Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BO8413

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
04-11-2010
Datum publicatie
22-12-2010
Zaaknummer
14.700460-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 6 WVW. Onverlicht geparkeerde aanhangwagen. Aanmerkelijke onvoorzichtigheid van verdachte als verkeersdeelnemer, zijnde de laatste feitelijk bestuurder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/74
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer: 14.700460-10 (P)

Datum uitspraak: 4 november 2010

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

wonende [postcode en woonplaats], [straatnaam en huisnummer].

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

21 oktober 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. J. van Kollenburg, advocaat te Etten-Leur, en door verdachte naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

primair

hij op of omstreeks 26 november 2008 te Middenmeer, gemeente Wieringermeer, als

verkeersdeelnemer, op de [straatnaam], (op een tijdstip gelegen na

zonsondergang) zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer,

althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, op enig moment een

aanhangwagen te parkeren en/of stil te laten staan aan de rechterzijde van de

rijbaan van die weg zulks,

- terwijl die weg niet was voorzien van openbare straatverlichting en/of

- terwijl die aanhangwagen geen stadslicht en/of achterlicht voerde terwijl

dit volgens artikel 39 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens

1990 verplicht was,

waarna een bestuurder van een voertuig (bedrijfsvoertuig) tegen de achterzijde

van die (onverlichte) aanhangwagen is aangereden of gebotst, ten gevolge

waarvan die bestuurder (genaamd [slachtoffer]) is overleden;

subsidiair

hij op of omstreeks 26 november 2008 te Middenmeer, gemeente Wieringermeer, als

bestuurder van een samenstel van voertuigen (vrachtauto met aanhangwagen), op

de [straatnaam], op enig moment een aanhangwagen heeft geparkeerd en/of

stil heeft laten staan aan de rechterzijde van de rijbaan van die weg zulks,

- terwijl die weg niet was voorzien openbare straatverlichting was en/of

- terwijl die aanhangwagen geen stadslicht en/of achterlicht voerde terwijl

dit volgens artikel 39 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens

1990 verplicht was, waarna een bestuurder van een bedrijfsvoertuig tegen

de achterzijde van die (onverlichte) aanhangwagen is aangereden of gebotst;

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd.

3. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

Op 26 november 2008 omstreeks 17.05 uur kregen twee verbalisanten van de politie regio Noord-Holland Noord kennis van een ongeval dat naar hun vermoeden net had plaatsgevonden op de [straatnaam] te Middenmeer, gemeente Wieringermeer. De verbalisanten namen de situatie ter plaatse op en zagen dat een aanhangwagen aan de

- vanuit zijn rijrichting bezien - uiterste rechterzijde van genoemde weg stond zonder dat er verlichting brandde. Achter deze aanhangwagen stond een bestelbus, waarvan de achterzijde in de sloot lag (p. 3). De rechter achterzijde van de aanhangwagen was beschadigd en de voorzijde van de bestelbus was zwaar beschadigd (p. 3 en p. 4). In de bestelbus troffen de verbalisanten een man aan die werd verzorgd door het ter plaatse aanwezige brandweer- en ambulancepersoneel en later werd vervoerd naar het ziekenhuis. Deze man was genaamd

[slachtoffer] (p. 4). De heer [slachtoffer] had ernstig hoofdletsel en is na het ongeval niet meer bij bewustzijn geweest. Omdat er geen verbetering in zijn toestand optrad, is besloten de behandeling van de heer [slachtoffer] te stoppen. Hij is vervolgens op 10 december 2008 overleden (p. 38-40, Verslag betreffende een niet natuurlijke dood).

