Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BO8357

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
22-12-2010
Zaaknummer
14.702612-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersongeval met dodelijke afloop. Een hoogbejaarde voetganger met rollator steekt bij een voetgangersoversteekplaats de weg over. De bestuurder van de auto had door tijdig te remmen ruim voor deze oversteekplaats stil kunnen komen te staan, indien hij zich aan de maximum snelheid had gehouden. Hij reed echter minimaal 17 kilometer per uur harder dan toegestaan. De rechtbank acht deze verkeersfout in samenhang met het feit dat verdachte een oversteekplaats naderde waar hij door knipperende verkeerslichten op werd geattendeerd en welke situatie extra oplettendheid vergt, voldoende om tot het oordeel te komen dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend is geweest. Omdat op basis van de medische gegevens niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid door de rechtbank kan worden vastgesteld welk letsel tot de dood van het slachtoffer heeft geleid, is niet komen vast te staan dat de dood van het slachtoffer het gevolg is geweest van de aanrijding.

Bewezenverklaring van artikel 6 WVW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer : 14.702612-09 (P)

Datum uitspraak : 17 november 2010

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres adres [postcode en woonplaats], [straatnaam en huisnummer].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 november 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. F. van der Meij, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 18 juli 2009 in de gemeente Heiloo als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de [straatnaam], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden

door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- te rijden over de rijbaan van genoemde weg, met een veel hogere snelheid dan de plaatselijk toegestane snelheid van 50 kilometer per uur en/of

- naderende een in die weg gelegen met verkeerslichten beveiligde

oversteekplaats, (welke installatie buiten werking was en op knipperen stond)

voor voetgangers en/of fietsers en/of bromfietsers en/of

- zich er niet, althans onvoldoende van te vergewissen dat een voetganger zich op die oversteekplaats bevond en/of

- zonder zijn snelheid tijdig en/of voldoende te verminderen en/of zijn voertuig tot stilstand te brengen,

die voetgangers/fiets/bromfietsoversteekplaats is opgereden, terwijl een voetganger daar liep, waarna verdachte, met het door hem bestuurde voertuig, in aanrijding of botsing is gekomen met die voetganger, waardoor die voetganger (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken onderbeen (links) en/of diverse zware kneuzingen, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of waardoor [slachtoffer] op 19 augustus 2009 is overleden;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 juli 2009 in de gemeente Heiloo als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee heeft gereden op de weg, de [straatnaam] met een veel hogere snelheid dan de plaatselijk toegestane snelheid van 50 en toen kilometer per uur en toen een in die weg gelegen met verkeerslichten beveiligde oversteekplaats, (welke installatie buiten werking was en op knipperen stond) voor voetgangers en/of fietsers en/of bromfietsers is genaderd, zich er niet, althans onvoldoende van heeft vergewist dat een voetganger zich op die oversteekplaats bevond en/of zijn snelheid niet tijdig en/of voldoende heeft verminderd en/of zijn voertuig tot stilstand heeft gebracht, maar met het door hem bestuurde voertuig die oversteekplaats is opgereden op een moment dat zich op die oversteekplaats een voetganger bevond, waarna verdachte in aanrijding of botsing met die voetganger is gekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overweging ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

Op 18 juli 2009 heeft op de [straatnaam] in de gemeente Heiloo een aanrijding plaatsgevonden tussen verdachte, die optrad als bestuurder van een motorrijtuig, en de heer [slachtoffer], hierna kortweg te noemen: [slachtoffer], die als voetganger die weg overstak. [slachtoffer] is daarbij gewond geraakt en heeft een periode in een ziekenhuis verbleven. Op 19 augustus 2009 is het slachtoffer op 90-jarige leeftijd overleden.

De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte schuld heeft aan dit verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Daarnaast moet worden beoordeeld of er causaal verband bestaat tussen het verkeersongeval en de dood van het slachtoffer. Als deze vragen ontkennend worden beantwoord, dient de rechtbank te bezien of verdachte door zijn gedraging(en) gevaar op die weg heeft veroorzaakt of kon veroorzaken, dan wel dat hij het verkeer op de weg heeft gehinderd of het verkeer door zijn gedraging(en) kon worden gehinderd in de zin van artikel 5 WVW.

B. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, nu verdachte zich naar haar mening aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen op de wijze zoals in de tenlastelegging is opgenomen. Ook acht de officier van justitie op grond van het lijkschouwrapport van G.C. Burauen voldoende komen vast te staan dat een causaal verband bestaat tussen de aanrijding van het slachtoffer en diens dood op 19 augustus 2009.

C. Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte van het hem primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, nu geen sprake is van roekeloos of aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag van verdachte. Het latere overlijden van het slachtoffer, dat mede het gevolg kan zijn geweest van de aanrijding, dient in de beoordeling van schuld in de zin van artikel 6 WVW niet te worden meegewogen, aldus de raadsman. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

D. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

Op 18 juli 2009 reed verdachte in zijn personenauto over de [straatnaam] te Heiloo. Ter hoogte van verkeerslichten stak een hoogbejaarde man met rollator over. Toen verdachte hem zag trapte hij hard op zijn rem, waardoor zijn wielen blokkeerden en zijn auto rechtdoor gleed en met de bumper in aanraking kwam met de benen van de man. De man gleed over de motorkap, kwam met zijn hoofd tegen het voorraam en viel na de klap op straat. Het slachtoffer van de aanrijding bleek te zijn genaamd [slachtoffer] , bij wie na de aanrijding onder andere een gebroken linker onderbeen werd geconstateerd.

Na het verkeersongeval heeft de politie ter plaatse onderzoek verricht. Hieruit komt naar voren dat het ongeval heeft plaatsgevonden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straatnaam] te Heiloo, ter hoogte van een kruising met een oversteekplaats voor fietsers, bromfietsers en voetgangers. Het verkeer op dit kruispunt wordt geregeld door middel van een verkeersregelinstallatie welke ten tijde van het ongeval op knipperen stond. De weg is gelegen binnen de bebouwde kom, waar de maximum snelheid 50 kilometer per uur bedraagt.

Verder heeft de politie geconstateerd dat de bestuurder van de personenauto al op afstand kon zien dat de verkeerslichten op knipperen stonden.

Daarnaast heeft de politie een tweetal remproeven uitgevoerd onder nagenoeg dezelfde weers- en temperatuuromstandigheden op de plaats van het ongeval met het betreffende voertuig en de daarbij behorende banden. Op grond van die proeven heeft de politie vastgesteld dat de bestuurder minimaal 17 kilometer per uur te hard heeft gereden en dat hij, wanneer hij de maximum snelheid had gereden, ruim voor de oversteekplaats stil had kunnen staan. De politie heeft globaal vastgesteld dat de botsplaats is geweest ter hoogte van de oversteekplaats en heeft met dat gegeven een berekening uitgevoerd waaruit volgt dat wanneer de bestuurder van de personenauto 50 kilometer per uur had gereden, hij gewoon had kunnen afremmen.

Schuld

Voor een bewezenverklaring van het misdrijf van artikel 6 WVW moet worden vastgesteld dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor iemand zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen of is overleden, terwijl er minimaal sprake moet zijn van een aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend handelen door verdachte. Een lichte mate van schuld is onvoldoende. Bij de beoordeling van de mate van schuld komt het aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In zijn algemeenheid kan niet worden aangegeven of een enkele verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in voornoemde zin, waarbij tevens dient te worden opgemerkt dat dit niet slechts uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid.

Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van bovenstaande staat vast dat verdachte de binnen de bebouwde kom geldende maximum snelheid met minimaal 17 kilometer per uur heeft overschreden. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank een ernstige verkeersovertreding op, aangezien hierdoor de bestuurde auto een langere remweg nodig heeft en een bestuurder minder goed kan anticiperen op gebeurtenissen in het verkeer. Uit de verkeersanalyse van de politie volgt dat verdachte, indien hij zich wel aan de maximum toegestane snelheid had gehouden, tijdig had kunnen remmen en een aanrijding met het slachtoffer had kunnen voorkomen. Daarnaast blijkt uit de bovenstaande weergave van de feitelijke omstandigheden van het geval dat verdachte, op het moment dat hij de maximum snelheid overtrad, een oversteekplaats voor voetgangers, fietsers en bromfietsers naderde waar hij door knipperende verkeerslichten op geattendeerd werd. Die situatie vergt extra oplettendheid. Verdachte heeft, door aanvankelijk niet voor deze oversteekplaats vaart te minderen maar daarentegen juist met een hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan deze oversteekplaats te naderen, onvoldoende rekening gehouden met de mogelijkheid dat hij alhier met andere verkeersdeelnemers zou kunnen worden geconfronteerd.

Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte door onder genoemde omstandigheden met een snelheid van 67 kilometer per uur in de bebouwde kom te blijven rijden aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend geweest zodat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

Causaal verband verkeersongeval en overlijden slachtoffer

Bij de beantwoording van de vraag of een aan verdachte toe te rekenen causaal verband kan worden aangenomen tussen het door verdachte veroorzaakte verkeersongeval en de dood van het slachtoffer stelt de rechtbank het volgende voorop. Het betrekkelijk korte tijdsverloop van 31 dagen tussen het ongeval en de dood van het slachtoffer maakt in samenhang met de in het lijkschouwrapport genoemde immobiliteit van het slachtoffer ten gevolge van de aanrijding, dat het causaal verband op het eerste gezicht aannemelijk lijkt. Echter, om het causaal verband ook daadwerkelijk te kunnen vaststellen, is naar het oordeel van de rechtbank een ondubbelzinnige medische onderbouwing en conclusie noodzakelijk. Op basis van de medische gegevens als vermeld in het lijkschouwrapport kan de rechtbank niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vaststellen welk letsel tot de dood van het slachtoffer heeft geleid. De enige daarop toegespitste zinsnede in dat rapport, te weten: “overlijden ten gevolge van late gevolgen van een verkeersongeval waarbij het slachtoffer diverse letsels opliep ten gevolge waarvan immobiliteit met fatale secundaire gevolgen” is daartoe onvoldoende. Om die reden kan de rechtbank niet beoordelen of de dood van het slachtoffer redelijkerwijze aan verdachte als veroorzaker van het verkeersongeval is toe te rekenen.

De rechtbank is daarom van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de dood van het slachtoffer het aan verdachte toe te rekenen gevolg is geweest van de door verdachte veroorzaakte aanrijding, zodat de rechtbank verdachte van dat deel van de tenlastelegging zal vrijspreken.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 juli 2009 in de gemeente Heiloo als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de [straatnaam], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,

- te rijden over de rijbaan van genoemde weg, met een veel hogere snelheid dan de plaatselijk toegestane snelheid van 50 kilometer per uur en

- naderende een in die weg gelegen met verkeerslichten beveiligde oversteekplaats, welke installatie op knipperen stond, voor voetgangers en fietsers en bromfietsers en

- zich er onvoldoende van te vergewissen dat een voetganger zich op die oversteekplaats bevond en

- zonder zijn snelheid voldoende te verminderen en zijn voertuig tot stilstand te brengen,

die voetgangers/fiets/bromfietsoversteekplaats is opgereden, terwijl een voetganger daar liep, waarna verdachte, met het door hem bestuurde voertuig, in aanrijding is gekomen met die voetganger, waardoor die voetganger, genaamd [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken onderbeen links, werd toegebracht.

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde; kwalificatie

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, bij niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 90 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de officier van justitie de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest, gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft als strafmatigende omstandigheden aangevoerd dat verdachte nog jong is, dat het ook voor hem moeilijk is de gebeurtenissen te verwerken en dat een werkstraf in een zaak als de onderhavige geen enkel doel dient. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat ook een ontzegging van de rijbevoegdheid geen doel dient, nu verdachte niet een weggebruiker is waar de overige verkeersdeelnemers tegen moeten worden beschermd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de op te leggen straffen rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en met de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto op 18 juli 2009 een verkeersongeval veroorzaakt als gevolg waarvan het [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij de veiligheid van andere weggebruikers niet in acht heeft genomen door, terwijl hij een oversteekplaats voor onder andere voetgangers naderde, zijn snelheid niet aan die omstandigheid aan te passen, maar daarentegen met een snelheid van ongeveer 67 kilometer per uur te rijden waar een maximum van 50 kilometer per uur is toegestaan.

Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie gedateerd 20 september 2010, niet eerder ter zake van enig strafbaar feit tot straf is veroordeeld. Verder houdt de rechtbank rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte en met het feit dat verdachte ook zelf gebukt lijkt te gaan onder de gevolgen van zijn verkeersgedrag op 18 juli 2009.

Op grond van het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding de door de officier van justitie geëiste straffen enigszins te matigen, in die zin dat de rechtbank verdachte een lagere werkstraf en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen in geheel voorwaardelijke vorm zal opleggen, een en ander zoals hierna in de rubriek BESLISSING zal worden aangegeven.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. Beslissing

Verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE; KWALIFICATIE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren.

Beveelt voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht dat in plaats van de taakstraf vervangende hechtenis wordt toegepast, welke vervangende hechtenis wordt vastgesteld op 60 (zestig) dagen.

Bepaalt, dat deze taakstraf bestaat uit een werkstraf.

Ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde vóór het tijdstip waarop de ontzegging van de rijbevoegdheid ingaat, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere ontzeg¬ging van de rijbevoegd¬heid in mindering is ge¬bracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. A. van der Perk en mr. E.K. Veldhuijzen van Zanten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.M. ten Bos, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 november 2010.