval drie zwarte bivakmutsen heeft gekocht, samen met [medeverdachte 3]. Verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] droegen een zwarte bivakmuts. [medeverdachte 1] droeg geen bivakmuts.

In zijn vijfde verhoor verklaart verdachte dat ze voorafgaand aan de overval hadden afgesproken bij snackbar [naam]. Medeverdachte [medeverdachte 4] kwam samen met medeverdachte [medeverdachte 1], in de auto van [medeverdachte 1]. Verdachte verklaart dat ze met z’n vijven waren, want [medeverdachte 4] was er ook bij. [medeverdachte 4] was op de hoogte dat ze een overval gingen plegen op [onderneming]. [medeverdachte 4] heeft het wapen bij de snackbar aan [medeverdachte 1] gegeven en zei hem dat hij het wel die avond terug wilde hebben. [medeverdachte 4] vroeg in totaal 4000 euro in ruil voor het wapen. Dat vonden de anderen teveel. Alle vier hebben ze een rol met twee euro muntstukken gegeven. In totaal heeft [medeverdachte 4] 200 euro gekregen. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft dat de dag na de overval aan [medeverdachte 4] gegeven.

Deze verklaring van verdachte omtrent de gang van zaken tijdens de overval komt overeen met hetgeen voornoemde getuigen/aangevers hebben verklaard en wordt voorts ondersteund door de bevindingen van verbalisant [verbalisant], die de beelden van de overval van de verschillende beveiligingscamera’s in [onderneming] heeft bekeken.

Mededaders

Verdachte heeft verklaard dat hij de overval samen met [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] heeft gepleegd. De verklaring van verdachte wordt op dit punt door verschillende hierna te noemen bewijsmiddelen ondersteund.

[betrokkene] heeft op 29 januari 2010 verklaard dat hij van [medeverdachte 1] zelf heeft gehoord dat [onderneming] door [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en nog twee Turken is beroofd. Hij heeft van [medeverdachte 1] gehoord dat ze drieduizend euro per persoon buit hadden. Verder verklaart [betrokkene] dat hij samen met zijn neef [medeverdachte 4] in de auto zat op de avond van de overval en dat zij in de buurt van [onderneming] hebben gereden. [betrokkene] verklaart dat het wapen van [medeverdachte 4] is uitgeleend en dat [medeverdachte 1] of één van de anderen het heeft gebruikt. Tot slot weet [betrokkene] nog te vertellen dat ze met de Renault cabrio van [medeverdachte 1] waren en dat de Renault bij de roldeuren was geparkeerd. Hij denkt dat er vijf [onderneming] medewerkers werden vastgebonden, terwijl de manager de kluis moest openen.

Op 31 januari 2010 heeft [betrokkene] verklaard dat de [medeverdachte 3] die hij eerder noemde, [medeverdachte 3] heet. Dat heeft [medeverdachte 1] tegen hem gezegd. Ook de informatie die hij noemde over de medewerkers had hij van [medeverdachte 1] gehoord. Tot slot verklaart [betrokkene] dat zijn neef [medeverdachte 4] op de avond van de overval is gebeld met de mededeling dat [onderneming] was gelukt. Het was vermoedelijk [medeverdachte 1] die belde.

Op 8 februari 2010 verklaart [betrokkene] hierover dat zijn neef [medeverdachte 4] gebeld werd, omdat hij hen het wapen had geleend. [betrokkene] heeft van zijn neef gehoord dat ze zeiden: we zijn klaar met [onderneming], we komen vanavond je alarmpistool inleveren. [betrokkene] had eerder op de dag van de overval al van zijn neef gehoord dat [medeverdachte 1] een overval op [onderneming] wilde plegen. [medeverdachte 4] zei tegen hem dat ze naar binnen zouden gaan. [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en nog twee zouden naar [onderneming] gaan.

Ook [getuige 1] heeft op 8 februari 2010 bij de politie verklaard dat hij van [medeverdachte 1] heeft gehoord dat hij [onderneming] had overvallen. [medeverdachte 1] had gezegd dat ze met z’n vieren waren en drieënhalf duizend euro per persoon hadden.