Door de politie is een verkeersongevalsanalyse (VOA) gemaakt. Hierbij werd het volgende vastgesteld. De [straatnaam] ligt buiten de bebouwde kom van Middenmeer in de gemeente Wieringermeer. Ter plaatse gold een maximumsnelheid van 80 km/uur (p. 8). De weg was in goede staat van onderhoud. De weersgesteldheid was droog doch het wegdek was nat. De zon was op 26 november 2008 ondergegaan om omstreeks 16:35 uur. Er was geen straatverlichting aanwezig (p. 9). Volgens de tachograafschijf was verdachte tussen 16:45 uur en 16:50 uur aangekomen (p. 14 en p. 16). Verdachte, de bestuurder van de vrachtauto die de aanhangwagen trok, heeft verklaard dat hij na aankomst op de onderhavige plek de aanhangwagen had losgekoppeld en aan de rechterzijde van de weg had neergezet (p. 24). Hij is vervolgens met de vrachtauto in het weiland lammeren gaan laden (p. 24). Volgens de VOA kon de verlichting van de aanhangwagen niet werken, omdat er geen verbinding tussen de accu en de verlichtingsbalk kon worden gemaakt. De aanwezige stekkers pasten namelijk niet in elkaar (p. 14). Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat de aanhangwagen geen licht voerde en ook niet kon voeren. [getuige 1], die naar zijn zeggen de hulpdiensten heeft ingeroepen, heeft verklaard ter plekke te zijn gekomen toen de auto (de rechtbank leest: bestelbus) nog stoom en water spoot. Het was schemerig en [getuige 1] kon alleen contouren onderscheiden (p. 30).

B. Standpunt van de officier van justitie

De officier acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Er is naar haar mening sprake van zeer onvoorzichtig gedrag. Het ongeval moet hebben plaatsgevonden tussen 16.55 uur en 17.05 uur. De zon was toen al ondergegaan. Bovendien was het niet toegestaan te parkeren op de plaats waar de aanhangwagen stond. [slachtoffer] zal daarom niet hebben verwacht dat de aanhangwagen stilstond. Verdachte heeft in een situatie als de onderhavige volgens de jurisprudentie te gelden als verkeersdeelnemer, aldus de officier van justitie.

De officier van justitie eist dat de rechtbank de verdachte voor het primair ten laste gelegde een gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen vervangende hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren.

C. Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte stelt voorop dat de lagere rechtspraak verdeeld is over de juridische uitleg van de term verkeersdeelnemer in de zin van artikel 6 van de Wegenver-keerswet 1994 en de Hoge Raad zich nog niet hierover heeft uitgelaten. De raadsman is van mening dat verdachte ten tijde van het ongeval niet meer als verkeersdeelnemer kon worden beschouwd, aangezien de aanhangwagen na ontkoppeling een los object is geworden en er daarom vrijspraak van het primair ten laste gelegde dient te volgen. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is van de mate van schuld die is vereist voor een veroordeling op grond van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Nu [getuige 2] ter zitting heeft verklaard dat hij rond het tijdstip van de aanrijding de aanhangwagen van enkele honderden meters afstand kon zien, zal het slachtoffer de aanhangwagen ook hebben moeten kunnen zien. Ook om deze reden zal vrijspraak moeten volgen van het primair ten laste gelegde.

Verdachte zal ook moeten worden vrijgesproken van het hem subsidiair ten laste gelegde, aldus de raadsman. De raadsman attendeert op het feit dat is vastgesteld dat al dertig meter voor de aanhangwagen een spoor in de rechterberm is aangetroffen. De heer [slachtoffer] was toen dus al naar rechts afgeweken.

Verdachte dient volgens de raadsman hooguit een geldboete en/of een voorwaardelijke rijontzegging te worden opgelegd, nu hij slechts artikel 39 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens heeft overtreden. Als verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen wordt opgelegd, zal verdachte zijn werk kwijtraken en met zijn gezin in de toekomst op een bijstandsuitkering aangewezen zijn.

D. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Uit de stukken blijkt, zoals hierboven weergegeven, dat verdachte zijn aanhangwagen heeft geparkeerd aan de rechterzijde van de weg, terwijl de schemer al was ingetreden, de weg onverlicht was en de aanhangwagen geen licht voerde, terwijl dit laatste wettelijk verplicht is. De schemer was in ieder geval ingetreden op het moment van het ongeval. De rechtbank overweegt in de lijn van de uitspraak van het Hof Amsterdam van 3 oktober 2006 (LJN:BC7965) dat het op deze plek onder deze omstandigheden achterlaten van een onverlichte aanhangwagen aanmerkelijk onvoorzichtig gedrag oplevert, zodat het daarop plaatsgevonden ongeval aan verdachtes schuld wordt toegeschreven. De aangetroffen sporen maken niet dat de rechtbank tot een ander oordeel komt. De verklaring van [getuige 2] doet dat evenmin. De rechtbank merkt op dat ook verdachte zelf heeft verklaard dat op het moment waarop hij constateerde dat er waarschijnlijk iemand tegen de aanhangwagen was gereden, de schemer was ingevallen en hij (naar de rechtbank begrijpt: slechts) de contouren van de aanhangwagen nog kon zien (p. 24).

De rechtbank sluit ook aan bij voormelde uitspraak van Hof Amsterdam met betrekking tot de vraag of verdachte op het moment van het ongeval nog als verkeersdeelnemer kan worden beschouwd. Verdachte was als laatste feitelijke bestuurder ervoor verantwoordelijk dat zijn onverlichte aanhangwagen zich op de betreffende plek van het ongeval bevond, zodat hij ook op het tijdstip van het ongeval als verkeersdeelnemer en bestuurder had te gelden.

De rechtbank acht het verkeersgedrag van de verdachte zeer onvoorzichtig. Het primair ten laste gelegde feit kan worden bewezen.

E. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 26 november 2008 te Middenmeer, gemeente Wieringermeer, als verkeersdeelnemer, op de [straatnaam] op een tijdstip gelegen na zonsondergang zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door aanmerkelijk onvoorzichtig op enig moment een aanhangwagen te parkeren en stil te laten staan aan de rechterzijde van de rijbaan van die weg, zulks

- terwijl die weg niet was voorzien van openbare straatverlichting en

- terwijl die aanhangwagen geen stadslicht en achterlicht voerde, terwijl dit volgens artikel 39 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 verplicht was,

waarna een bestuurder van een bedrijfsvoertuig tegen de achterzijde van die onverlichte aanhangwagen is aangereden, ten gevolge waarvan die bestuurder genaamd [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders in ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

6. Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7. Oplegging van de hoofdstraf en de bijkomende straf

De rechtbank heeft bij de op te leggen straffen rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en met de persoon van verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft met zijn hierboven beschreven verwijtbaar handelen een gevaarlijke situatie doen ontstaan die aan de heer [slachtoffer] het leven heeft gekost.

Uit het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 20 september 2010, blijkt niet van enige strafrechtelijke veroordeling.

De rechtbank zal de gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf en onvoorwaardelijke rijontzegging niet opleggen, gelet op het tijdsverloop tussen de datum van het ongeval en de terechtzitting. en gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die zijn gebleken op de terechtzitting. Verdachte is al vele jaren beroepschauffeur en is niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. De rechtbank acht een werkstraf van na te noemen duur evenwel aan de orde en een rijontzegging van na te noemen duur in voorwaardelijke vorm.

8. Toegepaste wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994,

zoals genoemde artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek Bewezenverklaring aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven in de rubriek Bewezenverklaring bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek strafbaarheid van het bewezen verklaarde vermelde strafbare feit.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een taakstraf voor de duur van 120 uren.

Beveelt, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat in plaats van de taakstraf vervangende hechtenis wordt toegepast, welke vervangende hechtenis wordt vastgesteld op 60 dagen.

Bepaalt dat deze taakstraf bestaat uit een werkstraf.

Ontzegt de verdachte wegens het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. van der Perk, voorzitter,

mr. H.E.C. de Wit en mr. E.K. Veldhuijzen van Zanten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.A. Huisman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 november 2010.