[getuige 1] heeft voorts verklaard dat hij ongeveer drie dagen na de overval op [onderneming] van [betrokkene] hoorde dat het pistool van [medeverdachte 4] was uitgeleend en gebruikt bij de overval op [onderneming].

Voorts heeft [getuige 2] details over de overval aan de politie verteld. Op 3 februari 2010 heeft [getuige 2] bij de politie verklaard dat hij van verdachte en [medeverdachte 2] heeft gehoord dat ze samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] een overval op [onderneming] hadden gepleegd. [verdachte] had hem na afloop gebeld om te zeggen dat het was gelukt. Ze hadden met een pistool of pistolen de overval gezet en ze hadden iets van 3000 euro per persoon .

Op 4 februari 2010 legt [getuige 2] nog een verklaring af bij de politie waarin hij veel details over de overval op [onderneming] geeft die hij van [medeverdachte 2] dan wel [verdachte] heeft gehoord. Zo verklaart Sahin dat het personeel op de grond moest liggen en dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] met een medewerker naar de kluis zijn gegaan. Er zat zowel papiergeld als losgeld in de kluis. [verdachte] en [medeverdachte 3] bleven bij de medewerkers en zij zagen dat er buiten een auto kwam aanrijden, of al stil stond. Ze dachten dat één van de medewerkers opgehaald zou worden. Toen ze dat zagen zijn ze via de andere kant gevlucht naar de auto van [medeverdachte 1]. Ze zijn langs het kanaal naar Akersloot gereden en volgens [verdachte] zijn ze daar van auto gewisseld. [medeverdachte 2] heeft tegen [getuige 2] verteld dat hij het geld uitgedeeld had. [medeverdachte 2] had gezegd dat ze drieduizend euro per persoon hadden en veel losgeld. [verdachte] heeft verteld dat het personeel van [onderneming] hun telefoons uit hun zakken moest halen. Van [verdachte] heeft hij gehoord dat zijn rozeachtige telefoon van één van de medewerkers van [onderneming] is. [betrokkene] had eerder op de dag van de overval van zijn neef gehoord dat [medeverdachte 1] een overval op [onderneming] wilde plegen.

De verklaringen van verdachte, [betrokkene], [getuige 1] en [getuige 2] vinden voorts ondersteuning in de navolgende bewijsmiddelen.

- Verdachte heeft op 22 januari 2010 één van de gestolen telefoons in gebruik. Hij heeft hier overigens over verklaard dat hij die telefoon op enig moment na de overval van medeverdachte [medeverdachte 2] heeft gekregen.

- De auto van medeverdachte [medeverdachte 1] is gebruikt bij de overval, hetgeen wordt ondersteund door de camerabeelden van [onderneming] en de beelden van camera’s buiten de [onderneming] op het industrieterrein. Op deze beelden is te zien dat een lichtgrijze Renault Megane Cabrio, met als laatste cijfer van het kenteken een 4, direct voorafgaand aan- en onmiddellijk na afloop van de overval in de nabijheid van [onderneming] heeft gereden. Medeverdachte [medeverdachte 1] is eigenaar van een lichtgrijze Renault Megane Cabrio met kenteken [kenteken]. Daarnaast is de auto van [betrokkene] omstreeks 21.02 uur op de beelden te zien, met daarin twee personen, hetgeen overeenkomt met de verklaring van [betrokkene] dat hij op de avond van de overval samen met zijn neef [medeverdachte 4] in de buurt van [onderneming] heeft rondgereden.

- Het telefoonnummer van medeverdachte [medeverdachte 1] maakt op de avond van 14 januari 2010 achtereenvolgens gebruik van zendmasten in de volgende plaatsen: 18.37 uur Wormer; 18.50 uur Assendelft; 19.03 uur Alkmaar; 19.04 uur Alkmaar; 19.23 uur Alkmaar; 21.21 uur Akersloot; 21.22 uur Akersloot; 21.54 uur Wormer. Dit komt overeen met de verklaring van verdachte ten aanzien van de door hen afgelegde route na de overval, inhoudende dat in Akersloot van auto gewisseld werd. Verder blijkt uit de telefoongegevens van het bij [medeverdachte 1] in gebruik zijnde telefoonnummer dat dat nummer op 14 januari 2010 om 18.37 uur, 19.03 uur en 19.23 uur heeft gebeld met een telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte 3]. Om 19.04 uur en om 21.54 uur - op 14 januari 2010 - is er met het telefoonnummer van medeverdachte [medeverdachte 1] gebeld met het nummer in gebruik bij [medeverdachte 4]. De verklaring van [betrokkene] dat zijn neef [medeverdachte 4] na afloop van de overval is gebeld (vermoedelijk door [medeverdachte 1]) wordt hiermee naar het oordeel van de rechtbank ondersteund. Tot slot blijkt uit onderzoek van de printlijsten van [medeverdachte 1] dat op 14 januari 2010 om 22.49 uur, gedurende 36 seconden, en om 22.56 uur, gedurende 15 seconden, contact is geweest met het bij verdachte in gebruik zijnde telefoonnummer. Om 22.49 uur is gedurende 22 seconden contact geweest met het bij [medeverdachte 2] in gebruik zijnde nummer.

- Tijdens huiszoekingen zijn onder een aantal verdachten verschillende kledingstukken in beslag genomen en onderzocht. In de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] is een groene jas in beslag genomen, die in de kledingkast in de slaapkamer van [medeverdachte 1] hing. In de auto van [medeverdachte 1] is een bontmuts met flappen gevonden. In de woning waar verdachte verbleef is in zijn slaapkamer een zwart Adidas trainingspak aangetroffen en in beslag genomen.

Verbalisant [verbalisant] heeft de in beslag genomen kleding vergeleken met de kleding van de overvallers zoals zichtbaar op de camerabeelden van de overval op [onderneming]. Zijn conclusie is dat de groene jas, de bontmuts met flappen en de trainingsbroek met witte zijstrepen zeer sterk overeenkomen met kledingstukken door de overvallers gedragen tijdens de overval.

Verdachte heeft op 23 maart 2010 verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] een groene jas droeg tijdens de overval. Geconfronteerd met de in beslag genomen groene jas geeft verdachte aan dat hij 100% zeker weet dat dit de jas van [medeverdachte 1] is, gelet op de zakken op de borst en de rafels aan de jas. Zelf droeg verdachte tijdens de overval een zwarte trainingsbroek met witte strepen aan de zijkant, dezelfde als de door de politie in beslag genomen broek. Aan verdachte wordt een foto getoond van de in beslag genomen bontmuts met flappen. Verdachte verklaart dat deze van [medeverdachte 2] is, maar dat [medeverdachte 3] de muts tijdens de overval droeg. [medeverdachte 3] vroeg om die muts bij de auto van [medeverdachte 1]. De vader van [medeverdachte 2] heeft verklaard – nadat hij met de muts is geconfronteerd – dat dit de muts is van zijn zoon Voorts heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij de muts aan [medeverdachte 3] heeft uitgeleend.

Conclusie van de rechtbank

De rechtbank concludeert naar aanleiding van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen dat verdachte één van de vier overvallers is geweest die op 14 januari 2010 een [onderneming] filiaal in Alkmaar hebben overvallen. Voorts is de rechtbank van oordeel, gelet op de hiervoor omschreven feitelijke gang van zaken, dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de vier overvallers en dat er derhalve sprake is van medeplegen.

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde, een en ander zoals hierna weergegeven in de bewezenverklaring, wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 14 januari 2010 in de gemeente Alkmaar tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een winkel, te weten de [onderneming] (gevestigd aan de [adres 1]) heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 14.000 euro toebehorende aan de [onderneming] en drie mobiele telefoons en een portemonnee toebehorende aan medewerkers van de [onderneming], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen vijf medewerkers van de [onderneming], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededaders

- naar de zij-ingang van die winkel zijn gegaan en daar in donkere kleding en met bivakmutsen die medewerkers hebben opgewacht en op het moment dat die medewerkers de winkel verlieten

-via de zij-ingang- een vuurwapen hebben getoond en vuurwapens op die medewerkers hebben gericht en gericht gehouden en die medewerkers toen dreigend hebben toegevoegd/bevolen: "dit is een overval, nu naar binnen, ga op de grond liggen, maak geen beweging want dan maak ik je dood" en die medewerkers hebben teruggeduwd die winkel in en hebben gedwongen in die winkel op de grond te gaan liggen en een aantal van hen de armen/handen op de rug hebben getapet en een van hen vervolgens onder bedreiging van een vuurwapen hebben gedwongen de in die winkel aanwezige kluis te tonen en te openen.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en het volgen van een COVA training, met aftrek overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Standpunt van de verdachte/de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de proceshouding van verdachte, het feit hij niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en voorts het strafadvies zoals dit in na te noemen reclasseringsrapportage naar voren komt te volgen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Op 14 januari 2010 heeft verdachte zich, samen met drie anderen, schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een filiaal van de [onderneming] in Alkmaar. Na sluitingstijd, omstreeks 21.10 uur, wilden de laatste vijf medewerkers het filiaal via de personeelsingang verlaten. Plotseling werden zij geconfronteerd met een viertal jonge mannen met bivakmutsen. Onder bedreiging van vuurwapens werden de medewerkers terug naar binnen gedwongen. Onder bedreiging van een vuurwapen moesten zij op de grond gaan liggen en werden zij vastgebonden. Eén van hen werd onder bedreiging van een vuurwapen gedwongen de kluis te openen. De overvallers hebben door gebruikmaking van geweld en onder uiting van ernstige bedreigingen een groot geldbedrag en mobiele telefoons van enkele medewerkers gestolen.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij puur uit materiële overwegingen heeft gehandeld en op dat moment niet heeft stilgestaan bij de angst die hij, samen met anderen, teweeg bracht bij de slachtoffers van de overval.

Gewapende roofovervallen zijn zeer ernstige feiten. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke berovingen daarvan langdurig ernstige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Dergelijke feiten veroorzaken bovendien gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit het oogpunt van vergelding een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf de enige passende sanctie is.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank laten meewegen dat uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 februari 2010 ten name van verdachte niet is gebleken van andere relevante veroordelingen.

Reclassering Nederland heeft op 30 maart 2010 een adviesrapport opgesteld waarin wordt geadviseerd om aan verdachte naast een deels voorwaardelijke gevangenisstraf als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringstoezicht op te leggen. Binnen dit toezicht zal verdachte aan de training Cognitieve Vaardigheden (COVA) dienen mee te werken.

De rechtbank zal de op te leggen straf iets matigen ten opzichte van de eis van de officier van justitie, gelet op het feit dat verdachte als enige van de vier verdachten verantwoording heeft genomen voor zijn daad door een bekennende verklaring af te leggen en zijn spijt te betuigen. De rechtbank kan zich vinden in het advies van de reclassering en zal dienovereenkomstig beslissen. Alles afwegende acht de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

9. Vordering van de benadeelde partijen

9.1 Namens de benadeelde partij [moedermaatschappij onderneming], gevestigd aan de [adres], heeft de gemachtigde A.C. van der Kwaak, vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 3.757,97 wegens materiële schade die de verdachte met zijn mededaders aan hem heeft toegebracht. Voorts wordt de wettelijke rente over dit bedrag gevorderd.

De gevorderde materiële schade bestaat uit:

- € 1.821,88 exclusief btw betreffende de inzet van [bedrijf] in verband met hulpverlening en consult naar aanleiding van het onder 1 bewezenverklaarde;

- € 1.789,84 exclusief btw terzake extra beveiliging direct na het onder 1 bewezenverklaarde, in de periode van 15 januari 2010 – 29 januari 2010;

- € 146,25 exclusief btw terzake een tijdelijke ‘leenrecorder’ ter vervanging van de camera’s die in verband met het onder 1 bewezenverklaarde aan de politie zijn afgegeven,

zijnde in totaal een bedrag van € 3.757,97.

De gevorderde bedragen zijn onderbouwd met facturen die als bijlagen aan het zogenoemde voegingsformulier benadeelde in het strafproces zijn gehecht.

Uit onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Gelet op het voorgaande is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek bewezenverklaring bewezen verklaarde strafbare feit onder 1. door de handelingen van de verdachte -ook al zijn andere daders daarbij betrokken- rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van in totaal € 3.757,97, zodat de vordering tot dat bedrag kan worden toegewezen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, zijnde 14 januari 2010.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De verdachte is niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door de mededaders aan de benadeelde partij is voldaan.

9.2 De benadeelde partij [slachtoffer 5], woonplaats kiezende aan de [adres 1], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 125,- wegens materiële schade en een vergoeding wegens immateriële schade, waarvan in deze procedure een bedrag van € 2.200,- wordt gevraagd. Voorts wordt de wettelijke rente over beide bedragen gevorderd.

Uit onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

De gevorderde materiële schade bestaat uit de kosten van een mobiele telefoon die is weggenomen tijdens het onder 1. bewezenverklaarde. Mede gelet op het overgelegde prijzenoverzicht van soortgelijke telefoons, kan de rechtbank de geleden schade van de gestolen telefoon naar redelijkheid begroten op het gevorderde bedrag van € 125,-.

De immateriële schade kan naar het oordeel van de rechtbank op grond van de thans beschikbare onderbouwing worden begroot op minst genomen het gevorderde bedrag van € 2.200,00.

Gelet op het voorgaande is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek Bewezenverklaring onder 1. bewezen verklaarde strafbare feit door de handelingen van de verdachte -ook al zijn andere daders daarbij betrokken- rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van (€ 125,- + € 2.200,- =) in totaal

€ 2.325,- zodat de vordering tot dat bedrag kan worden toegewezen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, zijnde 14 januari 2010.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De verdachte is niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door de mededaders aan de benadeelde partij is voldaan.

9.3 De benadeelde partij [slachtoffer 3], wonende aan [adres], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding wegens immateriële schade, waarvan in deze procedure een bedrag van € 2.000,- wordt gevraagd. Voorts wordt de wettelijke rente over dit bedrag gevorderd.

Uit onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Gelet op het voorgaande is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek Bewezenverklaring onder 1. bewezen verklaarde strafbare feit door de handelingen van de verdachte -ook al zijn andere daders daarbij betrokken- rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag dat op grond van de thans beschikbare onderbouwing van de geleden immateriële schade kan worden begroot op minst genomen een bedrag van € 2.000,00, zodat de vordering tot dat bedrag kan worden toegewezen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, zijnde 14 januari 2010.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De verdachte is niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door de mededaders aan de benadeelde partij is voldaan.

9.4 De benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende aan [adres], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 126,92 wegens materiële schade en een vergoeding wegens immateriële schade, waarvan in deze procedure een bedrag van € 2.000,- wordt gevraagd. Voorts wordt de wettelijke rente over beide bedragen gevorderd.

Uit onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde immateriële schade van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Gelet op het voorgaande is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek Bewezenverklaring onder 1. bewezen verklaarde strafbare feit door de handelingen van de verdachte -ook al zijn andere daders daarbij betrokken- rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag dat op grond van de thans beschikbare onderbouwing van de geleden immateriële schade kan worden begroot op minst genomen een bedrag van € 2.000,00, zodat de vordering tot dat bedrag kan worden toegewezen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, zijnde 14 januari 2010.

Ten aanzien van de materiele schade overweegt de rechtbank als volgt.

De benadeelde partij heeft zich laten onderzoeken in verband met lichamelijke klachten als gevolg van de onder 1. bewezenverklaarde overval. De gevorderde materiële schade betreft de kosten van het zogenoemde eigen risico van haar Zorgverzekering 2010. Nu het kalenderjaar 2010 echter nog niet is verstreken en derhalve niet kan worden vastgesteld of er dit jaar nog meer kosten – die niet aan dit strafbare feit zijn gerelateerd – zullen worden gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat dit deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De verdachte is niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door de mededaders aan de benadeelde partij is voldaan.

9.5 De benadeelde partij [slachtoffer 4], wonende aan [adres], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding wegens immateriële schade, waarvan in deze procedure een bedrag van

€ 2.000,- wordt gevraagd. Voorts wordt de wettelijke rente dit bedrag gevorderd.

Uit onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Gelet op het voorgaande is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek Bewezenverklaring onder 1. bewezen verklaarde strafbare feit door de handelingen van de verdachte -ook al zijn andere daders daarbij betrokken- rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag dat op grond van de thans beschikbare onderbouwing van de geleden immateriële schade kan worden begroot op minst genomen een bedrag van € 2.000,00, zodat de vordering tot dat bedrag kan worden toegewezen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, zijnde 14 januari 2010.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De verdachte is niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door de mededaders aan de benadeelde partij is voldaan.

9.6 De benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende aan [adres], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 66,- wegens materiële schade en een vergoeding wegens immateriële schade, waarvan in deze procedure een bedrag van € 2.000,- wordt gevraagd. Voorts wordt de wettelijke rente over beide bedragen gevorderd.

Uit onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde immateriële schade van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Gelet op het voorgaande is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek Bewezenverklaring onder 1. bewezen verklaarde strafbare feit door de handelingen van de verdachte -ook al zijn andere daders daarbij betrokken- rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag dat op grond van de thans beschikbare onderbouwing van de geleden immateriële schade kan worden begroot op minst genomen een bedrag van € 2.000,00, zodat de vordering tot dat bedrag kan worden toegewezen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, zijnde 14 januari 2010.

Ten aanzien van de materiele schade overweegt de rechtbank als volgt.

De gevorderde materiële schade bestaat uit de kosten van een jas die tijdens de onder 1. bewezenverklaarde overval kapot zou zijn gegaan. Nu dit voorval niet is opgenomen in de aangifte dan wel in enig ander proces-verbaal, is de rechtbank van oordeel dat dit deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De verdachte is niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door de mededaders aan de benadeelde partij is voldaan.

10. Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregelen besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 1. bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht aan de benadeelden.

De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van de verschuldigde bedragen, heft de opgelegde verplichtingen niet op.

11. Beslag

De rechtbank is van oordeel, dat het in beslag genomen voorwerp, te weten:

a. 1.00 STK Telefoontoestel Kl: Zwart, BLACKBERRY, t-mobile,

dient te worden bewaard ten behoeven van de rechthebbende.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat thans geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.

12. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

13. Beslissing

De rechtbank:

? Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

? Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders tenlaste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

? Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feit.

? Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

? Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 28 (achtentwintig) maanden.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen, die de veroordeelde zullen worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook indien dit inhoudt dat veroordeelde zal deelnemen aan training Cognitieve Vaardigheden (COVA), één en ander zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt.

Verstrekt aan de genoemde instelling opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

? Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

1.00 STK Telefoontoestel Kl: Zwart, BLACKBERRY, t-mobile.

? Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [moedermaatschappij onderneming].

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 3.757,97 (drieduizend zevenhonderdzevenenvijftig euro en zevenennegentig eurocent) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het schade veroorzakende feit, zijnde 14 januari 2010.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededader zijn voldaan.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [moedermaatschappij onderneming] te betalen een som geld ten bedrage van € 3.757,97 (drieduizend zevenhonderdzevenenvijftig euro en zevenennegentig eurocent) als schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het schade veroorzakende feit, zijnde 14 januari 2010, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 47 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

? Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5].

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 2.325,00 (tweeduizend driehonderdvijfentwintig euro) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het schade veroorzakende feit, zijnde 14 januari 2010.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededaders zijn voldaan.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5] te betalen een som geld ten bedrage van € 2.325,00 (tweeduizend driehonderdvijfentwintig euro) als schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het schade veroorzakende feit, zijnde 14 januari 2010, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 33 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

? Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3].

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het schade veroorzakende feit, zijnde 14 januari 2010.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededaders zijn voldaan.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] te betalen een som geld ten bedrage van

€ 2.000,00 (tweeduizend euro) als schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het schade veroorzakende feit, zijnde 14 januari 2010, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

? Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het schade veroorzakende feit, zijnde 14 januari 2010.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededaders zijn voldaan.

Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] te betalen een som geld ten bedrage van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het schade veroorzakende feit, zijnde 14 januari 2010, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

? Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4].

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het schade veroorzakende feit, zijnde 14 januari 2010.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededaders zijn voldaan.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] te betalen een som geld ten bedrage van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het schade veroorzakende feit, zijnde 14 januari 2010, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

? Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededaders zijn voldaan.

Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] te betalen een som geld ten bedrage van € 2.000,00 (tweeduizend euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.E. Francke, voorzitter,

mr. Y.M.I. Greuter-Vreeburg en mr. G.D.M. Hoedemaker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.M. Schouten, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 augustus 2010.

Mr. Greuter-Vreeburg is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen